Vragen k. O. Griekenland



Dovnload 183.31 Kb.
Pagina1/3
Datum17.08.2016
Grootte183.31 Kb.
  1   2   3




VRAGEN K.O. : GRIEKENLAND
1. GEEF DE PERIODISERING VAN GRIEKENLAND
100.000-40.000: eerste nederzettingen (paleolithicum)

7000-2700: neolithicum

chalcolithicum

2700-1100: bronstijdperk

2700-1900: vroege bronstijd

vroeg-cycladisch

vroeg-helladisch

minoische propalatiale periode (2600-2000)



1900-1600: midden bronstijd

cycladen


midden-helladisch

minoische oudpalatiale periode (2000-1700)



1600-1100: late bronstijd

bloeitijd myceense beschaving

te kreta: vestiging myceense dynastie (1450-1400)

1450-1375: myceense dynsatie

1375-1250: postpalatiale periode

1200-800: definitieve vorming van de griekse wereld (kolonisatie)

800-500: archaische periode

5de eeuw

perzische oorlogen

pentekontaitie

peloponnesische oorlog

404-371: spartaanse hegemonie

371-362: thebaanse hegemonie

359-336: filippus II van macedonie

336-325: veroveringen van alexander de grote

325-270: diadochentijd

270-30: hellenistische wereld

na 30vchr;: totale Romeinse overheersing



2. PREHISTORISCHE GRIEKENLAND

Eerste nederzettingen

Paleolithicum: sporen v/d Neanderthaler (100000-40000 v.C.)

Neolithicum (7000-2700)


  1. eerste immigranten: waarschijnlijk uit Oosten, vanaf 7e millennium in Thessalië

Waren zeelieden die ceramiek vervaardigden en landbouw invoerden.

  1. Sesklo-cultuur: agrarisch, rechthoekige huistypes, ceramiek (zuivere vormentaal).Vespreidt zich verder over Griekenland bij begin 3e millennium en wordt beïnvloed door Klein-Azië.

  2. Dimini-cultuur: megaronhuis, ceramiek met kleurcombinaties, meander- en spiraalmotieven. Enkel in Thessalië tot metaaltijd (2500 v.C.). Over deze cultuur is niets met zekerheid geweten, hoewel er invloeden zijn vanuit Centraal-Europa.

  3. Buiten Thessalië: nederzettingen uit laat- en midden Steentijdperk (o.a. Beotië, Phokis, Argolis). Het Kretenzische Neolithicum is vooral gekend uit opgravingen van Knossos; dragers ervan komen uit Egeïsche wereld. Vormen de kern van de bevolking van waaruit de Minoërs zouden ontstaan.


Bronstijdperk (2700-1100)
geografische indeling: Cycladen (eilanden van de Egeïsche Zee buiten Kreta), Helladisch (continentaal Griekenland) en Minoïsch (Kreta)

zeer belangrijke periode:

Griekse natie krijgt vorm, misschien zelfs gemeenschappelijke taal

Op Kreta bloeit eerste Europese beschaving: Minoïsche beschaving: beïnvloedt grondig de Myceense beschaving, culmineert in de nieuwe palatiale periode op Kreta

resultaat: KRETO-MYCEENSE BESCHAVING

gradueel gevormd in vroeg- en middenbronstijd

Europese versie van een Oosterse beschaving in een mediterrane omgeving met eigen geest en sterkte. Griekse geschiedenis begint dus NIET met de komst van de Doriërs want Myceners maakten reeds deel uit v/d Griekse wereld.

Deze Kreto-Myceense erfenis is belangrijk voor de verdere Griekse geschiedenis en vindt misschien zijn neerslag in Homerische poëzie.

Opgravingen verricht door Schliemann, Dörpfeld, Blegen en Ventris (lineair B).
Vroege bronstijd (2700-1900)

Vroeg-Cycladisch, vroeg-Helladisch en vroeg-Minoïsch zijn drie onafhankelijke beschavingen met onderlinge bindingen en met Trojaanse en afzonderlijke culturen uit West-Klein-Azië, onderhevig aan invloeden uit het Oosten.

Vroeg-Cycladisch: belangrijk als brug tussen Europa en Azië; bezat hogere kunstvormen dan elders in de Griekse wereld en leunde nauwer aan bij Chalcolithisch West-Anatolië dan bij vroeg-Helladisch.

Vroeg-Helladisch: einde van de vroeg-Helladische II (2100): verwoestingen en verandering van materiële cultuur, algemene achteruitgang v/d kunst. Verklaring voor breuk moet gezocht worden in de inval van een proto-Grieks volk, dat zich vestigt in N.-Gr. tussen 2300-2100; hun oorspronkelijke taal splitste zich voor 1900 o.i.v. geografische factoren (bergen) in drie takken: West-Grieks, Ionisch en een centraal dialect dat zich later verder opdeelt in het Eolisch en het Arcado-Cypriotisch.



Minoïsche pro-palatiale periode: aanduidingen voor een ononderbroken ontwikkeling, wat geen vreemde invloeden uitsluit. De tholoi verspreiden zich noordwaarts en laten een Noord-Afrikaanse invloed na, hetgeen eventuele infiltratie van bevolking laat vermoeden. De ceramiek op Noord-Kreta veronderstelt eerder eng contact met de Cycladen.

In deze periode liggen de wortels v/d palatiale bouwkunst (cf. paleizen van Knossos, Myrtos,…).



Middenbronstijd (1900-1600)

Einde v/d uniformiteit; uitgesproken verschil in de ontwikkeling v/d drie streken:

In Helladisch Griekenland en in de Cycladen: geremde ontwikkeling

Op Kreta begint de Minoïsche beschaving te bloeien.

Cycladen: bemiddelingsrol: kruispunt van cultuur van Kreta en Griekse vasteland. Uit deze fusie ontstaat de Myceense beschaving.

Midden-Helladisch: rond 1900 scherpe breuk; verklaring?

Culturele verandering door lokale Griekse bevolking.

Vestiging nieuw volk: welke identiteit?

Communis opinio: volk dat (proto-) Grieks sprak en afkomstig was uit het Noorden of het Oosten of beide, dus 1900 betekent komst v/d Grieken.

Laatste jaren: Griekenland (en later Kreta) werd bewoond door de Loeviërs maar linguïstisch en archeologisch geen bewijs.

Tijdens migratieperiode van proto-Grieken trokken ook de Arcadiërs zuidwaarts met vorming van Arcadische dialect dat verspreid werd over heel de Peloponnesos. De Arcadiërs zelf bleven echter in Centraal-Peloponnesos.

Proto-Eolische stammen (o.a. de Achaërs) trokken naar Thessalië met daarna nog enkele kleine volksbewegingen.

Minyische beschaving: monochroom, grijze ceramiek, absidiale huizen, kist- en tumulusgraven, terug gesloten economie. Algemene achteruitgang tot 1750, vervolgens vooruitgang. Bewijs: verspreiding Minyische ceramiek met Kretenzische en Cycladische invloeden.

Minoïsche oud-palatiale periode (2000-1700)

 1e grote beschaving van de Egeïsche wereld en Europa

Rond 2000 simultane stichting van 3 paleizen (Knossos, Mallia en Phaistos) op Kreta als resultaat van migraties in Griekenland en Asia Minor en misschien ook van een overeenkomst van lokale vorsten.

Paleizen: geïnspireerd op oosterse modellen met uitstekend draineringsysteem en onversterkt wegens de unie van koningen (PAX MINOA) met de koning van Knossos als primus inter pares. Politieke en economische macht was geconcentreerd bij priester-koning.

Thalassocratie door de bloeiende handel en de onversterkte paleizen

Kamares-ceramiek:

Schrift: tot 1600 ideografisch, evolutie van picturaal tot lineair (discus van Phaistos is niet ontcijferd!)
Synchrone opeenvolgende verwoestingen in de 3 centra (aardbevingen + brand). Schade hersteld en na 3e verwoesting drie nieuwe paleizen gebouwd.

Nieuwe paleizenperiode (1700-1450): gouden tijdperk

Paleizen: groter met zelfde plan: centrale koer, ongelijk van dimensies, zucht naar comfort en hygiëne.

Na 1600: villa’s weerspiegelen verandering in sociaal en politiek stelsel

Groter federalisme en creatie van klasse van provinciegouverneurs.



Maximale expansie van Kretenzische macht: vorming ‘paleissteden’, handelsrelaties, kolonies op Cycladen

Godsdienst: gedomineerd door vrouwelijke principe (oosters): hoofdcultus van Moedergodin, gediend door priesteressen met naakte borsten die slangen manipuleren (matriarchaat). Belang v/d stier gepaard met de cultus v/d dubbele bijl en het veelvuldig voorkomen van wijdingshoornen. Goddelijke rol van priester-koning. Agrarische riten en verbondenheid met natuur.

Kunst: wijst op hoofse levensstijl; in de schilderkunst bereiken de fresco’s een hoog peil (kleuren, beweging); kleine beeldhouwwerken

Schrift: LINEAIR A = gestileerde versie v/h hiëroglyfenschrift: syllabische ideogrammen, niet ontcijferd. Magische teksten op kommen en kleitabletten.

2e helft 15e eeuw: nieuwe paleizenverwoesting, waarschijnlijk door invasie van Achaërs (Myceners)

vestiging van een nieuwe dynastie van een Achaïsch-Myceens karakter



Late bronstijd (1600-1100)

Bloeitijd Myceense beschaving

Ontstaat bij overgang van Midden- naar Laat-Helladisch (rond 1600); plotse en enorme rijkdom.

VERKLARING:

Traditioneel: komst nieuw volk (kolonisatie door Minoërs, Evans) of vestiging nieuwe dynastie te Mycene.

Anderen: piratenoperaties tegen Kreta rond 1600 of gevolg van dankbaarheid van Egypte jegens Myceense vorsten voor hun hulp bij de verdrijving v/d Hyksos

Recente studies: continuïteit tussen Midden- en Laat- Helladische periode



Progressieve verrijking van meerdere centra met een kleine heersersklasse dankzij intensificatie van handel met Kreta en andere Egeïsche streken.

Hoofdbestanddeel Myceense beschaving: inheemse, Helladische elementen met daarbij vooral Egeïsche en Minoïsche invloeden

Kenmerken:

Architectuur:

paleizen

Regelmatiger en eenvoudiger grondplan dan de Kretenzische (grote burchten): megaron, centrale haard, muren met beschilderde stucco’s of fresco’s die onder sterk Minoïsche invloed staan; in de 14e-13e eeuw omringd met cyclopische muren, voorzien van versterkte poorten.

graven

schacht-, kamer- en tholosgraven met bloeitijd in 15e –14e eeuw

bevatten rijke bijgaven

Kunst:

Sterke Minoïsche invloed; totaal on-Minoïsch is de rol van wapens en kampen. De ceramiek volgt hoofdzakelijk de Minoïsche; de naturalistische stijl ontwikkelt zich tot lineair (ca.1400), daarna als reactie weer volledige scènes met gestileerde dieren; geleidelijk verstarring = Myceense koinè

Schrift:

LINEAIR B-tabletten (archaïsch Grieks!), ontcijferd door Michael Ventris in 1952. De aard v/d taal: rond 1600 trok een deel v/d Eolisch sprekende Achaërs naar West- Peloponnesos  toevoegen van innovaties aan het oorspr. Eolisch en zelf beïnvloed door Arcado- Cypriotisch  Achaïsch dialect.

Myceense maatschappij:

Vorstendommen zijn piramidevormig en bureaucratisch



Wannax: leider, lawagetas: aanvoerder krijgsadel, basileus: soort gemeenschapsleider (verantw. voor een bep. regio of voorman v/d smeden) die wordt bijgestaan door klerken (controleren alle activiteiten v/d maatsch.), damos: grootgrondbezitters. Eerder sprake van afhankelijkheidsverhoudingen dan van slavernij.

Godsdienst:

Probleem v/d afhankelijkheid v/d Griekse geloofwereld v/d Kreto-Myceense cultuur! Er zijn verrassende overeenkomsten maar ook compleet onverstaanbare zaken. Griekse religie heeft zeker haar wortels in de Minoïsch-Myceense periode maar is er zeker niet mee gelijk te stellen, er zijn nl. wezenlijke impulsen vanuit Kl.-Azië.



Myceense macht:

Hoogtepunt in 14e-13e eeuw: Centraal-Griekenland was zeer volkrijk; in 14e eeuw explosieve expansie buiten groot Griekenland: Achaïsche nederzettingen, bloeiende kolonies (Asia Minor), handelsplaatsen; uitbreiding van Myceense invloed en handelscontacten; het is onzeker of de Myceners contact hadden met de Hittieten. Ook de historiciteit van Trojaanse oorlog is onzeker: Eratosthenes dateert 1180 wat overeen stemt met archeologische Troje VII A. Maar dan nog is de oorzaak slecht gekend: dynastische twist (roof Helena), economische oorzaak (bescherming handelsroute Zwarte Zee) of strategische oorzaak (controle v/d Dardanellen met het oog op territ. expansie in West Kl.- Azië)?



Kreta: vestiging van een Myceense dynastie (1450/1400)

Nieuwe dynastie met Achaïsch-Myceens karakter; zette de Minoïsche economische politiek verder. Het was meteen ook de laatste grote periode v/d Minoïsche kunst.

In 1375 tweede catastrofe einde van Minoïsch Kreta, Myceners baas.

POSTPALATIALE TIJD  gevolg: Kreta politiek maar niet cultureel afhankelijk, eerst nog bloei daarna grote achteruitgang. Andere theorie (Palmer) beweert dat het einde v/d Myceense dynastie op Knossos niet in 1375 plaatsgreep maar in 1200.

(voordeel: Kreta volgde algemene evolutie) Volgens nog een andere mening was de vernietiging van Knossos de eerste werkelijke invasie v/d Myceners.



3. ONTSTAAN VAN DE MYCEENSE BESCHAVING


  • KRETO-MYCEENSE BESCHAVING

  • gradueel gevormd in vroeg- en middenbronstijd

  • Europese versie van een Oosterse beschaving in een mediterrane omgeving met eigen geest en sterkte. Griekse geschiedenis begint dus NIET met de komst van de Doriërs want Myceners maakten reeds deel uit v/d Griekse wereld.

  • Deze Kreto-Myceense erfenis is belangrijk voor de verdere Griekse geschiedenis en vindt misschien zijn neerslag in Homerische poëzie.

  • Opgravingen verricht door Schliemann, Dörpfeld, Blegen en Ventris (lineair B).

Nieuwe dynastie met Achaïsch-Myceens karakter; zette de Minoïsche economische politiek verder. Het was meteen ook de laatste grote periode v/d Minoïsche kunst.

In 1375 tweede catastrofe einde van Minoïsch Kreta, Myceners baas.





4. EINDE VAN DE MYCEENSE OVERHEERSING
TRADITIONEEL
grote volksbewegingen (Phrygiërs en zeevolkeren, beiden gedomineerd door de Illyriërs) in Kl.-Azië en Nabije Oosten; volgens de traditie ondergang Myceners teweeggebracht door Doriërs (wapens uit ijzer) in 1200. Recent: lange periode van instabiliteit i.p.v. algemene verwoesting.
OORZAKEN v/d ondergang v/d Myceners:

ofwel samenwerking van meerdere factoren (rampen, hongersnood, strijd tussen verschillende paleiscentra, burgeroorlogen,…)

ofwel verlies van essentieel element van commerciële centra, nl. wegvallen van centralisatie en coördinatie van econ. en cult. activiteiten door verbreking v/d commerciële banden met het Oosten.  bevolking van Griekse vasteland verminderde sterk  intocht Doriërs

Van 1200 tot begin 9e eeuw ganse reeks migraties die met elkaar verband houden.





5. SCHETS DE VROMING VAN DE GRIEKSE WERELD
1. 1200-9de eeuw:

Doriers: in Peloponnesos: (Melos, Thera, Kreta, Rhodos, Kos, Knidos, ZW- Klein-Azie, Panphylie)

NW-grieken: (Aetolie, Zuid-Eprirus, Akarnanie, Lokris, Elis Phokis, Achaia, Kephalennia, Zakynthos, Ithaka, Leukos)

de Ioniers (Attika, Euboia, Cycladen, Westkust Klein-Azie)

Eoliers (Thessalie, Beotie, Lesbos, Tenedos)

2. 775-500:

Westen: Sicilie, Magna Graecia, Zuid-Frankrijk, Oostkust van Spanje

Zuiden: Cyrene, kolonie inEgypte

Noorden en NO: Thrakie, Propontis, boorden van de Zwarte Zee

3. 336-325: Alexander de Grote





6. DE KOLONISATIE


  1. de kolonisatie

= tweede kolonisatie (775-500); eerste (Egeïsche): vestiging Grieken op Egeïsche eilanden en de kusten van Kl.-Azië (1200-900); derde (Oecumenische): na Alexander de Grote, hellenisering v/d door hem onderworpen gebieden (4e-3e eeuw).
2.1. oorzaken kolonisatie

1.agrarisch: in eerste periode (775-675); kleine poleis koloniseren, wegens tekort aan grond en voedsel, uitgestrekte gebieden. Grote poleis (Athene en Sparta) koloniseerden niet.

2.commercieel: in tweede golf (675-500): bloeiende handelscentra zoeken sites langs handelswegen (engte van Messina)

3.sociale twisten: in Griekse poleis: minderheidspartij wordt verbannen of kiest uitwijking


2.2. soorten kolonisatie

  1. Apoikia: kolonie is volledig onafhankelijk; slechts religieuze banden: cultus v/d oikistès; vaak zelfde kalender, bevolkingsindeling en bestuursvorm als moederstad; vooral in de 1e fase.

  2. Klerouchia: uitgeweken kolonisten onder toezicht van moederstad.

2.3. vestigingsplaatsen: waar geen ander cultuurvolk was DUS niet in Midden-Oosten of Noord-Afrika



  1. Westen: vooral Sicilië, Magna Graecia werd eerst gekoloniseerd; enkele stichtingen op Oostkust van Spanje

  2. Zuiden: N.-Afrika: slechts 1 Griekse kolonie in Egypte buiten Naukratis (Griekse enclave in Egypte, geweldig handelscentrum). Cyrene in Cyrenaica bloeide vooral in de hellenistische periode.

  3. Noorden en Noordoosten: Euboea actief in Thrakië, Milete in Propontis, Megara en Milete op boorden van Zwarte Zee.

2.4. aard van de kolonisatie

Verschilt grondig v/d Romeinse (staatsverband) en v/d Modern Europese (exploitatie), beperkt zich tot kuststreken, geen integratie v/d autochtonen, geen belangstelling voor hinterland, wel economische ruil en culturele uitstraling. Kolonisatiebeweging eindigt in 6e eeuw door uitputting beste plaatsen en gevaar van buitenuit. Een variante op kolonisatie is het huurlingenwezen: vanaf 7e-6e eeuw namen vele Grieken (Kl.-Azië) dienst in Egypte en Babylonië.
2.5. gevolgen v/d kolonisatie


  1. verspreiding Griekse taal en cultuur langs kusten van de Middellandse Zee en Zwarte Zee

  2. grote bloei handel en nijverheid door de handel v/d kolonies met de barbaren en de moedersteden

  3. wijziging politieke verhoudingen in steden (middenklasse eist medezeggenschap en geschreven wetgeving ontstaat).

  4. algemene vooruitgang: muntuitvinding (7e-6e eeuw), verspreiding schrift, papyrus.

CONCLUSIE: GROTE BETEKENIS KOLONISATIE VOOR VERDERE ONTWIKKELING GRIEKSE WERELD






7. DE GROTE CULTURELE GEBIEDEN VAN DE GRIEKSE WERELD
Zuid-Italië en Sicilië:

politiek interne twisten >> vele experimentele regimes, wetgevers en tirannen (populaire leiders die opgang bourgeoisie bespoedigen). Er zijn ook stedenrivaliteiten; 2 steden steken er bovenuit: Tarente (aristocratisch) en Syracuse (tirannieën);

kenmerken nieuwe beschaving: gemakkelijk laten varen van tradities, grootse pralerige kunst via snelle rijkdom: Dorische tempels, nieuwe literaire vormen zoals koorlyriek.



Conclusie: dit gebied speelde een belangrijke rol in de vorming v/d klassieke geest en beïnvloedde Etrusken en Romeinen.

Ionië:



in 8e-6e eeuw belangrijkste centrum naast Peloponnesos door handelsactiviteit en zeer vruchtbare bodem en contacten met oosterse wereld grote rijkdom en welstand culturele bloei. Uit vermenging van oosterse elementen en Griekse raseigenschappen ontstond harmonieuze synthese:

Literatuur: Homeros, lyriek, geschiedschrijving (Hekataios van Milete en Herodotos)

Kunst: Ionische stijl

Filosofie: Ionische natuurfilosofie is bakermat van nieuwe godsdienstige stromingen in 6e eeuw.

DE GROTE CENTRA:

Ephesos: gewijd aan Artemis, goudsmeedkunst en luxenijverheid, stad v/d bankiers, stond meest open voor oosterse invloeden (terminus v/d koninklijke weg over Sardes naar Mesopotamië)

Samos: door insulariteit meest Grieks, aristocratisch tot Polycrates die de eendracht herstelde en voor het eerst in de Griekse geschiedenis een navale imperialistische politiek voerde, bekend om zijn bronswerken, Heraion (Phoikes en Theodoros).

Milete: uitzonderlijk koloniaal succes in Zwarte Zee: 1e Griekse maritieme rijk (voor Athene en zonder politiek imperialisme); wieg v/d wetenschap, na aristocratisch koningschap van priesterfamilies komt tiran Thrasoboulos; was ziel van Ionische opstand tegen Perzen.

Sparta

Geschiedenis:



belangrijkste staat qua omvang en qua bevolking door veroveringen o.a. van Centraal-Messenië in de Eerste Messenische Oorlog. In het Oosten minder succes (Argos bleef de grootste Peloponnesische staat tot 600) maar door Tweede Messenische Oorlog verovert het heel Mesopotamië.

Instellingen

SOCIALE ORGANISATIE


  1. homoioi: zuivere Spartanen door wettelijke geboorte, leefden op staatsgrond (erfelijk en bewerkt door heloten), doorliepen gemeenschappelijke opleiding: fysisch gekeurd door ambtenaar, premilitair (7-20) en militair; van 20-60 soldaat, levend in kazerne  homofilie, pederastie, vrouw bezat vrijere positie.

  2. perioikoi: vrije boeren en ambachtslui, economisch maar niet politiek onafhankelijk, geen stemrecht, wel dienstplicht; vormden met de Spartanen de stam der Lacedaimoniërs.

  3. heloten: Archaïsche bevolking van Laconië + later Messeniërs; waren soort staatsslaven: dragelijke toestand, hadden overschot na betaling van hun verplichting a/d heer; kenden lastige juridische toestand, voerden soms onbeduidende opstanden.

POLITIEKE ORGANISATIE

  1. dubbel koningschap: 2 koningen afkomstig uit de families van de Agiaden en de Eurypentieden, zijn religieuze staatshoofden en generaals met volmacht, beslissingen werden door beiden genomen, gecontroleerd door eforen.

  2. gerousia: raad van 2 koningen en 28 leden boven de 60 jaar, voor het leven gekozen; raadgevers v/d koningen en rechters in politieke en strafrechtelijke processen; vetorecht tegen wetsvoorstellen.

  3. 5 eforen: jaarlijks verkozen behartigers v/d volksbelangen; in feite pionnen v/d machtige families; reële gezagdragers; zetelden als rechters, regeren, beslissen alles vooral betreffende buitenlandse politiek en mobilisatie (tirannen).

  4. apella: volksvergadering van homoioi van boven 30 jaar, geen partijen wel klieken in dienst van rijken. Geen juridische macht, noch initiatiefrecht; kon wel wetsvoorstellen bekrachtigen of verwerpen.

VERDERE EVOLUTIE



  • Pol. en soc. systeem (‘de grote rhetra’) wordt toegeschreven aan Lycurgus maar zowel historiciteit van Lycurgus als de echtheid van Plutarchus’ rechtsdocumenten worden betwijfeld.

  • Militaire macht: oorspr.aangewend voor overheersing homoioi in Sparta zelf, in 6e eeuw voor overheersing Peloponnesos (behalve Argos). Op einde v/d archaïsche tijd was Sparta sterkste stad v/d Griekse wereld, de bevolkingen werden afhankelijke bondgenoten (en geen Messenische heloten meer) PELOPONNESISCHE LIGA/SYMMACHIE: federatie van staten gebaseerd op dualisme tussen Lacedaimoniërs en hun bondgenoten. Het is een defensieve militaire alliantie tussen Peloponnesiërs; formele garantie van autonomie, in de federale raad had elke stad 1 stem maar Sparta behield de absolute suprematie dankzij de kleine steden.

  • Economie en cultuur: eind 7e eeuw grote econ. bloei door handelsactiviteit en cult. bloei.

  • Na midden 6e eeuw: Sparta keert in zichzelf om het behoud v/d archaïsche instellingen en de dominering over de heloten te garanderen  er komt verstarring op elk gebied.

Kenmerken: etatisme, totalitarisme en militarisme. In archaïsche tijd bestond er nog geen conflict tussen Sparta en Athene; later wel rivaliteit tussen beide staten die wortelt in de antinomie staat-individu, conservatisme-progressisme.
Athene
Athene was in archaïsche tijd op econ., cult., milit. en op gebied van kolonisatie onbelangrijk (enkel in ceramiek). Belang van Athene ligt in binnenlandse politieke evolutie (cf. ontstaan en groei democratie).

Athene onder de monarchie en het aristocratisch regime

Attica

Ingedeeld in 4 fylen o.l.v. fylobasileus en zelf ingedeeld in fratrieën. Volgens de traditie is Theseus de eenmaker van Attica (synoikismos: groeperen in Attika v/d verscheidene bevolkingsgroepen en steden onder één enkel gezag, nl. dat v/d koning van Athene) maar eenmakingsproces is geleidelijk gebeurd en pas voltooid in 8e eeuw. In 8e eeuw overgang van koningschap naar aristocratisch regime:



Instelling jaarlijks archontaat: is bestuurlijke en rechtsmacht i.v.m. familie-en personenrecht. (verkozen uit Eupatrieden)

Instelling polemarchos: militaire macht

Instelling 6 thesmotheten: rechterlijke macht (opperrechters)

Basileus: behield religieuze macht (later vervangen door archoon Basileus); een college van 9 archonten was uitvoerende macht; ex-archonten zetelen in Areopaag: had groot prestige, controleerde magistraten, hield toezicht op openbare orde en zeden en had jurisdictie voor moordzaken

Ekklesia

= volksvergadering, weinig macht, aanhoorde beslissingen van magistraten en duidden in theorie de magistraten aan, bestond uit grootgrondbezitters.

Sociale onrust in 7e eeuw

sociaal-politieke overheersing v/d clans; rond 630 of 597/6 mislukte poging tot tirannie van Cylon; in 623 komt eerste geschreven wetgeving van Draco die niets verhielp en met uitzondering v/h strafrecht vervangen werd door die van Solon.

Soloon


archont in 594, zijn wetgeving dateert van 580/570; was aristocraat van afkomst, populair door deelname aan de strijd tegen Megara, werd rijk door de handel; schreef zijn pol.-soc. ideeën neer in elegieën en jamben; 1 van de 7 wijzen om zijn gematigdheid.

Sociaal-economische maatregelen

  1. seisachtheia (afschudden v/d last): verbod tot lening op persoon, d.w.z. invoeren van habeas corpus in Attische recht.

  2. chreoon apokope (delging der schulden): afschaffing schulden op grond en persoon.

  3. verbrokkeling grootgrondbezit: door erfeniswetten

  4. begunstiging middelgrote eigenaars: productie olijfolie, verbod op graanexport

  5. bevordering handel en nijverheid: munthervorming (aansluitend bij Euboïsch systeem) was belangrijk voor econ. expansie Athene arginetisch systeem.

Politieke maatregelen

  1. bevolkingsindeling in 4 censusklassen: Pentakosiomedimnoi, Hippeis, Zeugitai en Thètes. Ambten echter enkel voor 3 hoogste klassen.

  2. Areopaag: bleef bestaan maar beperktere bevoegdheden door creatie van de boulè van 400: 100 leden per fyle; hoofdbevoegdheid: probouleuma (agenda volksvergadering) als rem voor volksvergadering.

  3. Rechtspraak: overgedragen aan het volk (HELIAIA); doel: evenwicht scheppen tussen klassen maar deelname aan staatsleven stond in verhouding tot inkomen oligarchie wordt timocratie, d.w.z. dat de deelname geconditioneerd wordt door de financiële toestand.

De tirannie van de Peisistratiden (561/0-511/0)

Na Soloon was de adel ontevreden wegens aantasting privileges alsook het volk omdat maatregelen niet radicaal genoeg waren (geen grondverdeling)  toenemend antagonisme tussen 3 politieke partijen:

Parallioi (“kustbewoners”): = messoi, centrumpartij, rijke handelaars o.l.v. Megakles.

Pediakoi (“vlaktebewoners”): de Eupatrieden, rijke grootgrondbezitters; partij der conservatieven o.l.v. Lycurgus.

Diakrioi, Epakrioi, Hyperakrioi (“bergbewoners”): alle ontevredenen: boertjes, geruïneerden door schuldenafschaffing en vreemdelingen met geüsurpeerd burgerrecht, o.l.v. Peisistratos.

Peisistratos greep de macht in 561 maar pas definitief in 546. Zijn hervormingsprogramma was ter verdediging van benadeelden maar waarschijnlijk enkel ter vestiging van pers. heerschappij en vermeerdering v/h prestige.

Peisistratos’maatregelen



  1. sociaal: leende geld aan het volk zonder intresten met als doel landbouwondernemingen te beginnen; gaf grond en geld om de grote massa uit de stad te krijgen.

  2. financieel: invoering van directe belasting, dekatè.

  3. instelling demenrechters: rondreizende rechters om boeren uit Athene te houden en om verwaarlozing van landbouw tegen te gaan. Soloons wetten bleven bestaan; de tirannie was een gematigde alleenheerschappij en werd beschouwd als een gouden tijdperk, te danken aan de grote cultuur en de economische bloei, resultaat van een lange vrede en een algemene welvaart.



  1. economisch:

  • arbeid aan burgers: geen alg. tewerkstelling

  • Atheense uilen (tetradrachmen): zilvermunt met nationaal karakter

  • bezetting Sigeion aan de Dardanellen ter beveiliging v/d graanweg naar de Zwarte Zee.

e. cultureel

  • bouwpolitiek

  • beeldhouwkunst: Ioniërs in Athene (korai)

  • literatuur: def. uitgave Homeros en misschien ook Hesiodos; Ionische auteurs aan het hof

  • keramiek: grote export vazen in zwarte stijl met eigen mythologie = ontwikkeling handelaarklasse.

Religieuze politiek

Bevordering volkserediensten om officiële godsdienst te verzwakken maar bevorderde ook aristocratische goden (Apollo, Zeus en vooral schutsgodin Pallas Athena).



  • 566/5: stichting v/d Panathenaeën: groot polisfeest, steeg uit boven regionalisme van Attica.

  • Demetercultus werd in dienst gesteld v/h panhellenisme

  • Dionysoscultus werd gestimuleerd om persoonlijke motieven.

  • Athene werd religieus onafhankelijk van Olympia en Delfi.

** Peisistratos sterft in 528/7 en wordt opgevolgd door zijn zonen Hippias en Hipparchos. In 514 wordt Hipparchos vermoord door Harmodios en Aristogeitoon (tirannie wordt drukkender); in 511 Hippias verjaagd door Eupatriden en Sparta.

BESLUIT: constitutioneel was de tirannie stilstand maar was wel belangrijk voor de ontwikkeling v/d democratie. Economisch en cultureel was er sterke vooruitgang en Peisistratiden legden BASIS VOOR DE EGALITAIRE DEMOCRATIE VAN DE 5E EEUW.


5.3. Kleisthenes

= ware grondlegger v/d egalitaire democratie (508); breekt macht v/d adel door creatie nieuwe kaders waarin alle bevolkingsklassen gelijk vertegenwoordigd waren.



  1. nieuwe indeling bevolking Attica

3 natuurlijke streken vielen samen met 3 politieke partijen; deze gebieden waren elk verdeeld in 10 kantons (trittyes) en elke trittyes omvatte een aantal gemeenten (dèmoi); 3 trittyes vormden 1 fyle  10 fylen waarin 3 standen gelijk verdeeld waren. Dit decimale stelsel werd logisch doorgevoerd in de verdere uitbouw van staatslichamen. De 4 oude fylen bleven bestaan maar enkel met religieuze functie. magistraten: 10 i.p.v. 9 archonten (10e is de grammateus); 1 archont en 1 strateeg per fyle werden verkozen (beurtrol).

  1. leden van de boulè: 500 i.p.v. 400 door het lot aangeduid; boulè had minstens zelfde bevoegdheid als vorige. Elke fyle nam dagelijks bestuur waar gedurende 1/10 van het jaar (= prytanie) onder voorzitterschap v/d epistatès voor1 dag en 1 nacht.

  2. uitbreiding burgerrecht: ook aan metoiken en vreemden met demotikon (= bewoners naar de demos genoemd) i.p.v. patronymikon (naam v/d vader).

  3. areopaag: behield bevoegdheid

  4. ekklesia: onveranderd

  5. ostracisme: schervengerecht, ingesteld ter bescherming v/d democratische constitutie. Een gevaarlijk of een te invloedrijk man kon door de wil v/d burgers met stemming van 6000 man in de ekklesia verbannen of verwijderd worden voor max. 10 jaar.




8. SCHETS DE GESCHIEDENIS VAN SPARTA
Vooreerst onderwerpen de Spartanen de Aurotasvallei, behalve Amyclae dat pas in 750 wordt geintegreerd in Sparta.

753-715: eerst Messinische oorlog: Sparta heerschappij wordt uitgebreid over Centraa-

Messinie

in het Oosten: Argolis laat zich niet veroveren tot 6000

665-651: tweede messenische oorlog: Sparta valt Argolis binnen , maar Messenie komt in

opstand toch lijft Sparta nu hele Messenie in.

600: tweede Messenische opstand, geleid door Aristomene

546: verovering Kynauria en Phyreatis

492-490: 1ste Perzische oorlog: Sparta stuurt hulp maar komt te laat: Athene wint de oorlog

481-480: 2de Perzische oorlog

462-457: Sparta steunt Beotische opstand tegen Athene, maar wordt in 457 te Tanagra neer

geslagen


446: Sparta sleuit vrede met Athene (30jarige vrede van Perikles)

431-404: Peloponnesische oorlog

404-371: Spartaanse hegemonie

371: Sparta wordt in Beotie door de Thebaanse Epaminondas verpletterd

369: Athene en Sparta worden bondgenoten



9. SCHETS DE CONSTITUTIONELE EVOLUTIE / GESCHIEDENIS VAN ATHENE

Athene onder de monarchie en het aristocratisch regime


In 8e eeuw overgang van koningschap naar aristocratisch regime:

Instelling jaarlijks archontaat: is bestuurlijke en rechtsmacht i.v.m. familie-en personenrecht. (verkozen uit Eupatrieden)

Instelling polemarchos: militaire macht

Instelling 6 thesmotheten: rechterlijke macht (opperrechters)

Basileus: behield religieuze macht (later vervangen door archoon Basileus); een college van 9 archonten was uitvoerende macht; ex-archonten zetelen in Areopaag: had groot prestige, controleerde magistraten, hield toezicht op openbare orde en zeden en had jurisdictie voor moordzaken

Ekklesia: volksvergadering, weinig macht, aanhoorde beslissingen van magistraten en duidden in theorie de magistraten aan, bestond uit grootgrondbezitters.

Sociale onrust in 7e eeuw

sociaal-politieke overheersing v/d clans; rond 630 of 597/6 mislukte poging tot tirannie van Cylon; in 623 komt eerste geschreven wetgeving van Draco die niets verhielp en met uitzondering v/h strafrecht vervangen werd door die van Solon.
Soloon

archont in 594, zijn wetgeving dateert van 580/570; was aristocraat van afkomst, populair door deelname aan de strijd tegen Megara, werd rijk door de handel; schreef zijn pol.-soc. ideeën neer in elegieën en jamben; 1 van de 7 wijzen om zijn gematigdheid.



Sociaal-economische maatregelen

seisachtheia (afschudden v/d last): verbod tot lening op persoon, d.w.z. invoeren van habeas corpus in Attische recht.

chreoon apokope (delging der schulden): afschaffing schulden op grond en persoon.

verbrokkeling grootgrondbezit: door erfeniswetten

begunstiging middelgrote eigenaars: productie olijfolie, verbod op graanexport

bevordering handel en nijverheid: munthervorming (aansluitend bij Euboïsch systeem) was belangrijk voor econ. expansie Athene arginetisch systeem.



Politieke maatregelen

bevolkingsindeling in 4 censusklassen: Pentakosiomedimnoi, Hippeis,

Zeugitai en Thètes. Ambten echter enkel voor 3 hoogste klassen.

Areopaag: bleef bestaan maar beperktere bevoegdheden door creatie van de boulè van 400: 100 leden per fyle; hoofdbevoegdheid: probouleuma (agenda volksvergadering) als rem voor volksvergadering.

Rechtspraak: overgedragen aan het volk (HELIAIA); doel: evenwicht scheppen tussen klassen maar deelname aan staatsleven stond in verhouding tot inkomen oligarchie wordt timocratie, d.w.z. dat de deelname geconditioneerd wordt door de financiële toestand.
De tirannie van de Peisistratiden (561/0-511/0)

Na Soloon was de adel ontevreden wegens aantasting privileges alsook het volk omdat maatregelen niet radicaal genoeg waren (geen grondverdeling)  toenemend antagonisme tussen 3 politieke partijen:

Parallioi (“kustbewoners”): = messoi, centrumpartij, rijke handelaars o.l.v. Megakles.

Pediakoi (“vlaktebewoners”): de Eupatrieden, rijke grootgrondbezitters; partij der conservatieven o.l.v. Lycurgus.

Diakrioi, Epakrioi, Hyperakrioi (“bergbewoners”): alle ontevredenen: boertjes, geruïneerden door schuldenafschaffing en vreemdelingen met geüsurpeerd burgerrecht, o.l.v. Peisistratos.

Peisistratos greep de macht in 561 maar pas definitief in 546. Zijn hervormingsprogramma was ter verdediging van benadeelden maar waarschijnlijk enkel ter vestiging van pers. heerschappij en vermeerdering v/h prestige.

Peisistratos’maatregelen

sociaal: leende geld aan het volk zonder intresten met als doel landbouwondernemingen te beginnen; gaf grond en geld om de grote massa uit de stad te krijgen.

financieel: invoering van directe belasting, dekatè.

instelling demenrechters: rondreizende rechters om boeren uit Athene te houden en om verwaarlozing van landbouw tegen te gaan. Soloons wetten bleven bestaan; de tirannie was een gematigde alleenheerschappij en werd beschouwd als een gouden tijdperk, te danken aan de grote cultuur en de economische bloei, resultaat van een lange vrede en een algemene welvaart.

economisch:

arbeid aan burgers: geen alg. tewerkstelling

Atheense uilen (tetradrachmen): zilvermunt met nationaal karakter

bezetting Sigeion aan de Dardanellen ter beveiliging v/d graanweg naar de Zwarte Zee.

cultureel

bouwpolitiek

beeldhouwkunst: Ioniërs in Athene (korai)

literatuur: def. uitgave Homeros en misschien ook Hesiodos; Ionische auteurs aan het hof

keramiek: grote export vazen in zwarte stijl met eigen mythologie = ontwikkeling handelaarklasse.

Religieuze politiek

Bevordering volkserediensten om officiële godsdienst te verzwakken maar bevorderde ook aristocratische goden (Apollo, Zeus en vooral schutsgodin Pallas Athena).


  • 566/5: stichting v/d Panathenaeën: groot polisfeest, steeg uit boven regionalisme van Attica.

  • Demetercultus werd in dienst gesteld v/h panhellenisme

  • Dionysoscultus werd gestimuleerd om persoonlijke motieven.

  • Athene werd religieus onafhankelijk van Olympia en Delfi.

** Peisistratos sterft in 528/7 en wordt opgevolgd door zijn zonen Hippias en Hipparchos. In 514 wordt Hipparchos vermoord door Harmodios en Aristogeitoon (tirannie wordt drukkender); in 511 Hippias verjaagd door Eupatriden en Sparta.

BESLUIT: constitutioneel was de tirannie stilstand maar was wel belangrijk voor de ontwikkeling v/d democratie. Economisch en cultureel was er sterke vooruitgang en Peisistratiden legden BASIS VOOR DE EGALITAIRE DEMOCRATIE VAN DE 5E EEUW.


Kleisthenes

= ware grondlegger v/d egalitaire democratie (508); breekt macht v/d adel door creatie nieuwe kaders waarin alle bevolkingsklassen gelijk vertegenwoordigd waren.

nieuwe indeling bevolking Attica

3 natuurlijke streken vielen samen met 3 politieke partijen; deze gebieden waren elk verdeeld in 10 kantons (trittyes) en elke trittyes omvatte een aantal gemeenten (dèmoi); 3 trittyes vormden 1 fyle  10 fylen waarin 3 standen gelijk verdeeld waren. Dit decimale stelsel werd logisch doorgevoerd in de verdere uitbouw van staatslichamen. De 4 oude fylen bleven bestaan maar enkel met religieuze functie. magistraten: 10 i.p.v. 9 archonten (10e is de grammateus); 1 archont en 1 strateeg per fyle werden verkozen (beurtrol).

leden van de boulè: 500 i.p.v. 400 door het lot aangeduid; boulè had minstens zelfde bevoegdheid als vorige. Elke fyle nam dagelijks bestuur waar gedurende 1/10 van het jaar (= prytanie) onder voorzitterschap v/d epistatès voor1 dag en 1 nacht.

uitbreiding burgerrecht: ook aan metoiken en vreemden met demotikon (= bewoners naar de demos genoemd) i.p.v. patronymikon (naam v/d vader).

areopaag: behield bevoegdheid

ekklesia: onveranderd

ostracisme: schervengerecht, ingesteld ter bescherming v/d democratische constitutie. Een gevaarlijk of een te invloedrijk man kon door de wil v/d burgers met stemming van 6000 man in de ekklesia verbannen of verwijderd worden voor max. 10 jaar.




10. SOLOON
Soloon

archont in 594, zijn wetgeving dateert van 580/570; was aristocraat van afkomst, populair door deelname aan de strijd tegen Megara, werd rijk door de handel; schreef zijn pol.-soc. ideeën neer in elegieën en jamben; 1 van de 7 wijzen om zijn gematigdheid.



Sociaal-economische maatregelen

seisachtheia (afschudden v/d last): verbod tot lening op persoon, d.w.z. invoeren van habeas corpus in Attische recht.

chreoon apokope (delging der schulden): afschaffing schulden op grond en persoon.

verbrokkeling grootgrondbezit: door erfeniswetten

begunstiging middelgrote eigenaars: productie olijfolie, verbod op graanexport

bevordering handel en nijverheid: munthervorming (aansluitend bij Euboïsch systeem) was belangrijk voor econ. expansie Athene arginetisch systeem.


Politieke maatregelen

bevolkingsindeling in 4 censusklassen: Pentakosiomedimnoi, Hippeis,

Zeugitai en Thètes. Ambten echter enkel voor 3 hoogste klassen.

Areopaag: bleef bestaan maar beperktere bevoegdheden door creatie van de boulè van 400: 100 leden per fyle; hoofdbevoegdheid: probouleuma (agenda volksvergadering) als rem voor volksvergadering.

Rechtspraak: overgedragen aan het volk (HELIAIA); doel: evenwicht scheppen tussen klassen maar deelname aan staatsleven stond in verhouding tot inkomen oligarchie wordt timocratie, d.w.z. dat de deelname geconditioneerd wordt door de financiële toestand.



11. GEEF UITLEG OVER DE TYRANNIE VAN DE PAISISTRATIEDEN
De tirannie van de Peisistratiden (561/0-511/0)

Na Soloon was de adel ontevreden wegens aantasting privileges alsook het volk omdat maatregelen niet radicaal genoeg waren (geen grondverdeling)  toenemend antagonisme tussen 3 politieke partijen:

Parallioi (“kustbewoners”): = messoi, centrumpartij, rijke handelaars o.l.v. Megakles.

Pediakoi (“vlaktebewoners”): de Eupatrieden, rijke grootgrondbezitters; partij der conservatieven o.l.v. Lycurgus.

Diakrioi, Epakrioi, Hyperakrioi (“bergbewoners”): alle ontevredenen: boertjes, geruïneerden door schuldenafschaffing en vreemdelingen met geüsurpeerd burgerrecht, o.l.v. Peisistratos.

Peisistratos greep de macht in 561 maar pas definitief in 546. Zijn hervormingsprogramma was ter verdediging van benadeelden maar waarschijnlijk enkel ter vestiging van pers. heerschappij en vermeerdering v/h prestige.


Peisistratos’maatregelen

sociaal: leende geld aan het volk zonder intresten met als doel landbouwondernemingen te beginnen; gaf grond en geld om de grote massa uit de stad te krijgen.

financieel: invoering van directe belasting, dekatè.

instelling demenrechters: rondreizende rechters om boeren uit Athene te houden en om verwaarlozing van landbouw tegen te gaan. Soloons wetten bleven bestaan; de tirannie was een gematigde alleenheerschappij en werd beschouwd als een gouden tijdperk, te danken aan de grote cultuur en de economische bloei, resultaat van een lange vrede en een algemene welvaart.

economisch:

arbeid aan burgers: geen alg. tewerkstelling

Atheense uilen (tetradrachmen): zilvermunt met nationaal karakter

bezetting Sigeion aan de Dardanellen ter beveiliging v/d graanweg naar de Zwarte Zee.

cultureel

bouwpolitiek

beeldhouwkunst: Ioniërs in Athene (korai)

literatuur: def. uitgave Homeros en misschien ook Hesiodos; Ionische auteurs aan het hof

keramiek: grote export vazen in zwarte stijl met eigen mythologie = ontwikkeling handelaarklasse.

Religieuze politiek

Bevordering volkserediensten om officiële godsdienst te verzwakken maar bevorderde ook aristocratische goden (Apollo, Zeus en vooral schutsgodin Pallas Athena).


  • 566/5: stichting v/d Panathenaeën: groot polisfeest, steeg uit boven regionalisme van Attica.

  • Demetercultus werd in dienst gesteld v/h panhellenisme

  • Dionysoscultus werd gestimuleerd om persoonlijke motieven.

  • Athene werd religieus onafhankelijk van Olympia en Delfi.

** Peisistratos sterft in 528/7 en wordt opgevolgd door zijn zonen Hippias en Hipparchos. In 514 wordt Hipparchos vermoord door Harmodios en Aristogeitoon (tirannie wordt drukkender); in 511 Hippias verjaagd door Eupatriden en Sparta.

BESLUIT: constitutioneel was de tirannie stilstand maar was wel belangrijk voor de ontwikkeling v/d democratie. Economisch en cultureel was er sterke vooruitgang en Peisistratiden legden BASIS VOOR DE EGALITAIRE DEMOCRATIE VAN DE 5E EEUW.



12. KLEISTHENES: DE GRONDLEGGER VAN DE EGALITAIRE DEMOCRATIE
Kleisthenes

= ware grondlegger v/d egalitaire democratie (508); breekt macht v/d adel door creatie nieuwe kaders waarin alle bevolkingsklassen gelijk vertegenwoordigd waren.

nieuwe indeling bevolking Attica

3 natuurlijke streken vielen samen met 3 politieke partijen; deze gebieden waren elk verdeeld in 10 kantons (trittyes) en elke trittyes omvatte een aantal gemeenten (dèmoi); 3 trittyes vormden 1 fyle  10 fylen waarin 3 standen gelijk verdeeld waren. Dit decimale stelsel werd logisch doorgevoerd in de verdere uitbouw van staatslichamen. De 4 oude fylen bleven bestaan maar enkel met religieuze functie. magistraten: 10 i.p.v. 9 archonten (10e is de grammateus); 1 archont en 1 strateeg per fyle werden verkozen (beurtrol).

leden van de boulè: 500 i.p.v. 400 door het lot aangeduid; boulè had minstens zelfde bevoegdheid als vorige. Elke fyle nam dagelijks bestuur waar gedurende 1/10 van het jaar (= prytanie) onder voorzitterschap v/d epistatès voor1 dag en 1 nacht.

uitbreiding burgerrecht: ook aan metoiken en vreemden met demotikon (= bewoners naar de demos genoemd) i.p.v. patronymikon (naam v/d vader).

areopaag: behield bevoegdheid

ekklesia: onveranderd

ostracisme: schervengerecht, ingesteld ter bescherming v/d democratische constitutie. Een gevaarlijk of een te invloedrijk man kon door de wil v/d burgers met stemming van 6000 man in de ekklesia verbannen of verwijderd worden voor max. 10 jaar.



13. GEEF DE GEVOLGEN VAN DE PERZISCHE OORLOGEN OP KORTE EN LANGE TERMIJN EN OP CULTUREEL GEBIED
1. Athene wordt zeer imperialistisch (had bij Marathon alleen gewonnen

2. Athene richt zeebond op (had bij Salamis gewonnen op zee)

3. politiek regime

- op korte termijn

. oligarchie (ipv democratie): Kimoon , areopaag stijgt

. eilanden van de Ionische steden worden bevrijd

. Sestos wordt veroverd: was hoofdbasis van de Perzen en lag op de graanroute van Athene

- op lange termijn

. radicale democratie

. invloed op verdere Grieken: bepalend voor de toekomst

. Athene’s macht ligt op zee: wil maritieme imperialisme (Attische –Dellische Zeebond en Pentekontaitie)

. Sparta’s macht ligt op land

4. culturele gevolgen

- tijdelijk evenwicht: komt tot uiting in de harmonische verhoudingen

Athene werd nu cultureel en economische centrum
OF
13. GEEF DE GEVOLGEN VAN DE PERZISCHE OORLOGEN OP KORTE EN LANGE TERMIJN EN OP CULTUREEL GEBIED
1. Buitenland:

- Athene overwinning behaald

- Athene suprematie over Griekse wereld (zeemacht: oprichten zeebond)

2. binnenland:

- op korte termijn:

. terug naar oligarchie

. 479: beslissende overwinning Plataia

Sparta: overwinnen Perzen

Athene: vrijwaren graanroute (veroveren Seskos)

Mycale: overwicht resterende perzen

eilanden Ionische Zee bevrijd

- op lange termijn:

. radicale democratie: vestigen en uitbreiden

.Athene macht op zee: maritiem imperialisme

Pentekontaitie

Attische-Delische Zeebond

Egeische Zee en Griekse steden Klein-Azie

onder hegemonie Athene

commando Athene en steden autonoom

gemeenschappelijke raad

gemeenschappelijke schat

sparta: macht op land: verder uitwerken

3. cultureel: heropbouw van Acropool

14. GEEF UITLEG OVER DE PENTEKONTAITIE


    1. de pentekontaitie

Athene wou het succes v/d Perzische oorlogen verlengen door maritiem imperialisme o.l.v. Themistocles: liet Athene omgeven door sterke muren, Piraeus versterken en had een scheepsbouwprogramma.

478: oprichting v/d Attisch-Delische zeebond: eilanden v/d Egeïsche Zee, Griekse steden van Kl.-Azië, Chersonnesos en Thrakische kust stellen vloot onder hegemonie van Athene in de strijd tegen de Perzen.

DOEL: bevrijden van de Griekse steden in Kl.-Azië onder Perzisch bewind en verhinderen van een eventueel nieuw Perzisch offensief.

ORGANISATIE: oppercommando lag bij Athene (deelnemende staten bleven autonoom); er was een gemeenschappelijke raad (=synedrion): elk lid had er één stem, ze vergaderden eens per jaar in de tempel van Apollo op het eiland Delos; er was een gemeenschappelijke schat die beheerd werd door 10 Atheense hellenotamiai en gevoed werd door een jaarlijkse bijdrage.


De bond zal echter ontaarden tot instrument van Athenes imperialistische politiek.


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina