Wachtlijsten; Het verhaal achter de cijfers


Thema kwaliteit van leven



Dovnload 446.42 Kb.
Pagina7/9
Datum23.07.2016
Grootte446.42 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Thema kwaliteit van leven






Kwaliteit van leven krijgt een hoge waardering onder de respondenten. Het blijkt dat deze niet negatief wordt beïnvloed door het feit dat zij op een wachtlijst staan.

Wellicht wordt deze juist positief beïnvloed, omdat het staan op een wachtlijst de oudere rust geeft en zij er vertrouwen op hebben dat het in de toekomst ook allemaal goed komt.

Zoals al beschreven in het theoretische kader, lijken vooral de ‘kleine dingen’ in het leven bij te dragen aan een hogere score op de kwaliteit van leven voor ouderen.

Eenzaamheid is een terugkerend begrip die in enkele gevallen de kwaliteit van leven doet afnemen.

In het theoretisch kader werd beschreven dat Zautra en Goodhart (1979) twee onderzoeksbenaderingen voor de definitie van kwaliteit van leven onderscheidden, waarvan één op sociale indicatoren gericht was en één op psychologische indicatoren. Aan de hand van deze twee benaderingen zullen de resultaten worden weergegeven.



Sociale indicatoren

Uit literatuuronderzoek blijkt dat omgeving een zeer belangrijke sociale indicator is voor kwaliteit van leven onder deze onderzoekspopulatie. De onderstaande citaten geven hier een mooie illustratie van. De 87-jarige meneer 2 over de ontmoeting met zijn nieuwe vriendin; “Ja, typisch hè, daar ben ik aangekomen via bemiddeling. Ik kreeg 10 adressen, de eerste 9 was allemaal niet wat, allemaal wel aardige vrouwen hoor, maar meer ook niet, en bij haar was er meteen een klik”.


Een voorbeeld van een negatieve invloed op de invloed van kwaliteit van leven is het volgende veelterugkerende onderwerp;

Alle kameraden en familie zijn weggevallen, er leeft niets meer van alles om mij heen, helemaal niets meer! Ik heb een dood leven op het moment!”, aldus meneer 2 (88).

In dit laatste citaat komt het aspect eenzaamheid terug. Een onderwerp wat toch bij veel respondenten aan bod kwam en wat tevens de resultaten uit het theoretisch kader bevestigd.

Hierin kwam naar voren dat één derde van de 55-plussers eenzaam is.

Ouderen die alleenstaand zijn, een dierbare verloren hebben, problemen met hun gezondheid ervaren en ouderen boven de 80 jaar lopen extra risico eenzaam te worden. Vaak maakt men onderscheid tussen twee vormen van eenzaamheid: eenzaamheid in de vorm van sociaal isolement en eenzaamheid in de vorm van emotioneel isolement. Sociale eenzaamheid is gekoppeld aan een tekort aan sociale integratie, het ontbreken van contacten met mensen waarmee men bijvoorbeeld gemeenschappelijke kenmerken deelt zoals vrienden en vriendinnen. Emotionele eenzaamheid treedt op als iemand een hechte, intieme band mist met één ander persoon. Al deze kenmerken werden in de interviews bevestigd.

Psychologische indicatoren

Histogram 5.3 in paragraaf 5.3 toont een hoge score op kwaliteit van leven van de respondent aan, gemiddeld een 8.1.

Maar wat maakt dit cijfer nou zo hoog? Uit literatuuronderzoek blijkt dat de psychologische indicatoren, zoals zelfmanagement en tevredenheid bijdragen aan de hoge score.
Veelzeggend zijn de onderstaande citaten, met betrekking tot positieve bijdragen aan de kwaliteit van leven in de ogen van de respondenten;

Meneer 5 (71) spreekt zijn grootste wens uit; “Zolang ik van de dokter nog wel 1 borreltje mag hebben…”. Deze uitspraak is tevens een copingstrategie, waarmee veel ouderen het ‘wachten’ blijven volhouden. Hier zal in subparagraaf 5.4.5 nader op ingegaan worden.

Mevrouw 6 (87) zegt met een optimistische blik; “Nee hoor, ik mag gewoon niet klagen, met mijn leeftijd…de hele familie leeft niet meer, waar moet je dan heen, ik moet toch verder met wat er is, en dat zijn mijn kinderen, en van het leven genieten, morgen ga ik ook weer naar de markt, lekker een visje halen, en wat groente en fruit halen…en tja zo gaat mijn leven”.

Als ik een dag achter ‘t huis kan zitten is dat voor mij vakantie”, het kleine genot aldus mevrouw 9 (81).

Meneer 16 (82) geeft een 9.5 voor zijn leven zoals hij dat op dit moment ervaart en zegt; “Als ik nog één keer mee op jacht zou kunnen, dan was het een 10”.

Wensen mag je na zoveel jaar wachten toch wel hebben? Andere kamers zijn zo klein, we willen graag een extra slaapkamer, zodat we nog eens apart kunnen gaan liggen of dat de kinderen nog eens kunnen blijven overnachten”.



      1. Thema draagkracht en draaglast






Eén vijfde van de respondenten blijkt niet zelfredzaam te zijn. Dit betekent dat zij hulp nodig hebben bij bijvoorbeeld de was of zelfverzorging. Dit betekent nog niet dat zij op een wachtlijst voor Verblijf dienen te staan. In enkele gevallen betekent dit voor de mantelzorg een overbelasting, waaruit op te maken is dat in enkele gevallen de mantelzorg het mogelijk lijkt te maken dat de oudere nog niet naar een ander verblijf heen wil en op de wachtlijst blijft staan.

Bijna één vijfde van de zelfstandig wonende ouderen in de respondentengroep is niet zelfredzaam. Hiervan is een relatief groot deel niet zelfredzaam omdat hulp nodig is bij één of meer algemeen dagelijkse verrichtingen; dit is de groep die het zwaarst afhankelijk is van hulp. Het overgrote deel van deze ouderen kan overigens ook drie of meer huishoudelijke werkzaamheden niet zelf doen. Daarnaast is er een grote groep ouderen, die weliswaar geen hulp nodig heeft bij algemeen dagelijkse verrichtingen, maar wel bij drie of meer huishoudelijke werkzaamheden. Deze ouderen zijn ook niet zelfredzaam, maar de hulp die ze nodig hebben is over het algemeen minder frequent nodig en beter planbaar.

Ouderen die niet zelfredzaam zijn hebben voornamelijk problemen met zwaar huishoudelijk werk, klussen waarbij een huishoudtrap nodig is en kleine reparaties in of om het huis. Ook nog een groot deel van de niet zelfredzame ouderen kan niet zelf het bed verschonen, de was doen of de warme maaltijd klaarmaken. Er is een grote overlap tussen al deze problemen. Voor de ernstig niet zelfredzame ouderen doen de problemen zich met name voor bij het zich volledig wassen.
Uit de interviews blijkt dat de meeste mensen zich nog goed zelf kunnen redden. In veel gevallen doen zij dat ook echt zelf, maar er zijn ook gevallen bij waar juist de mantelzorg het mogelijk maakt dat zij nog thuis blijven wonen. Deze zorg wordt door de geïnterviewden verschillend ervaren, heel vaak wordt deze hulp heel erg gewaardeerd maar ook dikwijls onderschat.

Als we de onderzoeksgroep onder de loep nemen kan gezegd worden dat 11 van de 17 zelf nog een grote draagkracht heeft. Dit wordt in veel (nood-)gevallen wel ondersteund door de partner (2), kinderen (4), schoonzus (1) en in vier gevallen is er geen aanwijsbare mantelzorg bekend/beschikbaar.


Er zijn tevens zes personen van wie de draagkracht zeer gering is, de zorg om hen wordt grotendeels opgevangen door de mantelzorg. In vier van de gevallen betreft dit de kinderen en in twee van de gevallen de eigen partner. Uit de gesprekken blijkt dat al deze personen die deze zorg op zich nemen deze zorg als ‘zwaar’ ervaren. Dit blijkt onder meer uit het cijfer dat zij aan voor hun kwaliteit van leven geven, zie paragraaf 5.3. Tevens wordt dit met onderstaande citaten gedeeltelijk ondersteund; “Maar ik wil liever nog hier in huis blijven. Zoals het nu is wil ik hier blijven, als de kinderen tenminste niet teveel last met mij krijgen….”.

Over het feit dat men bekend is dat ze op een wachtlijst staat zegt mevrouw 11 (87); “Ja, dat heeft mijn dochter wel gezegd, maar ik ga er niet graag heen. Ik zit hier nog goed.”, “Ik zeg altijd; zolang ik mij ‘s nachts nog kan redden, blijf ik nog hier. Als ik dat niet meer kan, ga ik echt wel daarheen, maar dat hoeft nu nog niet”.

“….heb hier (in huis) denk ik betere verzorging, als je daar zit moet je steeds wachten op hulp, hier zijn ze er snel bij”.



      1. Thema beeldvorming





Er treedt een ‘verkeerde’ beeldvorming op onder ouderen over het gebruik en de toepassing van wachtlijsten. Het beeld over een verblijf is nu voornamelijk negatief. Het lijkt in de ogen van de respondenten gepaard te gaan met verlies vrijheid, verlies beheer van geld, wat zal resulteren in een ongelukkig bestaan.

Hoe kan deze beeldvorming worden omgebogen naar de realiteit en hoe komt het dat

ouderen tot deze beeldvorming komen?De beeldvorming over ouderen is vaak onterecht negatief, bijvoorbeeld dat zij altijd ontevreden zijn. Uit de interviews blijkt namelijk dat zij juist heel tevreden zijn.

Het thema beeldvorming is moeilijk te onderbouwen uit een theoretische achtergrond, alleen middels enkele citaten kunnen hier illustraties van gegeven worden, waaruit voorzichtig een conclusie kan worden getrokken.


In de interviews zijn veel ouderen heel stellig in hun vooroordelen ten aanzien van wachtlijsten, bejaardenhuizen en financiën. Deze vooroordelen zullen in de rest van het onderzoek worden benoemd met beeldvorming. Het is aannemelijk dat de ouderen echt niet beter weten, een bepaald beeld ooit gezien hebben en dit ook werkelijk naleven. Deze beeldvorming kan worden opgesplitst in 3 thema’s namelijk wachtlijsten, bejaardenhuizen en de financiën.

Wachtlijsten

De reden van het feit dat men op een wachtlijst staat is niet in overeenstemming met de daadwerkelijke doelstelling van een wachtlijst, zoals die in het theoretische kader werd beschreven. Hierin lijkt een onbewuste verkeerde beeldvorming te ontstaan.

Alleenstaande meneer 12 (86) heeft ook de beeldvorming dat hij zijn plek al bijna binnen heeft; “Tja, je weet nooit hoe het straks is, en wat de toekomst brengt, dan heb ik in ieder geval een plekje. Ja, ik ben alleen, dus als je dan niet meer kan, dan moet iemand anders het overnemen hè, en daar moet je dan wel op voorbereid zijn. Ik wil mijn zoon ook niet helemaal met die zorg opzadelen”.

Ook de alleenstaande 88-jarige meneer 2 zegt; “Ze hebben mij al wel gevraagd of ze mij ook konden uitschrijven, maar dat heb ik niet toegestaan. Dan kom je op een lijst met 400 man, en dan wordt je zo’n speelbal”.

Mevrouw 1 (71) heeft de volgende beeldvorming over een eventuele plek; “Ik zie wel hoe het gaat, en als het niet gaat, dan bel ik wel en komt er vanzelf wel een plekje vrij”.

“…en ze zeggen dat als ik aangeef dat ik het wel nodig heb, er binnen drie maanden plek is, dan is dat toch mooi”.

Afspraak is afspraak, ook vandaag met jou, ik had ook naar de veteranendag gekund, maar dat wil ik niet want afspraak is afspraak”, aldus een ‘stipte’ 88-jarige meneer 2.

Bejaardenwoningen

Er lijkt tevens een negatieve beeldvorming over de bejaardenwoningen te heersen. Deze beeldvorming wordt vaak ondersteund door de aanwezige mantelzorg bij het interview. In de literatuur kwam dit fenomeen ook al aan bod, en wordt nu hieronder geïllustreerd met enkele citaten;

Meneer 2 (88), geeft hieronder zijn gedachten weer; “Ik ben bang dat als ik daarheen ga, dat ik wegkwijn”, “Dan loop ik met mijn ziel onder m’n arm”.

De mantelverzorgster van mevrouw 4 (91) geeft haar zorg aan over de beeldvorming van haar medefamilie, betreffende de overplaatsing naar een bejaardentehuis; “Maar haar andere kinderen zijn bang dat ze haar daar meteen plat spuiten, en dat je dan nooit meer met haar kunt praten, maar dat is toch onzin. Volgens mij zou ze daar alleen maar opknappen, en die zusters, kunnen na 8 uur werken naar huis, ik zit er 24 uur per dag mee opgescheept”. Mevrouw 6 (87) over de ervaringen die zij heeft opgedaan bij een bezoekje aan een kennis; “…en dan zit je daar, dan heb je een gang, als je buiten komt zit je daar in die dooie gang, en je kunt nog geen raam los doen, alleen zo’n klappie omhoog. Je hebt er niet eens een balkon of zo…luchthappen door een klappie, weet je wel wat je mist als je hier weggaat…dat doe je toch niet zo gemakkelijk? Ja, dan moet er echt nog heel wat gebeuren”.

Mevrouw 9 (81) benoemd de vrijheid van het platteland; “We komen allemaal van een boerderij, dus dat is ook al wennen, en hier heb je nog een beetje vrijheid, en dan moeten ze straks daar zo opgesloten zitten dat is toch vreselijk”. Echtpaar 5, waarvan meneer (71) een slechte gezondheidstoestand heeft, benoemen; “We zijn wel eens bij anderen geweest, maar het is zo’n klein benauwd hokje. Ik vind het niet wat”.

Financiën

Het onderwerp financiën lijkt ook enige negatieve beeldvorming op te leveren. Uit de interviews blijkt in enkele gevallen dat dit mensen er mede van weerhoudt om de stap naar een ander verblijf te zetten.

Het laatstgenoemde echtpaar maakt zich ernstige zorgen over de financiën; “….het is zo 150 euro duurder, per maand”, “…weet je wat ik erg zou vinden; is dat ze je alles afnemen, je loon enz., dan ben je weer echt een nummer”, “…ja, dat zou voor mij een hele zware dobber zijn, dat ik net als soldaat weer mijn salaris moet ontvangen…maar goed, als het moet dan moet het, dan bel ik op, en ze hebben me beloofd dat er dan plek is. En belofte is belofte, net zoals deze afspraak met jou”.
Tevens blijkt in de beeldvorming óver ouderen dat de omgeving denkt dat ouderen ontevreden zijn, maar zijn ze ook daadwerkelijk ontevreden?

Opvallend was de gastvrijheid en de tevredenheid aan het eind van het interview. Alle geïnterviewden waren blij eens hun verhaal te kunnen doen. Hieronder volgen enkele citaten;

Het is wel eens goed om je verhaal over dit soort zaken kwijt te kunnen”, “…jij bedankt, voor je luisterend oor, dat vinden wij oudjes ook wel eens fijn!”, “...dit zouden ze eens wat vaker moeten doen, zo weten ze wat er leeft onder ons, vooral een aanbeveling voor de Thuiszorg”.

Tevredenheid is sowieso een opvallend thema wat uit de interviews naar voren komt. Tevreden met weinig, tevreden met de leeftijd, woonomstandigheden, of het feit dat hun partner nog leeft en dat de kinderen er voor hen zijn.


In het volgende thema coping wordt duidelijk hoe ouderen onder andere met deze beeldvorming omgaan.

      1. Thema coping






Het thema coping blijkt een overkoepelend thema te zijn in de wachtlijstervaringen. De

manier van coping zegt alles over de kwaliteit van leven van de oudere, maar ook over

zijn/haar beeldvorming en de omgang met wachtlijsten. Over het algemeen kan gesteld

worden dat er zeer uiteenlopende copingsstrategieën worden toegepast. Onder andere

relativering, inbouwen van veiligheid, persoonlijke controle, zorg op maat, eisen stellen,

het buiten jezelf mechanisme en vooral het anticiperen op de onzekere toekomst

(preventief handelen) en tot slot angst voor verandering.

Veel van de geïnterviewden ervaren nog een zeer groot doorzettingsvermogen, waardoor hun zelfredzaamheid redelijk groot is. Meneer 12 zegt;Zolang ik het zelf kan, moet je het ook doen, daar blijf je jong bij”, “Ik kan nog goed fietsen (veel fietstochten) en ik heb nog een auto, waar ik me nog goed mee kan redden”, aldus mevrouw 1 (71).

Meneer 2 (88);“Ik ben nu eigenlijk te fit om in een tehuis te zitten. Ik voel me nog goed, en ach, ik ben nog jong. Ik heb hier pas alles nog zelf ingericht, ik kan alles nog zelf.”
Dezelfde 87-jarige man over zijn computer gebruik; “Mensen om mij heen zeggen vaak, dat ding heb je toch niet nodig? En dan zeg ik, die heb je wél nodig, over 5 jaar ben je analfabeet als je het niet doet”.

Actief blijven, dat is het beste” concludeert ook meneer 13 (78).


‘Het genieten van’, volgens de 87-jarige mevrouw 6; “De boodschappen doe ik ook nog zelf, en dan ga ik even over de markt, en haal mij een lekker gebakken visje….”.

Mevrouw 11 (87) over haar tuinwerkzaamheden; “Ik heb wel een tuinman gehad, maar die deed niets. Dus nu doe ik het maar weer zelf”.

Ik vind het hier (eengezinswoning aan een levendige straat) fijn, je zit hier nog tussen de mensen en de kinderen spelen hier voor thuis, daar geniet ik nog zo van, ik wil nog niet weg, dat zou ik niet fijn vinden. Maar goed, als ik van het lopen afkom, dan wordt het hier wel moeilijk.” “Ik hoef nog niet zo nodig! Zo ben ik ook opgevoed; niet zo gauw je vinger opsteken als je iets wilt, maar eerst alles nog zelf proberen, en zolang je het nog kan moet je dat doen, daar blijf je jong bij” aldus meneer 12 (86).
Uit de volgende citaten blijkt dat veel ouderen en mantelzorgers erg opzien tegen verhuizen op zo’n leeftijd, ietwat ook in het theoretisch kader al is beschreven;“… want als ik dus echt niet meer kan, dan is het niet anders, dan moet ik hier weg. Maar het liefst blijf ik dan hier binnen. Het is zo, dat we het heel vervelend vinden dat, stel als ze slechter wordt, ze dan nog voor een paar maand ergens anders naar toe moet”, aldus mevrouw 6 (87).

Meneer 16 (82) zegt hierover het volgende; “Ach kind, ik heb mijn leven lang hier op de boerderij bij mijn bedrijf gewoond, ik ken haast geen andere plek….oude bomen moet je niet gaan verpotten”.


      1. Thema feitelijke en wenselijke zorgvraag en zorgbehoefte






De feitelijke zorgvraag lijkt overeen te komen met de daadwerkelijke zorgbehoefte.

De vraag naar een verblijf, is meer een preventieve vraag. Want de behoefte naar deze

zorg is nog niet van wezenlijk formaat dat men deze stap ook daadwerkelijk zet. De feitelijke zorgvraag is te ondervangen met overbruggingszorg, mantelzorg of is inmiddels

vermindert’.



Drie van de zeventien geïnterviewden willen graag snel naar een ander verblijf. In één geval betreft dit de mantelzorger die aangeeft de zorg niet meer aan te kunnen. Bij de tweede persoon betreft het een noodwens omdat de woning gesloopt wordt en bij de derde bestaat de wens al bijna 10 jaar, maar betreft het een echtpaar die vrij hoge eisen stelt aan de toekomstige woning van hen. Dit blijkt uit het feit dat zij bijvoorbeeld een tweepersoonskamer willen met nog een extra slaapkamer voor logees, met daarbij voorkeur voor woonruimte op de begane grond. Eén van de geïnterviewden twijfelt nog, ze wil liever in haar eigen huis blijven, maar dit hangt voor haar af van de bereidwilligheid van de mantelzorg om haar heen. Een zoon verteld; “Hij heeft nu, even tellen, 8 maanden op de wachtlijst gestaan, en dat vind ik wel te lang hoor, als de nood hoog is! In het begin belde mijn vader 2 keer in de week met het zorgkantoor, of er meer bekend is, tja dat is ook niet goed, maar dat krijg je dan hè.” “We hadden dit huis anders niet hoeven te kopen, het is heel frustrerend geweest dat wachten, nu leggen we ons er maar bij neer”.

De overige dertien van de geïnterviewden zeggen op een wachtlijst te staan, maar totaal nog niet toe zijn aan deze stap in hun leven. Van deze dertien geven zeven geïnterviewden aan dat ze op de wachtlijst willen blijven staan uit het gevoel van veiligheid en preventieve overwegingen. De overige zes geïnterviewden blijken momenteel geen zorgvraag te hebben.

In Histogram 5.4 zijn percentages de openstaande zorgvragen weergegeven.

Uit dit Histogram blijkt dat de feitelijke openstaande zorgvragen momenteel niet inzichtelijk zijn, zodat zorgkantoor Twente niet over toereikende gegevens beschikt om het beleid voor de toekomst te kunnen formuleren.
Histogram 5.4 Percentages zorgvraag van wachtenden met een indicatie Verblijf (N=17)

Samengevat kan gesteld worden dat slechts 3 van de geïnterviewden daadwerkelijk wacht op een plek, en dan nog niet eens zozeer de persoon in kwestie zelf, maar gevoed door de mantelzorg, daarnaast is er 1 vrouw die noodgedwongen een plek nodig heeft, haar woning wordt binnenkort gesloopt. Hieronder volgen enkele citaten over het feit dat zij echt wacht op een plek; “Dat is nu al drie jaar geleden, dat zij deze indicatie gekregen heeft. Er is al die tijd niets gebeurd, dus sinds enkele weken hebben we hier iets meer druk achter gezet, want ik kan de zorg niet meer aan. Ik en mijn familie gaan hier nu aan onder door” aldus mantelverzorgster van een dementerende vrouw van 91 jaar.

      1. Overige citaten






In de interviews zijn er een paar duidelijke wensen uitgesproken over en rondom de

Thuiszorg, materiaal en tot slot over overbruggingszorg.




Thuiszorg

De geïnterviewden hadden zeer specifieke ideeën en wensen over de thuiszorg. Hier is niet iedereen tevreden over, dit heeft voornamelijk betrekking op het initiatief (bij wie ligt dit), jonge hulpen en vakantiehulpen. Hieronder volgen enkele veelvoorkomende uitspraken;

Mevrouw 1 (73) benoemd de volgende ervaring; “Noh, dat was een hulp die kwam; ”Eh mevrouw, ik moet om 13 uur weer thuis zijn…” “Dan kon ze beter wegblijven, want ze kwam pas om 12.30 uur,, dan hoef je helemaal niet te beginnen”.

Meneer 17 (91); “En oh ja, ook met de indicatie had die vrouw een aantal dingen beloofd, bijvoorbeeld dagopvang., maar zij is er niet achteraan gegaan, je moet overal weer zelf achteraan, belofte is toch belofte…?.”.

De twee volgende uitspraken zijn afkomstig van een echtpaar, die nu 10 jaar op een woning naar wens wachten; “Ik mis ook vooral het toezicht vanuit de instantie, zij zouden ook eens voor een dergelijk interview of toezicht moeten langskomen, want het gebeurt gewoon niet goed, en als we bellen krijgen we commentaar.” Dan zeggen ze; “U hebt de beste die we hebben”.

Met het huis verkopen, zei de fotograaf nog; Goh uw vloer is niet schoon”, “Toen was de hulp net geweest! Ze is niet effectief, gaat zitten wachten op koffie…Het weigeren van opdrachten, dus ik zou graag wat richtlijnen op papier willen zien wat we wel of niet mogen vragen of laten doen, zodat de verwachtingen voor beide partijen helder zijn”.



Materiaal

De echtgenoot van mevrouw 7 (79) geeft enkele ervaringen weer; “We hebben nu een rolator voor mijn vrouw, anders kan ze niet lopen, maar dit ding is zo zwaar, die kan ik amper in mijn auto tillen. Ik heb het ook met de rug, dus dat kan haast niet. Ik zou wel graag een aluminium wagentje willen hebben. Daan kan mijn man hem tillen en ja, dan zullen we vaker weggaan, naar de stad. Nu hebben we een dure parkeerkaart, zodat we nog de stad in kunnen, maar we maken hier helaas weinig gebruik van, wegens het ongemak van dat wagentje”.



Overbruggingszorg

Veel wensen en behoeften qua overbruggingszorg hebben de ouderen niet meer, ze hebben eigenlijk alle aanpassingen al die ze zich zouden kunnen wensen. Trapliften, verhoogd toilet, alles gelijkvloers, dagopvang etc. Over dit onderwerp zijn de meningen dan ook heel positief.

Waarom moeten we toch weg, we hebben alles, met de getroffen maatregelen”, aldus

echtpaar 5.

De zoon van mevrouw 15 (100) zegt; “Wij waren er altijd voorstander van om haar, en alle ouderen, zolang mogelijk thuis te laten wonen, in hun eigen omgeving. Ik ben bang dat als je haar daar uithaalt, dat het snel is afgelopen. Ze is zo gehecht aan haar plek hier, en zou er zo tegenop zien, om nu die verandering nog te moeten ondergaan. Gelukkig hebben we toen een gesprek gehad, en konden we inderdaad aanspraak maken op meer hulp, aanpassingen, waar we het net over hadden”.
6. Conclusie
In dit hoofdstuk worden de conclusies van het onderzoek gerapporteerd. Naast de samenhang tussen de wachtlijstervaringen en kwaliteit van leven is in dit onderzoek ook gekeken naar de determinanten van wachtlijsten. Hieronder zullen de belangrijkste uitkomsten van enkele onderzoeksvragen aan de hand van de resultaten worden weergegeven.

Algemeen

Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek kan vermeld worden dat wachtlijstoverzichten van het Zorgkantoor inderdaad cijfers genereren die weinig betekenisvolle informatie weergeven over de wensen, behoeften en zorgvragen van de mensen achter die cijfers. Deze conclusie komt voort uit de weergave van de deelconclusies van de verscheidene behandelde thema’s in dit rapport. De volgende thema’s Zorgvraag, Kwaliteit van leven, Indicatiestelling, Wachtlijsten, Draagkracht en draaglast en als laatste Beeldvorming zijn achtereenvolgend beschreven.



Zorgvraag

De daadwerkelijke wensen, behoeften en zorgvragen van mensen die op een wachtlijst staan, met de indicatie Verblijf, komen niet overeen met de cijfers die het zorgkantoor nu als uitgangspunt hanteert.
Allereerst kan er geconcludeerd worden dat een aanzienlijke groep wachtenden daadwerkelijk wachten op de geïndiceerde zorg. Het op een wachtlijst staan geeft hen een gevoel van zekerheid en veiligheid. Dit wordt mede ondersteund door de volgende uitspraak; “….maar ik heb er wel duidelijk bij gezegd dat ze mij niet moesten schrappen, stel je voor dat ik het wel nodig heb”.
Een tweede conclusie is op te maken over het niet functioneren van het huidige indicatiebeleid. Er kan worden geconcludeerd dat de stappen die worden genoemd wanneer een herindicatie noodzakelijk is, niet worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld als er aanleiding is voor actualisatie van een eerder uitgebracht advies. Een voorbeeld van het niet toepassen van dit beleid is ondermeer op te maken uit het volgende citaat; “Wij staan al 10 jaar op een wachtlijst voor een grotere tweepersoonskamer….”, “De indicatie is afgegeven, ik denk zo’n acht jaar geleden. Omdat mijn vrouw destijds erg ziek was, zij is kort na de indicatieafgifte overleden…”.
Ten derde worden er tijdens de interviews ook relatief ‘hoge’ wensen met betrekking tot de keuze voor Verblijf geregistreerd. Dit blijkt uit de wensen van de geïnterviewden met betrekking tot de mogelijkheden en kenmerken van Verblijf. Een uitspraak over een dergelijke wens is; “…we wachten op een ruime tweepersoonskamer op de begane grond, zodat onze kleinkinderen nog eens kunnen blijven logeren. Dit moet dan wel in de buurt zijn van waar we nu wonen…”.
Tevens komen ten vierde zorgvragen in enkele gevallen tot stand door veranderende omgevingskenmerken. Eén van deze veranderende omgevingskenmerken die uit de interviews veel naar voren kwam is sloop van de woning. De volgende uitspraak bevestigd deze conclusie; “Ik heb 56 jaar hier op deze plek gewoond en moet nu weg, want deze huizen gaan eraf, dat was ook mede de reden van de indicatie”.

Kwaliteit van leven

De kwaliteit van leven van de geïnterviewden wordt in dit onderzoek niet tot nauwelijks negatief beïnvloed door het op een wachtlijst staan. Dit blijkt doordat slechts bij enkele geïndiceerden een échte wachtbeleving werd geregistreerd. Andersom kan ook gesteld worden dat wachtlijsten een gevoel van zekerheid en rust opleveren waardoor de score op kwaliteit van leven juist toeneemt. Hierin zou dus geconcludeerd kunnen worden dat wachtlijsten wel degelijk een functie hebben, namelijk dat er een positieve samenhang op te maken is tussen wachtlijsten en kwaliteit ven leven.
Factoren die in deze positieve samenhang een rol spelen zijn de mate (het stimuleren van) zelfredzaamheid en daarnaast de effectieve werking van overbruggingszorg. We kunnen hierdoor mede concluderen dat er door de respondenten succesvolle copingsstrategieën worden gehanteerd. Enkele voorbeelden van deze copingsstrategieën worden geïllustreerd door de volgende uitspraken; “Actief blijven dat is het beste, ik voel me nog goed en ach ik ben nog jong (87)”, “Ik heb zelf mijn huis net nog ingericht en mijn pc geïnstalleerd, als ik dat niet doe ben ik over vijf jaar analfabeet (87)”.
Een andere opvallende conclusie is de zeer hoge score op kwaliteit van leven, gemeten met een VAS-schaal waarop het gemiddelde van de zeventien ouderen een 8,1 is, terwijl de gemeten score van de aanwezige mantelzorg (vijf personen) juist opvallend laag is, namelijk met een gemiddelde score van 4,8. Er kan hieruit voorzichtig geconcludeerd worden dat de mantelzorg overbelast wordt en dat zijn/haar taak onderschat wordt.
Allereerst is het hoge cijfer van de wachtenden te verklaren door de sociale indicator omgeving die door de onderzoekspopulatie als een zeer belangrijke indicator wordt gekenmerkt. Een concreet voorbeeld hiervan is als volgt; “Ik ben via een bemiddelingsbureau aan mijn nieuwe vriendin gekomen, ik mocht uit tien vrouwen kiezen”. Vervolgens dragen de psychologische indicatoren zoals zelfredzaamheid en tevredenheid en copingsstrategieën bij aan deze hoge score. Enkele uitspraken die hieromtrent zijn gedaan zijn; “Zolang ik van de dokter nog maar die éne borrel mag hebben…”, “Als ik nog één keer mee op jacht zou mogen, dan zou ik een 10 geven”, “De boodschappen doe ik nog zelf, dan ga ik even over de markt en haal mijzelf een heerlijk gebakken visje..”. Er kan hierin geconcludeerd worden dat vooral de ‘kleine dingen’ in het leven bijdragen aan een hoge score van kwaliteit van leven en tevens bevestigen dat er succesvolle adaptatie en copingsstrategieën worden gehanteerd.
Uiteraard zijn er ook omgevingskenmerken en psychologische indicatoren die de kwaliteit van leven doen afnemen. Dit wordt geïllustreerd met de volgende uitspraken; “Alle kameraden en familie zijn weggevallen, er leeft niets meer om mij heen, helemaal niets meer. Ik heb een dood leven op dit moment”.
De Geografische context blijkt uit onderzoek van Deeg en Thomese (2005) een belangrijke rol aan te nemen als voorspeller van kwaliteit van leven bij ouderen. In de onderhavige studie zijn deze bevindingen niet aantoonbaar. Zowel respondenten woonachtig in een stad als op het platteland, ervaren de kwaliteit van leven op eenzelfde manier. Ook zijn er geen grote afwijkingen in de VAS scores gevonden met betrekking tot de geografische ligging.

Indicatiestelling

Het verloop van het proces van indicatiestelling is niet adequaat en niet effectief.
Uit de interviews blijkt ten eerste dat de respondenten weinig persoonlijke aandacht ervaren tijdens het proces van indicatiestelling en gedurende de periode dat men op de wachtlijst staat. Het proces gaat hen nu te snel en ze weten zelf vaak niet waarvoor zij tekenen. Zij zijn zelf in slechte gezondheidstoestand of worden tot indicatie aangezet door hun kinderen. Zij zouden graag meerdere malen ‘face-to-face’ contact willen hebben met een indicatiesteller. Dit wordt mede bevestigd in de volgende uitspraak; “…dit (interview) zouden ze eens vaker moeten doen, dan kun je je verhaal en je klachten eens kwijt, nu moet je overal zelf achteraan bellen”.
Naar aanleiding van de ervaringen van de geïnterviewden blijkt ten tweede dat er vaak miscommunicatie ontstaat. Voorbeelden van deze miscommunicatie zijn bijvoorbeeld verschillende opvattingen over de verwachting/doelstelling van de wachtlijst, of de snelheid waarmee men een plek naar wens verwacht indien de nood daar is. Enkele concrete uitspraken zijn; “Dat hebben ze mij toen gezegd, ik hoef maar één telefoontje te plegen en dan is er een plek voor mij”. Deze miscommunicatie komt voort uit onduidelijkheid bij de geïndiceerden qua verwachtingen rondom de indicatie met daaruit volgend een plek op een wachtlijst. Ook hierin kan geconcludeerd worden dat er in de communicatie iets mis gaat.
Een derde conclusie betreffende de huidige indicatiestelling is, dat er sprake is van achterstallig gegevensbeheer vanuit het voorgaande indicatiebeleid. Dit blijkt uit het feit dat veel gegevens niet meer blijken te kloppen. Ook is duidelijk dat er een aantal mensen een indicatie hebben gekregen terwijl dat niet had mogen gebeuren of in elk geval met het huidige indicatiebeleid niet meer zou kunnen.
Tot slot lijkt overbruggingszorg in veel gevallen toereikend te zijn om de geïndiceerden in hun zorgvraag te voorzien. Bij alle geïnterviewden was er overbruggingszorg aanwezig, uiteenlopend van mantelzorg, een rolator, een alarm, hulp van de thuiszorg, of een traplift in huis. Een kwart van diezelfde groep verblijft in een bepaald type aanleunwoning, waar gedeeltelijk toezicht is. De geïndiceerden geven aan dat dit verblijf momenteel nog zeer toereikend is voor de feitelijke zorgvraag, zodat in deze gevallen van een wens voor opname in een tehuis nog geen sprake is.

Wachtlijsten

Ten aanzien van de beleving van het daadwerkelijk ‘wachten’ zijn de wachtenden te verdelen in twee groepen, namelijk actief wachtenden (actieve bemiddeling) en passief wachtenden (geen bemiddeling). Uit dit onderzoek kan men concluderen dat slechts een heel klein aantal geïndiceerden als actief wachtende is te beschouwen.
Allereerst kan geconcludeerd worden dat een groot deel van de geïndiceerden niet van de wachtlijst afwillen. Het vervult hen op deze wijze de behoefte aan zekerheid en veiligheid. Het feit dat men denkt zekerheid te hebben over de toekomst, is namelijk een van de voornaamste uitkomsten over de definitie van de wachtlijsten. Ook blijkt dat men niet op een plek wacht, maar eigenlijk wacht tot hun situatie verslechtert! De wachtenden gaan er vanuit dat daar dan vanuit de wachtlijst op ingespeeld wordt. Zie hiervoor tevens het volgende citaat; “…ze moet op de lijst blijven staan, als ze nou toch hulpbehoevend wordt, dan moet er toch wat gebeuren”.

Ten tweede komen de cijfers met betrekking tot de wachtlijstgegevens van zorgkantoor Twente niet overeen met de daadwerkelijke (kwalitatieve) behoeftes van de geïndiceerde. Deze behoeftes worden pas inzichtelijk als er meer persoonlijk herhaaldelijk contact zou plaatsvinden.

Uit de resultaten kan ten derde geconcludeerd worden dat veel respondenten nog ‘te goed’ zijn om daadwerkelijk op een wachtlijst te staan. Dit blijkt ondermeer uit de volgende uitspraak; “.Ik was er nog niet aan toe, ik heb nu al drie keer iets afgewezen”. De huidige vorm van wachtlijsten voor geïndiceerden met indicatie Verblijf lijkt geen accurate weergave van de vraag en/of behoefte van de geïndiceerden te zijn. Er blijkt slechts een zeer klein aantal écht te wachten.
Ten vierde is de definitie van de term wachtlijst en de doelstelling van de wachtlijst niet helder. De geïndiceerden hebben moeite met het geven van een omschrijving van wachtlijsten. Tevens zijn hun verwachtingen betreffende het feit dat zij op deze wachtlijst staan niet in overeenstemming met de intentie van een wachtlijst. In dit onderzoek is een verklaring op te maken, namelijk dat er voorzichtig gesproken kan worden van ‘vermeende’ wachtlijsten. Er kan tevens geconcludeerd worden dat er hier sprake is van miscommunicatie.

Draagkracht en draaglast

Er heerst onder de geïnterviewden een hoge mate van zelfredzaamheid.
Bijna alle respondenten hebben overigens wel hulp in het huishouden en/of maken gebruik van een maaltijdservice.

Er blijkt een sterke samenhang te zijn tussen draagkracht/draaglast en kwaliteit van leven.

Bij de meeste geïndiceerden blijkt dat de mantelzorg dusdanig veel draaglast op zich neemt, dat hierdoor de draaglast bij de geïndiceerden ontzien wordt. Dit is onder andere op te maken uit de volgende citaten;” Ik heb hier in huis betere verzorging, als je daar zit moet je steeds wachten op hulp, hier zijn ze er snel bij”, “maar ik wil liever hier in huis blijven, als de kinderen tenminste niet teveel last met mij krijgen”. In het laatste geval werd de mantelzorg al zwaar overbelast. De zorg kan resulteren in een zware overbelasting; “het is nu al drie jaar geleden dat ze de indicatie heeft gekregen, er is al die tijd niets gebeurd, omdat zij zelf niet wil! Ik heb er nu iets meer druk achter gezet via de huisarts, want ik kan de zorg écht niet meer aan. Ik en mijn familie gaan hier nu aan onder door”. Tevens blijkt hieruit dat de mantelzorgondersteuning nog niet voldoende is gerealiseerd.
Een belangrijke constatering is dat de draaglast van de mantelzorg door de geïndiceerden en tevens door de overheid en maatschappij onderschat wordt.

Beeldvorming

Er treedt onder de respondenten groep eenzijdige negatieve beeldvorming op.
Uit de interviews is allereerst gebleken dat veel ouderen heel stellig zijn in hun opvattingen, die soms leiden tot misvattingen. Enkele voorbeelden hiervan zijn; “Ze hebben mij wel eens gevraagd of ze mij uit konden schrijven, maar dat heb ik niet toegestaan. Dan kom je op een lijst met 400 man en wordt je zo’n speelbal”, “Je hebt er niet eens een balkon, dan moet je luchthappen door zo’n klappie…”, ”Ik ben bang dat als ik daarheen ga dat ik wegkwijn, dan loop ik met mijn ziel onder m’n arm”, “Weet je wat ik erg zou vinden? Dat ze alles afnemen, je loon enz., je bent dan wel echt een nummer”.

Tegelijkertijd moet hierbij vermeld worden dat deze soms ook terecht zijn, bijvoorbeeld het feit dat er inderdaad veel kleine kamers zijn, waarin niet veel ventilatiemogelijkheden zijn.


Tevens heerst er in de omgeving een bepaalde beeldvorming die de geïndiceerden beïnvloed. Een mantelverzorgster die alleen de té zware zorg op zich neemt zegt het volgende; “…haar andere kinderen zijn bang, dat als ze daar heen gaat dat ze haar dan plat spuiten en dat ze dan niet meer kan praten...”, “Ik was mee toen zij zich hebben ingeschreven, toen zeiden ze dat het nog wel twee jaar kon duren voordat er plek is, toen zei ik dat ik me dan ook maar beter gelijk in kon schrijven, je weet nooit wat de toekomst brengt”. Geconcludeerd kan worden dat de beeldvorming over wachtlijsten van de geïndiceerden en de eventuele mantelzorg, omtrent het toekomstige verblijf en financiën negatief is.
Ten tweede ziet men op tegen ‘het verhuizen’. Het uiteindelijke moment van verhuizing naar het zorgtehuis wordt zolang mogelijk uitgesteld. Dit blijkt ondermeer uit de volgende uitspraak; “...ik heb mijn leven lang hier op de boerderij gewoond, ik ken haast geen andere plek, oude bomen moet je niet verpoten”.

Onderzoeksvragen

De twee onderstaande belangrijkste onderzoeksvragen worden hieronder specifieker behandeld, namelijk;




  • Welke samenhang bestaat er tussen kwaliteit van leven en de wachtbeleving ten gevolge van de feitelijke zorgvraag en zorgbehoefte?




  • Komen de al eerder onderzochte cijfers overeen met de onderzochte kwalitatieve gegevens? Met andere woorden, kunnen er conclusies worden getrokken over wachtlijstgegevens wanneer er alleen maar cijfers bekend zijn, of dient hiervoor meer achtergrond informatie (ook wel ‘het gezicht van de wachtende’ genoemd) bekend te zijn om daadwerkelijk juiste conclusies te kunnen trekken over deze wachtlijsten?

Er is in dit onderzoek geen aantoonbare negatieve samenhang gevonden tussen kwaliteit van leven en de wachtbeleving ten gevolge van de feitelijke zorgvraag en zorgbehoefte. Dit kan gesteld worden doordat bij het merendeel van de respondenten geen echte wachtbeleving werd ervaren. Er is echter wel een positieve samenhang gevonden, namelijk dat de wachtlijsten de kwaliteit van leven kunnen verhogen omdat deze een gevoel van zekerheid en rust opleveren. Er kan geconcludeerd worden dat de bewering die al in de inleiding van dit onderzoek werd gesteld juist is. Namelijk achter de cijfers, die heel gemakkelijk een eigen leven gaan leiden, gaat inderdaad een andere werkelijkheid schuil.


Als doelstelling van dit onderzoek werd gesteld, dat door de bestaande gegevens kwalitatief te onderzoeken, er getracht wordt de vraag- en/of aanbodsturing beter in beeld te krijgen. De uitvoering van de AWBZ, uitgevoerd door het zorgkantoor zal dan, voornamelijk met betrekking tot de inkoop, efficiënter tot zijn recht komen. Over deze doelstelling kan geconcludeerd worden dat om zorg adequaat te kunnen inkopen, die qua vorm en plaats aansluit bij de voorkeur, behoefte en/of noodzaak van de cliënt, er zeker aanpassingen dienen te komen in het huidige proces van indicatiestelling. Het is niet wenselijk dat de zorginkoop gebaseerd wordt op ‘kale’ cijfers. Dit zou een onjuist en vertekend beeld weergeven. De aanbevelingen voor deze aanpassingen zijn terug te vinden in hoofdstuk 8.
Samenvattend, de resultaten uit dit onderzoek lijken te worden veroorzaakt door de hoge mate van zelfredzaamheid van de geïnterviewden, de onderschatte rol van de mantelzorg maar ook in veel gevallen verbetering van de toestand waarin de respondent verkeerde tijdens de indicatie. Tevens moet ook de rol van overbruggingszorg, de uiteenlopende definitie van wachtlijsten en de indicatiestelling zelf niet onderschat worden.



  1. Discussie

In dit hoofdstuk zal kritisch ingegaan worden op enerzijds de conclusies uit dit verslag en anderzijds zullen er prikkelende vraagstellingen op deze conclusies en de overige bevindingen uit dit onderzoek uiteengezet worden. Getracht wordt een zo breed mogelijke beschouwing op de wachtlijstproblematiek te weerleggen, met daarbij tevens input van maatschappelijke opvattingen en politieke aspecten.

De opbouw van dit hoofdstuk zal wederom zijn onderverdeeld per onderzocht thema. Als laatste worden ook een aantal methodologische beperkingen van dit onderzoek beschreven.

Zorgvraag

In de huidige maatschappij is er sprake van een veranderende leefstijl en waarden-oriëntatie van ouderen. In de interviews kwam duidelijk naar voren dat ook in deze respondentengroep deze verschuiving heeft plaatsgevonden. Zij willen zelf de regie in handen houden. Dit blijkt uit het feit dat zij zelf willen bepalen wanneer zij toe zijn aan een ander verblijf. Ook zijn zij kritisch ten opzichte van woon- en zorgvoorzieningen. Enkele voorbeelden van wensen zijn: In de buurt blijven wonen, een ruimere 2-persoons kamer, eventueel een plek voor logees, voorkeur met tuin of woonruimte op de begane grond. Als deze wensen niet worden vervuld, slaan zij een aanbod af.


De feitelijke openstaande zorgvragen zijn momenteel niet inzichtelijk, vanwege het feit dat enkel cijfers als uitgangspunt gehanteerd worden. Daarnaast is er maar een betrekkelijk klein percentage met ‘dezelfde zorgvraag’ en een aanzienlijk groot percentage met ‘geen zorgvraag’ of een ‘preventieve zorgvraag’. Dat wil concreet zeggen dat het ‘acuut’ aantal wachtenden zeer beperkt is.
Dit roept de volgende vragen op ten aanzien van zorgvraag:





  • Zijn de wensen wel echt zo veeleisend of mogen we aannemen dat het zorgaanbod niet aansluit op de zorgvragen en wensen?

  • Is er sprake van aanbodgerichte zorg en wordt er nog niet voldoende vraaggerichte zorg verleend omdat het aanbod hier nog niet op afgestemd is?

  • Moeten we niet juist naar één wachtlijst die bestaat uit geïndiceerden met alleen dezelfde zorgvraag, dat wil zeggen een acute zorgvraag? Of is deze onderverdeling juist wél goed? Dient er door middel van onderscheid in wachtlijstgegevens een specificatie van de wachtlijst te worden opgesteld?




Kwaliteit van leven

Gedurende de interviews wordt het duidelijk dat als het om kwaliteit van leven gaat het bij ouderen met name om de kleine dingen gaat die hun welbevinden vergroten. Bijvoorbeeld de uitspraken over ‘het genot van die ene borrel’ of het nog een keer mee op jacht mogen.


In de conclusie kwam tevens naar voren dat het welbevinden tijdens het proces van indicatiestelling vooralsnog niet meegewogen wordt. Wordt er bijvoorbeeld voldoende gekeken naar de aanpassingsvaardigheden van de geïndiceerden? Dit blijkt een belangrijke voorspeller te zijn van het welbevinden in aanloop naar een eventuele verhuizing van ouderen naar een Verblijf.

Een andere opvallende conclusie is het feit dat de verwachte samenhang tussen kwaliteit van leven niet negatief maar juist positief blijkt te zijn. Het blijkt dat deze wachtlijst de wachtende rust, en een gevoel van zekerheid oplevert.


Dit roept de volgende vragen op ten aanzien van kwaliteit van leven:





  • In welke mate beoordeelt de indicatiesteller het aspect kwaliteit van leven van de geïndiceerde?

  • De kwaliteit van leven scoort zeer hoog. Zou dit verband kunnen hebben met één van de volgende determinanten; mantelzorg (ondersteuning), coping, geografische ligging, mentaliteit, normen en waarden, cultuurverschillen en geloofsovertuigingen?

  • Heeft het feit dat men op een wachtlijst staat daadwerkelijk een positieve invloed op diens kwaliteit van leven?






Indicatiestelling

De wachtlijsten zijn de laatste jaren min of meer synoniem geworden met problemen in de zorg. Bij het zien van wachtlijsten als groot probleem, zijn enkele kanttekeningen te plaatsen. Wachtlijsten zijn registraties van wachtenden voor niet-acute zorg. Wie acuut hulp nodig heeft, komt niet op een wachtlijst.

In de sector verpleging en verzorging voldoet voor veel van de wachtenden op intramurale zorg de overbruggingszorg goed, mede omdat een aanzienlijk deel van hen zich heeft laten indiceren uit voorzorg (Taskforce, 2002).

Uit onderzoek blijkt dat een aanzienlijk deel van degenen die op een wachtlijst staan voor een verzorgingshuis, afhaakt op het moment dat hij/zij aan de beurt is (De Boer & IJdema 2003; Van Eijk & Miedema 2001). Dit wordt tevens in onderhavig onderzoek bevestigd.


Ook is duidelijk dat er veel mensen een indicatie hebben gekregen terwijl dat niet had mogen gebeuren of in elk geval met het huidige indicatiebeleid niet meer zou kunnen. Er zijn gedurende de onderzoeksperiode al belangrijke veranderingen doorgevoerd in het indicatiebeleid, namelijk dat sinds deze beleidsaanpassing een indicatiestelling per persoon wordt afgegeven en dat het niet meer zo kan zijn, dat bijvoorbeeld na het overlijden van de partner, de achterblijver in gezonde toestand op de wachtlijst blijft staan. Dit maakt enkele onderzoeksuitkomsten van minder waarde, maar dit onderzoek maakt inzichtelijk dat we momenteel nog te maken hebben met gegevens uit het oude indicatiebeleid. Een nog belangrijkere vraag betreffende dit probleem; Wáár blijven deze mensen op de wachtlijst? Momenteel blijven zij op de wachtlijst staan en worden meegeteld in de wachtlijstgegevens.
Verder blijkt uit de conclusies dat er vraag is naar meer persoonlijke aandacht rondom de aanvraag en afgifte van indicatie. Ook Jorg pleitte al voor een goede samenwerking tussen cliënt en indicatiesteller. Dit door middel van ervaren en deskundige hulpverleners, die in staat zijn de dialoog aan te gaan en beslissingen kunnen afstemmen op de wens en de behoeften van de klant. Tijdens de interviews kwam duidelijk naar voren dat dit niet altijd het geval is geweest. Het welbevinden van de oudere lijkt niet altijd voorop te hebben gestaan. Ook zijn veel indicaties echt achterhaald, door overlijden of andere factoren. In het ergste geval was dit zelfs al 8 jaar geleden. Ook werd er verteld over een onverwacht bezoek van een indicatiesteller, waarbij de mantelzorg niet aanwezig was.
Er wordt momenteel geen duidelijk overzicht van wachtlijstgegevens gehanteerd. Zou er bijvoorbeeld niet een vragenlijst of een rapport dienen te komen die inzichtelijk maakt waarom men een indicatie heeft gekregen en op welk moment deze ook weer afloopt?

Bijvoorbeeld na herstel na operatie of na overlijden van de partner. Een stap in de juiste richting zou ook een andere vorm van wachtlijstmeting en/of weergave kunnen zijn, waarin een onderscheid van urgentie en andere oorzaken zoals preventieve aanvraag en/of andere factoren worden beschreven, zodat er ook een eerlijker beeld over de wachtlijstgegevens ontstaat.

Er lijkt is in het proces van indicatiestelling veel miscommunicatie te ontstaan. Door deze constatering is het aan te bevelen hier nader onderzoek binnen dit indicatieproces te laten plaatsvinden. Bijvoorbeeld onder indicatiestellers en/of huisartsen die ook dagelijks met deze problematiek te maken krijgen.
Uit de onderzoeksgegevens zou herindicatie een heel voor de hand liggende oplossing kunnen zijn. Herindicatie zal ervoor zorgen dat er een frisse en eerlijke start gemaakt kan worden. Echter, herindicatie zou veel onrust onder de ouderen en onkosten voor de overheid met zich mee kunnen brengen. Tevens werd er geconcludeerd dat het huidige herindicatie beleid niet wordt toegepast. Er zal dus naar andere oplossingen gekeken moeten worden, want momenteel functioneert dit beleid niet.

Uit literatuuronderzoek kwam naar voren dat er een drietal categorieën zijn op te maken waarom men zich laat inschrijven, namelijk het gevoel van zekerheid, fysieke en mentale beperkingen of een gevoel van eenzaamheid. Nu de redenen van inschrijving uit onderhavig onderzoek vrijwel overeenkomen met de resultaten uit het literatuuronderzoek is het een opvallende constatering dat er met eerder gedane aanbevelingen uit eerdere onderzoeksresultaten nog weinig gedaan is of dat er nog geen effect hiervan aan te tonen is.

Het reglement dat een indicatie voor verhuizing naar een instelling anno 2006 slechts wordt afgegeven indien dagelijkse, langdurige en intensieve zorg nodig is die niet door mantelzorgers en thuiszorg geboden kan worden, kan dus nog bediscussieerd worden.
Dit bovenstaande roept de volgende vragen op ten aanzien van indicatiestelling:





  • Is zorg op maat realiseerbaar? Of wordt maatwerk te kostbaar en kent het geen grenzen meer?

  • Geeft een onverwacht bezoek van een indicatiesteller het juiste beeld weer van de situatie? Of blijven hierdoor ook veel aspecten onbehandeld, zoals de draaglast van de mantelzorg? Of is het juist van belang voor de indicatie dat men een ‘objectief’ beeld aantreft.

  • Door het succesvol functioneren van overbruggingszorg zouden wachtlijsten moeten doen afnemen. Wat zijn de redenen dat dit niet plaatsvindt? Op welke wijze is het te voorkomen, dat geïndiceerden waarbij de zorgvraag dankzij overbruggingszorg is ingevuld, men toch op de wachtlijst blijft staan? Zal er meer toezicht van derden nodig zijn, om deze niet noodzakelijke redenen van het op een wachtlijst staan, te ondervangen?

  • Hoe zit het met de gegevens van het oude indicatiebeleid? Wáár blijven deze mensen op de wachtlijst? Tot dusver blijven zij op de wachtlijst staan en worden zij meegeteld in de wachtlijstgegevens. Hoe is dit probleem op te ondervangen?

  • Zou door herindicatie het daadwerkelijke aantal wachtenden voor Verblijf doen afnemen? Vanuit het oogpunt van de geïndiceerde is het wellicht niet wenselijk dat herindicatie plaats vindt. Voor het juist functioneren van de wachtlijst echter wél. Hoe kan er een goed compromis tot stand komen?

  • Zou er meer inzicht in de personen achter de wachtlijstgegevens kunnen komen? Is dit te realiseren door meer persoonlijke aandacht aan de geïndiceerden te geven? Zou deze aandacht en vaker face-to-face contact een beter beeld van de leefwereld en gezondheidstoestand van de ouderen opleveren?

  • Hangt het besluit van wel of geen afgifte van indicatie af van het objectiveerbare vermogen van de indicatiesteller?

  • Er lijkt is in het proces van indicatiestelling veel miscommunicatie te ontstaan. Hoe is dit te ondervangen?




Wachtlijsten

In de literatuur kan worden waargenomen dat de vergrijzing over ruim 30 jaar haar hoogtepunt bereikt en dat de bewoners van bejaardenhuizen steeds ouder worden. Er lijkt een probleem te ontstaan van meer mensen en minder beschikbare plaatsen, omdat deze plaatsen over het algemeen langer bezet worden gehouden.

Uit de resultaten blijkt dat er weinig echte wachtbeleving ervaren wordt. Deze wachtbeleving blijkt wel ervaren te worden door de mantelzorg. De rol van de mantelzorg en de mogelijke consequenties daaruit voortkomend zijn zondermeer zinvol om nader te onderzoeken.

Het vergelijkend onderzoek uitgevoerd door Van Bilsen, Hamers, Groot en Spreeuwenberg (2006) laat zien dat wachtlijsten voor Verblijf niet accuraat de vraag van residentiële opvang in beeld brengen, deze bevinding lijkt in deze studie nogmaals bevestigd te worden.

Het wordt inzichtelijk uit bovengenoemd vergelijkend onderzoek en de resultaten uit de interviews, dat niet iedereen die om een indicatie vraagt voor Verblijf, het daadwerkelijk nodig heeft. Deze discrepantie creëert een groot knelpunt in het gezondheidszorgsysteem omdat oudere mensen die wél echt residentiële opvang nodig hebben, niet de hulp krijgen die zij willen, of zouden moeten ontvangen.

De ‘wachtlijsten’ zijn over het algemeen een zorgwekkend geheel, ook in dit onderzoek mag dit voorzichtig geconcludeerd worden. De toepassing van wachtlijsten is niet eenduidig en schetst een onrealistisch beeld. Alle gedane citaten in dit onderzoek rondom indicatie en wachtlijsten maken het inzichtelijk dat er door miscommunicatie een grote onduidelijkheid ontstaat qua verwachtingen rondom de indicatie met daaruit volgend een plek op een wachtlijst. Er lijkt een mythe te bestaan van de wachtlijst; iedereen maakt zijn eigen verhaal, in zijn/haar eigen belang.


Dit roept de volgende vragen op ten aanzien van wachtlijsten:





  • Is het wel zo slecht gesteld met de wachtlijsten? Wie ondervindt er daadwerkelijk problemen met de huidige wachtlijsten? Zijn dit de geïndiceerden zelf, de mantelzorg, de zorginstellingen, de overheid of kunnen we stellen dat niemand écht een probleem heeft met de huidige wachtlijsten?

  • Opschonen van de wachtlijsten lijkt een optie of kan er meer richting de functies worden toegewerkt? Waarbij je je tegelijkertijd af gaat vragen wat de functies van wachtlijsten zijn? Zijn dat onder andere geruststelling, kwaliteit van leven, politiek, de cliënt of de mantelzorg?

  • Zal door de toenemende vergrijzing de wachtlijsten voor Verblijf nog langer worden? Is het niet juist dan van belang om het indicatiebeleid aan te passen in de vorm van herindiceren van de huidige wachtlijsten?

  • De definitie van een wachtlijst is niet helder. De grootste vraag is; Een wachtlijst waarvoor? De vertaling van de huidige wachtlijst is dat men nu wacht tot men slechter wordt. Dit in plaats van dat men daadwerkelijk wacht op een plek, waar in principe de wachtlijst voor bestemd is. Is dit de reden dat de wachtlijstproblematiek ‘ernstiger’ lijkt dan het feitelijk is?

  • Is het verwonderlijk dat men een beschikbare plek toch afwijst ondanks dat er nu eindelijk toch een plek vrij komt? Voelen zij zich nog te goed om deze stap te zetten? Of anderzijds, iedereen wil toch graag verblijven op dié plek naar voorkeur? Dit geldt ook voor deze wachtenden.




Draagkracht en draaglast

Tijdens de interviews kwam naar voren dat er onder de geïndiceerden weinig draaglast werd ervaren, maar dat dit aspect vooral bij de mantelzorg speelt.

Er moet in de conclusies rekening gehouden worden met het feit dat veel ouderen zich ‘tevreden’ gedragen naar de buitenwereld, maar zich ontevreden opstellen naar hun mantelzorg, hetgeen de draaglast van de mantelzorg nog meer doet toenemen.

De draaglast die de mantelzorg op zich neemt wordt nogal eens onderschat. Dit blijkt ondermeer uit al bekend mantelzorgonderzoek en wordt nogmaals bevestigd door onderhavig onderzoek.

Opvallend is dat tijdens de interviews er enkele problemen binnen families aan het licht kwamen omtrent onenigheid over indicatiestelling en daadwerkelijk overplaatsing. Hiervoor is niet direct een oplossing maar dit moet wel meegenomen worden in de aanbeveling voor vervolgonderzoek onder mantelzorg. Hetzelfde geldt voor het verantwoordelijkheidsgevoel dat de mantelzorg ervaart en hoe hier mee omgegaan wordt.
Draagkracht en draaglast bij de mantelzorg wordt als vanzelfsprekend gezien door de maatschappij. Dit is één van de opvallendste bevindingen uit het literatuuronderzoek. Echter, is het zo vanzelfsprekend? Als we kijken naar de uitkomsten op de VAS-score waarop de geïndiceerden gemiddeld een 8,1 scoren en de mantelzorg gemiddeld niet verder komt dan een 4,8. Dit zou kunnen voortkomen uit een te hoge draaglast.
Dit roept de volgende vragen op ten aanzien van draagkracht en draaglast:





  • Hoe managen de geïndiceerden het zónder mantelzorg?

  • De maatschappij ziet mantelzorg als vanzelfsprekend, is dit terecht? Wordt er wel voldoende rekening gehouden met onderstaande aspecten?




  • Patiëntenkenmerken (afwijkend gedrag en hulpbehoefte van de geïndiceerde)

  • Fysieke gezondheid van primaire verzorger (hoge leeftijd of slechte gezondheidstoestand)

  • Concurrerende aandachtsgebieden (baan, gezin of beide)

  • Omgevingskenmerken (financiële middelen en woonsituatie)

  • Sociale netwerken en professionele hulpverleners (ondersteuning)

  • Plicht (partners en kinderen; wederkerigheid, schuldgevoel en huwelijksplicht)

  • Geografische ligging (platteland en stad; normen en waarden)




  • Is het zo dat ondanks de (te zware) inspanning van de mantelzorg de uiteindelijke geïndiceerde wel behoed wordt voor een noodgedwongen opname? Hoe ver mag dit gaan totdat de mantelzorg ‘er aan onderdoor gaat’?

  • In hoeverre wordt de mantelzorg bij het indicatiebesluit betrokken en hebben zij een oordeel hierin? Maakt de mantelzorg het nu mogelijk of de persoon in kwestie wel of niet naar een ander verblijf gaat? Dient er niet mede op mantelzorg te worden geïndiceerd?

  • In hoeverre kan mantelzorgondersteuning hierin een bijdrage leveren?




Beeldvorming

Er treedt onder de respondenten groep eenzijdige beeldvorming op, dit in de vorm van verhalen die men ooit gehoord heeft met betrekking tot indicatiestelling. Tevens lijkt deze eenzijdige beeldvorming tot stand te komen door het bestaan van de wachtlijsten zelf. Blijkbaar geven deze wachtlijsten een bepaald signaal af waardoor een verkeerde beeldvorming ontstaat. Dit gegeven vormt een belangrijke invloed op de meningsvorming van de geïnterviewden. Bijvoorbeeld dat er in geen enkele woonvoorziening een tuintje is, of dat er allemaal ouderen zitten die niets meer kunnen. In dit geval wordt er geen gebruik gemaakt van de kennis, kunde en ervaring om over het betreffende verblijf een eerlijk oordeel te schetsen.

De bevindingen uit de literatuur met betrekking tot beeldvorming betreffende verhuizing, zijn ook in dit onderzoek naar voren gekomen. Ouderen zijn nog zeer gehecht aan hun oude woning en woonomgeving. De uiteindelijke verhuizing zou voor hen echt een stap terug betekenen. Dit vertaalt zich in het feit dat zij het zullen uitstellen totdat het thuis echt niet meer gaat. Meerdere malen werd er gezegd dat een bejaardenwoning voor écht oude mensen is en dat zij zelf hier nog niet toe behoren, terwijl de gemiddelde leeftijd 84 jaar is!
Er is geen grote zorgbehoefte waargenomen onder de respondenten, dit geeft een vertekend beeld van de huidige wachtlijstgegevens. Men gelooft niet dat wanneer zij daadwerkelijk hulp nodig hebben deze tijdig beschikbaar is als zij niét staan ingeschreven. Dit suggereert dat het een logisch gevolg is uit het feit dat er veel ‘niet-wachtenden’ ook op deze wachtlijst staan. Een bijkomstig effect is dat de geïndiceerden zich vooral niet willen laten uitschrijven, maar beschouwen het feit dat ze al ingeschreven staan als veiligheid. Door hen wordt dit ervaren als een preventief gegeven. Dit houdt in dat als de nood daar toe is, er vanuit gegaan wordt dat slechts één telefoontje met de afdeling zorgbemiddeling voldoende is voor een direct beschikbare plek naar wens.
Dit roept de volgende vragen op ten aanzien van beeldvorming:





  • Hoe is enerzijds het belang van de geïndiceerden en anderzijds het belang van de indicatiestellers in juiste harmonie te vormen?

  • Waar gaat de bovengenoemde communicatie over indicatie mis? Kan hieruit geconcludeerd worden dat de huidige informatievoorziening niet toereikend is en dat dit leidt tot een onrealistisch verwachtingspatroon?

  • Hoe is deze beeldvorming te verklaren? Mag er aangenomen worden dat het vertrouwen in de indicatiestelling en uiteindelijke bemiddeling er niet is en dat dit tot een negatieve beeldvorming betreffende wachtlijsten leidt? Kan er gesteld worden dat kritiek van ‘mede-wachtenden’ (op het nog niet beschikbaar zijn van een plek op de wachtlijst) wantrouwen voedt en dat daarom misschien veel geïndiceerden op de wachtlijst willen blijven?

  • Hoe is deze beeldvorming onder de geïndiceerden en ouderen in het algemeen, weg te nemen? Zal een eenduidiger indicatiebeleid hiertoe bij kunnen dragen? Of zal er altijd enige vorm van beeldvorming blijven bestaan?






Coping

Er wordt in de respondentengroep een veelvoud aan copingsstrategieën toegepast. Er is geconstateerd dat de ouderen zelf heel goed omgaan met hun wachtbeleving. Wel kan er worden afgevraagd of er dan niet juist met de verscheidenheid aan verschillende copingsstrategieën rekening moet worden gehouden tijdens de indicatiestelling. Dit lijkt een voorspeller te zijn voor het kunnen overbruggen van een wachtperiode.


Dit roept de volgende vragen op ten aanzien van coping:





  • Spelen de psychologische aspecten, zoals persoonlijke controle en copingmechanisme een belangrijke rol bij de indicatiestelling?

  • Hoe komt het dat veel geïndiceerden het toch ‘managen’ met het nog blijven wachten? Wat bepaald uiteindelijk dat de balans omslaat? Wat zijn hierin de succesfactoren? Wat zijn hierin de risicofactoren?

Op de volgende pagina zullen enkele bevindingen uit de interviews weergegeven worden.




Enkele onderdelen vragen wellicht om enige toelichting:

Psychische klachten kunnen zijn; angstige of depressieve gevoelens.

Bij objectieve aspecten kan genoemd worden het feit dat iemand als gevolg van gezondheid bepaalde beperkingen heeft (bijvoorbeeld geen trap meer kán lopen). Met subjectieve aspecten wordt geduid op het oordeel wat deze zelfde persoon over zijn gezondheid heeft (het oordeel over het feit dat hij/zij geen trap meer kan lopen). Met sociaal domein wordt gedoeld op mate waarin een ziekte afbreuk doet aan de mogelijkheid sociale rollen te vervullen (in het gezin, werk, vriendenkring of vrije tijd).





Succesfactoren

  • Mantelzorg

  • Overbruggingszorg

  • Hoe staat men in het leven?

  • Kwaliteit van leven / Welbevinden

  • Behoefte aan vrijheid

  • Opzien tegen verandering

  • Het moment

  • Weerstand: confrontatie

  • met ouderdom, dood, angst

  • (existentiële psychologie)

  • Mate van genieten

  • Opvoeding

  • Cultuur

  • Normen en waarden



Risicofactoren

  • Alleenstaand

  • Ziekte / beperkingen

  • Eenzaamheid

  • Sloop woning

  • Ontevredenheid

  • Vooroordelen

  • Overlijden partner/mantelzorg

  • Afleiding

  • Discrepantie mantelzorg

  • Geen mantelzorg aanwezig

  • Psychische klachten

  • Objectieve aspecten

  • Subjectieve aspecten

  • Sociaal domein




1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina