Vrije Universiteit Brussel



Dovnload 0.84 Mb.
Pagina7/25
Datum22.07.2016
Grootte0.84 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   25

Vrijetijdsbesteding van jongeren


Deelnemen aan cultuur is meer dan een bezoek aan een museum. Het gaat zowel om een bezoek aan voorstellingen en tentoonstellingen als om het gebruik van audiovisuele media en het lezen van boeken, kranten en tijdschriften. Ook amateuristische cultuurbeoefening zit vervat in cultuurdeelname. Vander Stichelen onderscheidt een aantal types cultuurgedrag. Zo is er het receptieve cultuurgedrag, waar het bijwonen van voorstellingen en cultuurevenementen centraal staat. Niet alleen buitenhuis, maar ook binnenhuis kan iemand een receptief cultuurgedrag vertonen. Denk aan het lezen van een boek, het luisteren naar muziek of het kijken naar televisie. Naast dit type cultuurgedrag erkent Vander Stichelen een actief cultuurgedrag: in plaats van te gaan kijken, eerder zelf actief met kunst en cultuur bezig zijn. Er zijn tal van lessen en cursussen, zowel in het gesubsidieerde als in het privé-kunstonderwijs. Dit wijst er op dat het amateurcircuit floreert in Vlaanderen. Het actief omgaan met kunst is meestal een activiteit die bedreven wordt puur om het plezier dat iemand eraan beleeft. 91 In wat volgt wordt dieper ingegaan op de vrijetijdsbesteding en vooral de cultuurparticipatie van jongeren.

      1. Bezoek aan voorstellingen, uitvoeringen en tentoonstellingen


Het gezegde ‘jong geleerd, is oud gedaan’ gaat voor cultuurdeelname niet altijd op. Het is niet omdat kinderen op erg jonge leeftijd met kunst in contact komen dat dat altijd zo zal blijven. Bovendien is de leeftijd waarop een kind in contact komt met kunst en cultuur afhankelijk van het milieu waarin het opgroeit. Het zijn alsnog vooral de cultureel actieve ouders die hun kinderen al vroeg met kunst, zowel met actieve als met receptieve kunstbeoefening, in aanraking brengen. Voor kinderen die niet in een cultuurminnend milieu opgroeien, biedt het onderwijs een soort herkansing. Toch stelt Francine Nagel vast dat het onderwijs nooit deze corrigerende opdracht vervult die ze wordt toegekend. Kinderen die op school voor het eerst in contact komen met een bepaalde cultuurvorm, film buiten beschouwing gelaten, vertonen later nog altijd een lager participatieniveau dan leeftijdsgenoten die hiermee kennismaakten via hun ouders. 92
T
och organiseren heel wat scholen activiteiten om leerlingen ook na de schooluren een zinvolle vrijetijdsbesteding aan te bieden. Het gaat dan om ontspanningsactiviteiten, sportactiviteiten en culturele activiteiten. Onderzoek toont aan dat zowat twee derde van de totale leerlingenpopulatie wel eens deelneemt aan ontspanningsactiviteiten die door de school georganiseerd worden. Ruim een derde van de bevraagde leerlingen zegt actief te zijn op cultureel (36,9%) en op sportief (37,0%) vlak.93
Dat cultuurdeelname geen constant gegeven is, komt doordat het sterk verbonden is met iemands leeftijd en zijn verschillende levensfasen (Figuur 1).

Figuur 1: Deelname aan culturele events in de vrijetijd in de laatste vier weken

Voor wat deelname aan traditionele podiumkunsten en musea betreft is bij zes- tot zestienjarigen een piek vast te stellen. Twaalf jaar is, zoals eerder al aan het licht kwam, een sleutelleeftijd. Jongeren worden zelfstandiger en bepalen zelf hoe ze hun tijd invullen. Ze brengen heel wat meer tijd alleen of met vrienden door, voor 32% is dat dan ook één van de belangrijkste vrijetijdsbestedingen. Dat gaat gepaard met een dalende belangstelling voor het museumbezoek. Een daling die echter veel minder is vast te stellen bij de podiumkunsten.94



Adolescenten zien de cultuur die door hun ouders gerespecteerd wordt als één van de zaken waartegen ze zich kunnen afzetten. Van zodra deze jongeren volledig baas zijn over hun eigen vrijetijd, laten ze dat traditionele cultuuraanbod dan ook vaker links liggen. Het populaire cultuuraanbod is, veel meer dan het traditionele, een zaak van jongeren. Wel valt op dat het percentage zestien- tot vijfentwintigjarigen dat culturele instellingen bezoekt hoger is bij jongeren die in een cultuurminnend gezin zijn opgegroeid. 95
Ook onder vrienden duikt het verschil tussen jongeren met cultureel actieve en met non-actieve ouders op. Zo hechten de eerste meer belang aan cultureel geïnteresseerde vrienden dan de andere jongeren. Bij adolescenten wordt sociale controle veel minder uitgeoefend door de ouders, maar vooral door de vriendenkring: de peers. Toch blijft het effect van het ouderlijke socialisatiemilieu sterker dan dat van de school en de peergroup, maar er is wel een smaakbeïnvloeding onder leerlingen zelf.96 Bij muziek-, televisie- en filmkeuze duiden jongeren meestal hun beste vriend(in) aan als meest invloedrijke persoon, wat echter niet het geval is als het gaat om meer traditionele kunstvormen, zoals een museum, theater of klassieke muziek.97
Een blik op de participatie aan het middenveld, waartoe ook culturele verenigingen behoren, laat zien dat sport- en jeugdverenigingen het populairste zijn bij jongeren. Iets meer dan de helft van de jongeren is lid van een sportclub (51,5%) en een kwart participeert in een jeugdvereniging (27,5%). Het lidmaatschap aan een culturele vereniging komt met 17,6% op de vierde plaats bij de Vlaamse jeugd. Culturele verenigingen weten met andere woorden ongeveer één op vijf jongeren te bereiken. 98
De vrijetijdsbesteding van jongeren en ouderen groeit steeds verder uit elkaar. Maar het is niet zo dat cultuurparticipatie drastisch daalt wanneer jongeren de overgang maken van school naar werk en samenwonen. Wel is er een significante omschakeling bij de komst van kinderen.99
Onder ouderen is het bezoek aan traditionele cultuurinstellingen de laatste jaren sterk toegenomen, terwijl de interesse van jongeren is achtergebleven. Jongeren kijken meer televisie en gaan liever naar discotheken en popconcerten, terwijl ouderen zich eerder blijven richten tot de zogenaamde traditionele cultuur. Kortom, jongeren schrijven de populaire cultuur hoog aan. Ze zetten zich af tegen traditionele cultuuruitingen en ontwikkelen een eigen leefstijl en smaakuniversum waarin sport, jeugdmode en popmuziek centraal staan. Het kunstpubliek vergrijst, is dan ook de conclusie van Wim Knulst. 100
Om de culturele activiteiten van jongeren in het brede vrijetijdskader te plaatsen, biedt Figuur 2 een overzicht van hun andere vrijetijdsactiviteiten.



Figuur 2: Vrijetijdsbesteding (in uren) bij jongeren uit Vlaanderen en Nederland 101
Nederlands onderzoek naar cultuurdeelname van jongeren toont aan dat bijna alle jongeren regelmatig naar de bioscoop gaan. 60% zegt vaak (4 keer of meer) naar de film te gaan. Onder hen bezoekt de helft wel eens een museum, maar erg populair zijn deze traditionele cultuuruitingen, zoals balletvoorstellingen en klassieke concerten, niet. Deelname aan populaire cultuur scoort bij jongeren hoger dan deelname aan traditionele cultuur. 102
Bovendien zijn er door het groeiende cultuuraanbod steeds meer activiteiten waar jongeren ‘zo nu en dan’ aan deelnemen. De cultuurparticipant ontwikkelt een divers en actief vrijetijds-patroon. De jachtigheid van het moderne leven is niet erg bevorderlijk voor een diepere ervaring van cultuur. Er zijn bijgevolg niet alleen verschillen tussen ouderen en jongeren, maar ook tussen frequente en incidentele bezoekers. Connaisseurs en passanten.

Het verschil in cultuurdeelname tussen jongeren en ouderen: een verklaring


Drie hypotheses trachten het verschil in cultuurparticipatie tussen jongeren en ouderen te verklaren. Een eerste theorie zoekt toevlucht tot de bijzondere levensfase van jongeren en jongvolwassenen. De levensfasehypothese ziet de combinatie van veeleisende arbeid en zorgtaken als oorzaak voor een dalende interesse voor cultuur bij jongeren. Een tweede theorie, de socialisatiehypothese, wijst eerder veranderingen in opvoedingsklimaat aan, waar-door jongeren van na de jaren zestig anders geprogrammeerd zijn dan voorgaande generaties. De derde verklaring spreekt van een toegenomen concurrentie met andere vrijetijdsbe-stedingen: de concurrentiehypothese.103
Bij een toetsing van deze hypothesen blijkt dat enkel de socialisatiehypothese opgaat. De interesse van de jonge generatie gaat minder naar traditionele cultuuruitingen. Het is veeleer het populaire aanbod dat hun aandacht geniet. De interesse voor het populaire cultuuraanbod is dan ook toegenomen onder geboortecohorten van na 1960. 104
Verder heeft het onderzoek zowel de levensfase- als de concurrentiehypothese weerlegd. Moest de tijdsdruk inderdaad een verklarende factor zijn voor de dalende cultuurdeelname dan zou dit bij traditionele en populaire cultuuruitingen voelbaar zijn. Tot nog toe blijkt de invloed daarvan niet of slechts indirect gemeten. Personen die verschillende taken combineren, bezoe-ken zeker niet minder culturele instellingen. Integendeel, de hoeveelheid tijd besteed aan verplichtingen heeft geen invloed op het aantal keren dat iemand een culturele instelling bezoekt.
Net zoals de levensfasetheorie moet ook de concurrentiehypothese weerlegd worden. Personen die vaak deelnemen aan verschillende vrijetijdsactiviteiten bezoeken ook vaak culturele instellingen. Een breed vrijetijdspatroon betekent dus niet meteen concurrentie voor cultuurparticipatie. Ook voor jongeren blijkt het diverse aanbod geen rem op cultuurdeelname te zijn. 105

      1. Gebruik van audiovisuele media


Dat televisie onder jongeren een veel gebruikt medium is, is niet nieuw. Jongeren hechten een hoge geloofwaardigheid aan zaken die op televisie getoond zijn. Het is dan ook een erg krachtdadig medium dat, samen met video, voor jongeren het meest geliefde tijdverdrijf is. Toch menen jongeren dat ze niet speciaal thuisblijven voor een televisieprogramma. Het is eerder een activiteit die gekozen wordt om de verveling tegen te gaan. 106 Uit vrijetijdsonderzoek blijkt dat mensen met veel vrijetijd meer televisie kijken. De generatie lager opgeleiden die met dit medium is opgegroeid, ruilde de leestijd in voor kijktijd.



Figuur 3: Televisiegedrag (in uren) in Vlaanderen en Nederland bij jongeren107
Uit Figuur 3 valt op dat Nederlandse jongeren minder tv kijken dan hun Vlaamse leeftijdsgenoten. Met de komst van de computer maakten heel wat Nederlandse jongeren de overstap naar het computerscherm. Toch stellen Glorieux en Moens vast dat noch het aantal uren televisie-kijken, noch het internetgebruik de participatie aan culturele activiteiten beïnvloeden. 108
In onderzoek van Elchardus en Glorieux zijn de verschillen in televisiekijken tussen de diverse landen onderzocht. Hierbij is vastgesteld dat hoe zuidelijker in Europa, hoe meer tijd jongeren voor televisie doorbrengen. 109
Welke zenders spreken jongeren aan op televisie? Er is een verschil tussen zenders die zich in de eerste plaats op jongeren richten en zenders die eerder ouders trachten te bereiken. Jongeren stemmen vooral af op zenders, zoals TMF, MTV, VT4 en Ka2 (Figuur 4). Ouders daarentegen voelen zich meer aangetrokken tot de openbare omroep en de regionale televisie.



Figuur 4: Voorkeuren (in %) voor televisiezenders: frequentieverdelingen 'eerder goed tot zeer goed'.110
Wat betreft de televisieprogramma’s zijn jongeren iets positiever in hun beoordeling dan ouders. Met als uitzondering hun opinie tegenover actualiteitsprogramma’s, het journaal, praatprogramma’s, kleine nieuwsprogramma’s zoals Man bijt hond of Het hart van Vlaanderen en Vlaamse dramaseries. Daar geven ouders wel een hogere score aan dan hun kinderen. Hoewel sommige zenders eerder een jongerenpubliek aanspreken en andere meer een ouderenpubliek, lijken mediavoorkeuren van ouders en jongeren toch sterk op elkaar. Zo vormen ouders met een grotere voorkeur voor populaire media de aanleiding tot een grotere voorkeur voor populaire media bij hun kinderen. Dit geldt net zo voor ouders met een grotere interesse voor de meer kritische media; hun kinderen zullen zich sneller aangesproken voelen voor dit type media. De mediavoorkeur van de ouders beïnvloedt niet alleen de mediavoorkeur van hun kinderen, maar ook hun algemenen smaakvoorkeuren. 111

      1. Actief cultuurgedrag en amateurkunsten


Sommige jongeren bezoeken niet alleen theater- en museumbezoeken, maar zijn ook erg actief met kunst en cultuur bezig. Ze schrijven gedichten, volgen dansles en spelen muziek. Net zoals bij receptieve cultuurdeelname zijn jongeren, in vergelijking met volwassenen, hier oververtegenwoordigd. In het schooljaar 2002-2003 schreven 149.104 leerlingen (cursisten) zich in in het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO). De volgende tabel (Tabel 4) toont de verdeling van deze inschrijvingen over de academie voor beeldende kunst en de academie voor dans, muziek en woordkunst. 112

Academie voor beeldende kunst

 

54129

Academie voor MWD

 

94975

 

Studierichting muziek

69449

 

Studierichting woordkunst

19642

 

Studierichting dans

5884

Tabel 4: Inschrijvingen voor Deeltijds Kunstonderwijs naar studierichting. 113
Naast het DKO zijn er tal van amateurkunstenorganisaties. De bovenstaande tabel toont aan dat de studierichting muziek erg in trek is. Ook bij verenigingen voor amateuristische muziekbeoefening waar minstens 35.000 kinderen en jongeren lid van zijn, is deze grote muziekinteresse merkbaar. Deze jongeren besteden al gauw acht uur per week aan hun hobby, bij jongeren uit het DKO gaat het om zo’n drie uur. De grote voorkeur voor het actieve kunstencircuit, dat vooral gestimuleerd wordt door ouders, is echter niet van lange duur. Van zodra jongeren de leeftijd van zesentwintig hebben bereikt, haakt bijna de helft van deze jongeren af.114

Bovendien is een actieve participant niet meteen een receptieve participant. Nederlands onder-zoek toonde aan dat jongeren die in hun vrijetijd bezig zijn met muziek wel vaker naar concerten gaan. Toch is dat niet te verklaren door de muzieklessen die ze volgen, maar eerder door hun muziekinteresse die al veel langer bestond. Culturele instructie, zo zegt Nagel, heeft enkel een positieve impact voor de cultuurparticipatie binnen dezelfde discipline. Bijgevolg is de overgang van het actief les volgen in het DKO naar de rol van een receptieve toeschouwer in het professioneel kunstencircuit minder vanzelfsprekend dan gedacht wordt. 115


      1. Maatschappelijke noodzaak van cultuurparticipatie


In het voorgaande is vooral via kwantitatief onderzoek een beeld geschetst van de cultuurparticipatie van jongeren. Nadeel van deze onderzoeksmethode is dat het nog te weinig als bijsturing gebruikt wordt en bovendien wordt geen onderscheid gemaakt naargelang de educatieve relevantie van cultuurvormen. Op deze manier is niet echt oog voor cultivatie-ontwikkeling, wat vanuit onderwijs- en cultuurbeleid erg belangrijk wordt geacht.
Cultiveren betekent dat men zintuiglijk aandacht krijgt voor de vorm van cultuurproducten, en de eraan verbonden betekenisontwikkeling, op een zodanige wijze dat men tot een toeëigeningsproces overgaat.’ 116
Cultiveren is een selectief proces. Iemand zal enkel datgene ontwikkelen wat hij zelf belangrijk acht. Het is dan ook nodig om na te gaan welke soort cultuur relevant is voor educatieve doelstellingen. Cultuuroverdracht is immers een deel van de door de jeugd over te nemen wereld van volwassenen. Het educatieproces is verbonden met de vraag ‘wat heeft de jeugd met welke cultuurvorm?’. Op basis daarvan moet interesse worden gewekt en moeten jongeren worden warm gemaakt om aan cultuur deel te nemen. Het onderscheid tussen zelf kunst maken, wat actief zou zijn, en waarnemen, wat eerder passief zou zijn, doet er niet toe. Participeren aan het kunstgebeuren, ongeacht de wijze waarop, is een vorm van handelen. Wat het effect van kunst op kinderen is, is niet duidelijk. 117
Hans Onno van den Berg, directeur van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouw directies, is van mening dat kunst ‘gewoon goed voor je is, vanwege de kunst’. En daarbij benadrukt hij dat de ene kunst zeker niet meer of beter is dan de andere. Zoekend naar een antwoord op de vraag wat het effect is van kunst op kinderen en jongeren, denkt Elias in dezelfde richting als van den Berg. ‘Wat is het effect van wiskunde en oude talen?’, vraagt hij zich af. 118
Vandaar dat kunst- en onderwijsbeleid kunsteducatie moeten ondersteunen (…) vanuit een visie dat het belangrijk is, omdat het belangrijk is. Waarom? Daarom.’ 119


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   25


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina