Vrije Universiteit Brussel



Dovnload 0.84 Mb.
Pagina8/25
Datum22.07.2016
Grootte0.84 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   25

Omnivorisering


Vragen rond culturele smaak en cultuurconsumptie hebben een centrale rol bij de identiteitsvorming van jongeren en de positionering binnen de groep leeftijdsgenoten. Jongeren interpreteren de verschillen tussen hoge en lage cultuur anders dan volwassenen. Zij blijken niet het gevoel hebben te moeten kiezen tussen twee verschillende hiërarchische cultuurdomeinen. Jongeren zouden een vrijetijdspatroon vertonen, waarbij ze van beide walletjes een beetje proeven. Een vrijetijdsgedrag dat omschreven wordt als ‘omnivoor’ ontstaat. 120
Vooraleer uitgebreid in te gaan op het recente verschijnsel ‘omnivorisering’ wordt de context waarin dit sociaal fenomeen ontstaan is, geschetst. Eerste wordt ingegaan op het ontstaan van het onderscheid tussen hoog- en laagcultuur. Hierbij worden vragen zoals ‘Heeft dit onderscheid altijd al bestaan?’ en ‘Zo nee, waar en hoe is deze tweedeling voor het eerst opgedoken?’ gesteld. Na een korte Amerikaanse invalshoek wordt ook de Europese situatie, met nadruk op Vlaanderen en Nederland, bekeken. Vervolgens wordt alles aan de hand van een praktijkvoorbeeld, namelijk de tweedeling tussen het literaire boek en de bestseller, verduidelijkt. Ten tweede wordt gekeken naar de erosie van de tweedeling tussen hoge en lage cultuur. Tot slot wordt gewezen op het feit dat omnivorisering zeker geen algemeen geldend sociaal fenomeen is en worden de beperkingen van de omnivoriseringsthese benadrukt.

      1. De tweedeling tussen hoog- en laagcultuur


Een verschil tussen elitecultuur en volkscultuur heeft altijd bestaan, maar een werkelijke kloof tussen beide vond pas ingang rond de achttiende eeuw. Tot dan toe bestonden beide culturen naast elkaar, zonder dat er een verschil was in aanzien. Boethius spreekt van two cultures of cultural tradition, waarbij sprake is van een ‘grote’ traditie die verwijst naar de cultuur van een welopgevoede minderheid en een ‘kleine’ traditie die eerder de link legt met de cultuur van de overgrote meerderheid. Elitegroepen namen aan beide culturen deel. Verschillen in waarden tussen beide culturen waren niet aan de orde, termen zoals ‘hoog’ en ‘laag’ evenmin.121 Maar er was verandering op komst. In Amerika verliep het als volgt.

‘To be, or not to be; that is the bare bodkin.


That makes calamity of so long life.’122

Shakespeare op een burleske wijze? Vandaag is het niet zo vanzelfsprekend, maar in de negentiende eeuw was het een gewone zaak. Bovendien was Shakespeares werk niet enkel toegankelijk voor een selecte elitegroep, integendeel van hiërarchie was nauwelijks sprake. Shakespeare had een zeer heterogeen publiek. De meest uiteenlopende lagen van de bevolking genoten van zijn theaterwerk. Shakespeare was echt populair entertainment.123


Tot in de 20e eeuw Shakespeare plots verheven werd tot een kunstenaar van een hogere orde, een schrijver die beschermd moet worden tegen het onwetende publiek.
(…) from the property of ‘Everyman’ to the possession of a more elite circle. (…)’124
Shakespeare was geen deel meer van de cultuur van het volk, hij kwam niet meer op televisie en was niet meer te zien in de volkstheaters.
Shakespeare has become Culture.’125
Shakespeare was geen entertainment, maar educatie. Hij was een volwaardig deel van ‘the aristocratic house’. Er werd een onderscheid gemaakt tussen theater dat gericht is op kunst en theater dat eerder amusement wil brengen. Hoewel in de negentiende eeuw Shakespeare gretig werd geparodieerd was dat ruim een eeuw later niet meer mogelijk.126
Net als in Amerika werd ook in Europa de tweedeling in het denken over kunst en cultuur langzaam een feit. Naast een veranderend smaakbegrip gaf ook de opkomende industrialisering aanleiding tot de tweedeling tussen hoog- en laagcultuur. De industriële revolutie zorgde voor economische en technologische vooruitgang met een grote impact op zowel het maatschappelijke als het culturele leven. Enerzijds vond er een geweldige bevolkingsexplosie plaats die gepaard ging met emigratie van het platteland naar de stad. Anderzijds was er een sterke groei van het welvaartspeil, waardoor een zeer brede middenklasse ontstond. Vooral dit laatste boezemde de culturele elite angst in. Als reactie trachtte de elite haar eigen socio-culturele status veilig te stellen door zich te onderscheiden van de groeiende middenklasse. Er ontstond bijgevolg een beweging die er naar streefde om de eigen ‘ware’ cultuur te onderscheiden van de populaire massacultuur. Dit alles stond in het teken van: de kunstenaar als schepper naast God. Het waren dan ook enkel de meest gecultiveerde mensen die deze cultuur konden begrijpen. 127
Het onderscheid tussen ‘hoog’ en ‘laag’ of de cultuur van de ‘grote’ traditie en die van de ‘kleine’ traditie begon bij de beeldende kunst. De andere kunsten, zoals klassieke muziek, theater en dans bleven nog even gespaard van deze hiërarchiesering. Het consacreren van de diverse cultuuruitingen gebeurde telkens volgens eenzelfde principe, maar verliep niet voor iedere kunstdiscipline even eenvoudig. Controle over de massamedia, daar is de elite zelfs nooit in geslaagd. Op het einde van de negentiende eeuw was de massamedia immers zodanig sterk dat de hogere klasse er helemaal niets meer tegenin kon brengen. 128 Het principe verliep als volgt:

Afbakening



Institutionalisering



Professionalisering



Onttrekken aan de commerciële logica

Eerst creëerde de elite een eigen circuit (afbakening), waardoor een relatief gesloten netwerk ontstond waarin de kapitaalkrachtige bovenlaag van de samenleving artiesten aan zich wist te binden via financiële steun (institutionalisering en professionalisering). Tot slot wordt dit netwerk onttrokken aan de commerciële logica.


Voor theater verliep dit proces veel moeizamer. Het was pas met de opkomst van de filmindustrie dat de status van het theater veranderde en het theater een groot deel van haar publiek verloor. Alleen het niet-commerciële, meer kunstzinnige theatercircuit bleef over en verwierf bijna als vanzelf een hoogelitair karakter. Met de opkomst van de filmindustrie wordt populaire cultuur onlosmakelijk gekoppeld aan de technologische vooruitgang. De idee dat populaire cultuur verbonden is met technologie en daarom niet tot de echte cultuur behoort, wordt een basisstelling in het discours over kunst en cultuur. De hoge cultuur kwam op gespannen voet te staan met technologie en industrialisering. Dit leidde tot de ambigue positie van film en recent ook van de digitale fotografie. 129
Doordat de kloof tussen hoog en laag steeds groter wordt, verliest het gewone volk ieder contact met de grote klassieke werken. Een zorg waar de hogere klasse echter niet wakker van ligt. De hogere elite kijkt angstvallig naar de steeds breder wordende middenklasse en blijft zich sterk verzetten tegen deze opkomende massacultuur.

        1. Het literaire boek vs. de bestseller


Een voorbeeld van de tweedeling tussen hoog- en laagcultuur is de opkomst van het onderscheid tussen aan de ene kant het literaire boek en aan de andere kant de bestseller. Als gevolg van de industrialisering groeit de differentiatie en specialisatie binnen verschillende kunstdisciplines, zo ook binnen de literatuur en de muziek. Door een toenemende geletterdheid in de middenklasse ontstaat een heel nieuw lezerspubliek. Niet alleen zagen bepaalde schrijvers dat deze groep lezers gunstige financiële mogelijkheden bood, maar ook uitgevers van kranten en tijdschriften ontdekten hierin een nieuwe commerciële activiteit. Zo ontwikkelde zich een literaire markt, waarbij het publiek het belangrijkste punt van erkenning was.
Maximizing profits became for some publishers and authors more important than participating in the public debate on norms and attitudes to life.’130
Net zoals het lezen, ging het aantal boeken sterk de hoogte in. Boeken groeiden uit tot één van de vele commoditeiten binnen de kunstensector. Dit leidde tot felle discussies tussen wat men ‘serieuze’ schrijvers en ‘broodschrijvers’ is gaan noemen. Het verwijt aan het adres van de broodschrijvers was dat zij zich volledig richtten tot de wensen van het grote publiek, waardoor de kwaliteit van de literatuur naar beneden ging. Hiermee is ook de eerste echte tweedeling tussen hoog- en laagcultuur niet meer weg te stoppen. Er ontstaat een duidelijk onderscheid tussen enerzijds de highbrow-lezers en de exclusieve literatuur en anderzijds de massa van lowbrow-lezers en de entertainment literatuur. 131

      1. Erosie van de tweedeling tussen hoog- en laagcultuur


Maatschappelijke veranderingen dragen bij aan de erosie van het traditionele onderscheid tussen hoog- en laagcultuur. Het standaardbeeld van sociale stratificatie is dringend aan herziening toe. De welopgevoede elite die zich tot voor kort enkel thuis voelde in de fijne kunsten, vindt vandaag ook zijn gading in meer populaire cultuuruitingen. Zij combineren een appreciatie van klassieke kunstvormen met meer populaire vormen van kunst.
Door onderzoek naar het verband tussen beroepsstatus en muzikale voorkeur stelde Richard Peterson, als één van de eerste, deze koerswijziging van de hogere sociale klasse vast. De Amerikaanse cultuursocioloog merkte op dat mensen met een hoge beroepsstatus helemaal geen exclusieve smaak hebben. Opvallend was dat zelfs 9% van deze groep een grote liefhebber bleek te zijn van country en western muziek, wat toch een genre is met een vrij laag prestige. Smaak en vrijetijdsactiviteiten geven vandaag minder aanleiding tot statusmarkering. Het fenomeen van een snobistische smaak, uitsluitend gericht op hoge cultuur, is uitzonderlijk geworden. Status wordt eerder verworven door het ontwikkelen van de nodige kennis, passing knowledge, over de verschillende culturele genres. Peterson spreekt over een verschuiving van snob naar omnivoor cultuurgedrag.132

      1. Van snob naar omnivoor


Later onderzoek van Peterson – ondertussen de godfather van de omnivorisering genoemd – en Kern tracht een verklaring te bieden voor deze shift van snob naar omnivoor. Zij wijzen op een vijftal factoren (hypotheses) die mogelijk aan de basis liggen van deze overgang. Eerst en vooral maken de sociale veranderingen op het einde van de 20e eeuw een consumptiepatroon gebaseerd op uitsluiting nog moeilijk sociaal aanvaardbaar.
Enerzijds zorgt sociale mobiliteit ervoor dat mensen met verschillende smaken van de ene naar de andere klasse verhuizen, waardoor het patroon ‘één klasse, één smaak’ vervalt. 133 Iedere statusgroep heeft zijn eigen culturele normen, sociale stijgers dragen die dan ook mee naar een hogere klasse. Volledig aanpassen aan het normenpatroon van die ‘nieuwe’ klasse is voor hen niet mogelijk. Sociale stijgers bezitten daarvoor niet de nodige culturele competentie. Ze blijven daarom liever trouw aan culturele uitingen waarin ze gesocialiseerd zijn. Wel trachten sociale stijgers bepaalde ‘eigen’ normen te combineren met deze van de nieuwe sociale klasse, waardoor een mengelmoes ontstaat van zowel hoogculturele als populaire vormen van cultuur.134 Anderzijds maakt een hogere levensstandaard, een hoger opleidingsniveau en de opkomst van de massamedia mogelijk dat de artistieke smaak van de elite voor steeds meer lagen van de bevolking toegankelijk is.
Naast de sociale veranderingen draagt ook de waardeverandering bij aan de opgang van de culturele omnivoor. Zoals eerder al verteld, is een consumptiepatroon gebaseerd op uitsluiting vandaag eerder uitzonderlijk. Peterson en Kern stellen een grote tolerantie vast bij de Amerikaanse burger tegenover mensen met andere waarden.135 Ook Bethany Bryson voert onderzoek naar deze culturele tolerantie. Zij stelt vast dat het vooral een hogere opleiding is die leidt tot een minder exclusieve smaak en een grotere openheid en tolerantie van het individu.136
De derde factor die heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van de culturele omnivoor is de verandering in de kunstwereld. Wat is nu nog de esthetische basis van een kunstwerk? In de negentiende eeuw werd kunst op een voetstuk geplaatst en was er slechts één standaard. In de 20e eeuw komt daar verandering in, doordat het marktdenken doordringt in de kunstwereld. Dit leidde tot een enorme groei van het aantal kunstenaars, waardoor het standaardprincipe van schoonheid in kunst onder druk kwam te staan en bijgevolg de kwaliteit van een kunstwerk niet meer in het werk zelf lag, maar eerder in de waardering daarvan door de kunstwereld.137
Verder rest er nog de vraag of deze verandering in het consumptiepatroon een generatiegebonden verschijnsel is of net niet. Peterson en Kern stellen een verandering van de status van populaire cultuur vast. In de eerste helft van de negentiende eeuw was populaire cultuur slechts een levensfase voor de jeugd. Naarmate jongeren volwassen werden, moesten ze de overgang maken naar meer ‘serieuze’ cultuur. Pas op het einde van de negentiende eeuw werd populaire cultuur niet meer gezien als een fase, maar als een echte levenswijze. Het was een volwaardig alternatief voor de hoogculturele kunstvormen. 138
Tot slot is er de evolutie binnen de hogere sociale klasse. Eerder al werd bij een terugblik in de geschiedenis duidelijk dat er een tijd was dat hoog- en laagculturele activiteiten naast elkaar bestonden. Zonder dat één cultuur een hoger prestige had dan de andere: two cultures of cultural tradition. De verschillende sociale klasse namen dan ook deel aan beide vormen van cultuur. Pas op het moment dat de middenklasse een grote opmars maakte en de dominante klasse angst kreeg dat deze zich distantieerde van de lagere sociale klasse door zich een welbepaalde cultuur toe te eigenen. Later in de tweede helft van de negentiende eeuw probeerde de dominante groep door middel van twee strategieën ook deze populaire cultuur naar hun hand te zetten. Enerzijds trachtte de dominante klasse de populaire cultuur als dierlijk te bestempelen en bijgevolg ook als een cultuur die best vermeden werd. Anderzijds trachtte zij bepaalde elementen van de populaire cultuur te herwaarderen en integreren in hun dominante cultuur. Deze laatste strategie haalde al gauw de bovenhand.139

      1. De Nederlandse en Vlaamse omnivoor


Nederland

De opkomst van de culturele omnivoor is geen geïsoleerd Amerikaans fenomeen, integendeel ook Nederlandse onderzoekers, zoals Van Eijck, de Haan en Knulst stelden een gelijkaardige verandering vast in het culturele consumptiepatroon. Om een verklaring te geven aan deze evolutie toetsen zij de hypothesen die Peterson en Kern aan de Nederlandse bevolking. 140


In hoeverre draagt sociale mobiliteit bij tot een grotere interesse voor hoge cultuur? Uit hun onderzoek blijkt dat sociale stijging geen invloed heeft op het culturele consumptiepatroon. Het primaire socialisatieklimaat, het gezin en meerbepaald het opleidingsniveau van de ouders, blijft volgens het onderzoek nog steeds de grootste impact hebben op iemands cultuurgedrag.
Vervolgens gaan de Nederlandse onderzoekers na of de opkomst van de culturele omnivoor een kwestie van leeftijd is en dus te wijten aan een bepaalde levensfase, of staat het eerder in verband met de generatie en het socialisatieklimaat waarin het individu opgroeit? Gaat het met andere woorden om het levensfaseperspectief, waarbij de relatie tussen levensfase en culturele consumptie doorheen de jaren veranderd of gaat het om het socialisatieperspectief, waarbij het de periode waarin iemand geboren is, die bepalend is voor zijn cultureel gedrag? Dat het een levensfaseverschijnsel is doet het onderzoeksresultaat allerminst uitschijnen, wel wijst het op de veranderde omstandigheden in het socialisatieklimaat van de laatste vijftig jaar. Zo heeft de democratisering van het onderwijs ervoor gezorgd dat de groep hoger opgeleiden erg heterogeen is en dat het klassieke Bildungsideaal aan belang verliest, waardoor een selectieve voorkeur voor hoge cultuur veel minder het ideaal is. Verder is cultuur door de groei van de vrijetijdsindustrie in de verdrukking gekomen en heerst er een sterke concurrentie om de vrijetijd van de consument. Bovendien heeft de groei van het opleidingsniveau niet bijgedragen tot de verwachte groei in cultuurdeelname. Dit alles betekent dat de generaties opgegroeid na de jaren vijftig en zestig anders cultureel geprogrammeerd zijn en daardoor een ander cultureel consumptiepatroon vertonen. Volgens Van Eijck, de Haan en Knulst is de shift van snob naar omnivoor te wijten aan een verandering in het socialisatieklimaat van de opgroeiende jongeren. 141
Vlaanderen

Onderzoek in Vlaanderen naar cultuurparticipatie en omnivorisering is erg schaars. Toch botsen Glorieux en Moens, als één van de weinige onderzoekers naar dit fenomeen op een Vlaamse omnivoor. Zij stellen vast dat de vrijetijd een levenssfeer is geworden, waarin het individu over maximale vrijheid beschikt. Een sfeer waarin hij alle kansen krijgt om een eigen levensstijl te ontwikkelen met aandacht voor persoonlijke preferenties en een individuele smaak. Deze evolutie leidt tot een aantal veronderstellingen. Zo is er de destructureringshypothese die vermoedt dat de vrijetijdsbesteding nog maar weinig structuur kent. De detraditionaliseringshypothese wijst dan weer op het verlies van tradities en traditionele waarden binnen de vrijetijd.142


Maar niet iedereen koppelt de toegenomen keuzemogelijkheden aan deze hypotheses. In navolging van Peterson wijzen onderzoekers op een omnivore vrijetijdsstructuur. Glorieux en Moens gingen na in welke mate de vrijetijd nog patronen vertoond en in hoeverre de omnivorisering in Vlaanderen verspreid is.
Wat betreft de structuur in de vrijetijd, stellen zij vast dat van een shoppend cultuurgedrag weinig sprake is. Hiermee zijn de Vlaamse en Nederlandse omnivoor het niet helemaal met elkaar eens. Mensen met een groot cultureel kapitaal en een grote culturele interesse hebben ook een groter aanbod van potentiële activiteiten binnen hun interesseveld: zowel hoogculturele als meer op entertainment gerichte activiteiten. Zij staan bijgevolg voor een zeer uitgebreid aanbod, waardoor ze verplicht zijn om keuzes te maken. Bovendien is er de spanning tussen aan de ene kant dat grote aanbod aan culturele activiteiten en aan de andere kant de beperkte vrijetijd. Dit leidt, volgens de Haan en van den Broek, tot de prototypische omnivoor: iemand met een zeer breed cultuurparticipatiegedrag, maar die overal slechts een beetje van proeft. Cultureel graasgedrag, van hier en daar een beetje, maar nooit veel van hetzelfde; dat is de oplossing voor Nederlandse omnivoren. In Vlaanderen blijken de omnivoren het anders aan te pakken. Vlaamse omnivoren nemen deel aan een brede waaier van culturele activiteiten en zij doen dat bovendien behoorlijk vaak, waardoor het beeld van de shoppende cultuurparticipant niet van kracht is.143
Glorieux en Moens zien een duidelijke structuur in de Vlaamse vrijetijd met twee belangrijke patronen. Ten eerste ‘cultuur’, dat zijn activiteiten die als hoogcultureel worden bestempeld en ten tweede ‘uitgaan’, wat eerder activiteiten zijn met een meer populaire ondertoon. Beide dimensies worden opgevat als twee assen van de vrijetijdsruimte.
Ook Vander Stichele doet een poging om de Vlaamse situatie in kaart te brengen. Hij gaat na of er onder de Vlaamse bevolking tussen 18 en 79 jaar verschillende cultuurpartici-patiepatronen zijn. Aan de hand van de opleidings- en leeftijdsvariabele deelt Vander Stichele de Vlaamse bevolking op in zes clusters: oude niet-participanten, jonge niet-participanten, culturele passanten, omnivoor georiënteerde culturele passanten, Bildungsburgers en omnivoren. 144
Door veranderingen in de samenleving komt een exclusieve belangstelling voor cultuur nog maar weinig voor. Op basis van factorscores op de twee vrijetijdspatronen onder-scheiden Glorieux en Moens enerzijds een cultuuromnivoor, iemand met hoge scores op beide dimensies en anderzijds een cultuurunivoor, iemand met een hoge score op slechts één van beide dimensies.
Een diepere kijk op het opleidingsniveau toont dat laaggeschoolden niet of nauwelijks aan cultuur deelnemen, terwijl hooggeschoolden, in vergelijking met anderen, het breedste smaakpalet hebben. Vreemd genoeg hebben hooggeschoolden vaker een job met meer status en verantwoordelijkheid, waardoor zij over minder vrijetijd beschikken dan mensen met een job met een lagere status. Bij een focus op de leeftijd van cultuurparticipanten valt op dat jongeren zowel interesse hebben voor de populaire als de hoge cultuur, terwijl de oudere leeftijdscategorie bijna uitsluitend deelneemt aan de hogere, traditionele cultuur. De omnivore groep is in dit onderzoek vrijwel het kleinst (11%) en bestaat hoofdzakelijk uit jonge hoogopgeleiden met een brede culturele smaak die vrij vaak participeren. Ook volgens Glorieux en Moens is het combineren van verschillende vrijetijdsactiviteiten vooral een kenmerk van de jonge generatie.145

Met dit resultaat sluit het Vlaamse onderzoek perfect aan bij het Nederlandse onderzoek, dat de socialisatie, het klimaat en de periode waarin jongeren opgroeien, verantwoordelijk stelt voor een anders cultureel geprogrammeerde jonge generatie. Ook Amerikaans onderzoek geeft aan dat hoewel zowat alle leeftijden met dit ‘nieuwe’ cultureel consumptiepatroon in aanraking komen, het toch een levensstijl is die vooral terug te vinden is onder een eerder kleine groep: de jonge hoogopgeleiden.146


Glorieux en Moens trachten de vrijetijdsinteresses in kaart te brengen (Tabel 5) door de scores op elk van de vrijetijdsdimensies in drie groepen te verdelen.

Cultuur


Uitgaan



Laag

Midden

Hoog




Laag

15,40%

10,70%

7,10%

466

Midden

10,60%

11,70%

11,10%

467

Hoog

7,30%

10,90%

15,20%

467




466

467

467

1400 (100%)

Tabel 5: Verdeling van de respondenten over de twee vrijetijdsdimensies (in %) 147
Vlamingen die vaak ‘uitgaan’ en daarnaast vaak aan ‘cultuur’ deelnemen, worden culturele omnivoren genoemd. Zij vertonen een vrijetijdspatroon met een nogal extreme vermenging van hoogculturele en populaire activiteiten. 15% van de bevolking heeft zo’n omnivoor vrijetijdsgedrag. Dit komt vrij goed overeen met het resultaat (11%) van de Vlaamse omnivoor uit gelijkaardig onderzoek van Vander Stichele. In vergelijking met de twee afzonderlijk groepen univoren is de groep omnivoren dubbel zo groot. Zo zijn er de culturele univoren (7.3%) die zich beperken tot culturele activiteiten en de uitgaansunivoren (7.1%) die zich uitsluitend richten op populaire cultuuruitingen. Hiermee is duidelijk dat overtuigde univoren nog weinig voor komen.148 Om verder uitspraak te doen over de opkomst van de culturele omnivoor en zijn tegenhanger de culturele univoor is verder Vlaams onderzoek nodig. 149

      1. Korte samenvatting


In zijn onderzoek naar culturele consumptie stelt Peterson de relatie tussen sociale positie en smaak in vraag. Vermits culturele smaak zo zijn eigen logica volgt, is het weinig zinvol om op zoek te gaan naar gelijkaardige levensstijlen binnen bepaalde sociale milieus. Klasse is immers niet de enige determinant van smaak. Om het hele verhaal samen te vatten spreekt Peterson van de evolutie van een rechtopstaande piramide naar een omgekeerde piramide. 150

De eerste piramide wijst op de culturele smaak van voor de jaren vijftig, waarbij de top bestaat uit een elite met een hoogculturele smaak. Bij het afdalen van de piramide verschuift het smaakpatroon van hoogcultureel naar een interesse voor meer populaire cultuuruitingen. De omgekeerde piramide vertegenwoordigt de cultuur en smaak van na de sociale veranderingen die opkwamen vanaf de jaren vijftig. Bovenaan bevindt zich de culturele omnivoor die zijn status verwerft door een zeer brede smaak. Helemaal onderaan in het puntje van de piramide ‘woont’ de culturele univoor die zich best thuis voelt in één welbepaald genre van het vrijetijdsveld. Dat kan zowel een interesse zijn in hoogculturele activiteiten als een belangstelling voor populaire activiteiten. 151
Vandaag wordt vastgesteld dat de exclusieve snob, die enkel deelneemt aan traditionele cultuur, veel minder bestaat. Sociale mobiliteit moedigt immers een omnivore levensstijl aan. Bovendien hechten nieuwe leden van de hoge sociale klasse minder belang aan distinctie tussen highbrow en populaire cultuur. Opvallend is dat de tegenhanger van de exclusieve snob, de uitgaansunivoor, is opgestaan met bijna uitsluitend belangstelling voor populaire cultuur.

      1. Beperkingen aan de omnivoriseringsthese


De culturele omnivoor is niet iemand die zomaar van alles houdt. Het is inderdaad iemand die erg openstaat voor verschillende culturele genres, in tegenstelling tot de vroegere culturele snob die een consumptiepatroon opbouwde dat gebaseerd was op uitsluiting. Deze openheid betekent echter niet dat de omnivoor onverschillig is.152 Integendeel, de hoog opgeleide omnivoor consumeert niet om het even wat. Hij acht de kunsten, de zogenaamde legitieme cultuur, nog steeds erg hoog. Bovendien is de keuze van de omnivoor uit de populaire cultuuruitingen zeer selectief. Ook Bethany Bryson stelt vast dat de muzikale voorkeur van de omnivoor volgens een welbepaald patroon verloopt. Hij heeft, zoals het de goede omnivoor betaamt, een brede muzikale belangstelling. Maar toch zal de culturele omnivoor die muziekgenres met het laagste aanzien uitsluiten. 153
Niet alleen is de culturele omnivoor selectief wat betreft populaire cultuuruitingen, volgens Glorieux en Moens zijn er ook beperkingen aan de ruimdenkendheid van de omnivoor als het gaat om zijn mediakeuze. Zo heeft hij interesse voor media die aandacht besteden aan cultuur, reizen, avontuur en politieke duiding, wat vooral terug te vinden is in zogenaamde ‘elitaire’ mediakanalen. De smaak van de omnivoor is bijgevolg niet zo breed dat ook de populaire media erbij betrokken worden. 154
Hoe staat het verschijnsel ‘omnivorisering’ in relatie tot Bourdieus distinctieconcept? Schulze benadrukt dat een omnivore levensstijl vooral terug te vinden is in een hoge sociale klasse. De leden van deze klasse zijn in hun vrijetijd zowel op zoek naar non-conventionele als meer elitaire activiteiten. Ze zijn, om het anders te zeggen, enerzijds op zoek naar fun en anderzijds naar distinctie; net zoals Bourdieus ‘nieuwe kleine bourgeoisie’.
Voor de culturele omnivoor is het altijd interessant om over veel multicultureel kapitaal, zoals Bryson het noemt, te beschikken. De term verwijst naar de omnivore smaak als een uiting van distinctie, want het komt overeen met de algemene hedendaagse smaak die leden van de hoge sociale klasse moeten goed vinden.
In tegenstelling tot een exclusieve, snobistische smaak wordt ‘passing knowledge’ in verschillende culturele domeinen hoog aanzien. Populaire cultuur moet niet langer gemeden worden. Hoogopgeleiden vertonen dan ook een bredere belangstelling in kunst en cultuur dan lager opgeleiden.155 Het motto van de culturele omnivoor is dat in iedere cultuurvorm iets interessant kan zijn, wat zoveel betekent als:
Being a cultural omnivore provides social status, at least within the new middle class.’156
Omnivorisering is bij deze niet zozeer een brede interesse in het culturele vrijetijdslandschap, maar eerder een nieuw distinctiemodel. Er zijn immers enkele duidelijke grenzen aan die ruimdenkendheid of omnivoriteit. De hoogopgeleide omnivoor blijft immers lagere cultuur-genres uitsluiten. Vandaar dat Bryson spreekt van multicultureel kapitaal. Het exclusief cultureel snobisme, zoals Bourdieu beschreef, is dan wel verdwenen, maar in de plaats is er de opkomst van een inclusief cultureel snobisme. Weliswaar treedt het minder manifest op.157



1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   25


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina