Waarheidsvinding bij een beschuldiging Een studie naar persoonlijkheid bij leugenachtigheid Rik Peterse Faculteit Gedragswetenschappen, Universiteit van Twente Augustus 2009 Eerste begeleider: dr. E. Giebels Tweede begeleider: drs



Dovnload 197.33 Kb.
Pagina1/2
Datum17.10.2016
Grootte197.33 Kb.
  1   2



Waarheidsvinding bij een beschuldiging
Een studie naar persoonlijkheid bij leugenachtigheid


Rik Peterse

Faculteit Gedragswetenschappen, Universiteit van Twente

Augustus 2009
Eerste begeleider: dr. E. Giebels

Tweede begeleider: drs. K. Beune
Samenvatting

Het blijkt moeilijk middels verhoor de waarheid te achterhalen. Hierdoor blijven verdachten soms onterecht onbestraft. Daarnaast blijkt dat ook sommige verdachten onterecht gestraft worden. Middels deze studie is getracht de invloed van persoonlijkheid bij valse ontkenningen en valse bekentenissen aan te tonen.

Voor zover bekend zijn voorheen geen studies verricht waarbij zowel valse ontkenners als valse bekenners tegelijkertijd in één onderzoek zijn onderzocht. De meerwaarde hiervan is dat in deze studie valse ontkenners, valse bekenners en waarheidsprekers met elkaar vergeleken worden.

Uit de resultaten van deze studie komt naar voren dat valse ontkenners in vergelijking met valse bekenners en waarheidsprekers, relatief hoger scoren op angst en relatief lager op altruïsme, consciëntieusheid, suggestibiliteit en zelfwaardering. Valse bekenners blijken in vergelijking met valse ontkenners en waarheidsprekers, relatief laag te scoren op zelfwaardering en relatief hoog op neuroticisme, openheid, altruïsme, meegaandheid, angst, geheugenwantrouwen en rechtvaardigheidsgevoel.




Summary


It is assumed that the truth can not be revealed efficiently through interrogation.  This being the case, suspects are often acquitted of their crimes. Given these facts, it is also often stipulated that innocent suspects are prosecuted undeserved. The objective of this paper is to determine whether you are able to distinguish deception from fact in an individual’s affidavit by their respective personal traits.

To date, there have not been any objective studies conducted in which both truthful and deceitful individual testimonies have been examined. The significance of this study is that you can examine the contrast between deception, false confessions and persons who speak the truth more accurately.

Through the findings of this study we can conclude that individuals, who use deception in contrast to those individuals who use false confessions or speak the truth, score relatively higher anxiety levels while at the same time score lower levels in altruism, conscientiousness, suggestibility and self-esteem. On the other hand individuals who use false confessions, in contrast to those who speak the truth or use deception score relatively lower when measuring self-esteem, and relatively high on attributes such as neuroticism, openness, altruism, compliance, anxiety, memory distrust and global belief in a just world.

Introductie


Op donderdag 22 juni 2000, iets na 18.00 uur, loopt een jongetje naakt en met een schoen om zijn nek gebonden, uit de bosjes in het Beatrixpark te Schiedam. Het jongetje, Maikel, 11 jaar oud, roept om hulp. Een voorbij fietsende man, Kees B., schiet te hulp. Hij belt 112 en meldt dat in het Beatrixpark iets ergs is gebeurd. Kees B. zegt dat bij een jongetje een schoen om de nek is gebonden en deze onder het bloed zit. Hij geeft ook aan dat iemand dood in de bosjes ligt. Maikel had hem dit namelijk verteld. Later blijkt dat het een meisje is, Nienke, 10 jaar oud.

Naar aanleiding van de feiten in het Beatrixpark is een opsporingsonderzoek gestart door de Recherche. In dat onderzoek is op 5 september 2000 een man aangehouden. Kees B., de man die op de dag van de tragische gebeurtenis naar 112 belde.

Op 9 en 10 september 2000 heeft Kees B. verklaringen afgelegd waarin hij toegeeft dat hij de feiten in het Beatrixpark heeft gepleegd.

Kees B. verschijnt op 29 mei 2001 in de rechtbank te Rotterdam…’.
Het is aan de rechter om te oordelen of de verdachte het hem1 ten laste gelegde strafbare feit daadwerkelijk heeft begaan. Over het algemeen baseert hij dit op de, in het verdachtenverhoor, verworven informatie (Crombag, van Koppen & Wagenaar 1994, p.15). Ondanks dat het bewijsrecht zo is opgezet dat het bewijs van het ten laste gelegde feit door de rechter niet uitsluitend mag worden gebaseerd op een bekentenis van de verdachte, wordt deze bij politieverhoor toch veelal beschouwd als de ‘kroon op het werk’ (Naeyé, 1990, p.225). Door een bekentenis wordt het verhaal van de officier van justitie stevig verankerd in de waargenomen werkelijkheid, via de eenvoudige algemene regel dat een verdachte niet zomaar een bekentenis aflegt wanneer hij onterecht beschuldigd wordt (Crombag et al., 1994, p.154). Formeel is weliswaar aanvullend bewijs nodig (art. 341, lid 4 Sv), maar vaak beschouwt de rechter die regel als een formaliteit (Crombag et al., 1994, p.178).

Gedurende het verhoor gaan politieambtenaren er dikwijls vanuit dat een verdachte schuldig is (Bull, 2002; Mosten & Stephenson, 1992). Zo vonden Moston, Stephenson en Williamson (1992) dat bij aanvang van een verhoor, de rechercheurs in 73% van de zaken veronderstelden dat de verdachte schuldig was. Of het bewijs sterk of zwak was had hier geen invloed op. Uit onderzoek van McConville en Hodgson (1993) blijkt dat 80% van de verhoren het doel heeft een bekentenis te verkrijgen. De vraag is in hoeverre het bewerkstelligen van een bekentenis, en het blindstaren daarop, een goede indicator is voor waarheidsvinding.

Het achterhalen van de waarheid blijkt in de praktijk niet altijd even eenvoudig te zijn. Vandaar dat veel onderzoek is gedaan op het gebied van waarheidsvinding, in de poging dit te verbeteren. Deze studies zijn voornamelijk op het gedrag van verhoorders en verdachten gericht (o.a. Vrij, 1998; Hartwig, Granhag, Strömwäll & Kronkvist, 2006; DePaulo, Lindsay, Malone, Muhlenbruck, Charlton & Cooper, 2003). Er is tot op heden weinig onderzoek gedaan naar persoonlijkheid bij leugenachtig gedrag. Hierdoor is weinig bekend over persoonlijkheidskenmerken die samenhangen met leugenachtigheid. Dit is opmerkelijk aangezien bekend is dat persoonlijkheid een belangrijke voorspeller is van gedrag (Hettema, 2002, p.4). De focus in deze studie is juist gericht op relaties tussen persoonlijkheid en leugenachtigheid. Verwacht kan worden dat bepaalde persoonlijkheidskenmerken van invloed zijn op het leugenachtige gedrag.

Er blijkt een tweedeling te zijn in leugenachtigheid bij een beschuldiging. We zullen in dit onderzoek eerst ingaan op deze vormen van leugenachtigheid. Vervolgens zal de verwachte invloed van persoonlijkheid op leugenachtig gedrag worden besproken.


Leugenachtigheid bij een beschuldiging

Om uiteenlopende redenen besluiten verdachten nog al eens de waarheid niet uit te spreken (Milne & Bull, 1999). Veelal is dit om zichzelf te behoeden voor eventuele consequenties. Schuldige verdachten liegen bijvoorbeeld simpelweg over hun betrokkenheid. In dat geval spreken we van een ‘valse ontkenning’.


Vervolg casus

‘…De rechtbank in Rotterdam en later het gerechtshof in Den Haag hebben Kees B. op 29 mei 2001 respectievelijk 8 maart 2002 schuldig bevonden aan de feiten die op 22 juni 2000 in het Beatrixpark waren gepleegd en hem voor die feiten veroordeeld. De bekentenissen die hij op 9 en 10 september 2000 bij de politie had afgelegd wogen, ondanks hij deze vrijwel direct weer in heeft getrokken, zwaar mee in het bewijs tegen Kees B.



In augustus 2004 heeft een andere man, Wik H., over zijn betrokkenheid bij de feiten in het Beatrixpark verklaard. Het onderzoek dat vervolgens door politie en justitie is ingesteld, heeft geresulteerd in bewijsmateriaal dat belastend is voor Wik H.

Op 10 december 2004 wordt Kees. B., in eerste instantie op de voorwaarde van strafonderbreking, vrijgelaten. Wik H. is uiteindelijk op 6 september 2005 veroordeeld’.
Zoals uit de bovenstaande casus blijkt, zijn er naast valse ontkenners ook ‘valse bekenners’. Dit zijn onschuldige verdachten die tijdens verhoor toch hun betrokkenheid bij het hen ten laste gelegde feit bekennen (Kassin, 1997).Volgens Kassin en Wrightsman (1985) zijn er drie redenen waarom verdachten vals bekennen. Ten eerste zijn er de vrijwillige valse bekentenissen waarbij geen sprake is van externe druk. Factoren die hierbij een rol spelen zijn onder meer het onvermogen om feiten van fictie te onderscheiden, een pathologische drang naar bekendheid (egostreling), of de wens om de echte dader te helpen en te beschermen. Daarnaast is er de gedwongen valse bekentenis. Hierbij is de verdachte er zelf van overtuigd dat hij onschuldig is, maar bekent deze omdat hij bezwijkt door de toegepaste verhoormethodes (Gudjonsson, 1991b, 1992). Ten slotte is er de ingebeelde, geïnternaliseerde valse bekentenis. Dit komt voor wanneer een onschuldige verdachte door angst, vermoeidheid, druk, verwardheid en/of subjectieve methodes zelf gaat geloven dat hij het ten laste gelegde feit gepleegd heeft (Kassin, 1997; Kassin & Kiechel, 1996; Kassin & Sukel, 1997; Kassin & Wrightsman, 1985; Wrightsman & Kassin, 1993).

Zowel valse ontkenningen als bekentenissen komen dus in de praktijk voor (zie box 1).

B
Uit onderzoek van Jacobs (2004) blijkt dat in Nederland tijdens verhoor gemiddeld genomen 71% volledig en 11% gedeeltelijk bekent. De overige 18% van de verdachten ontkent. Deze ontkenningen zijn veelal op waarheid gebaseerd. Het komt voor dat verdachten hun betrokkenheid ontkennen, terwijl ze wel degelijk de fout zijn ingegaan. Omdat de waarheid niet altijd boven tafel komt, blijft het veelal onduidelijk of een ontkennende verdachte onschuldig is of niet. Hoe vaak een valse ontkenning voorkomt is dan ook niet bekend.

Er blijkt ook een kleine groep onschuldige verdachten te zijn die het hen ten laste gelegde juist bekennen. Deze groep is moeilijk te traceren. Schattingen over valse bekentenissen variëren: Cassell (1996) schatte het aantal veroordelingen op basis van valse bekentenissen in de Verenigde Staten ergens tussen de 10 en 394 personen per jaar. Gudjonsson en Sigurdsson (1994) kwamen na een onderzoek in de Verenigde Staten op een schatting van 12%. In het Nederlandse rechtssysteem duiken ook weleens gevallen op waarin verdachten valse bekentenissen afleggen (Nijboer, 2003). Een voorbeeld hiervan is de casus in dit artikel.


ox 1: Frequentie valse ontkenningen en valse bekentenissen
Wanneer we naar de bovenstaande categorisatie van valse bekenners kijken, kunnen we daaruit opmaken dat het met name persoonlijke verschillen lijken te zijn die de categorieën bepalen (egostreling, angst, onderzekerheid et cetera.). Dit zou kunnen suggereren dat bepaalde persoonlijkheidskenmerken van invloed zijn op leugenachtig gedrag. In onder andere onderzoek van Hettema (2004, p. 4) wordt bevestigd dat persoonlijkheid een goede voorspeller is van gedrag.

In onderhavig onderzoek is middels analyse van de persoonlijkheidstrekken onderzocht of aan de hand van deze kenmerken valse ontkenners, valse bekenners en waarheidsprekers te onderscheiden zijn. Dit is gedaan aan de hand van een paradigma waarin de respondenten beschuldigd worden van tentamenfraude. Hierbij geeft de proefleider te kennen, zonder te weten of de student daadwerkelijk schuldig is, te kunnen zien dat in het tentamen is gekeken. Als de student blijft ontkennen dreigt de proefleider met consequenties. Vervolgens probeert hij een deal te sluiten. De proefleider stelt voor dat indien de proefpersoon eerlijk tegen hem is en bekent, hij zal proberen te regelen dat er geen verdere maatregelen tegen de student worden genomen. Wanneer de student blijft ontkennen, zal de tentamenfraude door de examencommissie in behandeling worden genomen.

Bij een beschuldiging, zoals in deze studie, zijn vier uitkomsten mogelijk. Deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel.

Tabel 1: Verdeling van de groepen





Bekennen

Ontkennen

Schuldig

Waarheid

Leugen

Onschuldig

Leugen

Waarheid

Schuldige verdachten kunnen besluiten de waarheid te spreken en te bekennen. Een andere mogelijkheid is dat schuldige verdachten liegen en het hen ten laste gelegde te ontkennen (zie box 1). Naast schuldige verdachten worden ook onschuldige verdachten beschuldigd. Deze besluiten veelal om de waarheid te spreken en het hen ten laste gelegde te ontkennen. Toch blijken er ook mensen te zijn die ondanks hun onschuld een bekentenis afleggen en dus liegen (Kassin, 1997).

Het is opmerkelijk dat in onderhavig onderzoek geen enkele schuldige verdachte naar voren is gekomen die betrokkenheid bekent. Wanneer we het in deze studie over waarheidsprekers hebben, doelen we dus op de groep onschuldige respondenten die hun betrokkenheid ontkennen.

Persoonlijkheid en leugenachtigheid

Tot op heden is bij valse bekentenissen en met name bij valse ontkenningen weinig wetenschappelijk onderzoek verricht naar de invloed van persoonlijkheid. Opvallend is dat in het beperkte onderzoek naar valse ontkenningen andere persoonlijkheidskenmerken zijn meegenomen dan bij valse bekentenissen. Voorheen was onderzoek naar persoonlijkheid bij valse ontkenningen met name gericht op de wat meer algemene persoonlijkheidskenmerken, ook wel bekend als de ‘Big Five’. Bij eerder onderzoek naar valse bekentenissen zijn vragenlijsten afgenomen die ook gebruikt worden binnen forensisch onderzoek, zoals de ‘Gudjonsson Compliance Scale’ en de ‘Gudjonsson Suggestibility Scale’, die de mate van meegaandheid en suggestibiliteit beogen te meten. In onderhavig onderzoek zijn bij zowel de valse ontkenners als de valse bekenners dezelfde persoonlijkheidskenmerken gemeten (zie figuur 1). Voordeel hiervan is dat het nieuw inzicht biedt in bepaalde persoonlijkheidstrekken, die voorheen nog niet gemeten zijn bij de desbetreffende groep. Zoals bijvoorbeeld de mate van suggestibiliteit bij valse ontkenners. Daarnaast kunnen in deze studie beide groepen leugenaars met elkaar vergeleken worden. Hierdoor kan worden onderzocht of persoonlijkheidskenmerken ook van invloed zijn op de soort leugen.

In deze studie is een driedeling gemaakt wat betreft de persoonlijkheidskenmerken. De eerst groep bestaat uit de algemene persoonlijkheidskenmerken, die dus voorheen vooral bij valse ontkenningen zijn onderzocht. De tweede groep bestaat uit persoonlijkheidskenmerken die veelal worden onderzocht bij forensisch onderzoek naar valse bekentenissen. Daarnaast zijn een aantal persoonlijkheidskenmerken meegenomen met betrekking tot het zelf-/wereldbeeld (de derde groep). Deze zijn interessant aangezien verwacht wordt dat ze ook van invloed zijn op leugenachtigheid. In totaal kijken we dus naar drie clusters van persoonlijkheidseigenschappen (zie Figuur 1).

Figuur 1: Persoonlijkheidsclusters en de persoonlijkheidstrekken




Cluster 1:

Algemene persoonlijkheidskenmerken

  • Extraversie

  • Altruïsme

  • Consciëntieusheid

  • Neuroticisme

  • Openheid




Cluster 2:

Vragenlijsten forensische sector

  • Meegaandheid

  • Suggestibiliteit

  • Geheugenwantrouwen

  • Fantasierijkheid




Cluster 3:

Overige vragenlijsten over zelf-/wereldbeeld


  • Angstdispositie

  • Toestandsangst

  • Zelfwaardering

  • Rechtvaardigheidsgeloof



De persoonlijkheidsclusters zullen we hieronder ieder apart bespreken. De verschillen in persoonlijkheid van de valse ontkenners, valse bekenners en waarheidsprekers worden met elkaar vergeleken. Per cluster zullen we ingaan op de bevindingen uit eerder onderzoek en worden hypotheses geformuleerd.


Algemene persoonlijkheidskenmerken en leugenachtigheid

Volgens Vrij (1998, p.20) liegen mensen die hoog scoren op extraversie vaker dan mensen die meer introvert zijn. Extraverten praten doorgaans gemakkelijker en verzinnen eenvoudiger ter plekke een verhaal (Riggio & Friendman, 1983; Siegman & Reynolds, 1983). Daarnaast blijkt uit verschillende onderzoeken dat psychopaten, die onder andere bekend staan om hun leugenachtige gedrag, hoog scoren op extraversie (Miller, Lynam, Widiger & Leukefeld, 2001; Widiger & Lynam,1998). Uit onderzoek van Gudjonsson, Sigurdsson en Einarsson (2006) blijken valse bekenners relatief hoger dan waarheidsprekers te scoren op extraversie. Als verklaring hiervoor gebruiken Gudjonsson et al. (2006) de dominante onderliggende dimensie ‘gedragskenmerken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis’, welke eerder zouden leiden tot een valse bekentenis of ontkenning.

Mensen die hoog scoren op altruïsme gaan uit van de goedheid van de mens (Hoekstra, Ormel, & de Fruyt, 1996). In een ondervragingssetting zullen ze er eerder vanuit gaan dat de verhoorder goede bedoelingen heeft. Wanneer de verhoorder aangeeft dat de verdachte beter af is wanneer deze bekent, is te verwachten dat met name verdachten die hoog scoren op altruïsme eerder hun medewerking zullen verlenen.Voor mensen die laag scoren op altruïsme zou precies het tegenovergestelde kunnen gelden. Mensen die laag scoren op altruïsme zijn in vergelijking met hoog scorenden egocentrisch en gaan sneller de confrontatie aan met anderen (Hoekstra et al., 1996). Aangezien te verwachten is dat het hen weinig uitmaakt of een ander voor hun daden opdraait zullen laag scorenden naar verwachting eerder geneigd zijn te ontkennen. Deze redenering wordt ondersteund door onderzoek van Lynam en Widiger (2001) waarin aangetoond wordt dat psychopaten en antisocialen laag op altruïsme scoren.

Volgens onderzoek van Langford (2003) zijn mensen die hoog scoren op consciëntieusheid relatief betrouwbaarder dan laagscorende mensen. Ze houden zich meer aan de regels dan personen die laag scoren (Clower & Bothwell, 2001) en doen eerder wat een dominante omgeving van hen vraagt (Hoekstra et al., 1996). Te verwachten is dat consciëntieuzen dit gedrag ook vertonen wanneer zij geconfronteerd worden met een beschuldiging. Zij zullen daardoor sneller geneigd zijn om te bekennen. Daarnaast blijkt uit onderzoek van Lynam en Widiger (2001) dat psychopaten en antisocialen, die bekend staan om hun leugenachtige gedrag (Hare, Forth & Hart, 1989; Miller & Lynam, 2003), laag scoren op consciëntieusheid.



Hypotheses: Op basis van bovenstaande redenering wordt verwacht dat zowel valse ontkenners als bekenners hoger scoren op extraversie dan waarheid vertellende verdachten (hypothese 1a), terwijl bij altruïsme (hypothese 1b) en consciëntieusheid (hypothese 1c) te verwachten is dat, in vergelijking met de waarheidsprekers, valse bekenners relatief hoog en valse ontkenners relaties laag scoren.
Forensische constructen en leugenachtigheid

In eerder onderzoek naar valse bekentenissen is met name de mate van meegaandheid en suggestibiliteit vaker onderzocht. In diverse studies (o.a. Gudjonsson, 1991a; Horselenberg, Merckelbach, Smeets, Franssens, Peters & Zelers, 2006; Sigurdsson & Gudjonsson, 1996) wordt verondersteld dat mensen met een hoge mate van meegaandheid sneller geneigd zijn vals te bekennen. De reden hiervoor is dat personen met een hoge mate van meegaandheid met name hun eigenwaarde in het bijzijn van anderen proberen te beschermen en confrontaties en conflicten met anderen zoveel mogelijk uit de weg gaan (Gudjonsson, 1989). Baldwin (1993) stelt dat mensen al voordat ze beschuldigd worden besluiten of ze gaan bekennen of niet. De volharders zouden hun gedrag daarna niet meer aanpassen. Valse ontkenners lijken hetzelfde volhardende gedrag te vertonen. Zij laten zich niet beïnvloeden tijdens de beschuldiging en houden vast aan het in het begin aangenomen standpunt. Het is daarom te verwachten dat mensen die laag scoren op meegaandheid eerder zullen volharden in hun ontkenning.

Suggestibiliteit is de mate waarin een persoon ontvangen informatie aanneemt als de waarheid (Gudjonsson, 1984). Het komt nog steeds voor dat verhoorders bij een beschuldiging sterk gericht zijn op het verkrijgen van een bekentenis (McConville et al., 1993) Vaak uit zich dat in gedrag dat is gebaseerd op misleiding en/of manipulatie (Kassin et al., 2007; Leo, 1996). Te verwachten is dat suggestibele mensen deze misleiding eerder geloven dan niet suggestibelen. Gudjonsson (1991a) en Klaver, Lee en Rose (2008) hebben in hun onderzoek een positief verband tussen de mate van suggestibiliteit en het afleggen van een valse bekentenis aangetoond. Valse ontkenners lijken juist moeilijk beïnvloedbaar (vgl. Baldwin, 1993).

Volgens Gudjonsson en MacKeith (1982) kunnen valse bekentenissen voortkomen uit het wantrouwen van het eigen geheugen. Mensen met geheugenwantrouwen vinden zichzelf vergeetachtig, gebruiken het eigen geheugen minder snel als referentiekader en lijken gemakkelijk beïnvloedbaar. Onderzoek van onder andere Naeyé (1990, p. 399) laat zien dat misleiding en beïnvloeding voorkomt bij een beschuldiging. Te verwachten is dat mensen met weinig vertrouwen in het eigen geheugen hier gevoelig voor zijn.

In onderzoek van Horselenberg et al. (2006) is een verband gevonden tussen fantasierijkheid en valse bekentenissen. Fantasierijke personen gaan eerder op in hun eigen verzinsels en die van anderen. Ze zullen daardoor, wellicht eerder dan mensen die laag scoren op fantasierijkheid, geloven wat een verhoorder hen vertelt tijdens een beschuldiging.

Hypotheses: Op basis van bovenstaande redenering wordt verwacht dat valse bekenners relatief hoger scoren op meegaandheid (hypothese 2a), suggestibiliteit (hypothese 2b), geheugenwantrouwen (hypothese 2c) en fantasierijkheid (hypothese 2d) dan waarheidsprekers en valse ontkenners. Daarnaast wordt verwacht dat valse ontkenners relatief lager scoren op meegaandheid (hypothese 2e) en suggestibiliteit (hypothese 2f) dan valse bekenners en waarheidsprekers.
Zelf-/wereldbeeld en leugenachtigheid

In de studie van Gudjonsson, Sigurdsson, Asgeirdottir en Sigfusdottir (2006) is onderzocht of de mentale staat en het welbevinden in verband kunnen worden gebracht met valse bekentenissen. Hierbij is onder andere gekeken naar de mate van ervaren angst. Uit bovenstaande studie komt naar voren dat valse bekenners relatief hoger scoren dan waarheidsprekers op de Symptom Distress Checklist, die de mate van angst beoogd te meten.

Te verwachten is dat mensen die hoog scoren op angstschalen bang zijn voor de consequenties wanneer zij niet bekennen. Degenen die hoog scoren, lijken daarom makkelijker te beïnvloeden tijdens een beschuldiging.

Naast angst hebben Gudjonsson et al. (2006) ook onderzocht of er een verband bestaat tussen valse bekenners en de mate van zelfingenomenheid. Verwacht werd dat valse bekenners laag zouden scoren op deze schaal. De motivatie hierachter is dat dergelijke personen minder zeker zijn van zichzelf en op zoek zijn naar erkenning en bevestiging van anderen. Het is goed mogelijk dat valse ontkenners juist relatief hoog scoren op zelfingenomenheid. Zelfingenomen mensen zullen sneller dan niet zelfingenomen mensen er vanuit gaan dat ze niet falen. Door deze gedachtegang zou het kunnen zijn dat mensen eerder denken dat de verhoorder hun leugen niet zal doorzien. Deze redenering wordt ondersteund door onderzoek naar narcisme dat laat zien dat mensen die hoog scoren op deze schaal over het algemeen meer liegen, bedriegen en manipuleren dan laag scorenden (Rogers & Cruise, 2000). Narcisten scoren over het algemeen hoog op zelfwaardering (Eurelings-Bontekoe, Verheul, & Snellen, 2007, p.85).

Tenslotte zal op exploratieve wijze worden onderzocht of de mate van rechtvaardigheidsgeloof van invloed is op waarheidsvinding. Hoog scorenden op deze schaal geloven dat mensen krijgen wat ze verdienen (e.g., Lerner, 1979, 1980; Lerner & Miller, 1978). Twee redeneringen zijn denkbaar voor een verband tussen rechtvaardigheidsgeloof en valse ontkenners/bekenners. De eerste redenering gaat er vanuit dat iemand te allen tijde zijn verdiende straf krijgt. Middels deze gedachtegang heeft het geen nut om een valse ontkenning af te leggen. Deze redenatie zal naar verwachting wel eerder een valse bekentenis uitlokken. De valse bekenner zal, ondanks zijn bekentenis, er vanuit gaan dat hij niet bestraft wordt. Hij gaat immers er vanuit dat de waarheid uiteindelijk toch wordt achterhaald. Naar verwachting zal hij sneller geneigd zijn te bekennen om onder de confrontatie uit te komen.

De andere redenering achter rechtvaardigheidsgeloof is dat mensen die hoog scoren denken dat ze niet voor niets zijn beschuldigd. Hierbij gaat de verdachte dus twijfelen aan zijn eigen gelijkheid. Deze gedachtegang gaat er vanuit dat de verdachte, ook al is deze onschuldig, denkt dat hij iets met het hem ten laste gelegde te maken heeft. Een valse bekentenis zal hierdoor sneller plaatsvinden.



Hypotheses: Op basis van bovenstaande wordt verwacht dat valse bekenners hoger scoren dan valse ontkenners en waarheidsprekers op angst (hypothese 3a). Daarnaast wordt verwacht dat valse ontkenners relatief laag (hypothese 3b) en valse bekenners relatief hoog scoren (hypothese 3c) op zelfwaardering in vergelijking met waarheidvertellende verdachten. Tenslotte wordt verwacht dat valse bekenners relatief hoog (hypothese 3d) en valse ontkenners relatief laag scoren (hypothese 3e) op rechtvaardigheidsgeloof in vergelijking met waarheidsprekers.

Methode

Participanten

Aan het onderzoek hebben studenten uit het eerste en tweede jaar en Pre-Master studenten meegewerkt. Zij studeren allen op de faculteit gedragswetenschappen aan de Universiteit van Twente (UT).

Om een voorselectie te maken is tijdens hoorcolleges, van de vakken klinische psychologie en persoonlijkheidsleer, en geschiedenis van de psychologie, aan studenten gevraagd om twee persoonlijkheidsvragenlijsten (State Trait Anxiety Inventory- trait; STAI, en de Gudjonsson Compliance Scale; GCS) in te vullen. De mate van meegaandheid is bepaald door middel van de GCS en middels de STAI is de mate van toestandsangst en angstdispositie gemeten. In totaal hebben 202 studenten deze vragenlijsten ingevuld. Bij studenten met een score boven de 46 op de STAI is verondersteld dat de manipulatie gedurende het onderzoek als te stressvol wordt ervaren (Horselenberg et al, 2006). 43 studenten (21%) voldeden hieraan. Deze studenten zijn daarom niet uitgenodigd voor het verdere onderzoek. Aan de hand van de GCS is de mate van meegaandheid (compliance) bepaald (Gudjonsson, 1984). Uit onder andere de studie van Gudjonsson (1991a) blijkt dat meegaandheid een grote rol speelt bij valse bekentenissen. Vandaar dat besloten is studenten ook op deze eigenschap te selecteren. De laag scorenden (< = 7; 16 studenten, 35%) en hoog scorenden (> = 10; 30 studenten, 65%) zijn uitgenodigd. De groep die niet is uitgenodigd door hun meegaandheidscore bevatte 47 studenten (23%).

Uiteindelijk zijn 112 studenten uitgenodigd voor de verdere medewerking aan deze studie. Hiervan hebben 47 studenten (42%) deelgenomen aan het onderzoek. Eén student is gedurende het onderzoek afgehaakt, zij had door dat de beschuldiging van de tentamenfraude bij het onderzoek hoorde. Deze is niet meegenomen in de analyse. Uiteindelijk hebben 46 proefpersonen het gehele onderzoek doorlopen.

De in totaal 46 proefpersonen betreffen 9 mannen (20%) en 37 vrouwen (80%). In totaal zijn 34 proefpersonen (74%) van Nederlandse en 12 proefpersonen (26%) van Duitse afkomst. De gemiddelde leeftijd is 21 jaar (variërend tussen de 18 en 27 jaar, SD = 2,45).
Procedure

De studenten die uitgenodigd zijn om deel te nemen aan het onderzoek zijn via e-mail benaderd. Aan hen is een standaarduitnodiging gestuurd. Hierin is de studenten medegedeeld dat zij, naar aanleiding van hun scores op de in het college ingevulde vragenlijsten, uitgenodigd zijn voor deelname aan het onderzoek. De studenten is verteld dat het onderzoek een bijdrage levert aan de ontwikkeling van een nieuwe Nederlandse persoonlijkheidsvragenlijst (coverstory). Het volgende stond onder andere in de uitnodigingsbrief: ‘… Uit de vragenlijst die ik je tijdens het college heb voorgelegd komt naar voren dat jij perfect past in één van de vooraf bepaalde persoonlijkheidsclusters. Dat maakt jou erg interessant voor ons onderzoek. Vandaar dat ik je via deze weg zou willen uitnodigen om mee te werken aan ons onderzoek…’.

De studenten is verteld dat zij gedurende het onderzoek een aantal vragenlijsten moeten invullen.

Bij aanvang van het onderzoek heeft de proefleider zich bewust onthouden van de scores van de al eerder, in het college, ingevulde vragenlijsten waarin de meegaandheid, toestandsangst en angstdispositie is gemeten. Op deze manier is getracht beïnvloeding op de onderzoeker gedurende het onderzoek te voorkomen.

De student is voorafgaand aan het onderzoek gevraagd om plaats te nemen in de ontvangsthal. Daar is hij opgehaald door de onderzoeker. Deze doet zichzelf voor als een promovendus (AIO). Bij de kennismaking geeft de onderzoeker te kennen dat hij aan het promoveren is op persoonlijkheidsonderzoek en daarnaast op de achtergrond ondersteunende taken verricht voor een aantal psychologievakken.

De proefpersoon krijgt een korte uitleg over het onderzoek, en verdere instructies over de in te vullen persoonlijkheidsvragenlijsten. Daarna is de proefpersoon verzocht het ‘informed consent’ te ondertekenen. Vervolgens zijn de eerste twee vragenlijsten afgenomen, waarin het geheugenwantrouwen en de mate van suggestibiliteit is gemeten. Beide vragenlijsten zijn gepresenteerd als een geheugentest. ‘…Voordat we beginnen aan de persoonlijkheidsvragenlijsten neem ik eerst twee tests over het geheugen bij je af. Daarna zal ik je een aantal persoonlijkheidsvragenlijsten aanbieden. Dat is alles, is het duidelijk?…’.

De afname van de vragenlijst waar de mate van suggestibiliteit is gemeten (GSS) kan van invloed zijn op het vervolg van het onderzoek omdat dit de proefpersoon onzeker kan maken. Vandaar dat besloten is na afname van de GSS, de proefpersoon een ‘fillertask’ te laten invullen. Door middel van deze korte vragenlijst is getracht de invloed van de GSS op het verdere onderzoek te neutraliseren. Voor deze ‘fillertask’ is een vragenlijst met 32-items gebruikt waarin gemeten wordt of de proefpersoon zichzelf al dan niet als een trendsetter neerzet. Een typische voorbeeldstelling is: Soms ben ik geïnteresseerd in het kopen van een nieuw product omdat het mij de kans geeft om anderen vooruit te zijn’. Na afname van de fillertask zijn de resterende vragenlijsten (die als persoonlijkheidsvragenlijsten zijn gepresenteerd) aan de proefpersoon overhandigd. In deze vragenlijsten wordt de mate van extraversie, altruïsme, consciëntieusheid, neuroticisme, openheid, fantasierijkheid, zelfwaardering en rechtvaardigheidsgeloof gemeten. De proefpersoon dient deze vragenlijsten zelfstandig in te vullen. Na het overhandigen van de vragenlijsten verlaat de proefleider de onderzoeksruimte, zodat de proefpersoon in alle rust deze vragenlijsten in kan vullen. De proefleider vermeldt hierbij dat hij na 20 à 30 minuten terugkomt om te kijken hoe het gaat. ‘…Dan gaan we nu verder met de volgende vragenlijsten. Ik wil je vragen deze volgorde aan te houden en de vragenlijsten zo volledig en goed mogelijk in te vullen…. Goed, dan ga ik je nu even met rust laten en dan kom ik over 20 à 30 minuten terug om te kijken hoe ver je bent en of alles lukt. Is dat goed?…’.

De proefleider komt daadwerkelijk al binnen 10 minuten terug en geeft aan dat hij ‘per ongeluk’ een tentamen heeft laten liggen. Het betreft ‘toevallig’ het vak dat de student die periode volgt (bij de eerstejaars studenten gaat dit om het vak ‘klinische psychologie en persoonlijkheidsleer’ en bij de tweedejaars studenten om het vak ‘geschiedenis van de psychologie’. De pre-master studenten nemen deel aan beide of in ieder geval één van de twee bovenstaande vakken). De proefleider zoekt op het bureau van de proefpersoon en vindt daar het betreffende tentamen. Hij haalt opgelucht adem, pakt het tentamen en verlaat de onderzoeksruimte. Ongeveer 3 minuten later komt hij terug met de vraag of de proefpersoon in het tentamen heeft gekeken. ‘…Heb jij eigenlijk in dat tentamen gekeken?…’. Wanneer de proefpersoon ontkent, confronteert de onderzoeker hem met het feit dat hij kan zien dat in het tentamen is gekeken. ‘…Maar ik kan zien dat je erin hebt gekeken…’. De hoekjes van het tentamenstencil zijn omgebogen, terwijl het zojuist is uitgeprint. De onderzoeker vraagt naar een verklaring hiervoor. Vervolgens geeft de onderzoeker aan dat hij in overleg gaat met iemand van de examencommissie. Aan de proefpersoon is gevraagd of hij de resterende vragenlijsten verder wil invullen. ‘…Nou, goed ik weet niet zo goed wat ik hiermee moet. Ik loop wel even richting de examencommissie. Vul jij de rest van de vragenlijsten nog even in?…’.

Na 5 minuten komt de onderzoeker terug. Als de proefpersoon klaar is met het invullen van de vragenlijsten, confronteert de onderzoeker de proefpersoon nogmaals met de vermeende tentamenfraude. ‘…Oké, bedankt voor het invullen. Alleen zitten we nu nog met dat tentamen. Wat moeten we daar nu mee doen? Tja ik weet dat je erin hebt gekeken…’. De onderzoeker geeft aan dat hij de examencommissie maar kort heeft kunnen spreken aangezien deze in vergadering was. Een reactie zou spoedig volgen via de e-mail aangezien ze de vermeende tentamenfraude graag wilde meenemen in de vergadering (in werkelijkheid heeft de onderzoeker vanuit de mailbox van de ‘examencommissie’ een mailtje naar zijn eigen mailbox verzonden). De onderzoeker vertelt ondertussen dat, naar zijn weten, op tentamenfraude uitsluiting van het tentamen staat. Hij geeft het volgende aan: ‘…Naar mijn weten staat op tentamenfraude uitsluiting van het tentamen. Als je nu gewoon bekent dat je het gedaan hebt zal ik wel een goed woordje voor je doen en ervoor zorgen dat het goed komt, oké? …’. Ondertussen kijkt de onderzoeker of hij al een e-mailbericht heeft ontvangen van de examencommissie, dit blijkt inderdaad zo te zijn. Hierin wordt aan de proefpersoon gevraagd of hij zijn verhaal wil doen over de tentamenfraude. Het e-mailbericht van de examencommissie aan de student is hieronder weergegeven.
F
Beste student,
Zojuist heb ik te horen gekregen dat je beschuldigd wordt van tentamenfraude. Graag zou ik ook jouw verhaal willen aanhoren. Aangezien we in een maandelijks overleg zitten ben ik niet in de gelegenheid jullie te woord te staan. Daarom wil ik je vragen of je nu, via de e-mail, kort kan beschrijven wat er precies gebeurd is. Ik hoop dat je bereid bent direct verslag te doen, zodat we dit nu meteen mee kunnen nemen. Dit heb ik ook aan Rik aangegeven, hij gaf aan dat hij je de gelegenheid zal geven om direct een reactie terug te sturen.
Met vriendelijke groet,
Joke Bruinsma

Namens de Examencommissie



iguur 2: Brief examencommissie aan proefpersoon
Wanneer de proefpersoon klaar is met het beantwoorden van bovenstaande e-mail, wordt het onderzoek afgerond en vindt de debriefing plaats. Hierin wordt de proefpersoon gerustgesteld en verteld dat de gehele beschuldiging van de tentamenfraude bij het onderzoek hoort. Tenslotte is nog een korte uitleg gegeven over het onderzoek, daarbij is aan de proefpersoon nadrukkelijk gevraagd om voorlopig niet met anderen over het onderzoek te praten.

Gedurende het gehele onderzoek is de proefpersoon gefilmd met een verborgen camera. Hierdoor kan in de analyse, na het onderzoek, worden nagegaan of deze al dan niet in het tentamen heeft gekeken en of de proefpersoon de waarheid heeft gesproken.

Het paradigma is in bijlage 1 weergegeven in een schema.

Instrumenten

Bij de proefpersonen zijn diverse persoonlijkheidskenmerken gemeten, hiervoor zijn meerdere vragenlijsten gebruikt. Zoals eerder vermeld, hebben de proefpersonen tijdens een hoorcollege twee vragenlijsten ingevuld. Deze vragenlijsten worden hieronder nader besproken.

Onderzoek deel 1

State Trait Anxiety Inventory- trait (STAI)

De STAI is een psychologische vragenlijst om de mate van angst te meten. Deze bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt 'state-anxiety' (toestandsangst) gemeten. Het tweede deel meet de 'trait-anxiety' (angstdispositie). Beide delen omvatten 20 items (uitspraken) die gescoord worden op een Likert-schaal van 1 (geheel niet) tot 4 (zeer veel). In het eerste deel van de vragenlijst wordt de proefpersoon gevraagd of hij wil aangeven hoe goed de uitspaken op dit moment bij hem passen. Een voorbeelduitspraak hierbij is ‘Ik voel me kalm’. In het tweede deel van de vragenlijst wordt gekeken hoe goed de uitspraken in het algemeen bij de proefpersoon passen. De uitspraak ‘Ik voel me rustig en beheerst’ is hier een voorbeeld van. De interne consistentie bij toestandangst is met een Cronbach’s a van .83 goed te noemen (m = 33,39, SD = 5,72) en op angstdispositie is een matige interne consistentie te zien met een Crohnbach’s a van .65 (m = 37,24, SD = 4,66).
Gudjonsson Compliance Scale (GCS)

De GCS is gericht op het meten van de welwillendheid tot het plezieren van anderen en het vermijden van conflicten en confrontaties. Dit wordt gemeten middels een zelfrapportage- instrument met 20 juist/onjuist items, zoals ‘Als mensen sterk benadrukken dat ze gelijk hebben dan raak ik daar veelal door overtuigd’. De interne consistentie is met een Cronbach’s a van .72 voldoende te noemen (m = 9,85, SD = 3,87).


Onderzoek deel 2

Na de selectie aan de hand van de bovenstaande vragenlijsten is een deel van de studenten uitgenodigd om mee werken aan een tweede onderzoek. Daarbij is aangegeven dat zij een aantal vragenlijsten moesten invullen. We bespreken de vragenlijsten in de volgorde waarin ze aan de deelnemers zijn aangeboden. De eerste twee vragenlijsten zijn door de proefleider bij de student afgenomen. De eerste vragenlijst, de Squire Subjective Memory Questionnaire, is op schrift afgenomen, de Gudjonsson Suggestibility Scale, de tweede vragenlijst, is in de vorm van een interview afgenomen. Beide vragenlijsten zijn gepresenteerd als een geheugentest. Daarna kon de student zelfstandig de andere lijsten afwerken.


Squire Subjective Memory Questionnaire (SSMQ)

De SSMQ bestaande uit een 18-item schaal. Aan de hand van stellingen als ‘Mijn vermogen om dingen te onthouden die ik geleerd heb is?’ wordt beoogd het geheugenwantrouwen te meten. De items worden gescoord middels een Likert-schaal van –4 (rampzalig) tot en met 4 (perfect). De SSMQ vertoont een goede interne consistentie met een Cronbach’s a van .88 (m = 20,61, SD = 14,33).


Gudjonsson Suggestiblity Scale (GSS)

De GSS meet middels een kort verhaal en bijbehorende geheugentaken de suggestibiliteit van een individu (Rassin en Candel, 2002). Over dit verhaal wordt door de proefleider 20 gesloten vragen gesteld, waarvan 15 misleidend zijn. Hieruit kan de ‘Yield’ score opgemaakt worden. Yield geeft aan in hoeverre een persoon ingaat op de suggestie die in de vraag besloten ligt. Voorbeeld van een dergelijke vraag is: ‘Had de vrouw één of twee kinderen?’. In het verhaal werd niet gesproken over kinderen. Indien de proefpersoon de vraag beantwoord met één, twee of meer kinderen is sprake van een Yield-score.

Na het beantwoorden van de vragen krijgt de proefpersoon de volgende negatieve feedback: ‘Je hebt een aantal fouten gemaakt en ik heb het idee dat je het beter kan. Ik wil daarom de vragen nog een keer met je doornemen. Probeer deze keer een nog nauwkeuriger antwoord te geven’. Door deze test-hertest kan een ‘Shift’ score in het geheugen van de proefpersoon worden gevonden. Dit is de mate waarin een proefpersoon zijn antwoorden bij de tweede afname verandert ten opzichte van de gegeven antwoorden tijdens de eerste ondervraging. Uiteindelijk kan de totale suggestibiliteitscore berekend worden door de Yield en Shift op te tellen. De GSS laat een matige interne consistentie zien met een Cronbach’s a van .65 (m = 7,07, SD = 3,67).

Na de afname van de SSMQ en de GSS overhandigt de proefleider eerst een fillertask en vervolgens de overige persoonlijkheidsvragenlijsten. De student wordt gevraagd de vragenlijsten zelfstandig in te vullen. De laatste twee vragenlijsten (NEO-FFI en GBJWS) zijn niet eerder in onderzoek naar waarheidsvinding meegenomen. Aangezien de verwachting is dat beide vragenlijsten relevante informatie opleveren is besloten deze in dit onderzoek wel mee te nemen.


De Creatieve Ervaringen Vragenlijst (CEV)

De CEV meet aan de hand van een vragenlijst van 25 juist/onjuist items de ontwikkelingsantecedenten van fantasie, uitgebreide en frequente fantasieën en dagdromen, maar ook gerelateerde of tegelijk optredende fenomenen, zoals fysiologische reacties tijdens fantasieën (Merckelbach, Horselenberg & Muris, 2001). Een voorbeeld CEV-item is:’Als ik me inbeeld dat ik bedorven voedsel heb gegeten, dan word ik echt misselijk’. De CEV beschikt over een acceptabele interne consistentie met een Cronbach’s a van .77 (m = 7,91, SD = 4,13).


Rosenberg Self-esteem Scale (RSES)

De Rosenberg Vragenlijst voor Zelfwaardering meet middels een 10-item schaal een globaal gevoel van zelfwaardering, in termen van positieve en negatieve gevoelens ten aanzien van jezelf. De score wordt door middel van een Likert-schaal van 0 (past helemaal niet bij mij) tot en met 3 (past goed bij mij) bepaald. De totale score op de RSES representeert een cijfer voor het globale zelfbeeld, waarbij een hogere score staat voor een grotere zelfwaarde (Franck & De Raedt, 2007). Een typische stelling uit de RSES is ’Over het geheel genomen ben ik tevreden over mezelf’. De RSES geeft een hoge betrouwbaarheid van Cronbach’s a = .88 (m = 22,61, SD = 5,83).


Neuroticism-Extroversion-Openness Five Factor Inventory (NEO-FFI)

De NEO-FFI is een verkorte versie van de NEO-PI-R. De NEO-FFI meet -aan de hand van 60 items- de vijf dominante persoonlijkheidkenmerken. Deze staan ook wel bekend als de Big Five. Het gaat om de volgende vijf kenmerken:



  • Extraversie (a = .78, m = 43,00, SD = 6,03): meet de mate van naar buiten en naar binnen gerichte energie, aandacht en oriëntatie. De stelling ‘Ik ben graag daar waar wat te beleven valt’ is een typisch voorbeeld.

  • Altruïsme (a = .81, m = 43,17, SD = 6,84): meet de mate waarin het individu georiënteerd is op de ervaringen, doelen en belangen van anderen, en de mate van hulpvaardig en samenwerking. Een voorbeeldstelling is: ‘Ik werk liever met anderen samen dan met ze te wedijveren’.

  • Consciëntieusheid (a = .86, m = 42,39, SD = 7,94): meet of het individu georganiseerd, volhardend en ambitieus is, alsmede de betrouwbaarheid in de zin van gewetensvol handelen. Een voorbeeld stelling is: ‘Als ik iets beloof, kan men er op rekenen dat ik die belofte nakom’.

  • Neuroticisme (a = .86, m = 31,80, SD = 7,71): meet emotionele labiliteit die wordt gecontrasteerd met emotionele stabiliteit. Angst speelt hierbij een belangrijke rol. Een typische stelling is: ‘Ik voel me zelden eenzaam of triest’.

  • Openheid (a = .70, m = 40,28, SD = 5,95): meet de mate van openstaan voor ervaringen, intellectuele nieuwsgierigheid, voorkeur voor variatie en esthetiek. Voorbeeldstelling is: ‘Als ik eenmaal de goede manier om iets te doen gevonden heb, dan blijf ik daar bij’ (Hoekstra et al. 1996).

De items worden gescoord door middel van een Likert-schaal van 1 (helemaal oneens) tot en met 5 (helemaal eens). De interne consistenties, van alle domeinschalen zijn acceptabel tot goed (variërend van .70 tot .86).
Global Believe in a Just World Scale (GBJWS)

De GBJWS meet de mate waarin mensen willen geloven dat ze leven in een wereld waarin mensen krijgen wat ze verdienen, oftewel rechtvaardigheidsgeloof (e.g., Lerner, 1979, 1980; Lerner & Miller, 1978). De stelling ‘Ik denk dat mensen krijgen wat ze verdienen’ is een typisch voorbeeld uit de GJBJWS. De vragenlijst bestaat uit 7 items die gescoord worden op een Likert-schaal van 1 (sterk mee oneens) tot en met 6 (sterk mee eens). De interne consistentie is goed met een Cronbach’s alpha van a = .82 (m = 22,70, SD = 6,22).


Resultaten

Om vast te stellen of een proefpersoon al dan niet in het tentamen heeft gekeken, zijn middels een verborgen camera, video-opnames gemaakt van het onderzoek. Bij de analyse van de videobeelden blijken 4 proefpersonen zichzelf inzage in het tentamen te verschaffen. Daarnaast hebben 2 proefpersonen weliswaar geen inzage in het tentamen gehad, maar zijn ze wel op zoek gegaan naar andere exemplaren, om deze te kunnen meenemen. Deze 6 proefpersonen zijn bij de groep valse ontkenners ingedeeld, allen hebben de waarheid niet verteld. Geen enkele proefpersoon heeft uiteindelijk expliciet een valse bekentenis afgelegd. Uit de nabespreking met de proefpersonen blijkt dat bij 2 respondenten twijfel bestaat over het al dan niet plegen van tentamenfraude. Ze geven achteraf toe niet meer zeker te weten of ze nu wel of niet inzage in het tentamen hebben gehad. Na analyse van de video-opnames blijkt dat beide respondenten dit niet hebben gedaan. Het lijkt aannemelijk om te verwachten dat meer druk en een langere confrontatie tot een valse bekentenis zou leiden. Vandaar dat besloten is deze twee twijfelaars af te zetten tegen de valse ontkenners en de waarheidsprekers. De bovenstaande verdeling is hier in een overzicht terug te vinden.


Tabel 2: Verdeling van de groepen





Bekennen (Twijfel)

Ontkennen

Wel fraude

0

6

Geen fraude

2

38

De grootte van de groep valse ontkenners en valse bekenners is dermate klein dat eventuele bevindingen met meer dan gebruikelijke voorzichtigheid geïnterpreteerd dienen te worden. Indicaties die naar voren komen, kunnen eerdere studies bevestigen of ontkrachten en eventueel aanleiding geven voor vervolgonderzoek.

De bevindingen zijn aan de hand van observatie vastgesteld. Dit is gedaan door de individuele resultaten van de valse ontkenners en valse bekenners met elkaar en de, gemiddelde score van de, waarheidsprekers te vergelijken. Hiervoor is gekozen vanwege het geringe aantal valse ontkenners en bekenners. Voordeel van observatie ten opzichte van toetsing is dat de afwijkende individuele scores, die bij een kleine populatie zoals deze veel invloed op de gemiddelden uitoefenen, eerder opgemerkt worden. Significante verbanden zijn aan de hand van dit onderzoek dus niet aangetoond.

De gevonden verbanden tussen persoonlijkheid en leugenachtigheid worden hieronder in relatie tot de opgestelde hypotheses per persoonlijkheidscluster besproken.

In tabel 3 zijn de scores van de verschillende persoonlijkheidskenmerken weergegeven van de volgende groepen: waarheidsprekers, valse ontkenners en valse bekenners (twijfelaars). Hierdoor kunnen deze groepen tegen elkaar afgezet worden en zijn eventuele verbanden zichtbaar.
Algemene persoonlijkheidskenmerken

Bij de algemene persoonlijkheidkenmerken (de Big Five) is onder andere onderzocht of het verwachte positieve verband tussen extraversie en leugenaars gevonden is. In bovenstaande tabel zien we dat de leugenaars, op P1 (39), P5 (48) en P6 (35) na, rondom het gemiddelde van de waarheidsprekers (m = 43,03) scoren. Vergeleken met degene die de waarheidspreken scoren 5 van de 8 leugenaars (P2, P3, P4, P5 en P8) relatief hoog, de overige 3 (P1, P6 en P7) relatief laag. Uit deze studie lijkt geen duidelijk patroon naar voren te komen. De verwachting dat leugenaars hoog scoren op extraversie is in deze studie niet aangetoond.

Ten opzichte van waarheidsprekers is bij valse ontkenners een relatief lage en bij valse bekenners een relatief hoge score verwacht op altruïsme. De gemiddelde score van waarheidsprekers op altruïsme is 44,26. Opvallend is dat uit tabel 2 naar voren komt dat alle valse ontkenners lager dan 44,26 scoren. P6 (28) scoort extreem laag. We zien geen enkele respondent lager scoren op altruïsme. In vergelijking met waarheidsprekers scoren valse bekenners juist relatief hoog. Het verschil is wel minimaal waardoor deze resultaten met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden. Zoals verwacht scoren, in vergelijking met waarheidsprekers, valse ontkenners relatief laag en valse bekenners relatief hoog op altruïsme

Tabel 3: Persoonlijkheidskenmerken van de verschillende groepen



Cluster

Persoonlijkheidskenmerk




Waarheidsprekers

(n = 38)




Valse ontkenners




Valse bekenners

(Twijfelaars)

m

range

P1

P2

P3

P4

P5

P6

P7

P8




Algemene persoonlijkheid

Neuroticisme




31,92

15-47




26

31

33

35

16

39




37

33

Extraversie

43,03

29-55

39

45

45

46

48

35

40

45

Openheid

39,74

27-52

47

38

30

37

57

49

41

44

Altruïsme

44,26

28-55

38

44

32

30

42

28

44

46

Consciëntieusheid

42,76

24-57

34

38

48

37

37

49

42

40




Forensische constructen


Meegaandheid




10

3-17




10

14

11

3

4

5




14

12

Suggestibiliteit

7,47

0-18

5

5

5

8

3

5

6

4

Geheugenwantrouwen

20,39

-13-48

40

4

5

1

35

25

29

34

Fantasierijkheid

7,95

1-15

11

1

9

0

15

11

7

8



Zelf-/wereldbeeld

Angstdispositie




37,05

25-45




35

39

39

38

34

43




40

37

Toestandsangst

32,79

21-46

40

36

35

33

34

38

38

36

Zelfwaardering

23,16

4-30

22

14

20

23

29

15

18

19

Rechtvaardigheidsgeloof

22,97

7-37

26

28

25

10

14

15

27

26

Een negatief verband tussen valse ontkenners en consciëntieusheid is verwacht. De gemiddelde score van de valse ontkenners bij consciëntieusheid is 40,5 ((P1 - P6) / 6 = 40,5). Waarheidsprekers scoren gemiddeld 42,76. We zien bij degene die de waarheid spreken een grote spreiding van 24 tot 57, waardoor het verschil in gemiddelden klein lijkt. P3 en P6 trekken het gemiddelde flink omhoog. Een verband lijkt aantoonbaar aangezien 4 van de 6 valse ontkenners ruim onder de gemiddelde score van de waarheidsprekers scoren. De gemiddelde valse ontkenner (40,5) scoort relatief lager op consciëntieusheid dan de waarheidsprekers. Door het minimale verschil tussen de gemiddelden en de twee uitschieters (P3 en P6), moeten deze bevindingen met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. De valse bekenners scoren met 42 en 40 tegen de verwachting in onder de gemiddelde score van de waarheidsprekers (42,76). Doordat dit verschil minimaal is, is het moeilijk te bepalen of hier sprake is van een trend.

Op neuroticisme wordt uiteenlopend gescoord door de valse ontkenners. P5 (16) heeft een van de laagste scores (range waarheidsprekers: 15-47). Daarnaast scoort P6 met 39 ver boven de gemiddelde waarheidspreker (m = 31,92). De andere valse ontkenners scoren in minder extreme mate wisselend op neuroticisme. Uit deze studie lijkt geen patroon zichtbaar te worden. De valse bekenners scoren relatief hoger op neuroticisme dan respondenten die de waarheidspreken. Een verband tussen neuroticisme en valse bekenners lijkt daarom naar voren te komen.

Op de schaal waar de openheid van de respondent gemeten wordt, blijkt dat valse ontkenners wisselend scoren. P1 (47) en P6 (49) scoren relatief hoog en P5 (57) heeft van alle respondenten de hoogste score (range waarheidsprekers: 27-52). P2 en P4 (38 en 37) scoren onder en P3 (30) ver onder de gemiddelde waarheidsprekers (m = 39,74). Een trend lijkt hierdoor niet zichtbaar te worden. Vergeleken met respondenten die de waarheid vertellen scoren de valse bekenners (41 en 44) beide relatief hoog. Uit deze studie lijkt een positief verband naar voren te komen tussen valse bekenners en openheid.

Forensische constructen

In het tweede cluster waarin persoonlijkheidvragenlijsten vanuit het forensische onderzoek zijn meegenomen, is onder andere de meegaandheid gemeten. Bij meegaandheid is, in vergelijking met waarheidsprekers, een negatief verband verwacht met valse ontkenners en een positief verband met valse bekenners. Valse ontkenners scoren wisselend op meegaandheid. De tweedeling die te zien is binnen de groep valse ontkenners is opvallend. Het eerste deel (P1, P2 en P3) scoort tegen de verwachting in relatief hoog vergeleken met de waarheidsprekers. Het tweede gedeelte (P4, P5 en P6) blijkt zoals verwacht in vergelijking met de waarheidsprekers relatief laag te scoren. Opvallend is dat het tweede gedeelte erg laag scoort (3, 4 en 5) bij een range (waarheidsprekers) van 3-17. Een duidelijke verklaring voor de tweedeling tussen de valse ontkenners is niet voorhanden. Door deze tweedeling lijkt het verwachte negatieve verband tussen valse ontkenners en meegaandheid niet aantoonbaar. In de lijn der verwachting scoren valse bekenners relatief hoog (12 en 14).

In tabel 2 zien we dat alle leugenaars op P4 (8) na, in vergelijking met de waarheidsprekers (m = 7,47), relatief laag scoren op suggestibiliteit. Uit deze studie lijkt de verwachte lage score van valse ontkenners op suggestibiliteit dus naar voren te zijn gekomen. Bij de valse bekenners is de te verwachten hoge score op suggestibiliteit uitgebleven. Beide valse bekenners (6 en 4) scoren beneden gemiddeld.

De verwachting bij het geheugenwantrouwen is dat valse bekenners in vergelijking met waarheidsprekende respondenten, relatief laag scoren op deze schaal. Opvallend is dat de valse bekenners (29 en 34) ten opzichte van de waarheidsprekers (m = 20,39) juist beide relatief veel vertrouwen lijken te hebben in het eigen geheugen. Het verwachte negatieve verband tussen valse bekenners en geheugenwantrouwen is door deze studie niet aangetoond. Dit is opmerkelijk aangezien de valse bekenners in de nabespreking van het onderzoek aangeven niet meer te weten of ze nu wel of niet inzage hebben gehad in het tentamen. Bij valse ontkenners blijkt de zwaarste overtreder (P1) en de twee lichtste overtreders (P5 en P6) ten opzichte van waarheidsprekers, relatief hoog te scoren op geheugenwantrouwen. De overige valse ontkenners scoren juist relatief laag. Een duidelijk patroon op het geheugenwantrouwen lijkt niet naar voren te komen.

Van valse bekenners is verwacht dat zij hoog scoren op fantasierijkheid. In tabel 2 zien we dat de scores van de valse bekenners (7 en 8) ongeveer gelijk zijn aan die van de gemiddelde waarheidsprekers (m = 7,95). Binnen de groep valse ontkenners is afwisselend gescoord. In vergelijking met waarheidsprekers scoren P2 (1) en P4 (0) relatief laag, de overige valse ontkenners scoren juist relatief hoog. Een duidelijk verband bij fantasierijkheid lijkt niet zichtbaar.
Zelf-/wereldbeeld

In het derde persoonlijkheidcluster van het zelf-/wereldbeeld, zijn angst, zelfwaardering en rechtvaardigheidsgeloof onderzocht. Verwacht is dat valse bekenners ten opzichte van waarheidsprekende respondenten, relatief hoog scoren op de angstschalen. Op toestandangst blijken alle leugenaars in vergelijking met waarheidsprekers (m = 32,79) relatief hoog te scoren. Bij de angstdispositieschaal scoort de gemiddelde leugenaar ((P1 – P8) / 8 = 36,25) hoger dan de gemiddelde waarheidspreker.

In de lijn der verwachting scoren de valse bekenners en ontkenners relatief hoger op angst dan waarheidsprekers. Een verklaring voor de verhoogde score bij de valse ontkenners zou kunnen zijn dat angstige personen eerder ontkennen omdat ze bang zijn voor de gevolgen van hun daden. Door te ontkennen, dus te liegen, denken ze onder de gevolgen uit te kunnen komen.

Bij zelfwaardering is verwacht dat valse ontkenners hoog en valse bekenners laag scoren ten opzichte van waarheidsprekers. We zien in tabel 2 dat de waarheidsprekers gemiddeld 23,16 scoren. Opmerkelijk is dat op P5 (29) na alle valse ontkenners relatief laag scoren in vergelijking met de waarheidsprekers. Valse ontkenners scoren gemiddeld 20,5 ((P1-P6) / 6 = 20,5). De valse bekenners scoren zoals verwacht ook relatief lager (18 en 19) dan respondenten die de waarheid vertellen. Uit deze studie lijkt naar voren te komen dat leugenaars, ten opzichte van waarheidsprekers, relatief laag scoren op zelfwaardering.

De verwachting bij rechtvaardigheidsgeloof is dat valse ontkenners relatief laag en valse bekenners relatief hoog scoren in vergelijking met waarheidsprekers.

Een negatief verband tussen valse ontkenners en rechtvaardigheidsgeloof lijkt, tegen de verwachting in, niet aantoonbaar. Een opmerkelijke tweedeling vindt plaats tussen de zwaardere (P1, P2 en P3) en lichtere (P4, P5 en P6) overtreders. De eerste groep heeft een hoge score terwijl de tweede groep juist laag scoort op rechtvaardigheidsgeloof. Van een duidelijk patroon lijkt hier geen sprake. Een duidelijke verklaring hiervoor is niet voorhanden. Tabel 2 laat zien dat, in vergelijking met waarheidsprekers (m = 22,97), valse bekenners relatief hoog scoren (26 en 27) op de mate van rechtvaardigheidgeloof. De verwachte relatieve hoge score bij valse bekenners lijkt in deze studie naar voren te komen.





  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina