Wachtlijsten; Het verhaal achter de cijfers



Dovnload 446.42 Kb.
Pagina2/9
Datum23.07.2016
Grootte446.42 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

1. Inleiding


De aanleiding voor dit onderzoek komt voort uit de problematiek die Zorgverzekeraar Menzis heeft om invulling te geven aan haar eigen behoefte meer informatie te vergaren ten aanzien van de wensen van AWBZ verzekerden. Er wordt door de zorgverzekeraars regelmatig gemakkelijk gesproken over “kennis van de klantvraag”. In termen van cijfers is er ondertussen veel bekend, maar er wordt tegelijkertijd geconstateerd dat de daadwerkelijke gegevens over de kwalitatieve kant van de vraag van de klant ontbreken. Hier ontstaat al meteen het discussiepunt van dit onderzoek; We kennen de cijfers, maar hiermee ook de betekenis? Wat zijn namelijk wachtlijsten en wat voor definitie geven we hier aan?

Kortom, is het zo dat er achter deze cijfers, die gemakkelijk een eigen leven gaan leiden, een andere werkelijkheid schuilgaat? Het in kaart brengen van die werkelijkheid kan een substantiële bijdrage leveren aan het genereren van relevante stuurgegevens voor uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
Het onderzoek heeft onder andere betrekking op de wensen, behoeften en zorgvragen van de mensen achter die cijfers.

Wachtenden1 op opname volgens de wachtlijstmeting moeten een gezicht krijgen. Hierbij zullen de volgende aspecten zo goed mogelijk in kaart worden gebracht: Wie zijn deze mensen, wat willen ze, waarom willen ze dat, hoe beleven ze het ‘wachten’, wat verandert er of is er veranderd in de periode van het ‘wachten’?


Op basis van kwalitatief onderzoek van Boer en IJdema (2003) naar wachtlijstgegevens en ervaringen van wachtenden, kunnen voor cliënten, die langer dan twee jaar op de wachtlijst staan voor een opname in het verzorgingstehuis, vijf mogelijke groepen worden onderscheiden. Er kan hierbij een onderverdeling worden gemaakt op basis van de nog openstaande zorgvragen. Allereerst is er een groep die daadwerkelijk wacht op de levering van de geïndiceerde zorg. Deze groep cliënten vormt in feite de ‘echte’ wachtlijst voor het product.
Daarnaast zijn er cliënten die een andere openstaande zorgvraag hebben dan de oorspronkelijke indicatie. Zij hebben bijvoorbeeld minder behoefte aan zorg, omdat hun situatie is verbeterd. Ook kan het zo zijn dat zij zich met een aanvulling op hun overbruggingszorg heel goed kunnen redden, de zorgvraag is op zo’n moment veranderd.
Een andere mogelijke groep zijn de cliënten die behoefte hebben aan een gevoel van veiligheid in plaats van zorg. Zij willen op een wachtlijst staan ‘voor het geval dat er iets gebeurt’. Zij hebben in dit geval een behoefte aan een gevoel van veiligheid.
Als laatste is er een groep te onderscheiden die geen openstaande zorgvragen meer heeft. Zij ontvangen bijvoorbeeld de geïndiceerde zorg al, ervaren de zorg als voldoende en vinden dus de overbruggingszorg passend of hebben de geïndiceerde zorg niet meer nodig omdat hun situatie dusdanig is verbeterd. Ook kan het zijn dat de cliënten zijn overleden. In al deze situaties is er geen feitelijke zorgvraag meer aanwezig. Bovendien is voor een aantal cliënten niet bekend of en welke zorgvragen men nog heeft. In veel gevallen is de zorgvraag nog onbekend.



  1. De term wachtende wordt zowel gebruikt in dit rapport voor geïndiceerde, als cliënt, patiënt en klant. In alle gevallen wordt hier de persoon bedoeld die op een wachtlijst staat voor Verblijf.

Samenvattend kan uit dit onderzoek van Boer en IJdema (2003) gezegd worden dat de cliënten, op basis van hun openstaande zorgvragen, kunnen worden onderverdeeld in de volgende vijf categorieën:


  1. Dezelfde zorgvraag

  2. Andere zorgvraag

  3. Behoefte aan gevoel van veiligheid

  4. Geen zorgvraag

  5. Zorgvraag onbekend

Voor Zorgkantoor Twente, als inkoper van zorg, is het belangrijk dat zij zicht heeft op de feitelijk openstaande zorgvragen. Dit inzicht is nodig om het beleid voor de toekomst te kunnen formuleren. Uit het rapport ‘Nu wachten voor later?!’ van Boer en IJdema (2003) blijkt dat het zorgkantoor hierbij niet af kan gaan op de kale wachtlijstgegevens.

Eén van de belangrijkste aanbevelingen van het onderzoek van Boer en IJdema (2003), is nader onderzoek naar de functie Verblijf. Voor cliënten die op een wachtlijst staan, met de functie Verblijf (AWBZ-breed) zou nagegaan moeten worden wat hun daadwerkelijke behoefte is en in hoeverre deze zorgvraag samenhangt met de kwaliteit van leven.

Kwaliteit van leven wordt volgens onder andere Novella, et al. (2001) gekenmerkt door een dynamisch proces en een tijdsgebonden proces. Dat wil zeggen dat het een constant veranderend domein is, dat vaak persoons- en tijdgebonden is. Het is hierbij van belang te ontdekken in welke mate en op welke wijze het individu daar zelf invloed op kan uitoefenen, en ook in hoeverre hulpverleners hiertoe kunnen bijdragen.


De theorie van sociale productiefuncties ontwikkeld door Lindenberg (1996) gaat uit van algemeen menselijke aspecten van kwaliteit van leven en biedt daarbij de ruimte aan individuele verschillen. De hedendaagse aandacht voor kwaliteit van leven heeft deels te maken met het feit dat onze samenleving vergrijst. Hoewel veel mensen gezond en gelukkig oud worden, kan ouder worden ook met (onherstelbare) gebreken komen.

Uit literatuuronderzoek blijkt dat er diverse studies zijn geweest naar kwaliteit van leven in relatie met wachtbeleving bij het wachten op een operatie en/of behandeling. Er is weinig bekend over de relatie tussen kwaliteit van leven en wachtbeleving van geïndiceerden met de indicatie Verblijf. Daarom zal in onderhavige studie de onderlinge relatie worden onderzocht tussen wachtlijstervaringen (indicatie Verblijf) en de impact van kwaliteit van leven op de geïndiceerde. Er wordt onderzocht of de zorgbehoefte en de ‘onvervulde’ zorgvraag hierin een rol speelt. Belangrijkste onderzoeksvragen daarbij zullen zijn:





  • Welke samenhang is er tussen kwaliteit van leven en de wachtbeleving ten gevolge van de feitelijke zorgvraag en zorgbehoefte?



  • Komen de al eerder onderzochte cijfers overeen met de onderzochte kwalitatieve gegevens? Met andere woorden, kunnen we conclusies trekken over wachtlijstgegevens wanneer er alleen maar cijfers bekend zijn, of moet hiervoor meer achtergrond informatie (ook wel ‘het gezicht van de wachtende’ genoemd) bekend zijn om daadwerkelijk juiste conclusies te kunnen trekken over deze wachtlijsten?

Om deze onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden wordt er in dit kwalitatieve onderzoek een literatuuronderzoek uitgevoerd en vervolgens worden er diepte-interviews gehouden onder geïndiceerden met de reeds afgegeven indicatie Verblijf, die nu langer dan een half jaar op een wachtlijst staan.

In hoofdstuk 2 zal uiteengezet worden wat de indicatiestelling, die nodig is om op een wachtlijst te komen, precies inhoudt en hoe dit proces momenteel verloopt en welke instanties hierbij betrokken zijn. In hoofdstuk 3 zullen aan de hand van de thema’s; kwaliteit van leven, draagkracht en draaglast, coping, en feitelijke en wenselijke zorgvragen, de theoretische kaders beschreven worden. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 de methode van het onderzoek beschreven. Hierin zullen onder andere de onderzoeksvragen en de procedure van het onderzoek uiteengezet worden. Aan de hand van de eerder beschreven thema’s uit hoofdstuk 3 zullen in hoofdstuk 5 de resultaten worden weergegeven. In hoofdstuk 6 zullen de conclusies worden beschreven aan de hand van de eerder geformuleerde onderzoeksvragen. In hoofdstuk 7 zal vervolgens de discussie worden beschreven, waaruit uiteindelijk in hoofdstuk 8 puntsgewijs bij een aantal aanbevelingen worden weergegeven.

2. Indicatiestelling
Om te begrijpen hoe er tot een indicatie Verblijf wordt gekomen is het noodzakelijk om enkele begrippen en instellingen weer te geven. Hieronder wordt onder andere de rol van het AWBZ en het Zorgkantoor beschreven.
AWBZ en het Zorgkantoor

De uitvoering van de AWBZ is sinds 1998 in handen van de zorgkantoren. Deze zijn door de gezamenlijke zorgverzekeraars in het leven geroepen. Zorgkantoren zijn zelfstandig werkende kantoren en nauw gelieerd aan de zorgverzekeraar. Deze kantoren trachten de zorgvraag en zorgaanbod in een specifieke regio zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Het zorgkantoor heeft een aantal taken. Deze kunnen in drie delen onderscheiden worden, namelijk taken in relatie tot:



  • De cliënt (o.a. informatie geven over AWBZ-zorg, vaststellen of de zorgvrager verzekerd is, vaststellen en innen van de eigen bijdrage).

  • Het regionaal zorgbeleid (o.a. beleidsplan opstellen, zorg contracteren, overleg voeren met betrokken partijen).

  • De eigen bedrijfsvoering (o.a. adequate registratie, adequate administratie). (Zorgkantoor, 2007)

In Nederland geldt dat iedereen die rechtmatig in Nederland woont door de AWBZ verzekerd is voor zorg, die nodig is bij onder meer langdurige ziekte, handicap of ouderdom (Menziszorgkantoren, 2007)(A).

De zorg die nodig is, kan op verschillende wijzen geleverd worden. Namelijk rechtstreeks door een zorginstelling (natura) of via het Persoons Gebonden Budget (PGB1), of een combinatie van deze twee.


Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) stelt de daadwerkelijke zorgvraag vast. Dit wordt de indicatiestelling genoemd. Dit is nodig om daadwerkelijk in aanmerking te komen voor AWBZ-zorg. Het CIZ is een onafhankelijke organisatie die de zorgbehoefte onafhankelijk, objectief en integraal vaststelt. Er wordt onder meer beoordeeld voor welke zorg en voor hoeveel zorg de cliënt in aanmerking komt.

1 Met een persoonsgebonden budget krijgt de cliënt een voorschot van het zorgkantoor waarmee diegene zelf binnen het budget zorg kan inkopen. Dat hoeft geen toegelaten zorginstelling te zijn. Iemand kan met een pgb ook op deze wijze hulp van familie of buren betalen/inkopen. De hoogte van een pgb wordt bepaald op basis van het soort zorg dat iemand nodig heeft (functie) en hoe vaak (klassen). De budgethouder moet zijn uitgaven achteraf verantwoorden aan het zorgkantoor.
Iemand kan een pgb krijgen voor de functies huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding, en – onder voorwaarden - voor tijdelijk verblijf.


Zes Functies

De AWBZ kent zes soorten aanspraken (functies) waarop een cliënt een indicatiestelling kan krijgen, namelijk; (Ciz.nl, 2007)



  • Persoonlijke verzorging
    Bijvoorbeeld hulp bij het douchen, het aankleden of de toiletgang

  • Verpleging
    Bijvoorbeeld wondverzorging, toedienen van injecties en medicijnen

  • Ondersteunende begeleiding
    Bijvoorbeeld hulp bij het leren zorgen voor het eigen huishouden.

  • Activerende begeleiding
    Bijvoorbeeld gesprekken om gedrag te veranderen

  • Verblijf
    Bijvoorbeeld verblijf in een verpleeg- of verzorgingshuis; tijdelijk of permanent

  • Behandeling
    Bijvoorbeeld behandeling bij het herstel van een operatie of aandoening.

Per 1 januari 2007 is de AWBZ-functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ gehaald en in de WMO opgenomen als Hulp bij het huishouden.

Proces van indicatiestelling

Het proces van indicatiestelling verloopt in drie vervolgstappen, weergegeven in Figuur 2.1. Ten eerste wordt de indicatie aangevraagd bij, en afgeven door, het CIZ (Stap 1). Deze zal op haar beurt informatie nodig hebben over de situatie waarin de persoon zich verkeerd. De persoon en/of betrokken instanties dienen hieraan mee te werken. Daaruit volgt al dan niet het ontvangst van de aanvragen, met als resultaat het indicatiebesluit. Dit is een beschikking die aan de aanvrager binnen zes weken nadat de aanvraag is ingediend, schriftelijk bekend moet worden gemaakt. Hierin staat vermeld voor welke van de zes bovenstaande functies de aanvrager is geïndiceerd.


Dit onderzoek is in het bijzonder gericht op de vijfde functie met als indicatiestelling Verblijf.

Het is soms niet mogelijk om zelfstandig te blijven wonen. Dit doet zich voor als er bijvoorbeeld een beschermende woonomgeving nodig is vanwege ernstige vergeetachtigheid, of als er continue toezicht nodig is. Ook kan het zijn dat verblijf in een instelling nodig is, omdat er zoveel zorgbehoefte is dat dit thuis niet meer te realiseren is. Het is goed om te vermelden dat indicaties Verblijf altijd gepaard gaan met een andere functie. In dit geval is dat de functie persoonlijke verzorging en/of verpleging. Wanneer er Verblijf aan de orde is kan het gaan om verblijf zonder of verblijf met behandeling. In de praktijk is dat het verschil tussen indicatie voor verzorgingshuis (zonder behandeling) en verpleeghuis (behandeling bij verblijf is dan de formele term).



Figuur 2.1 Vervolgstappen procedure indicatiestelling

Als de indicatie is afgegeven, kan de geïndiceerde persoon zorg verkrijgen bij de instelling van zijn/haar voorkeur. De afdeling zorgbemiddeling (stap 2) van het Zorgkantoor kan daarbij helpen. Bijvoorbeeld bij het helpen een keuze te maken voor een zorgaanbieder1 of ondersteuning van de zorgbemiddeling. Hierbij kan bemiddeld worden in overbruggingszorg. Bij overbruggingszorg kan gedacht worden aan een traplift in huis, een rolator of extra hulp in huis. Ook kan het zijn dat de cliënt de gewenste zorg niet kan ontvangen bij een voorkeursaanbieder. In dat geval wordt de zorg voor een bepaalde periode geleverd door een andere aanbieder, bijvoorbeeld wanneer de voorkeursinstelling een wachtlijst kent. Het zorgkantoor is dus bereid om in al deze hulpvragen te ondersteunen en/of te bemiddelen.

De laatste stap (stap 3) in deze procedure is de uiteindelijke zorgverlening door een passende zorgaanbieder (Menziszorgkantoren, 2007)(B).

In de AWBZ zijn dus drie ketenpartijen betrokken:



  • het CIZ voor de claimbeoordeling / onafhankelijke indicatiestelling

  • het zorgkantoor voor de informatie aan en bemiddeling van klanten, de inkoop van zorg en de administratieve afhandeling

  • de zorgaanbieder voor de levering van zorg aan de rechthebbende (de geïndiceerde verzekerde) en het declareren van de kosten daarvan conform de gemaakte afspraken met het zorgkantoor

Het berichtenverkeer in deze keten is digitaal vormgegeven middels het AWBZ-brede zorgregistratie systeem (AZR).


Dat betekent in de keten dat:
1. De klant wendt zich (na eventueel informatie gekregen te hebben van derden, huisartsen, zorgloketten, familie, websites, brochures, zorgkantoor) tot het CIZ voor het verkrijgen van een recht op zorg.

2. Het CIZ geeft een indicatie af in functies (welke zorg) en klassen (hoeveel zorg). Daarnaast vraagt het CIZ of de klant een zorgaanbieder van voorkeur heeft.

3. Het CIZ stuurt de indicatie digitaal via AZR naar het zorgkantoor (en natuurlijk een papieren besluit naar de geïndiceerde). In AZR termen is dit het indicatie besluit ( IO31).

4. Het zorgkantoor verwerkt de binnengekomen indicatie tot een zorgtoewijzing (AW33).

5a. Wanneer er een aanbieder van voorkeur bekend is wordt de zorgtoewijzing direct digitaal door het zorgkantoor verstuurd naar die aanbieder van voorkeur.

5b. Wanneer er geen aanbieder van voorkeur is wordt er na overleg met de klant (door afdeling zorgbemiddeling) handmatig een zorgtoewijzing in het systeem gemaakt en krijgt de dan vastgestelde gekozen aanbieder de zorgtoewijzing in digitale vorm.



  1. De zorgaanbieder neemt contact op met de klant, maakt afspraken over zorglevering en meldt het zorgkantoor digitaal dat de zorg gestart is via een melding aanvang zorg.


_________________________________________________________________________________________________________

1 De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het leveren van zorg aan een cliënt. De zorgaanbieder dient voorstellen in bij het zorgkantoor en wordt door het zorgkantoor betaald. Als de cliënt een pgb heeft, doet de zorgaanbieder rechtstreeks zaken met de cliënt.

Resumerend, wie zorg nodig heeft en onder de AWBZ valt, die kan contact opnemen met het CIZ. Het CIZ bekijkt op welke zorg de persoon recht heeft. Dat heet een indicatie. Het CIZ stuurt het indicatiebesluit door naar het zorgkantoor. Na de indicatiestelling wordt een zorgaanbieder gekozen, hierin kan bij behoefte in bemiddeld en ondersteund worden door het zorgkantoor. Bij de mensen van het onderzoek gaat het dus om mensen die een Indicatiebesluit hebben (functie Verblijf). De geïndiceerden hebben vaak wel een voorkeur voor een bepaalde aanbieder van zorg, maar hebben nog geen directe opname wens. In de AWBZ keten is er dan geen 100% match tussen vraag en aanbod (indicatie en zorg) en is zo iemand formeel een wachtende. Men is pas geen wachtende meer, wanneer de melding aanvang zorg voor 100% overeenkomt met het afgegeven indicatiebesluit in functies en klassen.


Na het proces van indicatiestelling is het onderdeel herindicatie een belangrijk aspect. Herindicatie is een verkorte indicatieprocedure. Een herindicatie is noodzakelijk als:


  • er ten op zichte van een eerder gestelde indicatie een substantiële verandering optreedt (gezondheid).

  • als er aanleiding is tot actualisatie van een eerder uitgebracht advies.

  • als de geldigheidsduur van het indicatieadvies is verstreken.

Zowel de aanbieder van zorg, de financier als de cliënt kunnen een herindicatie aanvragen. Er kan echter ook sprake zijn van een geplande herindicatie. Bij een geplande herindicatie is vooraf vastgesteld dat er op een bepaald moment zal worden nagegaan of de geboden hulp nog noodzakelijk dan wel adequaat is. Als er sprake is van lange wachttijden kan de situatie van de cliënt tussentijds wijzigen; dit kan aanleiding zijn voor actualisatie van het uitgebrachte indicatie advies. Het kan ook voorkomen dat er zoveel tijd verstreken is tussen het uitbrengen van het advies en de start van de hulpverlening dat de ‘houdbaarheidsdatum’ van de indicatie verstreken is. Dan moet worden vastgesteld of het eerder uitgebrachte advies nog adequaat is.


Indicatiestelling blijkt een zeer complex proces te zijn. In de voorgaande alinea’s is het proces in grote lijnen beschreven. Maar hoe wordt er nu met deze indicatiestelling omgegaan, hoe verloopt de communicatie en waar halen de cliënten de voor hen noodzakelijke informatie vandaan?
In 1963 is de Wet op de bejaardenoorden in werking getreden. Een bejaardenoord was een voorziening waar ouderen konden wonen en daarnaast een aantal diensten aangeboden kregen. Ouderen kozen er zelf voor om in een tehuis te gaan wonen, om onafhankelijk van de kinderen te kunnen blijven (De Lange, 1991). De AWBZ was bij de totstandkoming in 1967 vooral bedoeld voor de zogenoemde onverzekerbare risico’s. In het bijzonder verpleeghuizen en instellingen voor gehandicapten behoorden hiertoe. Verpleeghuizen waren eerst vooral bedoeld voor mensen die na een ziekenhuisopname of voor een revalidatieperiode intensieve verpleging of verzorging nodig hadden. In de loop der jaren zijn verpleeghuizen zich daarnaast gaan richten op langdurig verblijf. De ontwikkelingen in de institutionele zorg hebben zich de laatste decennia snel opgevolgd. Bejaardenoorden heten inmiddels verzorgingshuizen. Terwijl bewoners aanvankelijk alleen maar aan een leeftijdscriterium hoefden te voldoen om voor opname in aanmerking te komen, is sinds 1976 een indicatie vereist. De hulpbehoevendheid van verzorgingshuisbewoners is sindsdien sterk toegenomen en benadert die van verpleeghuisbewoners. Inmiddels zien we dat de grenzen tussen verzorgings- en verpleeghuizen vervagen. Beide zijn nu gefinancierd vanuit de AWBZ en voor beide is een indicatie nodig, afgegeven door het CIZ. De tendens is dat we steeds meer ouderen zien wonen in zelfstandige wooneenheden (gehuurd of gekocht) die geclusterd gebouwd zijn en waar zij van een zorgaanbieder hun zorg aan huis ontvangen.

Voor die mensen is wonen en zorg gescheiden. Deze woon/zorg complexen nemen tegenwoordig de plaats in van de traditionele bejaarden- en verzorgingshuizen.


Het per 1 januari 2005 opgerichte centrale indicatieorgaan CIZ (voorheen RIO) hanteert het uitgangspunt dat eerst bestaande voorzieningen benut moeten worden, zoals maaltijd- en boodschappenservices. Vervolgens moet er eerst een beroep gedaan worden op partner en kinderen. Pas als dat niet toereikend is, kan er een beroep worden gedaan op de AWBZ-voorzieningen. Behoefte aan zorg wordt dus niet uitsluitend gedefinieerd vanuit de mogelijkheden en beperkingen die de aanleiding van de zorgvragen met zich meebrengen, maar vanuit de bereidheid van omstanders om informele zorg te verlenen.

Onderzoek naar de gang van zaken bij de indicatiestelling voor het verzorgingshuis brengt aan het licht dat de mate en/of aanwezigheid van de mantelzorg, de lichamelijke, psychische, sociale en huishoudelijke aspecten en bovendien de kwaliteit van de woning en de leefsituatie weliswaar medebepalend zijn, maar dat ook indicatiestellingkarakteristieken een rol spelen. De behoeften worden geregistreerd rekening houdend met bestaande zorgvoorzieningen in de regio, ondanks protocollisering van de besluitvorming (Dijkstra, Groothoff & Post 2001; Jorg, 2003).


Voor een herindicatie geldt dezelfde procedure als voor een nieuwe indicatie. Een herindicatie dient altijd aangevraagd te worden door de cliënt/cliëntvertegenwoordiger. Bij de huidige, nieuwe indicatiesystematiek wordt rekening gehouden met de gebruikelijke zorg, de voorliggende voorzieningen en de eventueel aanwezige mantelzorg. In principe zouden er periodieke evaluaties moeten plaatsvinden waarin de noodzakelijke bijstellingen en aanpassingen besproken worden, zodat er weer een passend zorgarrangement kan ontstaan. Belangrijk is te weten dat de functies ‘langdurig verblijf’ en ‘behandeling’ niet gefinancierd kunnen worden met een PGB. Staat er in het indicatiebesluit de functie ‘langdurig verblijf’, dan zullen ook de overig geïndiceerde functies geïndiceerd worden via Zorg in Natura. Men hoeft niet onmiddellijk gebruik te maken van de geïndiceerde functie ‘Verblijf’, maar men kan dit recht uitoefenen als men (cliënt/cliëntvertegenwoordiger) van mening is dat men hieraan toe is (Woi, 2007).

Jorg pleit ervoor niet de weg in te gaan van telkens strakkere protocollen, maar pleit juist voor een goede samenwerking tussen cliënt en indicatiesteller en voor het ontwikkelen van een model waarin door de gevoerde dialoog de behoeften van de cliënt worden vastgesteld en omgezet worden in indicaties. Ouderen weten vaak niet precies waar ze op moeten letten bij de keuze van een instelling. Mantelzorgers gaan vaak vooral af op factoren als privacy en kwaliteit van de gebouwde omgeving, terwijl de kwaliteit van de geboden zorg mogelijk meer bepalend is voor het welbevinden van de oudere.


De overheid koppelt de financiering niet langer aan doelgroepen, maar aan geïndiceerde functies of producten. In deze indicatiestellingen komen het verzorgingshuis en het verpleeghuis niet meer voor. Het zijn beide ‘aanbieders van zorg met Verblijf’, waarbij onderscheid gemaakt kan worden tussen ‘verblijf met verzorging’ en ‘verblijf met verpleging’. Van alle 65-plussers in Nederland woont ongeveer 7% in een tehuis: 5% in een verzorgingshuis en 2% in een verpleeghuis (De Klerk, 2005).

Samenvattend kan er opgemerkt worden dat het in de wetgeving zodanig is geregeld dat indicatiestelling en zorglevering strikt gescheiden zijn. Indicatiestelling vindt plaats door een onafhankelijk, zelfstandig orgaan: het CIZ. Dit betekent dat de zorgkantoren (de uitvoerders van de AWBZ) pas in actie komen wanneer er een indicatie wordt ontvangen. De indicatie, het onafhankelijk vastgestelde recht op zorg, is het beginpunt van handelen voor het zorgkantoor en leidend voor vervolgstappen. Een indicatie voor verhuizing naar een instelling wordt anno 2006 slechts afgegeven als dagelijkse, langdurige en intensieve zorg nodig is die niet door mantelzorgers en thuiszorg geboden kan worden.


Onderhavig onderzoek richt zich op de zorgvragen van cliënten die op een wachtlijst staan met de indicatie Verblijf. Inzicht in de daadwerkelijke zorgvraag is erg belangrijk. Om de vraag en het aanbod goed te kunnen matchen kan er niet blind gevaren worden op de ‘kale’ wachtlijsten. Er dient een nadere analyse plaats te vinden naar de feitelijke zorgvraag en het gezicht achter deze ‘kale’ cijfers, met als doelstelling zorg in te kunnen kopen die qua vorm en plaats aansluit bij de voorkeur van de cliënt.

Bovenstaande leidt ondermeer tot de volgende probleem- en doelstelling.



Probleemstelling

Wachtlijstoverzichten genereren cijfers die (n)iets zeggen over de wensen, behoeften en zorgvragen van de mensen achter die cijfers. Hoe krijgen we die wezenlijke gegevens voor vraag- en/of aanbodsturing beter in beeld?



Doelstelling

Door de bestaande gegevens kwalitatief te onderzoeken, wordt getracht de vraag- en/of aanbodsturing beter in beeld te krijgen. De uitvoering van de AWBZ, uitgevoerd door het zorgkantoor zal, voornamelijk met betrekking tot de inkoop efficiënter tot zijn recht komen.



Korte termijn doelstelling:

Het verkrijgen van inzicht in en het mogelijk aantoonbaar maken van de relatie tussen de kwaliteit van leven en het op een wachtlijst staan met de indicatie Verblijf.


Op grond hiervan zijn er naast de bestaande onderzoeksvragen ook specifieke deelvragen opgesteld, die in hoofdstuk 4 behandeld worden. Allereerst zullen er in hoofdstuk 3 de belangrijkste gegevens uit het literatuuronderzoek worden beschreven.



  1. Theoretisch kader

Door middel van literatuuronderzoek zal de samenhang tussen de verschillende thema’s met betrekking tot de doelgroep worden besproken. In dit hoofdstuk zal aan de hand van 5 thema’s, namelijk kwaliteit van leven, draagkracht en draaglast, beeldvorming, coping en de feitelijke en wenselijke zorgvraag en zorgbehoeften, het theoretische kader worden beschreven.



3.1 Kwaliteit van leven
Voor cliënten die op een wachtlijst staan, met de functie Verblijf (AWBZ-breed) zou nagegaan moeten worden wat hun daadwerkelijke behoefte is en in hoeverre deze zorgvraag samenhangt met de kwaliteit van leven. Er wordt in dit thema in het bijzonder gekeken of het feit dat men op een wachtlijst staat, invloed heeft op de ervaren kwaliteit van leven.

Het hoofdthema binnen dit onderzoek is het thema kwaliteit van leven. Dit thema is nauw betrokken bij alle onderzoeksvragen die in dit onderzoek onderzocht worden. Om aan dit algemene begrip kwaliteit van leven meer richting te geven voor dit onderzoek wordt dit aspect hieronder nader toegelicht. Om verwarring te voorkomen worden de termen kwaliteit van leven en welbevinden hier met dezelfde strekking beschreven.


Naast de levensverwachting bij geboorte, de lichamelijke gezondheidstoestand en psychische klachten is er de zogenoemde maat voor de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven ontwikkeld, die de gevolgen van (on)gezondheid voor het dagelijks functioneren in kaart brengt. Welbevinden wordt gedefinieerd als het (ervaren) lichamelijk, psychisch en sociaal functioneren in het dagelijkse leven (WHO, 2001). Uit een rapport van het RIVM (2002) blijkt dat het welbevinden van de Nederlanders tussen 1996 en 2001 is toegenomen. Het lichamelijke welbevinden nam meer toe dan het geestelijke. Opvallend is dat het lichamelijke welbevinden van ouderen meer toenam dan dat van jongeren. Daarentegen zijn ouderen de enige groep waarin het geestelijk welbevinden licht afnam.

In veel gevallen vertaalt een slechtere gezondheid zich in een slechter welbevinden. Vrouwen hebben over het algemeen een slechter welbevinden dan mannen. Het welbevinden van lagere sociaal-economische groepen is slechter dan van hogere groepen. Vooral tussen de inkomensgroepen zijn de verschillen groot. Er zijn echter enkele opvallende uitzonderingen. Het valt op dat slechte gezondheid bij mensen van 65 jaar en ouder wel negatieve gevolgen heeft voor het lichamelijk welbevinden, maar niet voor het geestelijk welbevinden. Dit geldt overigens tot op zekere leeftijd. Het geestelijke welbevinden van ouderen neemt na het passeren van de 75 jaar wel zichtbaar af.


Rond 1960 kwam in de sociale wetenschappen aandacht voor het idee dat maatschappelijke vooruitgang niet alleen bepaald wordt door materiele welvaart, maar ook door een gevoel van welbevinden en geluk. Dit leidde tot de introductie van het begrip kwaliteit van leven in onderzoek en beleid (Zautra & Goodhart, 1979). Al vrij snel ontstond de discussie over wat kwaliteit van leven precies is en vormden zich verschillende stromingen binnen het kwaliteit van leven onderzoek. Zautra en Goodhart onderscheidden twee onderzoeksbenaderingen voor de definitie van kwaliteit van leven, waarvan de ene op sociale indicatoren gericht was en de andere op psychologische indicatoren. Sociale indicatoren zijn kenmerken van mensen die gerelateerd zijn aan de sociale en maatschappelijke situatie. Voorbeelden van sociale indicatoren zijn inkomen, opleiding en gezinssamenstelling. Deze benadering veronderstelt dat hoge scores op sociale indicatoren samengaan met een hoge mate van kwaliteit van leven. Psychologische indicatoren hebben betrekking op de persoonlijke levenssituatie van mensen, bijvoorbeeld de perceptie van levenservaringen.
Een belangrijk discussiepunt met betrekking tot kwaliteit van leven is vooral het meten van deze kwaliteit van leven. Het zou aan te bevelen zijn dat de persoon in kwestie informatie geeft over diens eigen kwaliteit van leven (Novella, et al, 2001). Deze aanbeveling zal niet in elke situatie toepasbaar zijn. De meeste thuiswonende ouderen kunnen zelf een inschatting geven wanneer hen vragen over kwaliteit van leven worden gesteld, maar er moet rekening gehouden worden met ouderen die ernstige cognitieve beperkingen hebben. Zij zullen vaak niet in staat zijn tot een betrouwbaar oordeel. In dit geval kan de mantelzorg zich hierin proberen te verplaatsen.
Kwaliteit van leven wordt volgens onder andere Novella, et al. (2001) gekenmerkt door een dynamisch tijdsgebonden proces. Met een dynamisch proces wordt bedoeld dat het een constant veranderend domein is, dat vaak persoons- en tijdgebonden is. Het is hierbij van belang te ontdekken in welke mate en op welke wijze het individu daar zelf invloed op kan uitoefenen, en ook in hoeverre hulpverleners dit kunnen.
De theorie van Lindenberg (1996), de theorie van sociale productiefuncties, bleek in een kritische bespreking van zes conceptuele benaderingen voor kwaliteit van leven de enige te zijn die laat zien hoe verschillende dimensies met elkaar en met algemene kwaliteit van leven samenhangen. Bovendien gaat deze benadering uit van algemeen menselijke aspecten van kwaliteit van leven en biedt zij daarbij de ruimte aan individuele verschillen. Daarom kan deze benadering een goed uitgangspunt zijn bij het meten van kwaliteit van leven en het ontwikkelen van interventies. De theorie van sociale productiefuncties bestaat uit een gedrags- en een doeltheorie. De gedragstheorie stelt dat mensen van nature geneigd zijn hun situatie en hun hulpbronnen - de dingen die mensen hebben en doen om hun situatie te optimaliseren - te consolideren en te verbeteren. De doeltheorie gaat uit van algemeen menselijke doelen, die als de basale menselijke behoeften (needs) worden beschouwd.

De theorie van sociale productiefuncties (Lindenberg, 1996) stelt dat psychologisch welbevinden de centrale, meest algemene behoefte is van ieder mens, ongeacht de leeftijd. Optimalisering van kwaliteit van leven vraagt niet alleen om het opheffen van leed, maar ook om stimulering van het psychologisch welbevinden.


Kwaliteit van leven bestaat dus uit meerdere dimensies of domeinen. De belangrijkste domeinen zijn het lichamelijke, psychische en sociale domein. Deze kunnen nog worden onderverdeeld in kleinere dimensies, zoals lichamelijk functioneren en pijn, die beiden deel zijn van het lichamelijke domein van kwaliteit van leven. Het psychische domein omvat psychische klachten, zoals angstige of depressieve gevoelens. Het sociale domein kan worden beschreven als de mate waarin een ziekte afbreuk doet aan de mogelijkheid om sociale rollen te vervullen, zoals het functioneren in gezin, werk, vriendenkring of vrije tijd (Essink-Bot & De Haes, 1996). Aspecten die niet direct in relatie staan tot ziekte en gezondheidszorg, zijn buiten beschouwing gelaten. In plaats van over kwaliteit van leven spreken we dan ook liever over gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven.
Recentelijk is een studie verricht naar de bijdrage van de rol die de specifieke kenmerken van de buurt spelen, zoals geografische context, met het oog op de kwaliteit van leven van oudere bewoners. Deeg en Thomese (2005) stellen dat gedurende de arbeidsloopbaan van mensen een discrepantie kan ontstaan tussen het inkomen en de sociaal economische status van de buurt en zij vragen zich af in hoeverre dit consequenties heeft voor de lichamelijke en psychische gezondheid op latere leeftijd. Een conclusie uit deze studie is dat kenmerken van een geografische context een belangrijke rol spelen in de kwaliteit van leven.

Bij indicatiestellingen voor zorg en de keuze voor al of niet verhuizen naar een instelling, wordt weinig aandacht besteed aan aanpassingsvaardigheden, terwijl dit volgens De Lange (2004) mogelijk een belangrijke voorspeller is van het welbevinden na verhuizing. Zij concludeert na een participerende observatie in psychogeriatrische verpleeghuizen dat er vele manieren zijn waarop mensen zich adequaat kunnen aanpassen aan de nieuwe levensomstandigheden, zij onderscheidt gangmakers, levensgenieters, gewenst autonomen, verzorgers, gezelschapsmensen, mensen die hun eigen gang gaan en geïntegreerden.

Samenvattend, kwaliteit van leven is het functioneren van personen op lichamelijk, psychisch en sociaal gebied en de subjectieve evaluatie daarvan. Kwaliteit van leven bestaat dus zowel uit relatief objectieve als uit subjectieve aspecten. Objectieve aspecten gaan over het feit of iemand als gevolg van zijn gezondheid bepaalde beperkingen heeft. Subjectieve aspecten zeggen iets over het oordeel van de persoon over (aspecten van) zijn gezondheid. Het gaat er dus niet alleen om of iemand bijvoorbeeld nog kan traplopen, maar ook over wat hij of zij daarvan vindt. Tevens kan gesteld worden dat een belangrijke maatschappelijke tendens die zichtbaar is in de psychologische hulpverlening aan ouderen, niet alleen maar het gericht is op het behandelen van een ziekte, maar ook op het verbeteren van de gezondheid en de kwaliteit van leven.

3. 2 Wachtlijsten
Wachtlijsten, wat zijn dit eigenlijk? Het lijkt vooralsnog een vrij ondefinieerbaar begrip. Hieronder wordt de totstandkoming van wachtlijsten en de omgang met wachtlijsten beschreven.

Een algemene definitie die het woordenboek hieraan geeft, luidt als volgt;



    1. lijst van personen die hun beurt voor iets afwachten

    2. lijst van personen die de wacht moeten betrekken (Vandale, 2007)

De globale definitie die het zorgkantoor hiervoor hanteert is als volgt;

Een overzicht van mensen die een recht op AWBZ-zorg hebben, dus in het bezit zijn van een indicatie van het CIZ, en die dat recht niet omgezet hebben in daadwerkelijke zorg conform dat indicatiebesluit.
Aanvullingen hierop liggen op het gebied van:


  • het recht dat men heeft, welke kan afwijken van de zorg die men al wel krijgt voor Verblijf. Denk hierbij aan een recht tot opname, maar ter overbrugging kiest men voor zorg thuis. In een dergelijke situatie blijft deze persoon op de 'wachtlijst'.

  • bovenstaande kent twee varianten: gedwongen overbrugging (er is geen plaats, de zorg zoals geïndiceerd kan nog niet geleverd worden) en vrijwillige overbrugging (men ziet zelf af van de geïndiceerde zorg en kiest bewust voor andere, minder vergaande zorg, vb. de zorg nog thuis willen ontvangen terwijl er een recht op verblijf is)

  • landelijk zijn er normen voor aanvaardbare wachttijden, ooit vastgelegd toen er juridische uitspraken gedaan moesten worden over de afdwingbaarheid van rechten, voor verblijf is toen de norm bepaald op maximaal 13 weken (echter vanaf dag 1 van die 13 weken ben je wachtlijstklant)

Formeel bestaat de wachtlijst dus uit die mensen van wie de match tussen indicatie en zorglevering niet 100% gelijk is.

Officieel mag met het huidige indicatiebeleid niemand langer dan 5 jaar op een wachtlijst staan. Er zou in principe na elke vijf jaar een herindicatie moeten plaatsvinden. Als de reden waarop destijds de indicatie werd afgegeven vervallen is, wordt men van de wachtlijst afgehaald. In de respondentengroep van dit onderzoek is dit nieuwe beleid nog niet doorgevoerd en lijkt het alsof de geïndiceerden hier zonder afbakening (tot aan overlijden) op blijven staan.

De afdeling zorgbemiddeling van het zorgkantoor houdt administratieve overzichten bij van mensen bij wie die match niet 100% is. Dat zijn formeel ‘de wachtenden’ en deze groep wordt in de wandelgangen al gauw de wachtlijst genoemd.

Wanneer de zorgbemiddelaars contacten hebben met zorgaanbieders en met klanten, wordt er verder onderzoek verricht op de achtergronden van de verschillende wachtenden. Vervolgens blijken er een aantal categorieën wachtenden te ontstaan.

Het zorgkantoor hanteert de volgende driedeling:




  1. Er zijn mensen die echt wachten op opname. Zij staan op de lijst omdat er niet direct plaats is en/of omdat het proces tot opname soms ook gewoon een ‘doorlooptijd’ kent.

  2. Er zijn mensen die zorg aan huis krijgen (soms al hebben) omdat er niet direct plaats is en die aangeven daarmee tevreden te zijn. Deze mensen worden door het zorgkantoor niet actief bemiddeld. Zij hebben en houden hun recht maar worden pas dan weer actief bemiddeld wanneer zij daar zelf om vragen. Hun status op de wachtlijst is ‘geen actieve bemiddeling gewenst’ maar tellen landelijk wel mee voor de wachtlijst omdat ze per direct weer actief wachtend kunnen worden.

  3. Er zijn mensen die al opgenomen zijn maar de voorkeur hebben om ergens anders opgenomen te worden. Zij krijgen wel hun rechten verzilverd maar niet door de aanbieder van voorkeur. Deze mensen staan wel op een soort overplaatsingslijst maar niet op de landelijke wachtlijst voor AWBZ-zorg omdat zij immers hun recht al verzilverd hebben.

Maar hoe definiëren de geïndiceerden de term wachtlijst? Zijn de verwachtingen hierin gelijk?

In een vergelijkend kwalitatief onderzoek uitgevoerd door Van Bilsen, Hamers, Groot en Spreeuwenberg (2006) zijn 65 ouderen geïnterviewd met vergelijkbare onderzoeksvragen als in dit rapport. Dit bovenstaande onderzoek is voornamelijk toegespitst op wachtlijsten.

Uit de verkregen kwantitatieve gegevens van dit zojuist genoemde onderzoek bleek dat in Nederland 33.029 oudere personen op een wachtlijst staan voor toelating in een bejaardenhuis (aantallen gemeten in november 2002). In dit onderzoek waren er uiteindelijk drie verschillende redenen van inschrijving voor indicatie Verblijf op te maken. De eerste reden was voor 34% het gevoel van zekerheid. Zij ervaren een kwetsbare gezondheid en zij willen er zeker van zijn dat de hulp beschikbaar is in de tijd dat zij die hulp nodig hebben. 22% gaf aan dat hun fysieke of mentale beperkingen de reden van inschrijving was. Zij voelen zich met name erg kwetsbaar nu zij nog op zichzelf wonen. De laatste veel genoemde reden was het gevoel van eenzaamheid (9%) welke de reden voor een aanvraag was.

Uit het onderzoek van Van Bilsen, Hamers, Groot en Spreeuwenberg blijkt ook dat een grote hoeveelheid van de geïnterviewden een aanbod van een tehuis dat niet hun eerste keus zou zijn weigeren. Van dit aantal blijkt 35 % zelfs hun eerste keus te weigeren. De grootste oorzaak hiervan is onder andere; het zich gezonder voelen, groter vermogen tot zelfzorg en gewoonweg minder noodzaak. Juist de respondenten met het gevoel van eenzaamheid en gezondheidsproblemen wilden wel graag naar een bejaardenhuis.

Deze studie van Van Bilsen, Hamers, Groot en Spreeuwenberg laat zien dat wachtlijsten voor verblijf niet accuraat de vraag van residentiële opvang in beeld brengen. Een opvallende conclusie is dat 35% geen dringende vraag om hulp ervaart en zou hun eerste keus qua zorgaanbieder niet aannemen. In vergelijkend onderzoek van Van der Meer, Boer en IJdema (2004) naar wachtlijsten in de zorg worden over het algemeen dezelfde resultaten waargenomen.

Concluderend, de term wachtlijsten is een moeilijk te definiëren begrip. De daadwerkelijke doelstelling van een wachtlijst lijkt niet goed tot zijn recht te komen, door het ‘verkeerd’ gebruik en/of ‘onjuiste’ verwachting van deze wachtlijst. Dit wordt nader beschreven in paragraaf 3.4 waarin het thema beeldvorming aan bod zal komen.


    1. Draagkracht en draaglast; geïndiceerden en mantelzorg


In onderstaand thema wordt het verband tussen wachtlijsten en draagkracht en draaglast beschreven. Het thema draagkracht en draaglast is eigenlijk op te delen in twee onderdelen, namelijk draagkracht en draaglast bij de ouderen zelf en als tweede draagkracht en draaglast voor de mantelzorg. Deze tweedeling is ook van toepassing op deze paragraaf. Allereerst zullen de termen draagkracht en draaglast gedefinieerd worden. Draagkracht wordt gedefinieerd als het vermogen om geldelijke lasten te dragen. De draaglast beschrijft men als geldelijke lasten die men te dragen heeft.



      1. Draagkracht en draaglast; geïndiceerden

Uit een kwantitatief onderzoek van de Klerk (2005), waarin een vragenlijst is afgenomen onder ruim 10.000 zelfstandig wonende ouderen van 65 jaar en ouder woonachtig in de GGD regio Hart voor Brabant, blijkt dat een kwart van de ouderen (24%) kwetsbaar is; zij hebben zowel te maken met een hoge draaglast (doordat ze niet zelfredzaam zijn en/of beperkt in hun mogelijkheden door hun lichamelijke gezondheid) als met een lage draagkracht (doordat ze te weinig regie hebben over hun eigen leven en/of alleenwonend zijn en/of een laag inkomen hebben).

Kwetsbaarheid is een ruim begrip. Zo noemt de VNG ouderen kwetsbaar wanneer zij extra aandacht en mogelijk ondersteuning nodig hebben op het gebied van wonen, zorg, welzijn, mobiliteit of inkomen. Het is daarbij echter niet duidelijk wanneer iemand aandacht nodig heeft. Het SCP omschrijft kwetsbaarheid in termen van draaglast en draagkracht en daarbij sluit dit onderzoek aan. Ouderen met een hoge draaglast hebben hulp nodig. Ouderen met een lagere draagkracht zullen, wanneer zij hulp nodig hebben, moeilijker een beroep kunnen doen op hulp. Ouderen met een hoge draaglast én een lage draagkracht zijn daarom kwetsbaar. De draaglast wordt voor ouderen bepaald door zelfredzaamheid en beperkingen. De draagkracht wordt beschreven aan de hand van regie over het eigen leven, alleenwonend zijn en het inkomen.
Het NIZW geeft als definitie van zelfredzaamheid; het vermogen om dagelijkse algemene levensverrichtingen zelfstandig te kunnen doen, bijvoorbeeld wassen, aankleden, koken en het vermogen om sociaal te kunnen functioneren. Niet-zelfredzame ouderen zijn ouderen die om bepaalde redenen de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL; zoals zichzelf wassen, opstaan, eten, drinken en traplopen) niet zonder hulp kunnen uitvoeren en/of ouderen die drie of meerhuishoudelijke werkzaamheden (HDL; zoals wassen, warme maaltijd klaarmaken of boodschappen doen) niet zelf kunnen uitvoeren. Ouderen kunnen in verschillende mate niet zelfredzaam zijn. In het onderstaande kader is weergegeven wat er in dit onderzoek onder zelfredzaamheid wordt verstaan (Nizw, 2007)(A).
Zoals eerder vermeld, heeft van alle zelfstandig wonende ouderen de helft te maken met een lage draagkracht. Zij zullen, indien ze ondersteuning nodig hebben, moeilijker een beroep kunnen doen op hulp. Hieronder zijn de verschillende aspecten van een lage draagkracht uitgewerkt.

Een vijfde van de ouderen (20%) heeft te weinig regie over het eigen leven. Deze ouderen hebben niet de overtuiging dat ze zelf controle hebben over hun leven. Ze zijn minder goed in staat (sociale) steun te activeren en zullen, wanneer ze te maken krijgen met een chronische ziekte, vaker depressief worden of achteruitgaan in hun lichamelijk functioneren. Ouderen met alleen AOW als inkomen, vrouwelijke 75-plussers en alleenwonenden hebben, ook onafhankelijk van elkaar en van stedelijkheid, vaak te weinig regie over hun eigen leven. Van alle zelfstandig wonende 65-plussers, woont 30% alleen.

Deze alleenwonende ouderen hebben geen dagelijkse ondersteuning van een partner of andere huisgenoot en zullen daardoor eerder hulp nodig hebben van anderen. Hulp van een partner wordt vaak als vanzelfsprekend ervaren, terwijl ouderen die hulp nodig hebben of wensen en dit aan anderen moeten vragen, moeten vaak een drempel over (De Klerk, 2004).

Bijna een kwart van de ouderen heeft een laag inkomen (alleen AOW); een vijfde geeft aan moeite te hebben om rond te komen van het inkomen. Ouderen met een laag inkomen zullen minder snel een beroep doen op (betaalde) hulp. Ouderen in niet/weinig verstedelijkte gemeenten, vrouwelijke 75- plussers en alleenwonenden hebben volgens De Klerk (2004), ook onafhankelijk van elkaar, vaker alleen AOW als inkomen.

Samenvattend kan gezegd worden dat een kwart van de ouderen kwetsbaar is. Deze ouderen hebben te maken met zowel een hoge draaglast als een lage draagkracht.

Vrouwelijke 75-plussers zijn vaker kwetsbaar dan jongere ouderen en mannen. Ruim een derde van de ouderen heeft te maken met een hoge draaglast omdat ze beperkt zijn ten gevolge van hun lichamelijke gezondheid en/of niet zelfredzaam zijn. Meer dan de helft van de ouderen heeft te maken met een lage draagkracht doordat ze te weinig regie hebben over hun eigen leven en/of alleenwonend zijn en/of alleen AOW als inkomen hebben.

Eén op de tien ouderen wenst meer hulp in algemene zin. De meeste willen deze extra hulp vanuit het professionele circuit. Slechts een vijfde wil deze hulp vanuit het informele circuit. Kwetsbare ouderen weten vaker niet waar ze (zorg)voorzieningen moeten aanvragen dan ouderen die niet kwetsbaar zijn. In 2015 zal het aantal kwetsbare ouderen naar verwachting met een derde zijn gestegen. In hoeverre de onderzoekspopulatie ook aan deze criteria voldoet zal in het resultatengedeelte beschreven worden.

3.3.2. Draagkracht en draaglast; mantelzorg
Veel mensen zorgen voor een zieke partner, een gehandicapte zoon of dochter, een hulpbehoevende vader of moeder, vriend(in) of buurman/buurvrouw. De betreffende hulp uit liefde of persoonlijke betrokkenheid wordt mantelzorg genoemd. Vaak neemt de zorg geleidelijk toe. Uiteindelijk staan mantelzorgers vaak dag en nacht paraat, soms jarenlang. Mantelzorg wordt door de mantelzorger en de omgeving vaak als vanzelfsprekend gezien (Piw, 2007).
Met betrekking tot de mantelzorg zijn de patiëntkenmerken een belangrijk onderdeel in de objectieve belasting van mantelzorg. Er is daarom een overzicht nodig van het afwijkende gedrag en de hulpbehoefte van de geïndiceerde.

Of de primaire verzorger met de handen en voeten aan huis is gebonden of vrij kan gaan en staan, zal afhangen van de mate van de functioneringsstoornissen van de geïndiceerde. De hulp van de primaire verzorger wordt ook wel gedefinieerd als een objectieve draaglast (Janssen, 1988). Het gaat immers om een verzorgingstaak waarvoor geen officiële verlofregelingen en geen reguliere financiële vergoeding in de zin van inkomsten bestaan, een taak die daarnaast ook vaak ongevraagd opgelegd wordt. Hoe omvangrijker en veelzijdiger de hulp die door de primaire verzorger gegeven wordt, des te groter is diens draaglast (Duijnstee, 1993).

Met het stijgen van de leeftijd zien we bij een aantal mensen dat de lichamelijke gezondheid afneemt. Onder de primaire verzorgers blijken kinderen vaak van middelbare leeftijd te zijn of daaraan voorbij en bij partners is veelal sprake van ouderen die voor ouderen zorgen. De fysieke gezondheid van primaire verzorgers laat volgens Duijnstee (1993) nogal eens te wensen over en is bij sommige primaire verzorgers (partner) zelfs slechter dan die van het familielid voor wie zij zorgen (Johnson, 1983).

Er zijn ook concurrerende aandachtsgebieden waarmee de primaire verzorger wordt geconfronteerd. Een aantal van hen heeft naast de zorg voor de geïndiceerde tevens een baan, de zorg voor een gezin of beide. Deze concurrerende aandachtgebieden brengen de primaire verzorger in een situatie waarin deze voortdurend zijn of haar aandacht en tijd moet verdelen.


Omgevingskenmerken spelen ook een belangrijke rol in de objectieve belasting. Bij een omgevingskenmerk kan gedacht worden aan de financiële middelen (onder ander taxivervoer, wasserij, hoog-laag bed, rolstoel) die de primaire verzorger ter beschikking heeft ten aanzien van de geïndiceerde. Een praktische woonsituatie, die inspeelt op het verminderend en veranderend functioneren van de geïndiceerde, in samenhang met het samenwonen van de primaire verzorger, verondersteld dat de objectieve draagkracht van de primaire verzorger wordt vergroot. In de tegenovergestelde situatie wordt ervan uitgegaan dat de objectieve draagkracht afneemt (Duijnstee, 1993). Ook het sociale netwerk en de professionele hulpverleners zijn nauw betrokken bij de zorgverlening en hebben invloed op de draaglast en de draagkracht van zowel de primaire verzorger als de geïndiceerde zelf. Aandacht, bezoek of hulp van leden uit het sociale netwerk doen de objectieve draagkracht van de primaire verzorger toenemen. Daarnaast gaan we er van uit dat professionele hulpverlening de objectieve draagkracht vergroot.
Verschillen in belasting tussen partners en kinderen zouden voorts samenhangen met de betekenis die partners en kinderen verlenen aan het woord ‘plicht’ (Dawson, 1987). Voor kinderen bleek plicht te refereren aan de ervaren wederkerigheid in de relatie met en positieve gevoelens ten opzichte van de verzorgde. ‘Zorgen voor’ werd voor hen vertaald als ‘zich bekommeren om’ de verzorgde. Het inschakelen van hulpverleners genereerde bij hen derhalve weinig schuldgevoelens. Ondersteuning van buitenaf zagen zij als een praktische handelswijze, gezien de verzorgingstaak waar zij voor stonden. Deze houding staat in fel contrast tot het plichtsgevoel van echtgenoten. Zorgen voor hun partner ervaren zij als een huwelijksplicht. Hulp van buitenaf gaf wel enigszins verlichting van hun belasting maar bracht tegelijkertijd grote schuldgevoelens teweeg, omdat ze niet zelf hun plichten vervulden.

Samenvattend wordt mantelzorg veelal als vanzelfsprekend gezien, en wordt er niet veel aandacht geschonken aan de draagkracht en draaglast van de betreffende mantelzorg. Men overschat vaak de fysieke gezondheid en de concurrerende aandachtsgebieden van de primaire verzorger.

Op grond van bovenstaande literatuurindicaties zal er in de analyse gekeken worden naar de draaglast en de draagkracht van de geïnterviewde, maar ook voor de mantelzorg en in hoeverre hiermee rekening wordt gehouden tijdens een indicatiestelling.



    1. Beeldvorming


In onderstaand thema wordt het verband tussen beeldvorming en wachtlijsten beschreven. Met name bij het moment van verhuizing naar een Verblijf speelt dit een belangrijke rol.

Bij beeldvorming kennen mensen onder andere eigenschappen, kwaliteiten en behoeften toe aan andere personen (Btsg, 2007). Hierdoor worden er groepen van personen met dezelfde eigenschappen gevormd. Wij vinden het normaal dat we van deze groepen dingen verwachten en wij denken te weten wat die groepen van ons verwachten. Naar deze gedachten en verwachtingen gaan groepen zich gedragen. Dit wordt een probleem als we mensen op grond van één criterium (in dit geval leeftijd) als groep beschouwen en we individuele verschillen niet meer zien. Dit wordt eenzijdige beeldvorming genoemd. Er wordt in dit geval geen gebruik gemaakt van kennis, kunde en ervaring die ook aanwezig is, omdat daar geen beroep op wordt gedaan. Deze negatieve beeldvorming heeft gevolgen voor alle leeftijdscategorieën.


Een uitspraak in het onderzoek van onder meer Schols, Ribbe en Stoop (1993), stelt; “Ieder mens streeft ernaar het verpleeghuis zo lang mogelijk en liefst geheel te vermijden als plaats om te wonen. Het verpleeghuis kampt dan ook met een slecht imago.” Voornamelijk door dergelijke gedachten, wordt de beeldvorming van ouderen versterkt. Het valt bovendien op dat zij zichzelf nog lang niet zo oud inschatten dan de huidige bewoners van bejaardenhuizen (Schols, Ribbe & Stoop, 1993).

Blachard-Fields en Irion (1988) bestudeerden de verhouding tussen cognitie en emotie wat betreft de bijdrage van de ouderen aan sociale oordelen. In vergelijking tot jongeren baseren ouderen hun sociale oordelen meer op emoties dan op cognities. Dit is van belang bij de aanpassing aan de veranderingen in de late volwassenheid. De integratie van cognitie en emotie geven ouderen meer mogelijkheden om aanpassingsstrategieën te gebruiken. Ouderen gebruiken rijpere copingsstrategieën, tonen minder vijandigheid, veroordelen en bekritiseren anderen minder en tonen grotere mate van altruïsme (Blanchard-Fiels & Irion, 1988).


Betreffende de verhuizing naar een instelling leven er onder de ouderen zelf ook enkele vooroordelen. Uitvoerig onderzoek van Vink (2001) laat zien dat deze niet altijd onterecht blijken te zijn. Dit onderzoek beschrijft dat ouderen vaak onder tijdsdruk tot de beslissing komen om te verhuizen. Zij zien de noodzaak hiervan pas in naarmate de fysieke beperkingen toenemen. Vooral vrouwen hebben moeite met verhuizing(en) omdat zij emotioneel verbonden zijn met hun woonomgeving. De beslissing om te verhuizen naar een instelling is voor ouderen altijd ingrijpend. Meestal is het een ‘negatieve’ keuze. (“Het gaat echt niet meer thuis.”). De instelling wordt veelal gezien als een treurig eindstation, dat beter gemeden kan worden. Het fenomeen dat ouderen in de westerse cultuur zichzelf niet als oud zien, draagt hier zeker ook toe bij. Mensen hebben sterk de neiging om de met het ouder worden gepaard gaande veranderingen als iets van buitenaf te beschouwen en niet tot de kern van de eigen persoon te laten doordringen en ontkennen eigen innerlijke veroudering (Westerhof, 2003). Het verzorgingshuis wordt daarom gezien als een instituut voor ‘echt oude mensen en dus niet voor mij’, ongeacht de eigen leeftijd. Over het algemeen gaat men ervan uit dat verhuizen voor ouderen zeer belastend is: Oude bomen moet men niet verplaatsen, zegt de volkswijsheid. Longitudinaal onderzoek van Pot, Deeg, Twisk, Beekman en Zarit (2005) laat zien dat verandering van de zorgsituatie bij ouderen leidt tot een verhoogd risico op depressieve symptomen.
Over het algemeen moeten we concluderen dat er weinig tot geen onderzoek gevonden is over beeldvorming van ouderen. Wel is er veel bekend over beeldvorming over ouderen, maar hier worden vaak de ouderen zelf niet in meegenomen.

3.5 Coping (zelfredzaamheid)
Binnen het thema coping is veel onderzoek verricht. In relatie tot ouderen blijkt er echter weinig bekend te zijn. Daarom zullen we hieronder in algemene begrippen op coping ingaan. In het resultaten gedeelte zijn de bevindingen hieraan gekoppeld.

Lazarus en Folkman (1984) ontwikkelden een model dat een verklaring kan bieden voor de grote verschillen die mensen vertonen in hun gedrag en hun wijze van reageren, als zij zich geconfronteerd zien met een voor hen ingrijpende levensgebeurtenis. Met ingrijpende levensgebeurtenissen bedoelt men overigens niet alleen grote gebeurtenissen.

Het kan ook gaan om langer durende of vaak voorkomende kleine frustraties in het dagelijkse leven (daily hassles). De manier waarop een mens omgaat met de emotionele spanning die voortkomt uit ingrijpende levensgebeurtenissen, wordt coping genoemd. Emotionele spanning of stress ontstaat volgens Lazarus en Folkman wanneer iemand een sterke discrepantie of tegenstrijdigheid ervaart tussen de eisen van de situatie en zijn eigen lichamelijke, psychologische en sociale mogelijkheden. Coping is de gedragsmatige en cognitieve inspanning die een mens levert om die discrepantie te verminderen of te hanteren. Door verschillende copingsstrategieën te gebruiken zal een mens proberen stress te verminderen. Het is hierbij niet alleen de ernst of de aard van een gebeurtenis of de objectieve kenmerken, die bepalen hoe ingrijpend de verandering voor iemand is. Bepalend blijken de waarde en betekenis die het individu aan de gebeurtenis toekent en aan de eigen mogelijkheden om ermee om te gaan (appraisal-inschatting). Daarbij spelen allerlei factoren een rol, zoals de persoonlijke levensgeschiedenis, persoonlijkheidskenmerken en de omgeving. Het copingproces is een continu proces van inschatten, toepassing van copingsstrategieën en evalueren van de resultaten (Pot, Kuin & Vink, 2007).

Coping komt over de gehele lijn van het onderzoek terug, namelijk de mate van zelfredzaamheid, eenzaamheid, omgang met de wachtlijstervaringen, relativering, inbouwen van veiligheid, persoonlijke controle, zorg op maat, eisen stellen, het buiten jezelf mechanisme en vooral het anticiperen op de onzekere toekomst (preventief handelen) en tot slot angst voor verandering. Al deze onderwerpen zullen elders in dit verslag aan de orde komen en worden daarom hier niet nogmaals apart behandeld.




    1. Feitelijke en wenselijke zorgvraag en zorgbehoefte


Het thema feitelijk en wenselijk spreekt eigenlijk voor zich, wat zijn momenteel de feiten rondom ouderen en eventueel in combinatie met wachtlijstgegevens?

Over dertig jaar is een kwart van de bevolking 65-plus of ouder. De vergrijzing bereikt over ruim dertig jaar haar hoogtepunt. Tussen nu en 2038 zal het aantal 65-plussers toenemen van 2,4 naar 4,3 miljoen (Pot, Kuin & Vink, 2007). Een kwart van de 17 miljoen Nederlanders is dan 65 jaar of ouder. Het aantal ouderen groeit vooral sterk door de naoorlogse geboortegolf. Dit blijkt uit de nieuwe bevolkingsprognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (Cbs, 2006)(A).


De bewoners van bejaardenhuizen worden steeds ouder. In 1996 verhuisden 25.000 ouderen naar een bejaardenwoning, evenveel als het jaar daarvoor. In 1985 was 60% van de nieuwe bewoners 80 jaar of ouder. Het aandeel van de 80-plussers onder de nieuwkomers is sindsdien gestegen tot 72%. Voor de groep van nieuwe bewoners is dus sprake van vergrijzing. Van jaar op jaar neemt het percentage bewoners dat bijna voortdurend bedlegerig of volledig hulpbehoevend is toe. Slechts 35% van de mannen en 28% van de vrouwen was in 1996 niet lichamelijk hulpbehoevend en kon zich dus redden, al dan niet met enige huishoudelijke verzorging (Cbs, 2006)(B).

Ook de leefstijl van de ouderen verandert. Dit als gevolg van de individualisering, het stijgende opleidingsniveau en andere maatschappelijke ontwikkelingen zoals veranderende waarden-oriëntaties van ouderen.  Senioren delen echter nog steeds een aantal overeenkomstige waarden. In vergelijking met andere leeftijdsgroepen zijn senioren over het algemeen maatschappelijk betrokken, milieubewust, gericht op gezondheid en zijn huiselijk.

Daarnaast zijn er ook verschillen tussen groepen ouderen. Er zullen in de toekomst verschuivingen optreden in de waarden-oriëntaties van ouderen. Er komen verhoudingsgewijs steeds minder ouderen die gerekend kunnen worden tot de traditionele burgerij, een categorie die zich richt op 'behouden en bezitten'. Er komen meer ouderen die horen tot de moderne burgerij (bezitten en genieten). Ook de postmoderne categorie groeit, een groep ouderen voor wie zelfactualisatie belangrijk is. Voor de toekomstige senioren zijn onder andere de volgende waarden van belang:


  • Zij willen zelf de regie kunnen houden: het leven in eigen hand houden

  • Zij zijn kritisch ten opzichte van woon- en zorgvoorzieningen

  • Ze zijn gewend te kiezen met wie zij willen omgaan

  • Goede buren worden belangrijker voor het sociale leven (Nederlandskenniscentrumouderenpsychiatrie, 2006)

Eenzaamheid komt onder mensen van alle leeftijden voor. Uit onderzoek van Van Tilburg (2003) blijkt dat ongeveer één derde van de 55-plussers eenzaam is. In dit onderzoek wordt eenzaamheid gedefinieerd als het als negatief ervaren verschil tussen de kwaliteit van de relaties die men onderhoudt en de relaties zoals men die voor zichzelf zou wensen. Ouderen die alleenstaand zijn, een dierbare verloren hebben, problemen met hun gezondheid ervaren en ouderen boven de 80 jaar lopen extra risico eenzaam te worden (Nizw, 2007)(B). Vaak maakt men onderscheid tussen twee vormen van eenzaamheid: eenzaamheid in de vorm van sociaal isolement en eenzaamheid in de vorm van emotioneel isolement (Nizw, 2007)(C).

Sociale eenzaamheid is gekoppeld aan een tekort aan sociale integratie, het ontbreken van contacten met mensen waarmee men bijvoorbeeld gemeenschappelijke kenmerken deelt zoals vrienden en vriendinnen. Emotionele eenzaamheid treedt op als iemand een hechte, intieme band mist met een ander persoon.

Het geheel van wachtlijsten in de ouderen- en gehandicaptenzorg is nog steeds zorgelijk. Voor intramurale zorg zijn de wachttijden lang en voor extramurale zorg is het aantal wachtenden groot. Als gevolg van demografische, medisch-technische en sociaal-culturele ontwikkelingen neemt de huidige en toekomstige vraag naar zorg toe, en is er sprake van een voortdurende groei van de kosten van zorg (Van der Meer, Boer & IJdema, 2004).

Uit eerder uitgevoerd onderzoek van Van Bilsen, Hamers, Groot en Spreeuwenberg (2006) naar feitelijke wachtlijstervaringen en de gegevens daaromtrent is gebleken dat er een knelpunt is ontstaan rondom deze wachtlijstgegevens. Er blijken veel ouderen op een wachtlijst te staan, terwijl ze er niet voor in aanmerking (willen) komen. Zij maken geen effectief gebruik van de wachtlijst, maar staan hier op uit voorzorg voor later. Bovendien is er geen enkele aanleiding voor de ouderen om niet op de wachtlijst te staan.

Samengevat, de feitelijke en wenselijke zorgvraag en zorgbehoefte is de laatste jaren veranderd en zal nog meer veranderen, de vergrijzing bereikt namelijk over ruim 30 jaar haar hoogtepunt. Ook wordt de gemiddelde leeftijd van de bewoners van bejaardenhuizen steeds hoger en verandert de leefstijl van de ouderen. Zij willen onder andere meer de regie in eigen handen houden. Met betrekking tot de wachtlijsten kan er geconcludeerd worden dat deze in de ouderenzorg nog steeds zorgelijk zijn. Met het oog op de reeds bovengenoemde veranderingen lijken deze wachtlijsten steeds ‘zorgelijker’ te worden, als er niets zou veranderen.

Nu het theoretisch kader beschreven is zijn de uitgangpunten voor dit onderzoek bepaald. In het volgende hoofdstuk is de methode die in het onderzoek is toegepast uiteengezet.





1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina