Waarheidsvinding bij een beschuldiging Een studie naar persoonlijkheid bij leugenachtigheid Rik Peterse Faculteit Gedragswetenschappen, Universiteit van Twente Augustus 2009 Eerste begeleider: dr. E. Giebels Tweede begeleider: drs



Dovnload 197.33 Kb.
Pagina2/2
Datum17.10.2016
Grootte197.33 Kb.
1   2

Discussie


Het doel van deze studie is om verschillen in persoonlijkheid te tonen tussen de valse ontkenners/bekenners en waarheidsprekers. Hieronder gaan we dieper in op de resultaten en conclusies van het onderzoek. Daarnaast zijn kanttekeningen en aanbevelingen van de huidige opzet van het gehanteerde paradigma besproken.

Resultaten en bevindingen

De resultaten uit de verwachtingen zijn wisselend. Hieronder worden ze besproken aan de hand van de 3 persoonlijkheidsclusters. Per cluster beginnen we met de gevonden verbanden om vervolgens de overige bevindingen te bespreken. Tenslotte zijn de resultaten en bevindingen omtrent de verbale gedragskenmerken beschreven. De scores van de valse ontkenners/bekenners en waarheidsprekers zijn grafisch weergegeven in figuur 3.
F
iguur3: Verschillen scores per groep op persoonlijkheid
In de eerste persoonlijkheidscluster zijn de algemene persoonlijkheidstrekken (Big Five) besproken. Deze zullen we per persoonlijkheidskenmerk doorlopen.

Valse bekenners blijken, in deze studie, in vergelijking tot valse ontkenners en waarheidsprekers, relatief hoog te scoren op neuroticisme (zie figuur 3). Dit is een bevestiging van de studie van Sigurdsson en Gudjonsson (1996). Bij valse ontkenners is naar verwachting geen verband zichtbaar geworden. Volgens Hoekstra et al. (2006) zijn emotionele instabiliteit, schuldgevoel, stressgevoeligheid en het zich vaak zorgen maken kenmerken van mensen die hoog scoren op neuroticisme. Een verhoor vergt veel van de verdachte. Deze wordt onder druk gezet en, indien nodig geacht, misleid. Middels bovenstaande kenmerken van neuroticisme kan verwacht worden dat een verdachte die hoog scoort op deze schaal, relatief eerder vals bekent dan iemand die de waarheid spreekt. Deze kenmerken zorgen ervoor dat de verdachte sneller bezwijkt tijdens een verhoor/confrontatie. Door dit alles blijkt dat stress en schuldgevoelens, tijdens een verhoor/confrontatie, zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.

Leugenaars blijken in vergelijking met waarheidsprekers in hun score nauwelijks af te wijken op extraversie (zie figuur 3). Dit is een opvallend resultaat en in strijd met eerder onderzoek Vrij (1998) en Gudjonsson et al. (2006). Te verwachten was dat leugenaars hoger zouden scoren op extraversie, gekenmerkt door hun impulsiviteit, assertiviteit en sociale vaardigheden. Hierdoor is verondersteld dat extraverten gemakkelijker ter plekke een verhaal kunnen verzinnen (Riggio et al., 1983; Siegman et al., 1983). Deze studie heeft deze redenering niet aan weten te tonen. De achterliggende redenering dat psychopaten hoog scoren op extraversie en daarom relatief eerder liegen, lijkt middels dit onderzoek niet gegrond.

Een positief verband lijkt naar voren te komen tussen valse bekenners en openheid. Peterson, Smith en Carson (2002) laten in hun studie zien dat mensen die hoog scoren op openheid, meer moeite hebben met het negeren van ervaren stimuli. Degenen die hoog scoren zouden meer openstaan voor nieuwe informatie. Wanneer we dit in verband brengen met de verhoortechnieken zoals ook in deze studie gebruikt, waarbij misleiding niet is geweerd, is het geen vreemde gedachte dat mensen die hoog scoren op openheid relatief sneller aannemen wat de verhoorder vertelt. Ze staan immers relatief eerder open voor suggesties. Middels deze redenatie zou een open opstelling sneller een valse bekentenis teweeg kunnen brengen. Bij de valse ontkenners is geen patroon zichtbaar geworden. De scores zijn te verschillend waardoor van een verband geen sprake lijkt.

Zoals verwacht scoren valse ontkenners lager en valse bekenners hoger op altruïsme dan waarheidsprekers (zie figuur 3). Het geschetste beeld dat valse bekenners te karakteriseren zijn aan hun vriendelijke, naïeve en behulpzame karakter lijkt daarmee bevestigd. Valse ontkenners lijken zoals verwacht juist egocentrisch, en niet bezig te zijn met de ander die eventueel voor hun daden moet opdraaien. Het lijkt erop dat laag scorenden op altruïsme tijdens verhoor anders aangepakt moeten worden dan degenen die hoog scoren. Laatstgenoemden blijken relatief beïnvloedbaar. Bij hen zal misleiding relatief sneller leiden tot een bekentenis. Laag scorenden blijken minder gevoelig voor beïnvloeding. Het zal moeilijk zijn zonder voorafgaande kennis van deze persoonlijkheidstrek bij de verdachte, als verhoorder hierop in te kunnen spelen.

Valse ontkenners scoren in vergelijking met waarheidsprekers, naar verwachting relatief laag op consciëntieusheid. Dit bevestigt de gedachtegang dat zowel valse ontkenners als laag scorenden onbetrouwbaar zijn. Het lijkt ook onderzoek van Lynam en Widiger (2001) te bevestigen. Uit deze studie kwam onder meer naar voren dat consciëntieusheid in verband staat met de betrouwbaarheid van psychopaten/ antisocialen. Net zoals bij altruïsme lijkt het moeilijk voor de verhoorder, zonder voorafgaande kennis van de persoonlijkheidstrek bij de verdachte, iets met deze informatie te kunnen.

De algemene persoonlijkheidstrekken van de Big Five, op extraversie na, lijken invloed te hebben op leugenachtigheid. Dit is een indicatie dat persoonlijkheidstrekken in verband kunnen worden gebracht met leugenachtigheid.

Vervolgonderzoek op algemene persoonlijkheidstrekken bij leugenachtigheid kan interessante informatie opleveren. Uit dit onderzoek zijn indicaties naar voren gekomen waarbij de algemene persoonlijkheidsfactoren invloed lijken te hebben op een verhoogd risico bij leugenachtigheid. Aan te bevelen bij eventueel vervolgonderzoek is, ondanks dat in deze studie geen duidelijke verschillen zichtbaar zijn, extraversie ook mee te nemen. Vrij (1998) heeft in eerder onderzoek wel een verband gevonden. Een reden dat in dit onderzoek geen verbanden zijn aangetoond, kan de grote van de groep leugenaars (n = 8) zijn.

In het tweede cluster waarin persoonlijkheidvragenlijsten vanuit het forensische onderzoek zijn meegenomen, blijken onder andere valse bekenners in de lijn der verwachting relatief hoog te scoren. Dit is in overeenstemming met studies van Gudjonsson (1991a), Horselenberg et al. (2006) en Sigurdsson en Gudjonsson (1996) waarin een significant verband tussen valse bekenners en een hoge mate van meegaandheid is aangetoond. Bij valse ontkenners is tegen de verwachting in, geen verband gevonden op meegaandheid. Uit deze bevindingen lijkt naar voren te komen dat meegaande personen door beïnvloeding aan de hand van misleiding verhoogd risico lopen op een valse bekentenis. Concluderend uit deze bevindingen kan gesteld worden dat bij waarheidsvinding misleiding en beïnvloeding voorkomen moet worden. Deze technieken lijken niet gewenst bij verhoor, waarbij de waarheid achterhalen het uiteindelijke doel is.

Conform de verwachting is een relatief lage score van valse ontkenners op suggestibiliteit aantoonbaar. De redenatie dat valse ontkenners moeilijk te beïnvloeden zijn, lijkt middels deze studie te worden bevestigd. Opvallend genoeg scoren valse bekenners tegen verwachting relatief laag op suggestibiliteit. Dit is tegenstrijdig met de resultaten van studies van onder andere Gudjonsson (1991a, 2003) en Klaver et al. (2008).

Bij valse bekenners werd in eerder onderzoek (Gudjonsson & MacKeith, 1982) een negatief verband verwacht tussen valse bekenners en geheugenwantrouwen. In deze studie is dit verband niet aantoonbaar (zie figuur 3). De valse bekenners blijken zelfs relatief hoog te scoren in vergelijking met waarheidsprekers en valse ontkenners. Een goede verklaring hiervoor is niet voorhanden. Naar verwachting is geen verband gevonden tussen valse ontkenners en geheugenwantrouwen.

Het verwachte positieve verband tussen valse bekenners en fantasierijkheid is in deze studie in tegenstelling tot onderzoek van Horselenberg et al. (2006) niet gevonden. Dit is opvallend, aangezien zij in hun studie een significant verschil laten zien. Een verband tussen valse ontkenners en fantasierijkheid is zoals verwacht niet aangetoond.

De invloed op leugenachtigheid van de bovenstaande persoonlijkheidsfactoren (factoren uit het forensische onderzoek) blijkt wisselend aantoonbaar te zijn. In dit cluster hebben alleen valse bekenners, conform de verwachting, relatief hoog gescoord op meegaandheid en alleen valse ontkenners relatief laag te scoren op suggestibiliteit. Andere al dan niet voorspelde verbanden zijn, in deze studie, niet naar voren gekomen. Deze bevindingen zijn met name bij de valse bekenners opmerkelijk. Diverse studies (Gudjonsson, 1991a, 2003; Horselenberg, et al., 2006; Horselenberg, Merckelbach & Josephs, 2003; Sigurdsson & Gudjonsson, 1996; Klaver et al., 2008; Gudjonsson & MacKeith, 1982) tonen wel bevindingen omtrent valse bekenners en deze persoonlijkheidstrekken. Met name naar verbanden van suggestibiliteit bij valse bekenners is betrekkelijk veel onderzoek gedaan. De GSS, die de suggestibiliteit beoogt te meten, laat in dit onderzoek een matige interne consistentie zien met een Cronbach’s a = .65. Deze redelijk lage score zou van invloed kunnen zijn op de resultaten, waardoor ze niet geheel betrouwbaar zijn. Een andere verklaring dat deze en overige verschillen niet gevonden zijn, is het geringe aantal valse ontkenners (6) en valse bekenners (2) in deze studie.

De gemiddelde scores van alle respondenten op de bovenstaande persoonlijkheidsfactoren komen redelijk overeen met bevindingen uit eerder onderzoek (Gudjonsson, 1989, 1997; Giesbrecht, de Ruiter & Jelicic 2008, p.39 & p.137) waarbij niet alleen studenten zijn onderzocht, maar respondenten uit alle lagen van de samenleving. De homogene groep van studenten lijkt geen invloed te hebben op de resultaten. Hierdoor lijken de bevindingen uit dit onderzoek betrekkelijk betrouwbaar.

In het derde persoonlijkheidscluster bespreken we de kenmerken die over het zelf-/wereldbeeld gaan. Daarnaast is een korte conclusie weergegeven.

In de lijn der verwachting scoren zowel valse ontkenners als valse bekenners, in vergelijking met waarheidssprekers, relatief hoog op de angstschalen. Dit bevestigt onderzoek van Gudjonsson et al. (2006) waarbij een verband tussen de mentale staat en valse bekentenissen is gevonden. Daarnaast lijkt de redenering dat angstige personen eerder ontkennen, omdat ze bang zijn voor de gevolgen van hun daden, te kunnen kloppen. Het is een interessante bevinding dat angst in verband gebracht kan worden met leugenachtigheid. Deze studie laat zien dat angst opwekken bij verhoor niet het gewenste resultaat oplevert. Angst zal eerder leiden tot leugenachtigheid.

Uit deze studie is te zien dat valse ontkenners en bekenners, ten opzichte van waarheidsprekers, relatief laag scoren op zelfwaardering. Hiermee wordt de studie van Gudjonsson et al. (2006) waarbij een negatief verband tussen valse bekenners en zelfingenomenheid onderzocht is, bevestigd. Valse ontkenners blijken tegen de verwachting in laag te scoren. Uit dit onderzoek blijkt het van belang dat verhoorders ervoor te zorgen dat verdachten zich niet minderwaardig gaan voelen. Een verhoortechniek waarbij de verdachte door de verhoorder naar beneden wordt gehaald, is niet gewenst. Hierdoor zal de zelfwaardering van de verdachte kunnen worden aangetast. Zoals uit bovenstaande blijkt, leidt een lage zelfingenomenheid relatief eerder dan bij mensen met een hoge zelfwaardering, tot een valse ontkenning of bekentenis.

Op rechtvaardigheidsgeloof blijken valse bekenners in deze studie relatief hoog te scoren. Bij valse ontkenners is geen duidelijk patroon zichtbaar. Een hoge mate van rechtvaardigheidsgeloof lijkt valse bekentenissen uit te lokken. Vandaar dat tijdens verhoor niet gewenst is verdachten met argumenten als: ‘U zit hier toch niet voor niets?’ te confronteren. Volgens dit onderzoek leidt dit tot een verhoogde kans op een valse bekentenis.

Gesteld kan worden dat een aantal persoonlijkheidskenmerken leugenachtig gedrag direct al dan niet indirect in de hand kan werken. Bepaalde persoonlijkheidskenmerken blijken gevoelig voor de gehanteerde verhoortechnieken. Om valse ontkenningen en bekentenissen te voorkomen, kan een eerste stap gezet worden door de verhoorder in te laten zien wat de invloed is van misleiding en beïnvloeding. Het is van belang dat de verhoorder inziet waar deze toe kan leiden. Hiervoor lijkt een belangrijke rol weggelegd tijdens de opleiding van rechercheurs waarin het belang van waarheidsvinding, in plaats van het verkrijgen van een bekentenis, in het verhoor moet worden benadrukt (Milne & Bull, 1999; Van Amelsfoort, Rispens, & Grolman, 2005).
Kanttekeningen en aanbevelingen

Hieronder zijn kanttekeningen en aanbevelingen geplaatst voor eventueel vervolgonderzoek. Eerst bespreken we een aantal kanttekeningen uit deze studie in het algemeen. Vervolgens zal specifiek in worden gegaan op onderzoek met betrekking tot valse ontkenners en bekenners.


Algemene kanttekeningen

Door de relatief kleine groep valse ontkenners (n = 6) en valse bekenners (n = 2) zijn de resultaten uit het onderzoek niet zonder meer te generaliseren. De bevindingen uit deze studie kunnen gezien worden als indicaties voor eventuele verbanden. Verder onderzoek is noodzakelijk om significante verschillen te kunnen vaststellen van persoonlijkheidkenmerken bij leugenachtigheid. Om significante verschillen aan te tonen, dient in vervolgonderzoek een grotere groep respondenten te worden onderzocht.

Tijdens deze studie ondervonden 7 proefpersonen (15%) te veel hinder van de vrijgekomen stress. Bij 4 van hen is het gehele onderzoek wel afgerond. Bij hen werd de stress pas na afloop van het onderzoek duidelijk. De 7 respondenten hebben, in vergelijking met de overige respondenten, geen opmerkelijke persoonlijkheidskenmerken. Ondanks de grootte van deze groep (15%) hoeft het paradigma in de ogen van de onderzoeker, vanwege deze reden, niet aangepast te worden. Echter vanuit ethisch oogpunt is nazorg in de vorm van geruststelling en nabespreking gewenst. In dit onderzoek is daar ruim de tijd voor genomen (+/- 20 minuten). Dit bood de respondent de gelegenheid tot rust te komen en vragen te stellen. Uit de nabespreking is naar voren gekomen dat, ondanks de vrijgekomen stress, het onderzoek als leuk en leerzaam is ervaren. De respondenten hebben een goed gevoel overgehouden aan het onderzoek. Het is aan te bevelen te blijven filmen gedurende de nabespreking, dit kan relevante informatie opleveren.

De resultaten van de algemene persoonlijkheidstrekken (Big Five) en fantasierijkheid, zelfwaardering en rechtvaardigheidsgeloof moeten met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Tijdens het invullen van deze vragenlijsten zijn de respondenten geconfronteerd met de vermeende tentamenfraude. Deze stressopwekkende situatie kan invloed hebben uitgeoefend op de resultaten van de vragenlijsten. Voor vervolgonderzoek is het raadzaam om de respondenten na het invullen van de vragenlijsten te beschuldigen van tentamenfraude. Hierdoor is dergelijke beïnvloeding uit te sluiten.

Uit onder meer onderzoek van Jacobs (2004) blijkt dat verschil in zwaarte van het delict invloed heeft op het eerder doen bekennen of ontkennen. Het is dan ook geen vreemde gedachte dat de zwaarte van het delict in verband staat met de mate van valse ontkenningen. Bij een verwachte zware straf is het aannemelijk dat een verdachte andere afwegingen maakt dan bij een verwachte lichtere straf. De tentamenfraude met uitsluiting voor het tentamen als maatregel, kan gezien worden als een licht vergrijp met een milde straf. Vandaar dat het huidige paradigma met name geschikt lijkt voor onderzoek naar verdachten met een licht vergrijp en een milde maatregel. Voor zwaardere delicten en maatregelen kan dit onderzoek worden gebruikt als indicator.

In deze studie is ook naar zwaarte van de overtreding gekeken. De proefpersonen in deze studie zijn ingedeeld aan de hand van de zwaarte van de overtreding. De eerste proefpersoon (P1) heeft bijvoorbeeld foto’s gemaakt van het tentamen. De laatste 2 proefpersonen in de groep valse ontkenners (P5 en P6) hebben alleen gekeken of er niet meer exemplaren lagen, om eventueel een tentamen mee te kunnen nemen. Een duidelijk verband in zwaarte van de overtreding en verschil in persoonlijkheid lijkt niet naar voren te komen. De uitersten (P1 en P6) lijken in vergelijking met de andere valse ontkenners gemiddeld te scoren. Dit is te verklaren doordat het verschil in zwaarte van de overtredingen relatief klein zijn. Een andere mogelijke oorzaak waarom verschillen in deze studie niet zijn aangetoond, is het geringe aantal respondenten dat in de fout is gegaan.


Paradigma onderzoek leugenaars

Het paradigma in dit onderzoek blijkt uitermate geschikt voor studies naar leugenachtigheid. Respondenten kiezen middels dit paradigma allereerst zelf ervoor of ze een overtreding begaan. Daarnaast kiezen de respondenten gedurende de beschuldiging zelf al dan niet te liegen over de vermeende tentamenfraude.


Kanttekeningen valse bekenners

Voor onderzoek naar valse bekenners lijkt het paradigma ook geschikt maar in mindere mate. We kunnen ons afvragen in hoeverre een confrontatie door een masterthesis student overeenkomt met een confrontatie door een politieagent. Deze straalt naar verwachting meer gezag uit. Daarnaast dient bij onderzoek stress te worden beperkt. De onderzoeker heeft daardoor niet dezelfde druk kunnen uitoefenen als bij een politieverhoor. In tegenstelling tot bij politieverhoor is de tijdsduur veel korter. Verder zijn dwangmiddelen (inverzekeringstelling, ophouden van verhoor, intimidatie) die soms gebruikt worden bij politieverhoor, niet toegepast. Tenslotte mist de onderzoeker de jarenlange training en ervaring van een politieagent. Desondanks zegt het veel dat 2 van de 46 studenten in de huidige opzet van deze studie aan het twijfelen zijn gebracht. Het is verontrustend dit te constateren. Het lijkt een indicatie dat sommige mensen beïnvloedbaar zijn. Aan de hand van een meer professionele verhoorder, druk en verhoortechnieken lijken zij beïnvloedbaar bij een politieverhoor.


Maatschappelijk belang

Deze studie is, naast het belang voor forensisch onderzoek ook van maatschappelijk belang. Het is een verontrustende zaak dat het vandaag de dag nog steeds moeilijk blijkt valse ontkenners en valse bekenners op te sporen. Hierdoor lopen criminelen vrij rond en worden daarnaast onschuldige mensen vast gehouden. Bij deze veelal al kwetsbare groep lijkt de kans dat zij hierbij psychische, maatschappelijke en/of lichamelijke schade oplopen aannemelijk.

Vanwege bovenstaande redenen en het vergroten van de veiligheid op straat is het van belang dat onderzoek naar waarheidsvinding doorgezet wordt, waarbij gestreefd moet worden valse ontkenningen en valse bekentenissen te voorkomen en/of eerder waar te kunnen nemen.

Referenties

Amelsfoort, van, A., Rispens, I., & Grolman, H. (2005). Handleiding verhoor. 's-Gravenhage: Elsevier Overheid.

Baltwin. J. (1993) Police interview techniques: Establishing Truth or Proof. The Britisch Journal of Criminology, 33, 325-352.

Bull, R. H. (2002). Applying psychology to crime investigation: The case of police interviewing. In I. K. McKenzie & R. H. Bull (red.), Criminal justice research: Inspiration, influence and ideation, 221-243. Aldershot: Darmouth.

Cassel, P. G. (1996). All benefits, no costs: The grand illusion of Miranda’s defenders. Northwestern University Law Review, 90, 1084-1124.

Clower, C. E., & Bothwell, R. K. (2001). An exploratory study of the relationship between the Big Five and inmate recidivism. Journal of Research in Personality, 35, 231-237.

Crombag, H. F. M., van Koppen, P. J., & Wagenaar, W. A. (1994). Dubieuze zaken. De psychologie van strafrechtelijk bewijs. Amsterdam/Antwerpen, Contact.

DePaulo, B. M., Lindsay, J.J., Malone, B. E., Muhlenbruck, L., Charlton, K., & Cooper, H. 2003). Cues to deception. Psychological Bulletin, 129, 74-118.

Eurelings-Bontekoe, E. H. M., Verheul, R., & Snellen, W. M. (2007). Handboek persoonlijkheidspathologie. Houten, Bohn Stafleu van Loghum.

Franck, E., & De Raedt, R. (2007). Self-esteem reconsidered: Unstable self-esteem outperforms level of self-esteem as vulnerability marker for depression. Behaviour Research and Therapy, 45, 1531-1541.

Giesbrecht, T., de Ruiter, C., & Jelicic, M. (2008). Forensisch psychodiagnostisch gereedschap: Malingering, psychopathie en andere persoonlijkheidstrekken. Amsterdam: Harcourt.

Gudjonsson, G. H. (1984). A new scale of interrogative suggestibility. Personality and Individual Differences, 5, 303-314.

Gudjonsson, G. H. (1989). Compliance in an interrogative situation: A new scale. Personality and Individual Differences, 10, 535-540.

Gudjonsson, G. H. (1991a). Suggestibility and compliance among alleged false confessors and resisters in criminal trials. Medicine, Science, and the Law, 31, 147-151.

Gudjonsson, G. H. (1991b). The application of interrogative suggestibility to police interviewing. In J. F. Schumaker (Ed.), Human suggestibility: Advances in theory, research, and application, 279-288. New York: Routledge.

Gudjonsson, G. H. (1992). The psychology of interrogations, confessions, and testimony. New York: Wiley.

Gudjonsson, G. H. (1997). The Gudjonsson Suggestibility Scales Manual. Hove, Sussex: Psychology Press.

Gudjonsson, G. H. (2003). The psychology of interrogations and confessions: A handbook. New York, NY, John Wiley and Sons.

Gudjonsson, G. H., & MacKeith, J. A. C. (1982). False confessions: Psychological effects of interrogation. In A. Trankell (Ed.), Reconstructing the past: The role of psychologists in criminal trials, 253-269. Deventer, the Netherlands: Kluwer.

Gudjonsson, G. H., & Sigurdsson, J. F. (1994). How frequently do false confessions occur? An empirical study among prison inmates. Psychology, Crime and Law, 1, 21-26.

Gudjonsson, G. H., Sigurdsson, J. F., Asgeirdottir, B., B., & Sigfusdottir, I. D. (2006). Custodial interrogation, false confession and individual differences: A national study among Icelandic youth. Personality and Individual differences, 41, 49-59.

Gudjonsson, G. H., Sigurdsson, J. F., & Einarsson E. (2006) Taking blame for antisocial acts and its relationship with personality. Personality and Individual Differences, 43, 3-13.

Hare, R. D., Forth, A. E., & Hart, S. D. (1989). The psychopath as prototype for pathological lying and deception. In J.C. Yuille (Ed.), Credibility assessment, 25-49. Norwell, MA: Kluwer Academic Publishers.

Hartwig, M., Grangag., P. A., Strömwall, L. A., Kronkvist, O. (2006) Strategic Use of Evidence During Police Interviews When Training to Detect Deception Works. Law and Human Behavior, 30, 603-619.

Hettema, P. J. (2002). Persoonlijkheid van top tot teen. Assen, van Gorcum.

Hoekstra, H. A., Ormel, J. & de Fruyt, F. (1996). Handleiding NEO persoonlijkheids- vragenlijsten NEO-PI-R en NEO-FFI. Lisse, Swets Test Services.

Horselenberg, R., Merckelbach, H., & Josephs, S. (2003). Individual differences and false confessions: a conceptual replication of Kassin and Kiechel (1996). Psychology, Crime & Law, 9, 1-8.

Horselenberg, R., Merckelbach, H., Smeets, T., Franssens, D., Peters, G. Y., & Zelers, G. (2006). False confessions in the lab: Do plausibility and consequences matter? Psychology, Crime & Law, 12, 61-75.

Jacobs, M. (2004). Bekennen en ontkennen van verdachten: Een onderzoek naar de proceshouding van verdachten naar aanleiding van het wetsvoorstel strekkende tot een vereenvoudigde bewijsmotivering bij bekennende verdachten. Den Haag: WODC- cahier.

Kassin, S. M. (1997). The psychology of confession evidence. American Psychologist, 52, 221-233.

Kassin, S. M., & Kiechel K. L. (1996). “I’m innocent!”: Effects of training on judgements of truth and deception in the interrogation room. Law and Human behaviour, 23, 499-516.

Kassin, S. M., Leo, A. L., Meissner, C. A., Richman, K. D., Colwell, L. H., Leach, A. & Fon, La, F. (2007). Police Interviewing and Interrogation: A Self-Report Survey of Police Practices and Beliefs. Law and Human Behavior, 31, 381-400.

Kassin, S. M., & Sukel, H. (1997). Coerced confessions and the jury: An experimental test of the “harmless error rule”. Law and Human Behavior, 21(1), 27-46.

Kassin, S. M., & Wrightsman, L. S. (1985). Confessions evidence. In S. M. Kassin en L. S. Wrightsman (Eds.), The psychology of evidence and trial procedure, 67-94. Beverly Hills: Sage.

Klaver, J. R., Lee, Z., & Rose, V. G. (2008). Effects of personality, interrogation techniques

and plausibility in an experimental false confession paradign. Legal and Criminal



Psychology, 13, 71-88.

Langford, P. H. (2003). A one-minute measure of the Big-five? Evaluating and abridging Shafers’s (1999) Big Five markers. Personality and Individual Differences, 35, 1127-1140.

Leo, R. A. (1996). Inside the interrogation room. Journal of Criminal Law and Criminology, 86, 266-303.

Lerner, M. J. (1979). The desire for justice and reactions to victims. In J. Macaulay & L. Berkowitz (Eds.), Altruism and helping behavior, 205-229. New York, NY: Academic Press.

Lerner, M. J. (1980). The belief in a just world: A fundamental delusion. New York, NY. Plenum.

Lerner, M. J., & Miller, D. T. (1978). Just world research and the attribution process: Looking back and ahead. Psychological Bulletin, 85, 1030-1051.

Lynam, D. R., & Widiger, T. A. (2001). Using the Five-factor model to represent the DSM–IV personality disorders: An expert consensus approach. Journal of Abnormal Psychology, 110, 401–412.

McConville, M., & Hodgson, J. (1993). Custodial legal advice and the right to silence. London: Her Makesty’s Stationery Office (Royal Commission on Criminal Justice Report).

Merckelbach, H., Horselenberg, R., & Muris, P. (2001). The Creative Experiences Questionnaire (CEQ): A brief self-report measure of fantasy proneness. Personality and Individual Differences, 31, 987-995.

Miller, J. D., & Lynam, D. R. (2003). Psychopathy and the five-factor model of personality: A replication and extension. Journal of Personality Assessment, 81, 168-178.

Miller, J. D., Lynam, D. R.,Widiger, T. A., & Leukefeld, C. (2001). Personality disorders as extreme variants of common personality dimensions. Can the Five-factor model of personality adequately represent psychopathy? Journal of Personality, 69, 253-276.

Milne, R., & Bull, R. (1999). Investigative interviewing: Psychology and practice. Chichester: Wiley.

Moston, S. J., & Stephenson, G. M. (1992). Predictors of suspect and interviewer behaviour during police questioning. In F. Lösel & D. Bender & T. Bliesener (red.), Psychology and law: International perspectives, 212-219. Berlin: De Gruyter.

Moston, S. J., Stephenson, G. M., & Williamson, T. M. (1992). The effects of case characteristics on suspect behaviour during police questioning. British Journal of Criminology, 32, 23-40

Naeyé, J. (1990). Heterdaad: politiebevoegdheden bij ontdekking op heterdaad in theorie en praktijk, Arnhem: Gouda Quint.

Nijboer, J. F. (2003). Gerechtelijke dwalingen en de deskundigen. Justitiële Verkenningen, 29, 105-120.

Peterson, J. B., Smith, K. W., & Carson, S. (2002). Openness and extraversion are associated with reduced latent inhibition: Replication and commentary. Personality and Individual Differences, 33, 1137-1147.

Rassin, E., & Candel, I. (2002). Suggestie tijdens het verhoor. In P. J. van Koppen, D. J. Hessing, H. L. G . J. Merckelbach,, & H.F.M. Crombag (red.), Het recht van binnen. Psychologie van het recht, 465-483. Deventer: Kluwer bv.

Riggio, R. E., & Friedman, H. S. (1983). Individual differences and cues to deception. Journal of personality and Social Psychology, 45, 899-915.

Rogers, R., & Cruise, K. R. (2000). Malinering and deception among psychopaths. In C. B. Gacono (Ed.), The clinical and forensic assessment of psychopathy: A practioner’s guide. 269-284. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.

Siegman, A. W., & Reynolds, M. A. (1983). Self-monitoring and speech in feigned and unfeigned lying. Journal of personality and social psychology, 45, 1325-1333.

Sigurdson, J. F., & Gudjonsson, G. H. (1996). The psychological characteristics of ‘false confessors’. A study among Icelandic prison inmates an juvenile offenders. Personality and Individual Differences, 20, 321-329.

Vrij, A. (1998). De psychologie van de leugenaar: Liegen en voorgelogen worden op het werk, in de rechtszaal en thuis. Lisse: Swets & Zeitlinger.

Widiger, T. A., & Lynam, D. R. (1998). Psychopathy and the five-factor model of personality. In T. Millon, E. Simonsen, M. Birket-Smith,&R.D. Davis (Eds.), Psychopathy: Antisocial, criminal, and violent behaviors, 171–187. New York: Guilford.

Wrightsman, L. S., & Kassin, S. M. (1993). Confessions in the courtroom. Newbury Park, CA: Sage.

Bijlage

Vragenlijsten tijdens college




Paradigma tijdens onderzoek










0-5 min.

5-20 min.

20 min.

20-30 min.

35 min.

30-50 min.

50 min.

50-70 min.

-Meegaandheid

-Toestandsangst

-Angstdispositie


-Introductie

-Informent consent



- Geheugenwantrouwen

- Suggestibiliteit






-Fillertask

-Fantasierijkheid






-Rechtvaardigheids-geloof

-Neuroticisme

-Extraversie

-Openheid

-Altruïsme

-Consciëntieusheid

-Zelfwaardering




















Onderzoeker

verlaat onderzoeksruimte



Onderzoeker komt verward de onderzoekskamer binnen, met de mededeling dat hij ergens een tentamen heeft laten liggen

Eerste confrontatie tentamenfraude




Tweede confrontatie

- Mail examencommissie

- Debriefing


Bijlage 1: Paradigma


1 Vanwege de leesbaarheid is de gehele these in de hij-vorm geschreven.



1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina