Waarom arbeid bij kerk hoort en andersom Drs. Hub Crijns, directeur van landelijk bureau disk



Dovnload 32.62 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte32.62 Kb.

Waarom arbeid bij kerk hoort en andersom

Drs. Hub Crijns, directeur van landelijk bureau DISK

Alphons Ariëns mag zonder meer gezien worden als de founding father van het arbeidspastoraat.” “Menselijke arbeid, betaalde of onbetaald, maakt het leven mogelijk; de arbeid bedoelt de schepping te bewerken en haar tegelijkertijd te bewaren of erover te waken.” “In een gezonde christelijke gemeenschap zal echter de wereld van de arbeid niet uit beeld verdwijnen.” “Is arbeid nu ten diepste een zegen of een vloek?”


Op een mooie vrijdagmorgen en vroege middag ontspon zich op 29 september onder de leiding van Hub Crijns, directeur landelijk bureau DISK en mede-auteur van ‘Arbeid, zin en geloof. Handboek Arbeid en Kerk’ een boeiend gesprek over de relaties die er zijn tussen arbeid, geloven en kerken.

Hub Crijns vertelde hoe het handboek tot stand is gekomen. “Landelijk bureau DISK heeft in de afgelopen 25 jaar met deelstudies en met het jaarlijks werkmateriaal voor de zon­dag van de arbeid en bid- en dankdag voor gewas en arbeid veel ervaring op het terrein van geloof en arbeid opgebouwd. Wat tot op heden ontbrak was een goed studieboek, dat tevens te gebruiken is als werkboek. Het project Handboek Arbeid en Kerk bundelt de ervaring van landelijk bureau DISK en van het lokale arbeidspastoraat in een boek, dat als studieboek en werkboek gebruikt kan worden in parochies en gemeenten, en door groepen van organisaties.”



Joop Roebroek, voorzitter van landelijk bureau DISK, bood het Handboek Arbeid en Kerk voor een publiek van 55 mensen aan vertegenwoordigers van de kerken aan. Hij maakte een vergelijking met de priester Alphons Ariëns, de eerste arbeidspastor in Nederland. “Voor hem was de band tussen geloof en arbeid vanzelfsprekend en in zijn leven is die band de motor voor vele activiteiten van missionaire en diaconale aard; activiteiten die hem ook echt tot een belangrijke historische figuur hebben gemaakt.” Het Handboek haalt op basis van de ervaringen uit het arbeidspastoraat die vanzelfsprekende verbindingen terug. “Wie een gesprek aangaat met mensen rond het werk wat ze doen, betaald of onbetaald, komt al snel terecht op thema’s als identiteit, welbevinden, sociale status, structurering van de tijd, en relaties met andere mensen. Het werk en de collega’s blijken van invloed op het persoonlijk leven, het verenigingsleven, het maatschappelijk en politiek handelen. Moeiteloos komt dan het kwadrant van Ariëns weer in beeld en kan binnen dat raamwerk de spiritualiteit van mensen ingevuld worden. Er blijken levendige relaties te bestaan tussen arbeid en geloof. Bij die diep gewortelde levenservaring sluit dit Handboek Arbeid en Kerk aan.”

Waarderende kerkelijke reacties op het Handboek


Ds. Jan-Gerd Heetderks, de synodevoorzitter van de Protestantse Kerk in Nederland, ging in zijn reactie in op het bijbelse perspectief van arbeid. “Aan de ene kant heeft dit bijbelse perspectief vanuit zijn genereuze blik op alle menselijke inspanningen van hart, hoofd en handen een bevrijdend karakter. Het gaat er in het licht van dit perspectief immers niet in de eerste en enige plaats om of je veel of weinig verdient met je arbeid in financiële zin. Veeleer brengt dit perspectief naast het financieel-economisch rendement, het sociale en ecologische rendement van arbeid ter sprake. We zouden ook kunnen zeggen dat het in het spoor van dit bijbelse perspectief gaat om de vraag hoe we in en met onze arbeid het Koninkrijk van God zoeken. Aan de andere kant is het de vraag of en hoe gewone mensen dit bevrijdende perspectief kunnen verbinden met hun concrete arbeidssituaties van hier en nu, van uit en thuis.” Volgens Heetderks is het goed dat er (opnieuw) in de kerk nagedacht wordt over de relatie kerk-arbeid en geloof-arbeid. “Ik ben ervan overtuigd dat dit handboek met de vele suggesties en werkvormen daarbij goede diensten kan verlenen. Daarbij gaat het uiteraard niet alleen over de ‘diepere’ vragen maar ook om vele concrete vragen waarmee gemeenten of parochies geconfronteerd worden: het gaat bijvoorbeeld om de vraag hoe je in het pastoraat kunt bewerkstelligen dat aandacht voor mensen in de kerk ook aandacht voor hun arbeidssituatie inhoudt; hoe je in de kerk en als kerk om kan gaan met jeugdwerkeloosheid of hoe je als kerk om kan gaan met een spannend thema als verarming en verrijking. Daarnaast gaat het om de vraag hoe je in kerkdiensten aan arbeid een plek zou kunnen geven, enz.”

Bisschop Gerard de Korte reageerde namens de r.-k. Bisschoppenconferentie. Het nieuws van de dag was dat hij sinds deze maand de nieuwe bisschopreferent voor Kerk en Samenleving en Diaconie is namens de Bisschoppenconferentie. Hij signaleerde dat de relatie tussen kerk, geloof en arbeid niet direct waarneembaar is in het leven van parochies. “De boodschap van het evangelie heeft ook implicaties voor het openbare leven, ook implicaties voor de wereld van de arbeid en arbeidsverhoudingen. De relatie van de wereld van de arbeid met de pastorale, liturgische, catechetische en diaconale activiteiten ligt voor het oprapen, zo blijkt uit het Handboek Arbeid en Kerk.”

De bisschopreferent vertelde dat het Handboek in de ontwikkelingsgang door de Bisschoppenconferentie getoetst op zijn bruikbaarheid voor de parochies. “Ik kan hier melden dat het die toets positief heeft doorstaan. Het Handboek Arbeid en Kerk zal naar wij hopen aan onze kerkmensen, zowel de professionals als vrijwilligers, de nodige diensten kunnen bewijzen.”

Ds. Ineke Bakker, algemeen secretaris van de Raad van Kerken in Nederland, signaleerde het oecumenisch karakter van het Handboek. Ze stelde een aantal vragen rond de relaties tussen arbeid en kerken. “Juist in onze samenleving die zo eenzijdig gefocust is op betaalde arbeid kunnen de kerken vanuit hun traditie zinnige bijdragen leveren aan de bezinning op arbeid, op de grote waarde ervan, maar ook op de beperkingen ervan, en op de voorwaarden waaronder arbeid menswaardig is en kan bijdragen aan zingeving in het leven van mensen.” Evenals de vorige sprekers wenste Bakker de kerken, hun gemeenten en parochies toe dankbaar gebruik te maken van het aangeboden Handboek Arbeid en Kerk. “Dit Handboek Arbeid en Kerk kan helpen bij de bezinning op al dit soort vragen. Maar het is niet alleen een handboek is dat je ter hand kunt nemen om iets op te zoeken of na te gaan, het is ook een werkboek waarmee mensen aan het werk kunnen. Ik wens alle lezers en gebruikers van het boek graag veel inspiratie toe en dank allen die aan de totstandkoming van dit boek hebben meegewerkt!”


Een kerk zonder arbeid is geen kerk

Herman Noordegraaf, docent voor diaconaat vanwege de Protestantse Kerk in Nederland aan de Universiteit Leiden, heeft in het Handboek Arbeid en Kerk een bijdrage geschreven over de protestantse traditie rond arbeid. Hij ging in het volgende studie onderdeel in op de stelling ‘Een kerk zonder arbeid is zichzelf niet’. Hij haalde daarbij herinneringen op aan de grondleggers van het oecumenische arbeidspastoraat, monseigneur E. Beel, destijds de eerste aalmoezenier van Sociale Werken in het bisdom Roermond, die het bedrijfsapostolaat in de mijnindustrie in Kerkrade startte, en aan de bestuurders van de Stichting Evangelie en Industrie, die het industriepredikantschap startten in de staalindustrie in Beverwijk. “Zowel in rooms-katholieke als protestantse kring staan de genoemde initiatieven in een bredere context van bestrijding van onkerkelijkheid en van het terug willen brengen van de wereld onder het beslag van kerk en evangelie. Later is deze verhouding tussen kerk en wereld anders gedefinieerd en kwam de nadruk te liggen op dialoog en het leren door de kerk van de wereld van de arbeid (halen en niet alleen brengen). De oorspronkelijke initiatieven bevatten echter twee aannames die tot op vandaag aan de dag van blijvende betekenis zijn, te weten:



  1. De wereld van de arbeid heeft een alles doordringende werking op de gehele samenleving, tot in de haarvaten van het individuele leven toe.

  2. De boodschap van de Kerk en het Evangelie betreffen het hele leven, maar de wereld van de arbeid is een eigen werkelijkheid geworden met een eigen normering. Zoals het in godsdienstsociologisch jargon heet: er is sprake van en differentiëring van levenssferen waarbij het hemels baldakijn van de religie kapot geslagen is.”

Over beide stellingen maakte Noordegraaf vervolgens een aantal opmerkingen.

Bij de eerste aanname kan tegengeworpen worden dat het arbeidsbestel sinds het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw sterk veranderd is en dat er nu eerder sprake is van een consumptiemaatschappij dan van een industriële samenleving. Niettegenstaande deze kritiek vervolgde Noordegraaf zijn betoog: “Overigens ben en blijf ik van mening dat principiële noties die vanuit het arbeidspastoraat zijn aangedragen in het denken over arbeid van belang blijven en daarom doordenking vereisen in een veranderende context. Dan gaat het om zaken als dat ieder mens ertoe doet ongeacht zijn of haar economisch nut, dat er een begrenzing nodig is van het beslag dat arbeid op ons leven legt (de actuele betekenis van het sabbatsgebod) en dat arbeid meer is dan betaalde arbeid, maar ook allerlei vormen van onbetaalde arbeid omvat.

Als het zo is, dat arbeid een scharnierfunctie in onze samenleving vervult, dan volgt daaruit als vanzelf de conclusie dat dit van groot belang is voor alle functies die de kerk heeft te vervullen wil zij kerk zijn: pastoraat, viering, gemeenschapsvorming, catechese, dienst, missionaire communicatie. Zij snijdt een groot deel van de werkelijkheid weg als zij het terrein van de arbeid buiten beschouwing laat en zelfs als zij zich alleen op het privé-leven zou richten, is ook dat private verregaande beïnvloed door de wereld van de arbeid.”

Vervolgens ging Noordegraaf in op de tweede aanname, de eigen werkelijkheid van de wereld van de arbeid. Hij verwees daarbij naar de recent verschenen theologische antropologie Uit aarde naar Gods beeld van Anton Houtepen (Zoetermeer 2006, hoofdstuk 7), die arbeid als één van de kernmomenten uit het menselijk bestaan noemt. Houtepen formuleert als criteria voor menselijke arbeid: gerechtigheid, vrede en vreugde opdat mensen zich werknemer weten in wat Houtepen omschrijft als ‘de Company of God, de Society of Jesus en de Powerplant of the Holy Spirit’.”

“Ik zie het mede als taak van het arbeidspastoraat om dergelijke fundamentele reflecties te verbinden met de arbeidswerkelijkheid van mensen. Het leggen van verbindingen tussen het christelijk geloof, dat zich laat uitwerken in criteria zoals Houtepen die formuleert, en de wereld van de arbeid is niet eenvoudig omdat er geen rechte lijnen lopen van dergelijke inzichten naar de ingewikkelde praktijk met al haar dubbelzinnigheden en moeilijk in te schatten en te waarderen effecten van handelen en niet-handelen.

Wat kerken kunnen doen is het op inspirerende wijze met mensen nadenken over hoe zij aan de wereld van de arbeid kunnen deelnemen op een vanuit de christelijke geloofstradities geziene zinvolle en verantwoordelijke wijze of in ieder geval op een zo’n zinvol en verantwoord mogelijke wijze. Dat geldt voor individuen in hun concrete situatie maar met aandacht voor het meso- en macroniveau. Kerken kunnen in hun bijdrage aan het publieke debat vragen en inzichten met betrekking tot heil en onheil, zin en on-zin, gerechtigheid en verantwoordelijkheid in de wereld van de arbeid inbrengen. Het Handboek Arbeid, Zin en Geloof is daarvoor een welkome steun.”



Arbeid zonder kerk is geen arbeid


De co-referent Toine van den Hoogen, hoogleraar systematische theologie Radboud Universiteit Nijmegen, draaide in zijn bijdrage de stelling om: ‘Arbeid zonder kerk is zichzelf niet’. Zijn betoog riep daarna heel wat discussie op.

Van den Hoogen haalde de kern terug van het verhaal van Noordegraaf, dat hijzelf in zijn levensgeschiedenis kan herkennen: de wereld van de arbeid is een ook een plek van godsverstaan, een terrein waar de Kerk haar arbeid te doen heeft. “Het is vooral het lot van het woord ‘zin’ dat me ertoe brengt om de stelling van Herman Noordegraaf om te keren: arbeid zonder kerk is zichzelf niet. De wereld van de markt in een consumptiemaatschappij waarbinnen ook onze arbeidsmarkten en de situaties van hen die daarin niet (meer) mogen opereren zich nu voordoet, lijkt in toenemende mate de klassiek-moderne wijze waarop ‘zin’ verstaan wordt, te logenstraffen. Verwijzend naar Houtepen spreekt Noordegraaf van de vraag hoe christenen vanuit de christelijke geloofstradities op een verantwoordelijke en zinvolle wijze kunnen deelnemen aan de wereld van de arbeid en kunnen deelnemen aan het publieke debat met betrekking tot heil en onheil, zin en onzin, gerechtigheid en verantwoordelijkheid. Zulke bewoordingen veronderstellen dat in de situatie van de markt en de economie de gelovige actor het subject is van waaruit de dynamiek van onze werkelijkheid kan worden begrepen. Ze veronderstellen dat er een – zij het steeds onderbroken – proces van zingeving mogelijk is waardoor we onze economische wereld, onze (eventuele) plaats op de arbeidsmarkt daarin en onze verhouding tot de geloofstradities van het christelijk geloof verstaanbaar kunnen maken voor onszelf en anderen. Deze woorden staan in de grote beweging van een hermeneutisch verstaan van samenleving, cultuur en geloof, een grote beweging die anno 1943 aan haar awakening begon.”

Van den Hoogen noemde alle veranderingen rond economie en arbeid, die een globaliserende dimensie hebben aangenomen. Hij signaleerde al die veranderingen rond zin en zingeving, waarmee mensen hun religieus gevoel uitdrukken, anders dan door arbeid en activiteiten. De oude formules, waarmee verbindingen werden gemaakt tussen het profane en het heilige veranderen. En daarom is er nu iets nieuws aan de hand, volgens Van den Hoogen even intensief doorwerkend als zestig jaar geleden.

“Wie de tradities van DISK is toegedaan – en ik reken mezelf tot deze mensen – staat nu voor de vraag hoe de gehoorzaamheid aan de heilige Schrift en aan de Waarheid van de kerk in interactie gebracht kunnen worden met datgene wat werk, een baan en het verlies ervan of de onbereikbaarheid ervan betekenen in een global village.

Als de Waarheid van de kerk en de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift wegen zijn om het pad te verkennen op de grens van het heilige en het profane – en die levensovertuiging draag ik – dan staan de waarheid van de kerk en de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift voor het prisma waardoor je in onze nieuwe wereld, de global village – aanraking met het Heilige zoekt. Daarom kun je titel van Herman Noordegraaf beter omdraaien en deze niet verstaan als een beschrijvende zin en zelfs niet als een opdracht maar als een cue, een zoekontwerp: arbeid zonder kerk is zichzelf niet.”

Arbeid zichtbaar of niet in het kerkelijk vormingswerk?


In het tweede studiedeel werd de stelling behandeld of arbeid in het kerkelijk vormingswerk een stiefkind is of niet. Jan Jonkers, universitair hoofddocent aan de Theologische Universiteit te Kampen en mede-auteur onderbouwde de stelling in positieve zin vanuit zijn lange levensgeschiedenis. Hij betoogde dat in het vroegere Gereformeerde jeugdwerk een gangbare aanduiding was de vorming voor kerk, staat en maatschappij. In deze vorming kregen de vragen rond geloof en arbeid een natuurlijke plek.

Ook in het toerustingswerk van de Gereformeerde Kerken in de jaren zeventig was die samenhang aanwezig, hetgeen zich uitte in de naam kerk en bedrijfsleven. Missionaire en diaconale aspecten ontmoetten elkaar in levendige debatten.

Later veranderde dit vormingswerk van karakter, ondermeer door de veranderingen in kerk en samenleving. “In de tweede helft van deze werkperiode, zeg 1980 en later, kwam de kentering. De kentering hing samen met drie gegevenheden. Als eerste begon het toenemende ledenverlies voelbaar te worden. Het leidde tot sluiting van kerkgebouwen en het afstoten van predikantsplaatsen, met name in de grote steden. Daarmee ging het elan verloren dat de gereformeerden in hun emancipatiestrijd zo kenmerkte. Als tweede groeide het besef dat de kerken weinig invloed hadden op de maatschappelijke ontwikkelingen. Inlaten met de politiek leidde tot interne spanningen. Met name de discussie rond het kernwapenvraagstuk werkte polariserend. Als derde en hiermee samenhangend ging de interne eenheid verloren. Sociologen spreken over afnemende interne cohesie, vaak een gevolg van toenemende externe integratie: openheid naar buiten leidt tot verschil van inzicht en losse banden binnen.”

Jonkers vervolgde met te omschrijven hoe in het kerkelijk vormingswerk de samenlevingsgerichte lijn oploste, bezuinigd werd, en hoe het vormingswerk zelf verkerkelijkte en spiritualiseerde.

De derde stap in de levensloop van Jonkers betrof de predikantsopleiding in Kampen. In het begin van de jaren negentig was er vanuit de studenten een levendige belangstelling voor maatschappelijke kwesties, hetgeen zich uitte in vele bijvakkers voor het vak sociologie. Dit in tegenstelling tot de parttime collega voor psychologie. Maar aan het einde van de jaren negentig is de situatie omgekeerd. “Ik kreeg nagenoeg geen nieuwe bijvakkers meer en mijn collega boekte haar agenda vol met bijvakkers en zuchtte als halftimer soms onder de werkdruk. De enkele bijvakkers die ik nog had, waren allen buitenlandse studenten (uit Zuid-Afrika, Indonesië, Hongarije, Zuid-Korea). Voor hen was er wel de behoefte de relatie geloof/kerk en samenleving te onderzoeken. Eenzelfde ontwikkeling meende ik te bespeuren in de theologische publicaties.”

Jonkers vatte in het tweede deel van zijn referaat kort samen, waarom hij de waarheid in de aangereikte stelling betreurde: “geloof gaat over alles, werk gaat over alles en alles moeten mensen leren.” Hij lichtte dit antwoord toe met een uitwerking rond de woorden: leren, werk, geloven.

In het derde deel kwam de vraag naar voren of het ook anders kan. Volgens Jonkers wel als in het kerkelijk vormingswerk rekening wordt gehouden dat er op het religieuze vlak drie ontwikkelingen aangegeven worden (Erik Sengers, Aantrekkelijke kerk, Delft 2006, 17-19).

“De eerste is de individualisering van de religie: religie is mee gebaseerd op persoonlijke gevoelens en ervaringen dan op voorgegeven institutionele antwoorden. Dogma’s boeten aan betekenis in voor de moderne ‘socioreligieuzen’. De tweede is dat mensen meer geloven los van de instituties (‘om te geloven heb ik de kerk niet nodig’). Er wordt wel gesproken over ‘wild religion’. De derde is dat mensen in hun religieuze keuzes eigen en nieuwe combinaties maken zonder daarbij een voorgegeven logica te hanteren. Dit wordt wel ‘bricolage’ genoemd.

Het kerkelijk vormingswerk zal met deze trends rekening dienen te houden. Ze verklaren ook waarom in ons Handboek arbeid en kerk zoveel verschillende werkvormen zijn aangeboden. Er is gevarieerd naar werksoorten: pastoraat, diaconaat, liturgie en catechese. Er is gevarieerd naar leerstijlen. Denk aan de leercirkel van Kolb met de vier circulair verbonden stadia: ervaring, reflectie, handelingstheorie en experiment. Er is gevarieerd naar werksituatie: betaald, vrijwillig, zorg. Er is gevarieerd naar werkvorm: verbaal, beeldend, doend. Er is gevarieerd naar stellingnamen: ik denk aan de vele stellingen, de vele liederen, de vele artikelen met diverse invalshoeken, de open gespreksvragen.”

Of en in hoeverre deze visie van Jonkers gedeeld wordt door de praktijk van de gewone gemeente, werd duidelijk uit een opsomming van het kerkelijk vormingswerk in zijn wijkgemeente (PKN), dat is gepubliceerd onder de titel In de kring. Heel veel catechetische, bijbelse en spirituele activiteiten. “Over maatschappelijke vraagstukken een kring over medische ethiek en één over diaconaal aanwezig zijn in de wijk. U ziet: arbeid, economie, politiek, uitkeringen, recht en gerechtigheid, oorlog en vrede, wetenschap, etc. komen niet aan de orde. En dat is in mijn wijkgemeente al jaren zo. Hopelijk draagt het Handboek Arbeid en Kerk eraan bij dat de scopes van het kerkelijk vormingswerk weer wat breder wordt, zodat kerk, staat en maatschappij weer voorwerp worden van geloofsbezinning en de kerk weer breder relevant wordt voor oriëntatie en zingeving.”



Het proces van alfabetisering


Het co-referaat werd verzorgd door drs. Irmgard Busch, tot voor kort arbeidspastor in het dekenaat Delflanden van het bisdom Rotterdam.

Aansluitend bij de negatieve klank die uitgaat van het woord stiefkind beaamde zij de stelling van Jan Jonkers ‘In het kerkelijk vormingswerk is de aandacht voor geloof en werk stiefkind’. In levendige kleuren schilderde zij de stress en drukte van de vrijwilligers in het kerkelijk werk, die nijver bezig zijn met de taken rond liturgie, catechese en kerk. “En dan fietsen er diaconale figuren zoals ik ook nog tussendoor, soms gevraagd, soms ongevraagd. Het punt van aandacht wordt geagendeerd, veel ruimte is er niet, te druk, te weinig werkkrachten. Iets, dat kan natuurlijk wel, moet ook, iemand helpen, hoort ook bij de kerk, zeker als het om een parochiaan gaat en verder is het: wij moeten keuzes maken, helaas. Deze gang van zaken is heel reëel.”

Vervolgens vertelde Busch enkele verhalen, waaruit blijkt dat de relaties tussen geloof en werk aanwezig zijn, maar dat er drempels zijn, ook in de kerk, waardoor ze niet besproken kunnen worden. Ook uit een voorbeeld rond de voorbereiding en uitvoering van de Dankdag voor gewas en arbeid kwam dit dilemma naar voren.

Ze vroeg zich vervolgens hardop af, of we wel taal hebben voor onze ervaringen. “Wij zijn hard getraind in snelle taal, kort en effectief. Willen we iets weten, gaan we googlen. Het rolt er zo uit. Meestal is het van alles en nog wat. Daarvan maken we een quick-scan zo dat we overhouden wat van toepassing is. Iets lezen, iets horen in de media? Heel kort, one-liners, overzichtelijk.Denk je: ja, dit raakt me, hier wil ik meer van weten…dan staat er: ga verder op www.zoekhetzelfmaarverderuit.nl. Hier vind je meer van hetzelfde of het is moeilijk in de tekst te komen. Het lijkt een beetje op droog zwemmen: bewegingen in een bepaalde richting, maar er gebeurt niet echt iets. Wat is het toch? Wat zoeken mensen binnen en buiten de kerk?”

Dat zoeken wordt volgens Busch gevonden in wat zij noemde een ‘proces van alfabetisering’, en daarin is dit Handboek Arbeid en Kerk een belangrijke hulp. “En de hele verhalen over werk, over arbeid? Zijn die nodig? Ja, dat heeft met - wat ik zo noem - de ‘alfabetisering’ van onze werkelijkheid te maken. Natuurlijk weten wij allemaal wat werken is, we doen het dag in dag uit. Het is echter een enorme kans om de betekenis, de zin te ontdekken. In dit kader doen we er goed aan om de quick-scan-methode en op scoren gerichte houding te verlaten. Aandacht werkt vertragend, het problematiseren brengt de ‘vanzelfsprekendheden’ in beeld. Het is allemaal wel normaal zoals het lijkt?

Een cadeautje, een kwaliteitsimpuls speciaal voor het instituut kerk. De kerk kent vier werkterreinen: leren, vieren, dienen, zielzorg. Levensvragen, samenlevingsvraagstukken, het benoemen van onzekerheid, levensvreugde, hoop en wanhoop, dit alles zit nu in een aanhangwagen die soms wel en vaak niet meegaat. Een ‘stiefkind’.”

Ingaande op het vele moeten, dat tegenwoordig in parochies aan de orde van de dag is, besloot Irmgard Busch haar referaat aldus. “Ik ben van mening, dat ‘werk, zin en geloof’ in de kerk niet MOET, geen noodzaak is. Het mag! Het zou blijk geven van rijkdom en vitaliteit. Geen kwestie van moeten, maar van: er zin in hebben. Anders werkt het niet. De kerk moet met de genade meewerken. Wanneer de kerk de zin hiervan niet inziet… zal het toch gebeuren. Er is een lange traditie van geloof, hoop en liefde. Steden, samenlevingen, kerken, ze kunnen allemaal in puin liggen; economieën helemaal ingestort zijn. Het is in de loop der tijden vaker gebeurd. Niets doet het meer… Toch blijven mensen in leven, worden onder onmogelijke omstandigheden zelfs kinderen geboren… Hoe is dit mogelijk? Is dit een wonder of is er keihard gewerkt om te overleven? Of is het arbeid én het wonder, werken en verwonderen?”. In deze lijn is ook haar citaat uit Kassandra te begrijpen.

Muziek besluit de presentatie


Tijdens de ochtend en de middag mocht Hub Crijns vaker aankondigen, dat er muziek verzorgd zou worden door de muziekgroep Wongsokarijo, bestaande uit zangeres Dewi en gitarist Anthony. Maar op vrijdag is de filespits volop aanwezig en zo duurde het even. Op het einde van het middag studiedeel waren de muzikanten gearriveerd en klonken er ter afsluiting enkele mooie jazz ballades in de Bergkerk.

Alwaar na het Handboek Arbeid en Kerk gretig werd gekocht en ingekeken, er flink werd nagepraat en gediscussieerd, een kleine reünie plaatsvond en de vele auteurs en meelezers hun vreugde over het bereikte resultaat konden uiten.




  • Drs. Hub Crijns, dr. Trinus Hoekstra, dr. Jan Jonkers, drs. Jet Schouten en drs. Marije van Dodeweerd (eindredactie), ‘Arbeid, zin en geloof. Handboek Arbeid en Kerk’, landelijk bureau DISK te ’s-Hertogenbosch in samenwerking met uitgeverij Kok te Kampen, 518 pag., gebonden, ISBN90-435-1289-3, € 45,= inclusief portokosten.

  • Landelijk bureau DISK heeft samen met Chris Pennarts een serie foto’s ‘Arbeid, zin en geloof’ samengesteld. De serie van elf foto’s staat in het boek voorafgaande aan elk hoofdstuk afgebeeld en is op fotoprints te bestellen bij landelijk bureau DISK voor € 10,= exclusief portokosten (disk@wxs.nl of www.disk-arbeidspastoraat.nl).

  • Van de presentatie is een verslagboek op a-4 formaat gemaakt, dat tegen portokosten aangevraagd kan worden bij landelijk bureau DISK.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina