Vrije Universiteit Brussel



Dovnload 0.84 Mb.
Pagina15/25
Datum22.07.2016
Grootte0.84 Mb.
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   25

Analyse

  1. Welke argumenten halen juryleden aan?


Vooraleer dieper in te gaan op de argumenten die de juryleden aanhalen, is het interessant om twee juryleden aan het woord te laten over het jureren op Kunstbende. Voor Jeroen De Preter, cultuurjournalist bij De Morgen, en Astrid Wittebolle, journaliste bij De Morgen en Studio Brussel, is Kunstbende niet nieuw. Zij zetelen al een aantal jaren in de Kunstbende-jury, respectievelijk in de categorie tekst en nieuwe media/video. Allebei zijn ze bijzonder enthousiast over het kunsteducatieve project. Jeroen De Preter wijst er op dat ieder jurylid meewerkt vanuit een soort goodwill.
Ik kom er altijd heel goed gezind van terug, omdat er zo een heel enthousiasme van die jongeren uitgaat voor iets waar ik zelf heel veel van houd: van cultuur in het algemeen en literatuur in het bijzonder.’ 226
Ook Astrid Wittebolle geeft toe dat, door te zien dat deze jonge mensen met dingen bezig zijn, Kunstbende haar vooral veel energie geeft.
Je merkt dat wat je doet toch allemaal niet voor niets is. (…) In mijn geval: stukjes schrijven en voor de radio werken. Wie is daar eigenlijk mee bezig en waarom doe je dat? Maar als je daar al dat enthousiasme ziet en ziet wat daar bruist, dan voel je wel ‘ja, dat is nodig’.’ 227
Over hoe het jureren in de finale precies verloopt, vertellen Jeroen De Preter en Astrid Wittebolle hetzelfde. Onafhankelijk van elkaar lezen of bekijken de juryleden de ingezonde werken een eerste keer en houden daarbij een selectie over met werken die in aanmerking komen voor de winnende plaats. Vervolgens worden deze werken, in overleg met alle juryleden, nogmaals bekeken en beoordeeld.
Meestal is er dan discussie en geen consensus. (…) Maar dat gaat meestal wel gemakkelijk. We hebben nog nooit echt ruzie moeten maken. Meestal zijn er drie van de vier juryleden die vinden dat dat het beste is en dan is er één die iets anders vindt.’ 228
Astrid Wittebolle voegt hier nog aan toe dat ze altijd terugkeren naar dat wat Kunstbende eigenlijk wil: mensen motiveren om creatief bezig te zijn met hun kunstidee. 229
De eerste tabel toont in welke mate de jury bepaalde argumenten belangrijk acht.

N: 170

positieve zin

negatieve zin

Totaal

Afwisselend

3%

3%

6%

Evenwichtig

11%

2%

13%

Lef

12%

5%

17%

Coherent

13%

7%

19%

Enthousiasme

35%

4%

39%

Eenvoud

31%

14%

45%

Evoquerend

39%

10%

48%

Doordacht

35%

27%

61%

Originaliteit

40%

22%

63%

Afgewerkt

79%

31%

110%

Tabel 8: Criteria waarop jury zich baseerde tijdens de derde en vierde Kunstbende-editie



Figuur 8: Criteria waarop jury zich baseerde tijdens de derde en vierde Kunstbende-editie
Opvallend is dat de inhoudscategorie ‘afgewerkt’, de categorie die het meest de technische kwaliteit van een act beoordeelt met 110% het hoogste scoort. In vergelijking met de andere categorieën steekt deze categorie ‘afgewerkt’ er torenhoog bovenuit. Dit betekent dat er per juryverslag 1,1 argument focust op de professionaliteit van de act.230 Dat is echter volledig in tegenstelling is met het Kunstbende-pamflet, waarin staat dat niet ‘de gelikte professionaliteit’, maar vooral de originaliteit en het enthousiasme gewaardeerd worden.

Wat wel in overeenstemming is met het pamflet is dat uit de resultaten van de inhoudsanalyse blijkt dat de juryleden het aspect originaliteit sterk laten doorwegen. Deze categorie staat immers op de tweede plaats (63%) van criteria waar juryleden de meeste aandacht aan besteden. Het aspect enthousiasme, wat ook voorkomt in het pamflet komt echter niet op de derde plaats te staan. Voor deze categorie, goed voor 39%, had de jury heel wat minder aandacht.


Slechts bij een aantal categorieën hebben de juryleden het Kunstbende-pamflet goed in het achterhoofd gehouden. Performance is de enige categorie waarbij in de top vier van de beoordelingscriteria de ideeën van het Kunstbende-pamflet gerespecteerd worden. Deze jury kijkt erg naar het enthousiasme van de deelnemers en naar de originaliteit van de acts. Dat zijn dan ook de criteria die bij performance op de tweede en derde plaats komen. Bij de overige categorieën hecht de jury meestal belang aan slechts één van de ideeën uit het pamflet: enthousiasme of originaliteit. Opvallend is dat de juryleden van de categorieën fotografie, tekst on stage en nieuwe media zowel originaliteit als enthousiasme niet zo belangrijk vinden. Deze criteria, die het Kunstbende-pamflet zo belangrijk acht, komen daar dan ook niet voor in de top drie van de beoordelingscriteria.
      1. Zijn er verschillen in argumentatie tussen de verschillende kunstdisciplines?

Voorgaande tabel en grafiek gaan zeer algemeen in op de argumenten die de juryleden aanhalen bij hun waardering van de verschillende projecten. Of er verschillen zijn per categorie is hiermee nog niet nagegaan. Dat de juryleden technische afwerking erg belangrijk vinden, terwijl originaliteit en enthousiasme er wat achteraan hollen is eerder al vastgesteld. Interessant is nu om voor deze criteria het onderscheid te maken naar de verschillende categorieën. Eerst de cijfers:






Muziek

Dans

performance

Fotografie

ontwerpen

Txt

txt on stage

video

nieuwe media

alle categorieën

Afgewerkt

30%

25%

26%

30%

34%

21%

19%

23%

22%

26%

innoverend

16%

22%

11%

13%

16%

26%

13%

15%

10%

15%

doordacht

4%

12%

11%

16%

21%

9%

25%

19%

21%

15%

evoquerend

15%

0%

14%

14%

9%

9%

9%

9%

15%

11%

Eenvoud

9%

5%

7%

10%

7%

26%

16%

10%

16%

11%

enthousiasme

10%

8%

24%

0%

0%

0%

13%

8%

11%

9%

evenwichtig

5%

12%

2%

1%

4%

0%

3%

7%

3%

5%

Lef

6%

8%

1%

6%

4%

3%

3%

5%

1%

4%

Coherent

3%

5%

2%

9%

4%

3%

0%

3%

0%

3%

afwisselend

1%

3%

2%

0%

2%

3%

0%

2%

1%

1%




100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Tabel 9: beoordelingscriteria bekeken vanuit de verschillende kunstdisciplines

Enkele grafieken maken deze cijferovervloed duidelijker.





Figuur 9: Het beoordelingscriterium ‘afgewerkt’ toegepast op de verschillende kunstdisciplines

Figuur 10: Het beoordelingscriterium ‘innoverend’ toegepast op de verschillende kunstdisciplines.

Uit Figuur 9 valt op dat het criteria ‘afgewerkt’ inderdaad bij de verschillende categorieën bovenaan staat. Bij de categorieën ontwerpen en muziek hechten de juryleden daar zelfs bijzonder veel aandacht aan: respectievelijk 34% en 30% tegenover het gemiddelde van 26%.


Jeroen De Preter vertelt over de categorie tekst dat het vaak een gulden middenweg zoeken is tussen teksten die perfect en braaf geschreven zijn en de meer woeste teksten die alle kanten uitspringen.
Geef je nu eigenlijk de prijs voor het intrinsiek grootste talent of voor iemand die wel goed schrijft, maar niet echt afwijkt van de geijkte taal en cliché.’231
Wat betreft de techniciteit vertelt Astrid Wittebolle dat dat minder belangrijk wordt geacht bij de jury van nieuwe media.
Het technisch aspect is wel besproken, (…) maar we hebben ons daar eigenlijk niet door laten leiden. (…) Misschien is dat wel gek, want nieuwe media is dan wel het meest technische van alle categorieën.’232
Verder meent Astrid dat deelnemers aan de categorie nieuwe media niet goed weten waarop ze precies beoordeeld worden. Zo dachten jongeren altijd dat het een goed ogende, functionele site moet zijn, terwijl het voor de jury zeker ook een esthetische ervaring mag zijn.
We zien het ook echt als een kunstdiscipline, want je kunt met sites een heleboel net-art maken.’ 233
Een blik op het criterium ‘innoverend’ (Figuur 10) toont dat de categorie tekst de enige is waar juryleden meer belang hechten aan originaliteit (26%) dan aan de afwerking (21%). Ook voor dans is innovatie een belangrijk criterium (22%).



Figuur 11: Het beoordelingscriterium ‘doordacht’ toegepast op de verschillende kunstdisciplines.

Figuur 12: Het beoordelingscriterium ‘evoquerend’ toegepast op de verschillende kunstdisciplines.

Of een inzending een sterke boodschap heeft, vanuit een goede vraagstelling vertrekt en met diepgang is uitgewerkt kwam tot uiting in het criterium ‘doordacht’. Uit Figuur 11 blijkt dat dit een belangrijke beoordelingsfactor is voor tekst on stage. Maar ook ontwerpen en nieuwe media laten deze invalshoek meetellen bij de beoordeling van de verschillende projecten. Voor muziek en nieuwe media is het evoquerende karakter belangrijk, Figuur 12 geeft telkens 15% aan.



Figuur 13: Het beoordelingscriterium ‘eenvoud’ toegepast op de verschillende kunstdisciplines.

Figuur 14: Het beoordelingscriterium ‘enthousiasme’ toegepast op de verschillende kunstdisciplines.

Dat schrijven vooral schrappen is, blijkt nogmaals uit Figuur 13. Het criterium ‘eenvoud’ haalt bij de categorie tekst26 %. ‘Enthousiasme’ is erg belangrijk bij podiumacts in de categorie performance: 24% (zie Figuur 14). Het is niet verwonderlijk dat voor de juryleden van fotografie, tekst en ontwerp hier helemaal niet naar verwezen wordt. Een mogelijke verklaring is dat de artiest van deze werken niet lijfelijk aanwezig is bij het bekijken van het werk. Hoewel de deelnemers aan fotografie en ontwerpen hun werk wel mogen voorstellen aan de juryleden. Opvallend is dat de jury van video en nieuwe media, waar de artiest ook niet aanwezig is, wel belang hechten aan het enthousiasme.




Figuur 15:Het beoordelingscriterium ‘evenwichtig’ toegepast op de verschillende kunstdisciplines.

Figuur 16: Het beoordelingscriterium ‘lef’ toegepast op de verschillende kunstdisciplines.

‘Lef’ sluit dicht aan bij het criterium ‘innoverend’. Het is dan ook niet verwonderlijk dat dans, een discipline die hoog scoorde bij ‘innoverend’(22% volgens Figuur 10), ook hier (relatief gezien) hoog scoort: 8%.



Figuur 17: Het beoordelingscriterium ‘coherent’ toegepast op de verschillende kunstdisciplines.

Figuur 18: Het beoordelingscriterium ‘afwisselend’ toegepast op de verschillende kunstdisciplines.

Ook deze twee criteria ‘evenwichtig’ (Figuur 15) en ‘coherent’ (Figuur 17) liggen dicht bij elkaar. Bovenstaande grafieken tonen aan dat dans hoog scoort op beide criteria: 12% en 5%). Fotografie scoort op haar beurt relatief goed op het criterium ‘coherent’: 9% volgens Figuur 17.

Over het jureren vertelt Astrid Wittebolle dat het soms moeilijk is om precies aan te geven waarom je iets goed vindt.


Ik heb heel dikwijls de indruk dat het meer iets buikgevoel-achtig is.’234
Ook Jeroen De Preter wijst er op dat goed of slecht natuurlijk heel subjectieve criteria zijn. Toch, zegt hij, meestal zie je wel snel deze is goed of niet. Ook herhaalt hij nogmaals dat er vooral gediscussieerd wordt over: is de winnaar iemand met een groot talent, waar nog aan geslepen moet worden of is dat iemand met maar een middelmatig talent en wel een goed afgewerkte tekst?235

      1. Een positieve of negatieve argumentatie?


Bij het beoordelen van de verschillende werken gebruiken de juryleden deze criteria zowel in positieve als in negatieve zin. Zo kan een kunstwerk erg origineel zijn of net té weinig originaliteit in zich dragen. ‘Het verrassingselement ontbreekt’, zoals sommige juryleden het omschreven. Voor wat betreft het criterium ‘eenvoud’ kan een werk zeer helder zijn, met andere woorden zonder franje. Een werk dat niet helemaal aan dit criterium voldoet, kan enerzijds te subtiel en zweverig zijn of anderzijds te moeilijk verteerbaar en overbodige ballast meedragen. Het is dan ook interessant om te kijken welke criteria overwegend positief en welke overwegend negatief worden aangewend.

Figuur 19: Beoordeelt de jury de kunstwerken positief of negatief?


Bovenstaande grafiek toont vrijwel onmiddellijk aan dat zowat alle criteria vooral met een positieve noot gehanteerd worden. Slechts het criterium ‘afwisselend’ behaalt 50% positieve en 50% negatieve beoordelingen, maar hierbij moet meteen vermeld worden dat dit criterium nauwelijks werd aangehaald door de juryleden. Bij de overige categorieën zijn de positieve aspecten in de meerderheid. Dat gaat van een kleine meerderheid, zoals 56% bij ‘doordacht’ over een grote meerderheid, 72% bij ‘afgewerkt’ tot een onwaarschijnlijk grote meerderheid, 89% bij ‘enthousiasme’.
Dit kan wijzen op een overwegend optimistische jury, die in alle werken het goede probeert te zien en de positieve elementen wil benadrukken. Hierbij mag men natuurlijk niet uit het oog verliezen dat het gaat om jongeren die vaak voor de eerste maal in de huid van ‘kunstenaar’ kruipen. Een zwaar negatieve beoordeling zou hen mogelijk van de kunsten wegleiden. Dit wil echter niet zeggen dat de jury kritiekloos alle werken van de deelnemers slikt, in tegendeel de jury tracht nauwgezet ieder werk te beoordelen.

      1. Zijn er verschillen in argumentatie tussen de Kunstbende-edities?

Tot slot rest de vraag of er een evolutie van jurering is vast te stellen over deze twee wedstrijdedities (2002 en 2003) heen? Een vergelijking van de derde met de vierde editie geeft volgende resultaten:

Figuur 20: Een vergelijking van de beoordeling van de jury in 2002 en 2003
Na een blik op de criteria die volgens het Kunstbende-pamflet belangrijk zijn, kondigen de resultaten van de inhoudsanalyse een belangrijke positieve vooruitgang aan. Niet ‘ongelikte professionaliteit’ is belangrijk, zegt Kunstbende, maar wel originaliteit en enthousiasme. Hoewel het criterium voor de technische afwerking er in beide edities torenhoog boven uitsteekt, is duidelijk dat de jury tijdens de editie in 2003 daar iets minder de nadruk heeft opgelegd. De criteria enthousiasme en originaliteit gaan er tijdens diezelfde editie lichtjes op vooruit. Toch is een vergelijking tussen twee edities weinig zeggend. Niets wijst er op dat de verschillen blijvend zijn en niet op toeval gebaseerd zijn.



1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   25


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina