Vrije Universiteit Brussel



Dovnload 0.84 Mb.
Pagina10/25
Datum22.07.2016
Grootte0.84 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   25

De aandacht voor cultuureducatie vanuit het jongeren- en cultuurbeleid

Het Vlaamse cultuurbeleid legt een grote nadruk op het belang van publieksparticipatie en democratisering van cultuur. De twee sleutelbegrippen van het beleid zijn dan ook cultuurparticipatie en culturele competentie.167 Het Vlaamse cultuurbeleid wil nog al te vaak jongeren naar de elitaire kunsten leiden. Liefhebbers van populaire cultuur ‘dwingen’ naar elitaire cultuur te gaan is geen authentiek gedrag, een waarde waaraan jongeren net erg veel belang hechten. Volgens Eric Corijn komt de reële bestaande cultuursector niet overeen met de reële bestaande maatschappij. De idee van ‘ze’ moeten zich maar integreren in ‘onze’ cultuur moet herzien worden.168


Een Vlaams cultuurbeleid moet een open beleid zijn. Een beleid ter ondersteuning van de jongerencultuur, namelijk het aanbieden van repetitieruimtes, artistieke coaching en juridisch-financieel advies. Bovendien is het een belangrijke taak van het cultuurbeleid om jongeren aan te zetten tot het ontdekken van hun creativiteit en mogelijkheden te bieden voor het ontwikkelen van een eigen identiteit. Franky Devos benadrukt dan ook dat een jongerencultuurbeleid er in de eerste plaats is ter ondersteuning van de jongerencultuur en niet als opstap naar de gesubsidieerde kunstensector. 169
Het ontwikkelen van culturele competentie, een aspect waar het cultuurbeleid sterk de nadruk legt, is een levenslang leerproces dat zich eerst afspeelt in het thuismilieu. Vervolgens breidt het zich uit naar het schoolmilieu, waarna het als een rode draad doorheen het dagelijkse leven loopt. Het is aan het cultuurbeleid om voorwaarden te scheppen die de culturele competentie helpen ontwikkelen. Een belangrijke taak is hier weggelegd voor cultuureducatie. 170

    1. De geschiedenis van cultuureducatie

Eerder werd het onderscheid gemaakt tussen receptief en actief cultuurgedrag. Ook kunsteducatie moet een evenwicht zoeken tussen het stimuleren van receptieve én actieve cultuurinteresse. De geschiedenis van cultuureducatie is als een slingerbeweging tussen kunst en vorming. Dan weer komt de kwaliteit en de schoonheid van kunst vooraan te staan, dan weer de algemene vormingsdoelen. Tussen deze verschillende periodes is er niet echt sprake van absolute verschuivingen, maar eerder van kleine accentverschillen. 171


Op het einde van de achttiende eeuw had cultuureducatie een civiliserende functie, waarbij het begrip ‘Bildung’ centraal stond. Educatie richtte zich in deze periode vooral op het niveau van de persoonlijkheidsvorming. Samen met de opkomst van populaire cultuur trad het amusements-karakter steeds meer op de voorgrond. In de jaren vijftig ontstond naast de zorg rond massacultuur een vrijere verhouding tussen cultuur en individu. De idee dat kunst niet meer van bovenaf moest worden aangeleerd of opgelegd, was een belangrijk resultaat van deze vrije expressiebeweging. Cultuur is iets waar iedereen van jongs af aan mee in contact moet komen, zodat er op latere leeftijd een zeker vertrouwen is.
In de jaren zeventig was er sprake van democratisering van cultuur, bijgevolg veranderde de opvatting over traditionele en populaire cultuur. Niet alleen was de amusementsfactor nadrukkelijker aanwezig in het culturele landschap, maar ook verloor de traditionele cultuur haar vanzelfsprekende dominantie. Kunst en cultuur waren enerzijds een middel tot persoonsvorming en anderzijds een middel tot bewustmaking en het verwerven van inzicht in de kunsten. Het is in deze periode dat het aantal educatieve diensten in musea sterk groeit. Voor het eerst maakten educatieve medewerkers een onderscheid tussen verschillende doelgroepen. Zij experimenteerden met allerlei strategieën om bezoekers naar musea te lokken. 172
Later, in de jaren tachtig, werd de term kunstzinnige vorming verdrongen door ‘kunsteducatie’. De idee was dat kunstvorming zich niet alleen moest beperken tot het zelf maken van kunst, maar dat ook de bestaande kunsten een interessant medium kunnen zijn om kennis over te verwerven. In de Verenigde Staten kwam kunsteducatie steeds meer onder invloed van de zogenaamde ‘Discipline Based Art Education’ (DBAE). Een beweging die, ontstaan vanuit de beeldende vorming, een eenzijdige nadruk op actieve kunsteducatie verwerpt. DBAE propageert een kunsteducatie met vier verschillende invalshoeken: actieve beoefening, kunstgeschiedenis, kunstkritiek/kunst-beschouwing en esthetica. Ideaal is als deze in samenhang aan bod komen. 173
De jaren ’90 worden opnieuw gekenmerkt door een (derde) verruimingsgolf, waarbij kunsteducatie een ruimere maatschappelijke relevantie moet garanderen. De interpretatie van kunst moet ook verder bouwen op niet-artistieke contexten, zoals de socio-culturele. Vandaar dat ook de term cultuureducatie meer gepast is. 174

    1. En wat met het onderwijs?

Naast educatieve diensten in culturele instellingen is een belangrijke taak weggelegd voor het onderwijs, want nagenoeg alle jongeren lopen school. In zowat alle landen wordt het belang van cultuur in het onderwijs benadrukt. Toch beperkt het zich momenteel vaak tot slechts enkele uren muziek en kunst. Culturele vorming zou doorheen het ganse lessenpakket verweven moeten zijn.


Jongeren die via het onderwijs in contact komen met cultuur ontwikkelen een grotere culturele competentie, wat een groter tegenwicht moet bieden tegen de competitie met het vermaak in de populaire cultuur. Het is niet omdat cultuureducatie de schoolgaande jeugd aanzet tot meer cultuurparticipatie, dat dit ook nog effect zal hebben na de schoolperiode. 175 Uit onderzoek naar museumeducatie blijkt dat cultuureducatie op school enkel resultaat heeft als het zich niet beperkt tot incidenteel museumbezoek. Enkel intensieve programma’s kunnen jongeren tot een blijvende belangstelling stimuleren. Maar dat cultuureducatie de daadwerkelijke interesse voor cultuur kan stimuleren, daar is Letty Ranshuysen gerust in. 176
Wel is er een onderscheid tussen binnen- en buitenschoolse cultuureducatie. Binnenschoolse cultuureducatie tracht vooral interesse voor kunst en cultuur te wekken en cultuurdeelname te bevorderen. Buitenschoolse cultuureducatie legt eerder de nadruk op het verder ontplooien van bestaande interesses en vaardigheden. Het gaat hierbij niet om sterke tegenstellingen, slechts om kleine accentverschillen.
Een van de belangrijkste verschillen is dat binnenschoolse educatie verplicht is, terwijl aan buitenschoolse cultuureducatie doet iemand vrijwillig mee. Het eerste wordt de leerlingen opgelegd, bij het andere kan meer worden omgaan met behoeften en wensen van de jongeren.
Niet iedereen wordt van thuis uit gestimuleerd om aan cultuur deel te nemen, wel gaan zowat alle jongeren naar school. Het is dan ook de taak van binnenschoolse cultuureducatie om leerlingen zo veel mogelijk kunstdisciplines en cultuurvormen te tonen, zodat zij een brede culturele oriëntatie krijgen. Buitenschoolse cultuureducatie, waaronder amateurkunsten, deeltijds kunstonderwijs en sociaal culturele projecten, kan veel beter dieper ingaan op één welbepaalde kunstdiscipline. 177



1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   25


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina