Vrije Universiteit Brussel



Dovnload 0.84 Mb.
Pagina3/25
Datum22.07.2016
Grootte0.84 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   25

Maatschappelijke tendensen vanaf 1950

De naoorlogse welvaartstijging heeft een enorme invloed gehad op de Westerse samenleving. Niet alleen verbeterden de materiële omstandigheden, maar ook vonden er ingrijpende immateriële wendingen plaats. Langzaam werd dit materiële welbevinden als vanzelfsprekend beschouwd, waardoor het veilig stellen van materiële zaken meer naar de achtergrond verdween. Welvaart en scholing zorgden voor een meer onafhankelijke houding tegenover de zuilenorganisaties. Zelfontplooiing en inspraak kregen bijgevolg de bovenhand. 4


Het huidige maatschappijbeeld is, sinds de jaren vijftig, gewijzigd als gevolg van drie tendensen. De eerste verschuiving heeft te maken met het individualiserings- en detraditionaliseringsproces. De tweede verschuiving heeft betrekking op de democratisering van het onderwijs en de derde verwijst naar de evolutie die zich voltrekt binnen de vrijetijd.

    1. Individualiseringsproces en detraditionaliseringsproces


Tot de jaren zestig wordt het socialisatieproces gekenmerkt door een identificatie met het eigen milieu, waardoor het voor jongeren erg moeilijk is om er achter te komen wie ze zijn. Het is met de overgang van de traditionele naar de moderne samenleving dat de morele beperkingen voor het individu verdwijnen. De samenleving ondergaat een detraditionalisering. Elchardus spreekt ook wel van de verdampingsthese, wat staat voor de idee dat alle traditionele structuren ten onder gaan en het individu achterblijft los van alle beperkingen die geloof en traditie eerder oplegden.
Een concreet voorbeeld is de verdamping van de strakke levensloop: een strikt keurslijf van opeenvolgende leeftijdsgebonden fasen. Vanaf de jaren zestig vervaagt dit en wordt de voordien logische volgorde door elkaar gehaald. Het verband tussen leeftijd en levensfase wordt losser. De zogezegde ‘standaardbiografie’ verdwijnt en in de plaats komt de ‘keuzebiografie’, waarbij de individuele preferentie en wil belangrijk zijn. Hoewel de samenleving inderdaad minder sterk gebonden is aan tradities en geloof, is de levensloop toch nog altijd sociaal beïnvloed. Zo volgt de levensloop van jongeren uit lagere sociale klasse in grote mate de standaardbiografie: baan, huwen, huisje, tuintje, kindje. 5
De traditionele identiteitsontwikkeling is aan het rollen gegaan en het individu is centraal komen te staan. Dit individualiseringsproces staat in nauw verband met de detraditionalisering. Het is veel meer aan het individu om keuzes te maken en richting te geven aan zijn bestaan, ook wat betreft de vrijetijd en de culturele activiteiten. Toch is het individu niet volledig bevrijd van de traditionele rollen. Nog altijd wordt hij beïnvloed door maatschappelijke instituties, zoals onderwijs en massamedia.6 Weliswaar gebeurt dit op subtiele wijze, zodat het individu toch het gevoel heeft het heft in eigen handen te hebben. 7
Deze individualisering verwijst naar een autonoom leven, waarbij het individu in staat is om zelf reële keuzes te maken. Volgens Blokland is participatie aan cultuur een belangrijk onderdeel van het autonome leven. Autonomie staat voor positieve vrijheid, wat betekent dat een individu, mits enige inspanning (exercise), zelfstandig en ongehinderd door anderen richting geeft aan zijn leven. Ook socialisatie en educatie zijn belangrijke aspecten die bijdragen tot het leiden van een autonoom leven. Wel moet, om tot deze positieve vrijheid te komen, de negatieve vrijheid8 beknopt worden door onderwijsplicht. Hoe meer kennis van cultuur en het culturele aanbod, des te groter is immers de kans op een autonoom bestaan. Want dan is het individu op de hoogte van alternatieve waarden en ideeën, zodat het kan overgaan tot het maken van een reële keuze. 9
Ondanks deze individualisering telt Franky Devos, de man achter het Brulaaponderzoek10 (2004), vast dat jongeren het individualisme uit de jaren negentig de rug toekeren en opnieuw behoefte hebben aan gemeenschap. Hoewel jongeren zelden toegeven dat ze zelf tot een welbepaalde subcultuur behoren, zijn subculturen toch een belangrijk onderdeel van het identiteitsvormings-proces. Het onderscheid tussen de diverse subgroepen is terug te vinden in verschillen in kledij en muziekvoorkeuren. Leden van een kleinschalige jongerencultuur, zoals punkers, skaters en housers hebben een sterk samenhorigheidsgevoel, terwijl jongeren die eerder de ‘middle-of-the-road’ cultuur aanhangen enkel een band voelen met hun directe vrienden. 11
Onderzoek van de Vlerick Management School toont aan dat in Vlaanderen 10% van de jongeren zich thuis voelt in een bepaalde subcultuur. Het is vooral voor twaalf- tot veertienjarigen dat een subcultuur een manier is om bij een groep te behoren. Vanaf zestien voelen jongeren zich veel minder geroepen om tot een bepaalde groep te behoren, de persoonlijkheidskenmerken gaan dan ook sterker doorwegen op de groepsnormen.
Bovendien zijn jongeren vandaag niet meer lid van één subgroep, maar juist van een hele reeks: én skater én voetballer én muziekliefhebber én poëet. Lidmaatschap van een subgroep bepaalt ook niet de ganse levensstijl van deze jongeren, maar is slechts gebaseerd op een gemeenschappelijke belangstelling. 12 Het is vanuit deze drang naar gemeenschap en samenhorigheid dat jongeren deelname aan kunst en cultuur motiveren: het uitbouwen en uitbreiden van een sociaal netwerk, plezier beleven en het ontmoeten van vrienden. 13

    1. Evolutie van vrijetijd


Te gelijk met een sterke democratisering van het onderwijs, waardoor steeds meer jongeren de mogelijkheid krijgen om een hogere, meer interessante sociale positie te verwerven, doen zich veranderingen voor in het vrijetijdsaanbod.
Een duik in de geschiedenis van de vrijetijd toont deze stormachtige ontwikkelingen. De vrijetijd, ontstaan op het einde van de negentiende eeuw, is de tijd die overblijft na arbeid en huishoudelijke verplichtingen. Een tijd waarin loonarbeiders in redelijke vrijheid kunnen beschikken. Redelijk, omdat de vrijetijd toen toch nog in zekere mate werd gecontroleerd. Zo waren er wettelijke verboden op prostitutie en schandaallectuur en moesten de burgers belasting betalen op populaire vormen van vermaak. Al snel heerste de idee dat een overheid niet te erg mag ingrijpen in de cultuur van haar burgers. 14
Vanaf 1880 vinden er grootse veranderingen plaats die bijdragen aan het ontstaan van een nieuwe vrijetijd. Als gevolg van maatschappelijke en economische ontwikkelingen verdween de kermis. Samen met de kermis verloor heel het idee van amusement als volksvermaak aan kracht. Dit ging gepaard met de opkomst van het moderne amusementsbedrijf.15 Als alternatief voor het commerciële en volkse vermaak werden daarom door de overheid ook vrijetijdsprogramma’s opgezet voor arbeiders. Er ontstond bijgevolg een uitgebreide mix van organisaties die het middenveld vormgaven. Het was in deze periode dat vrijetijd uitgroeide tot een scharnierpunt van de moderne burgerlijke samenleving.16
Het is pas na de tweede wereldoorlog dat het vertoog van volksopvoeding wordt vervangen door dat van sociale en culturele rechten, waarbij toegankelijkheid en keuzevrijheid vooraan staan. Het aantal gesubsidieerde voorzieningen op vlak van media, kunst en recreatie gaat vanaf dan ook sterk de hoogte in. In de jaren zestig en zeventig is er een grote verscheidenheid aan vermaaksvormen. Bovendien zorgen nieuwe technologieën, zoals de grammofoonplaat, de radio en televisie voor meer binnenhuis-vermaak. De groei van vrijetijd betekent tevens de groei van commerciële vrijetijdsactiviteiten.17
Lange tijd lukte het om nieuwe technologische en marktontwikkelingen in te passen in de publieke orde, maar aan het begin van de jaren tachtig kwam dat bestel toch onder druk te staan. De doorbraak van de commerciële televisie in de tweede helft van de jaren tachtig betekent een definitief omslagpunt. Vroeger stond vrijetijd vooral in het teken van vorming en ontplooiing, nu verschijnt ze meer als een context van consumptie, vermaak en economische ontwikkeling. De overgang van een zeer zuinige omgang met geld naar een meer hedonistisch consumptiepatroon leidde tot de opkomst van de vrijetijdsindustrie. Tal van activiteiten kwam zo binnen het bereik van een grote groep mensen te staan. De komst van de commerciële televisie betekent een nieuwe speler in het vrijetijdsveld. De strijd om de gunst van de kijker begint. De populaire smaak ontwikkelt zich. 18
Gaat het om de vrijetijd van de huidige jongeren, dan laten jongeren graag uitschijnen dat ze het erg druk hebben. Een volle agenda en met veel verschillende dingen tegelijkertijd bezig zijn, is immers belangrijk en stoer. De activiteitsgraad bij Vlaamse jongeren tussen vijftien en vierentwintig ligt dan ook erg hoog. Toch zegt één derde van de Vlaamse jongeren niet tevreden te zijn met het aantal uren vrijetijd. Als je jongeren moet geloven blijft er weinig tijd over, waar ze vrij over beschikken. Daarom wil 34% van de Vlaamse jongeren meer vrijetijd op een werkdag en 22% op een weekenddag.
Is de wens van deze jongeren gegrond? Recent tijdsbestedingonderzoek (1999, Tabel 1) toont aan dat jongeren tijdens de week ruim vijf uur per dag vrijetijd hebben, in het weekend is dat negen uur per dag. 19



Weekdag

 


Weekenddag

 


Jongens

Meisjes

Jongens

Meisjes

Schooltijd + huiswerk

7:29

7:47

1:16

1:31

Betaald werk

0:05

0:05

0:03

0:01

Huishoudelijk werk

0:45

0:37

0:54

0:54

Slapen

8:33

8:26

10:24

10:27

Eten thuis

0:56

0:54

1:14

1:12

Persoonlijke verzorging

0:38

0:49

0:41

0:55

Vrijetijd

5:34

5:22

9:28

9:00

Tabel 1: Tijdsbesteding (in uren) bij jongeren tussen 12 en 19 jaar.20


 

 


Weekdag

 


Weekenddag

 


Jongens

Meisjes

Jongens

Meisjes

Televisie en video

1:43

1:34

2:46

2:18

Sociale ontspanning

0:35

0:50

1:29

1:50

Sport

0:34

0:19

0:58

0:35

Computer als ontspanning

0:20

0:20

0:30

0:30

Beschikbare tijd

2:22

2:19

3:45

3:47

Totaal vrijetijd

5:34

5:22

9:28

9:00

Tabel 2: Vrijetijdsbesteding (in uren) van jongeren.21
Van de vijf uren vrijetijd (Tabel 2) waar jongeren over beschikken, wordt een belangrijk deel doorgebracht voor de televisie. Toch blijft er, zelfs na sociale ontspanning, sport en computerspelletjes, nog twee uur op een weekdag en bijna vier op een weekenddag over. Veel activiteiten die tot de vrijetijd behoren, drukken jongeren uit in termen van ‘moeten’: “Ik moet naar de academie” of “Ik moet naar de tennisles.” Devos spreekt van een vastgeroest vrijetijdspatroon, ontstaan door bepaalde keuzes die op zeer jonge leeftijd werden gemaakt. De macht der gewoonte, zegt Franky Devos, zorgt ervoor dat het patroon maar zelden in vraag wordt gesteld en nog minder wordt gewijzigd. Tijdsgebrek is dan ook niet, zoals jongeren durven aangeven, de objectieve reden voor het al dan niet deelnemen aan culturele activiteiten. 22


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   25


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina