Waelkens Examenvragen H3: Hormonen 35. Wat zijn hormonen ?



Dovnload 262.12 Kb.
Datum08.10.2016
Grootte262.12 Kb.
Waelkens Examenvragen H3: Hormonen
35. Wat zijn hormonen ?
Stof afgescheiden dr endocriene klier die in bloedbaan terechtkomt

Beïnvloeden weefsels


Endocriene klier: klier z afvoergang mr met nabijheid bloedbaan
Volgens woordenboek:

Een in het lichaam gevormde chemische stof (AZ, eiwit of steroïd) die via de bloedbaan bepaalde organen tot werkzaamheid aanzet

Oorspronkelijk werd onder een hormoon uitsluitend een product ve endocriene klier verstaan
Vgl encarta:

specifieke organische stof met een regulerende werking, meestal gevormd door klieren met inwendige afscheiding


1. Geef een overzicht van de hormonen van het gastro-intestinaal stelsel.
Gastrine familie

1) GASTRINE

a. maag (mucosa maagpylorus; G-cellen en TG-cellen)

duodenum


b. secretie maagzuur en pepsine

maagmotiliteit

celproliferatie maagmucosa

c. +mechanische uitzetting

+vagale impulsen

+secretagogen

-zuurtegraad
2) CHOLECYSTOKININE = pancreozymine

a. duodenum (mucosa: I-cellen)

jejunum

b. secretie amylase en HCO3- dr pancreas



contractie galblaas

c. +verteringsproducten (peptiden, AZ en VZ)

+pos feedback
Secretine familie

3) SECRETINE

a. duodenum (slijmvlies: S-cellen)

jejunum (prox deel dunne darm)

b. secretie bicarbonaat dr pancreas

c. +doorgang zure spijsbrij (pH, peptonen, AZ, alcohol)


5) GASTRIC INHIBITORY PEPTIDE

a. duodenum (mucosa: K-cellen)

jejunum (proximaal deel dunne darm)

b. stimuleert glucose-gemedieerde insuline secretie

inhibitie secretie maagzuur

c. +intraluminale KH & lipiden


6) VASOACTIVE INTESTINAL POLYPEPTIDE

a. pancreas (neuronen dunne darm en CZS)

b. secretie bicarbonaat dr pancreas

relaxatie gladde spieren en sfincters

vasodilatatoire werking
7) ENTEROGLUCAGON

8) GLICENTINE



Neurocriene peptiden

9) NEUROTENSINE

a. ileum
10) SOMATOSTATINE

a. maag


duodenum

pancreas (D-cellen)

b. inhibitie secretie groeihormoon, insuline, glucagon, thyreotroop hormoon)

inhibitie secretie maagzuur, secretine, pepsine, VIP, GIP, motiline


11) BOMESIN LIKE IMMUNIREACTIVITY

a. duodenum

maag

b. vrijmaken gastrine en CKK


12) SUBSTANCE P

a. ganse GI tractus


Rest

13) MOTILINE

a. dunne darm

b. stimulatie gastro-intestinale motiliteit


14) PANCREATIC POLYPEPTIDE

a. pancreas

colon

hersenen, maag-darm neuronen



b. inhibitie pancreassecretie

inhibitie maagmotiliteit & maagzuursecretie

vasoconstrictie

inhibitie secretie Ach

c. +proteïnen in voeding
15) ENKEFALINE

a. maag


duodenum

galblaas


b. opiaateffecten

2. Hoe beïnvloedt insuline het glucosetransport ?

Secretie insuline:



  • drempelwaarde glycemie voor insuline-secretie

  • ook invloed andere hormonen

invloed glucosetransport:

insuline vrij bij hoge glycemie:


  • stop gebruik endogene E-reserve’s (vb glycogeen)

  • stimulering KH, lipide en AZ opname dr bepaalde weefsels => hervullen E-voorraad

dus stimulering metabolisme = snellere verwerking opgenomen glucose


snellere opname:



  • inbouw van GLUT4 (=glucose transporter) in membraan via exocytose

stimulering proteïne-synthese:



  • meer enzymen voor ombouw/afbraak glucose (vb inductie glucokinase in lever)

  • meer transporters



3. Wat verstaat men door absoluut of relatief gebrek aan insuline; prediabetes en diabetes
Absoluut of relatief gebrek aan insuline

= andere namen voor type I en type II diabetes


type I diabetes mellitus:

oorz: wsl auto-immune vernietiging B-cel

=> gn eigen productie insuline

opl: injecties insuline’s


type II diabetes mellitus:

oorz: deels genetisch

=> relatief insuline tekort


  • onvoldoende insuline secretie dr B-cellen

  • doelwitcellen resistent aan inwerking normale dosis insuline (downregulation)

symptomen komen overeen:

    • polyurine

    • polydipsie

    • polyfagie

    • vermageren

    • hyperglycemie (!!!)

    • glucosurie

    • acidose

    • ketonemie coma

    • ketonurie


prediabetes

  • niveau diabetes-aanduiding (109?) > glycemie persoon > normale waarden

  • risico: boven 45 & overgewicht

boven 45 & familie-gesch/hoge BD/veel cholesterol

  • kans op ontwikkelen diabetes type II

  • aanpassen dieet & verhoging lichaamsbeweging

= situatie waarbij na koolhydraat-rijke maaltijd de glycemie hoger stijgt en langer verhoogd blijft dan normaal

4. Bespreek hyperinsulinisme.
Hyperinsulinisme:

Teveel insuline


Symptomen:

HYPOGLYCEMIE:



  • vermoeidheid

  • verwarring beter na inname voedsel/glucose injectie

  • zweten

  • spraakmoeilijkheden

  • tachycardie

  • duizeligheid

  • stupor

Oorzaak:


Tumoren B-cellen

5. Bespreek de synthese en secretie van insuline


Synthese: (zie fig p21)

Pre-pro-insuline



Afsplitsing signaalpeptide (ER): pro-insuline

Vorming S-S bruggen



Verwijdering connecting peptide (Golgi) : insuline

Opslag in B-granulen: hexameer (associatie 3dimeren & Zn2+ ionen)


Vrijstelling nr EC ruimte dr exocytose
Bepalen secretie:

  • Glucose

    • Glycemie boven drempel: secretie

Glucose sensor: Ca2+ flux dr PM

Intern Ca vrij

Exocytose

Passieve glucose diffusie (GLUT2)

Katabolisme glc

Langdurige fase

Regeling exocytose:

Stijging glycemie  stijging [glc] in levercel  stijging in ATP productie

 ATP remt K+ kanaal (SUR)  depolarisatie

 openen V afh Ca2+ kanaal  exocytose




  • Hormonen

Positief effect op secretie

    • Secretine

    • Pracreozymine

    • Glucagon

      • Pancreozymine

      • Gastrine

      • GIP

Negatief effect op secretie



    • Adrenaline

=> regeling [cAMP]


  • farmacologische derivaten

sulfonylurea derivaten

bepaalde AZ

vrije VZ
sommige: verhogen secretie zonder verhogen synthese

6. Bespreek de metabole effecten en werkings-mechanisme van insuline.
Effect toediening insuline:


  • reductie glycemie, glucosurie, polyurie

  • verhoogd gebruik glucose dr perifere weefsels

  • verhoogde omzetting van glucose tot lipiden

  • verdwijnen ketose

  • verhoogde proteïnesynthese

  • positieve stikstofbalans

  • glycogeenopstapeling in lever en spieren

  • vermindering gehalte Pi, K+, AZ, vrije VZ en ketonlichamen in plasma

insuline:

binding op receptor (tyrosine kinase) => signaal transductiecascade

stimulering PKB: inducering bepaalde genen

+ fosforylering bepaalde proteïnen
Is hier nog een werking via cAMP?

CAMP daalt  daling PKA werking: inactivering & activering bep prot



Glycogeensynthase: defosfo = actief glycogeenfosforylase: defosfo = inactief

A. Uitwisseling van glc thv de PM


  • mobilisatie GLUT4

  • lever: inductie glucokinase



B. Effect op KH metabolisme


  • glucose wordt gemetaboliseerd ter vorming van E en glycogeen

  • daling gluconeogenese: dr inhibitie transcriptie van verantwoordelijke genen

  • stijging glycogeen synthese: dr stimulatie transcriptie & translatie van bep genen

+ dr activering bep enzymen (defosforylatie)

  • rem glycogenolyse

C. Effect op vetmetabolisme


  • opbouw van koolhydraten tot triglyceriden

  • pentosecyclus (NADP+ nood)

  • glycerolfosfaat dr glucosemetabolisme => voor vorming TG uit 3VZ en glycerolP

  • daling glycerolemie dr daling VLDL en LDL



D. Effect op proteïnemetabolisme


  • gestegen opname AZ, Na+, K+, anorg P

  • snel: stimulering ribosomale translatie

traag: stimulering mRNA synthese

  • gedaalde proteolyse

    • meer proteïne opbouw, minder afbraak + voldoende E => gn verbranding AZ, gn overschot AZ => pos N-balans

E. Effect op celproliferatie


Stimulering celvermenigvuldiging:

  • potentiatie groeifactoren

stimulering signaaltransductie cascade geïnitieerd dr receptor tyrosine kinase

7. Bespreek glucagon, zijn rol postprandiaal (na het eten) en in geval van energienood.


  • aanmaak dr A-cellen pancreas-A-cellen maagfundus

  • elektron-dense granulen -> nr celopp -> exocytose




  • polypeptide 29AZ

  • pre-proglucagon -> proglucagon -> glucagon




  • werking: glucagon -> GPCR -> lever A.C. cAMP -> activering bepaalde processen

    • incretine effect: verhogen insuline secretie

    • mobilisatie metaboliseerbare substraten

      • glycogenolyse

      • lipolyse

      • ketogenese

      • gluconeogenese

  • secretie:

    • stimulering:

      • bep AZ

      • catecholamine: beta-R

      • bep hormonen

    • inhibering:

      • hyperglycemie

      • hoge c ketonen

      • hoge c FFA

      • insuline

      • bep hormonen




  • rol postpandriaal

    • verhoging insuline-secretie

      • pancreozymine & AZ => stimuleren secretie glucagon -> stimulans secretie insuline

      • insuline zorgt voor betere glc opname in cel

    • E-voorziening zonder afbraak proteïnen

  • rol bij hoge E-nood

    • verhoging lipolyse

    • stimulering ketogenese

    • glycogenolyse

    • daling activiteit glycogeensynthase

    • daling activiteit pyruvaat-kinase = daling glycolyse lever

    • daling fructose2,6 P2 = daling activiteit fosfofructokinase1 activiteit tvv fructosebifosfosfatase activiteit lever

    • verhogen secretie insuline voor betere glc-opname



8. Bespreek de structuurvereisten van de schildklier-hormonen.
T4 = 3,5,3’,5’-tetrajodothyronine

T3 = 3,5,3’-trijodothyronine


Noodzakelijk voor activiteit:

  • zijketen met carboxylgroep

  • 2 aromatische ringen verbonden dr ether of thio-ethergroep

  • fenolhydroxylgroep in para-positie op 2de ring

  • jodiumatomen in positie 3&5

    • vervanging dr ander halogeen of methyl mogelijk

    • -> fixatie houding 2de aromatische ring in vlak loodrecht op vlak eerste ring

    • etherbrug: hoek 120°

  • sterische verhouding belangrijker dan substituties

    • T3 actiever dan T4 (5’-substitutie geeft daling act)



9. Bespreek de synthese en secretie van de schildklierhormonen. Hoe wordt de secretie gecontroleerd ?
Synthese schildklierhormoon:

A) opname jodium


Grootste deel:

Dr jodide trap = ATP gebruikend transportmechanisme

+ Influx K+ & efflux Na+
Klein deel:

Dr diffusie


=> IC I- ->oxidatie tot jodine  inbouw in MIT(monojodotyrosine) of DIT(dijodotyrosinee)

  • verlaten cel nr colloid




    • thyreotroop hormoon (TSH) stimuleert opname I- dr cel

    • inhibitie: cardiotonische glucosiden

      • perchloraat ClO4-

      • perrhenaat ReO4-

      • pertechnenaat TCO4-

      • thiocianaat SCN-



B) Synthese


O2 & NADPH -> H2O2 (microsomaal reductase)
I- oxidatie tot actieve vorm (thyroperoxidase & H2O2)
Hechting actief jodide aan tyrosine => MIT of DIT (MIT -> DIT)
Secretie DIT nr follikellumen
Oxidatieve koppeling aan thyroglobuline (thyroperoxidase)

Zie tekening not’s

Endocytose in follikelcel (+ dr TSH)
Proteolyse in lysosoom
Exocytose: diffusie T3 & T4 in bloed = secretie
Regeling secretie:


    • inhibite dr lithiumzouten

    • TRH (thyrotropin releasing hormone)– afscheiding dr hypothalamus : stimuleert vrijstelling TSH (thyroid stimulating hormone) dr hypofyse

=> feedback controle hypothalamus: (-)T4, (+) verlaging T

=> feedback controle hypofyse: (-)T3, (-)T4, TRH, (-)SS

TSH werkt in op schildklier

10. Bespreek het transport van T3 en T4 in het plasma en hun katabolisme (afbraakstofwisseling).
Transport:

Kleine vrije fractie (meer vrij T3 dan T4)




  • binding aan plasmaproteïnen:

    • voorkomen verlies via urine: buffermechanisme

    • TBG = thyroxin-binding globulin

      • Glycoproteïne

      • Hoge bindingsaffiniteit

      • Tss alfa1 en alfa2 globulinen in elektroforese

      • 1:1

    • TBPA = thyroxin-binding prealbumin

      • Hogere concentratie dan TBG

      • Juist voor albumine fractie in elektroforese

      • Lagere affiniteit; mr dr verschil conc => grotere capaciteit

      • Bindt ook MIT & DIT

    • albumine

  • T3 lagere affiniteit plasmaprot dan T4 => dus meer vrij -> hogere activiteit

-> sneller verwijderd


Katabolisme:

Omzetting van T4 tot T3 => dejodinisatie



  • activiteits stijging




        • deaminatie T4 => sterker effect op metamorfose, mindere activiteit

        • T4 -> reverse trijodothyronine

        • T4: Deaminatie tot TETRAC (3,5,3’,5’-tetra-jodo-thyro-azijnzuur)

        • Decarboxylatie

        • Difenyl-ethylether-brug verbreking

        • T3: deaminatie tot TRIAC (3,5,3’-trijodothyro-azijnzuur)

        • T3: verdere dejodinatie

        • T3: conjugatie met glucuronzuur of zwavelzuur thv fenolgroep

  • conjugaten verwijdering via gal

=> mogelijk resorptie: enterohepatische cyclus

  • turn-over snelheid afh lokatie:

    • lever, nieren, achterkwab hypofyse SNEL

    • spieren, ingewanden NT ZO SNEL

    • hersenen, milt TRAAG


Vraag11: Bespreek de werking en het werkingsmechanisme van de schildklierhormonen
Werking schildklierhormoon:

A: basaal metabolisme en warmteproductie

  • verhoging basaal metabolisme

  • verhoging O2 verbruik dr verhoogde activiteit Na/K pomp


B: metamorfose en ontwikkeling

  • groei & ontwikkeling meeste weefsels

  • diffrentiatie en maturatie groeikraakbeenschijven

  • tekort: misvorming CZS


C: Centraal zenuwstelsel: goede regulatie

Hyper => verhoogde prikkelbaarheid



  • onrust

  • emotionele instabiliteit

Hypo => vertraagde verstandelijke activiteit

  • geheugenverlies

  • slaperigheid


D: cardiovasculair stelsel

  • chronotroop effect

  • inotroop effect

E: proteïnenmetabolisme

Controle synthese enzymen en proteïnen:



  • mRNA synthese

  • DNA-afh RNA polymerase activiteit

Verhoging prot katabolisme: creatinurie & verhoging AZ plasmaspiegel
F: KH metabolisme

  • verhoogde opname glucose en galactose uit darm

  • verhoogd perifeer verbruik glucose: glycogenolyse, gluconeogenese


G: Vetmetabolisme

  • lipolyse

  • verhoging oxidatie vrije VZ

  • daling chol: + galzouten

  • stijging LDL receptoren op lever


H: Water- en ionenmetabolisme

  • diurese

  • hoog ionenverlies


I: en nog wat:

Teveel:


Pafferig gezicht dr stapeling complexen

Geelachtig dr stapeling caroteen


Werkingsmechanisme:

  • via verhoogde proteïnesynthese

  • vergroting mito’s

  • ‘permissief’ effect: werking andere hormonen tot uiting

TR receptor in kern

=> bindt aan cis-thyroxine response element DNA (TRE)

12. Bespreek de structuur van de essentiële steroïd-hormonen. Waarom hebben de mineralocorticoïden praktisch geen glucocorticoïd werking ?
Wat is essentieel voor steroïd hormoon:


  • hydrofoob!!!: moet dr PM kunnen om in de cel hun receptor te vinden

  • ontstaan uit cholesterol

Ring A:

    • dubbele binding tss C4 & C5

    • ketogroep op C3

    • (dubbele tss C1 en C2: + KH metabolisme over mineralenhuishouding)

RingB:

    • substitutie C9alfa dr F verhoogt alle biol corticosteroïd activiteiten

RingC:

    • (O-houdende groep op C11 voor invloed op KH metabolisme)

RingD:

    • (methylatie/hydroxylatie C16: - effect op mineralenhuishouding)

    • (21-hydroxyl-groep meer nodig voor mineralocorticoid effect)

Structuur cortisol en aldosteron!!!!








Koolhydratenmetabolisme

Mineralenmetabolisme

RING A







dubbele binding C4 C5

noodzakelijk

noodzakelijk

ketogroep C3

noodzakelijk

noodzakelijk

dubbele binding C1 C2

(+)

(/)










RING B







substitutie C9alfa met F

(+)

(+)










RING C







O-houdende groep op C11

noodzakelijk

nt noodzakelijk










RING D







methylatie C16

(/)

(-)

hydroxylatie C16

(/)

(-)

21-hydroxyl-groep

minder vereist

meer vereist

13. Waarin bestaat het fundamenteel syntheseschema van de steroïdhormonen ?
1. Aanmaak cholesterolester (synthese uit acetylCoA)

Aanvoer cholesterolester (plasma LDL)


2. vrijstellen cholesterol(C27) dr esterase werking
3. opname in mito:

omzetting cholesterol C27  pregnenolon C21

side-chain cleavage enzyme werking (desmolase?)

4. ER: ombouw tot specifiek steroidhormoon



  • mineralocorticoid

  • glucocorticoid

  • geslachtshormonen

hoe?: inwerking specifieke combi prot

    • 11-beta-hydroxylase

    • (11-hydroxysteroid dehydrogenase ????)

    • 17-alfa-hydroxylase

    • 17, 20-desmolase

    • 3-beta-hydroxylase

    • 21-alfa-hydroxylase


14. Hoe wordt de synthese en de secretie van de glucocorticoïden geregeld ?
Hypothalamus:

Productie CRF: corticoid releasing factor

Invloed:


  • neg feedback cortisol

  • stress:

    • pijn

    • schrik

    • emotie

    • anesthesie

    • moeheid

Hypofyse:

Productie ACTH: adenocorticotroop hormoon

Invloed:


  • + CRF

  • - cortisol

  • + stress

  • + vasopressine

Werking:

  • trofisch effect op cortex ZR & ZF

  • vasodilatatie bijnier

  • regeling secretie

    • cAMP => verhoogde hormoonproductie



15. Bespreek het katabolisme van de glucocorticoïden
Katabolisme:

= detoxificatie reacties




  1. eliminatie C4=C5

  2. reductie 3-keto -> 3-OH

  3. conjugatie: - glucuronzuur

- sulfaat thv elke vrije OH-groep
Cortisol & cortison:

  • oxidatie 11-OH & 21-OH

  • reductie 20-keto

  • oxidatie 17-OH => verlies 2C’s



16. Bespreek de werking van de glucocorticoïden.
Effecten op het intermediair metabolisme:

  • verhoogde glucoseproductie

  • permissief effect (glucagon, catecholaminen)

  • stimulatie glycogeensynthese (???)

  • stimulatie lipolyse extremiteiten en lipogenese thv aangezicht en romp

  • verminderde glc opname in vet, spier en lymfeweefsel

  • controle van RNA en eiwitmetabolisme

Effecten op mechanismen gastheer:



  • onderdrukken immuunreactie

  • anti-inflammatoir effect (reductie aantal mestcellen, ...)

Andere:


  • controle BD en HD

  • weerstand tegen stress

  • controle water- en elektrolietenbalans



17. Bespreek de werking van de mineralocorticoïden.
Werking mineralicorticoïden:

Onderscheid met glucocorticoïden is nt absoluut!!!


Vb: aldosterone
* verhogen [Na+] => verhogen Na+ opname dr nier

* verlagen [K+] => excretie

* verlagen [H+] => excretie (aanzuren urine)


  • verhoging bloeddruk




    • RNA & proteïne synthese

    • Verhogen resorptie Na+, Cl-, HCO3- in distale tubulus

    • Meer K+ & H+ wissel tegen Na+

    • NH4+ verlies verhoogt => aanzuren urine

      • Verhogen osmolariteit plasma

    • Epithetliale weefsels: ionenuitwisseling

functie:


herstel bloeddoorstroming nier

18. Hoe wordt de synthese en de secretie van de mineralocorticoïden geregeld ?
Regeling aanmaak:

De algemene werking vd cortex w geregeld dr ACTH, dus heeft deze ook een invloed op mineralocorticoid synthese


Voor productie mineralocorticoïden is het desmolase/ 20-22 lyase een cruciaal enzyme

  • activatie dr fosforylatie is vereist

Angiotensinogeen (leverproduct)

Omgezet dr renine tot angiotensine I

Omgezet dr ACE tot angiotensine II

Werking angiotensine II:


  • vasoconstrictie thv niersysteem

  • stop vrijstelling renine

  • synthese vasopressine in paraventriculaire kernen

  • verhogen Na+ resorptie thv distale tubulus

  • receptor thv zona glomerulasa: signaaltransductieketen (Ca2+ & fosfolipiden): fosforylatie enzyme

verhoging productie pregnolon
aanmaak aldosterone is op vraag; gn reserve

=> vermits het hier gaat om steroidhormonen gebeurt de secretie passief dr diffusie???



19. Bespreek het transport en katabolisme van de steroïdhormonen.
Transport:

Glucocorticoïden:

Binding aan transportereiwit;



  • CBG = corticosteroid binding globuline = transcortine 90%

  • Albumine 10%

Aanmaak transporteiwit dr lever:

Verhoogd bij zwangerschap & veel oestrogeen


Mineralocorticoïden:

Binding aan transportereiwit; (minder sterke binding)



  • albumine

  • beperkt aan CBG


Androgenen / oestrogenen:

Binding aan transportereiwit;



  • TEBP = testosterone/estrogeen binding proteïn

  • Albumine

Binding aan transporteiwit vertraagt afbraak


Katabolisme:

= detoxificatie reacties




  1. eliminatie C4=C5

  2. reductie 3-keto -> 3-OH

  3. conjugatie: - glucuronzuur

- sulfaat thv elke vrije OH-groep
Cortisol & cortison:

  • oxidatie 11-OH & 21-OH

  • reductie 20-keto

  • oxidatie 17-OH => verlies 2C’s


Aldosteron: (15 à 25min)

  • reductie in A-ring -> conjugatie aan glucuronzuur

  • glucuronzuurconjugatie zonder reductie

    • zeer snel


Androgenen:

17-ketoderivaten


gebeurt dr lever

20. Geef een kort overzicht van de bijnierschors-pathologie
Teveel bijnierhormoon:

Syndroom van Cushing


Teveel aan glucocorticoïden

Oorz: - overmatige secretie:



  • adenoma/carcinoma

  • overmaat ACTH (secundair)

- teveel cortisolbehandeling

Syndroom van Conn


= primair hyperaldosteronisme
Syn v C: bij adenoma glomerulosa cellen
Secundair hyperaldosteronisme:

Extrarenale factoren => hyperplasie & hyperfunctie juxtaglomerulaire cellen


Gn overmaat glucocorticoïden


Adrenogenitaal syndroom


Oorz: - feminizerende tumoren

  • defect in steroidproducerende enzymen

    • 21-hydroxylase deficiëntie

    • 11beta-hydroxylase deficiëntie

      • tekort cortisol

        • hyperplasie bijnier

        • veel ACTH


Teweinig bijnierhormoon:

Acute bijnierinsufficiëntie


Oorz: - bloeding

- stollingsprobleem

- zware infectie = syndroom van Waterhouse en Fridericksen




Ziekte van Addison


= primaire bijnierinsufficiëntie

oorz: - immunologisch



  • tbc

  • tumor

  • amyloïdose (afzetting wasachtige, fibrillaire eiwitsubstantie in verschillende organen)



21. Bespreek de synthese en secretie van de bijnier-merghormonen.
Synthese catecholamine’s:

Tyrosine --> DOPA  dopamine  noradrenaline  adrenaline


Fenylalanine  tyrosine (lever)
Opname tyrosine in bijniermergcellen dr actief transport

A. tyrosine hydroxylase


Tyrosine  dihydroxyfenylalanine DOPA

  • in partikelfractie of in cytosol

  • v-bepalende reactie

  • oxidoreductie met tetrahydropteridine als co-factor (THD reductase vereist)

  • regeling via feed-back inhibitie



B. DOPA decarboxylase


DOPA  dopamine

  • cytoplasma

  • inhibitie dr alfa-methyldopa

  • weinig specifiek: aromatisch-L-aminozuur decarboxylase



C. Dopamine beta-hydroxylase DBH


Dopamine  noradrenaline

  • granulen



D. Fenyl-ethanolamine-N-methyltransferase PNMT


Noradrenaline  adrenaline

  • cytoplasma

  • donor SAM

  • inductie dr glucocorticoiden

nt-specifiek fenylalkylamine-N-methyltransferase:

dopamine  epine



  • verdere reacties in cytoplasma

  • halvering transport wegen: sparing E

chromaffiene granulen:



  • oorsprong Golgi-net

  • hoge c catecholamine & ATP 4:1

  • chromograninen


Secretie:

Secretie onder de vorm van granulen => exocytose


Inductie:

  • Ca2+

  • Cholinerge & beta-adrenerge agonisten

+:


  • fysische inspanning

  • angina pectoris

  • hartinfarct

  • bloedverlies

  • anesthesie

  • ...

  • alles van stress dus

Adrenaline-spec:



    • pijnlijke prikkels

    • lage glycemie

    • bep hypothalamusgebieden

Noradrenaline-spec:



    • reflectoire vasoconstrictie

    • bep hypothalamusgebieden


22. Bespreek het katabolisme van de bijnier-merghormonen.
Fase1 detox reacties:

  1. methylatie dr COMT (catechol-O-methyltransferase)

adrenaline  metanefrine

noradrenaline  normetanefrine



  1. oxidatie dr mono-amino-oxidase MAO

 3,4-dihydroxymandelzuur  (methylatie) 3-methoxy-4-hydroxymandelzuur

oxidatie metanefrine/normetanefrine  3-methoxy-4-hydroxymandelzuur

verwijdering dr urine
Fase2 detox reacties:


  1. glucuronzuur

  2. sulfaat

  3. acetylatie

conjugatie in lever

op 4-OH


23. Bespreek de structuurvereisten van de bijnier-merghormonen
Basisstruct: benzeenring & ethanolamine zijketen
Max activiteit:

  • 2C’s scheiden benzeenring & aminogroep

  • hydroxy-substitutie in 3&4 van benzeenring

-> alkylgroep op N



    • + beta-activiteit

    • = methyl: opt voor alfa-act

OH-groepen catecholring:



    • afwezigheid: verlaagt algemene activiteit

    • 3-OH/5-OH catecholring: + beta2

    • para OH: + vrij maken VZ

p76 cs



24. Geef een korte bespreking van de werking van de bijniermerghormonen
Catecholamine:

  • Neurotransmitter voor adrenergische zenumen

  • Metabolisme

aanmaak:


+ thv tyrosine hydroxylase (PKA) v bepalend

+ thv dopamine beta-hydroxylase dr inductie

+ thv fenylethanolamine-N-methyltransferase dr inductie


  • neuronale factoren

  • endocriene factoren



A. bloedsomloop


  • CO verhoogt

  • Verhoging f

  • Daling perifere weerstand => betere doorbloeding spier

  • Slijmvliezen & huid: constrictie (voorkomen sterke bloeding bij wonde)

  • Hersenen: passieve dilatatie dr stijging BD

  • Vasodilatatie hart (metaboliet & AN)

Adrenaline: vasodilatatie in spieren & hart

Hoge doses: vasoconstrictie huid, slijmvliezen & gebied N. Splanchnicus

Vasodilatie spieren, lever & hart

Noradrenaline: vasoconstrictie spieren, huid & ingewanden



B. ademhalingsstelsel


  • relaxatie bronchusspieren

  • ontzwelling mucosa (vasoconstrictie) & vermindering secreties: dieper & intenser ademen



C. andere gladde spieren


Adrenaline: cfr OSZ

Relaxatie:



  • maag

  • darmen

  • bronchiën

  • blaas

Constrictie:

  • sfincter blaas

  • ileocaecale sfincter

  • pylorus




  • pupildilatatie

  • contractie pilomotoren



D. skeletspieren


Adrenaline:

- Verlengen samentrekking tetanisch geprikkelde spier

- Vermoeide spier terug sterkere contracties activering fosforylase

E. metabolisme


KH:

  • glycogenolyse: stijging glycemie  glucosurie

  • NA: prikkeling N splanchnicus (lever): + glucose-6-fosfatase: gluconeogenese

  • Spier: glucose  melkzuur  (lever) glucose = Cori-cyclus

  • Verhoogde omzetting van fructose 1,6-diP in fructose 6-P: gluconeogenese


Lipiden:

  • lipolyse

  • stijging conc vrije VZ in plasma


Proteïnen:

Adrenaline: Inhibitie synthese


Totaal metabolisme & O2verbruik:

Vlugge stijging metabolisme onafh lever (afbraak TG)

Trage stijging afh lever (oxidatie melkzuur)
Andere werkingen:

Adrenaline:

Secretie: - ACTH



    • TSH

    • Gonadotrope hormonen

Versterken speekselsecretie – traansecretie – zweetafscheiding

Milt trekt samen: vergroten hematocriet

Verkorten stollingstijd

25. Geef een kort overzicht van de bijniermergpathologie
Hyperfunctie: teveel

Feo chromocytoom

= kwaadaardige tupor chromafiene cellen


  • zeldzaam

  • in bijniermerg/ander catecholamine-secreterend weefsel

  • extreme productie NA & AN

  • symptomen:

    • hypertensie

    • overvloedig zweten

    • constipatie

    • gewichtverlies

    • hyperglycemie

    • glucosurie

    • tremor

    • ...

  • tss 40&50j




Hypofct: teweinig

=> klinisch onbekend



26. Wat is POMC (pomc)?
POMC = pro-opio-melano-cortine

= ‘big’ ACTH


Binnen de hormonen van de (pars distalis) adenohypofyse (en pars intermedia) bestaat er een hele groep peptiden afgeleid van POMC:

  • Adrenocorticotroop hormoon ACTH

  • Melanocyt stimulerend hormoon MSH

  • Lipotrofinen

  • Endorfinen = ENDOgene mORFINEN

  • Enkefalinen (nt geacetyleerd in hersenen => daar wel actief)

POMC:


  1. ACTH

    1. Alfa-MSH

    2. CLIP = Corticotrope Like Intermediate lobe Polypeptide

  2. beta-LPH = beta-lipotrofine

    1. gamma-LPH = gamma-lipotrofine

      1. beta-MSH = beta-melanocyt stimulerend hormoon

    2. beta-endorfine

      1. gamma-endorfine

      2. alfa-endorfine

+ N-term: gamma-MSH
precursor-POMC (285AZ) -> POMC (134AZ)

proteolyse : signaalpeptide weg


POMC productie en lokalisatie in meerdere weefsels -> hersenen

Aanmaak bep hormoon afh aanw bep proteasen

Algemene stock POMC

=> snelle vrijstelling -> crisissituatie hormonen



27. Bespreek de hormonen van de adenohypofyse en de regeling van hun secretie
Peptiden afgeleid van pro-opiomelanocortine:

  1. Adrenocorticotroop hormoon ACTH

Regeling secretie:

+ CRH = corticotropin-releasing hormoon

- cortisol


  • mog voorloper alfa-MSH en CLIP

  • stimulatie werking cortex bijnier (ZR & ZF)

  • regeling secretie glucocorticoiden

  • trofisch effect op cortex

  • vasodilatatie bijnier




  1. Melanocyt stimulerend hormoon MSH

= intermedine = melanotropine

Regeling secretie:

+ MRH = MSH releasing hormoon


  • MRIH = MSH release inhibiting hormoon




  • gemeenschappelijke structurele kenm met ACTH

    • overproductie ACTH: fct MSH

  • kleurverandering kikker




  1. Lipotrofinen

Regeling secretie:


  • mobilisatie vet uit VC

  • FFA conc in plasma verhogen

  • Vet afzetten in lever

  • Eventueel ketose

  • Fys : precursoren




  1. Endorfinen en enkefalinen

Regeling secretie:


    • Neurotransmitters

    • Pijngewaarwording



Glycoproteïne hormonen


Gemeenschappelijke alfa-keten

Specificiteitsbepalende beta-keten




  1. Thyreotroop hormoon TSH

Regeling secretie:

+ TRH = Thyrotropin releasing hormoon



  • SS

  • T3 & T4




    • Basofiele cellen

    • Stimulatie schildklier

    • Via G-prot: AC & PLC




  1. Follikelstimulerend hormoon FSH

Regeling secretie:

+ GnRH



    • Basofiele cellen




  1. Luteïnizerend hormoon

Regeling secretie:

+ GnRH



    • Bij man = interstitiële cellen stimulerend hormoon ICSH



Somatomammotrofinen


Lineaire polypeptiden

Interne disulfidebruggen



  1. Prolactine PRL

Regeling secretie:

+ PLRH = prolactine releasing hormoon



  • PLRIH = prolactine release inhibiting hormoon

Vrouwelijke hormonen


    • lactotrofe cellen: acidofiele cellen

    • receptor: 1TM proteïne verder cascade cfr GH

    • initiatie & onderhoud lactatie




  1. Groeihormoon GH

= somatotroop hormoon

Regeling secretie:

+ GHRH = somatocrinine


  • SS = somatostatine




    • acidofiele cellen

    • pulsatiele afscheiding

    • vrijstelling vrije VZ

    • teveel: gigantisme/acromegalie teweinig: dwerggroei

    • receptor PTK (Jak2)

    • biologische effecten:

      • productie IGF1 & 2

      • proteïnemetabolisme

      • metabolisme KH

      • metabolisme lipiden


28. Bespreek de hormonen van de neurohypofyse en de regeling van hun secretie.

Aanmaak thv hypothalamus (supra-optische & paraventriculaire kernen)


Secretoire granulen: axoplasmatische flow

Secretie dr neurohypofyse


Ontstaan beide uit veel grotere precursor

Structuur tamelijk gelijklopend



  • Nonapeptide (7AZ =)

  • 1disulfide brug

Verschil in staartje

binden nt aan plasma-prot: T1/2 klein

metabolisme vnl dr lever
Secretie: afzonderlijk

Proces van exocytose: depolarisatie : Ca2+ inflow : exocytose



VASOPRESSINE = ADH = anti-diuretisch hormoon


Geassocieerd met neurofysine II
Pre-pro-pressofysine:

  • signaalpeptide

  • vasopressine

  • neurofysine II

  • glycoproteïne

V1-receptor: extrarenaal

G-prot: PLC: PIP2: DAG & IP3: Ca2+: PKC


  • BD verhoging dr constrictie

  • Verhoogde glycogenolyse

  • Spieren dunne darm

V2-receptor: PM epitheel nier

G-prot: AC: cAMP & fosfodiësterase inh: verhogen permeabiliteit



  • rem diurese

  • meer vocht resorptie

  • urine concentratie

Regeling secretie:



  • osmoreceptoren (supra opt kernen): meten elektrolytenc

  • cardiale baroreceptoren: drukmeting

  • stretch-receptoren: V-meting (grote art & venen)

  • hypothalamus

  • angiotensine II



OXYTOCINE


Geassocieerd met neurofysine I
Pre-pro-oxyfysine:

  • signaalpeptide

  • oxytocine

  • neurofysine I

Baarmoeder receptor: G-prot: beïnvloeden andere receptoren




  • samentrekken myo-epitheliale cellen rond melkkliertjes

  • contractie gladde spiercellen uterus: inductie bevalling

Regeling secretie:



  • prikkeling tepels: neuronale impulsen

  • dilatatie vagina & uterus

  • estrogenen: + productie

  • progesterone: - productie

  • psychologisch: hypothalamus



29. Bespreek de werking van het GH.
Groeihormoon receptor:

 cytokine-hematopoïne receptor superfamilie



  • transmembraan receptor proteïne

  • ligand binding  dimeer vorming

  • activatie proteïne tyrosine kinase (Jak2)

  • verdere signaaltransductie


Biologische effecten:

Productie IGF-1 & IGF-2


Anabole effecten stimulatie celgroei: indirect via IGF’s = somatomedinen

Harmonieuze groei (overal buiten hersenen & oogbal)



Proteïne metabolisme


+ synthese DNA, mRNA, tRNA

+ activiteit ribosomen

+ v transport AZ doorheen membraan


  • retentie stikstof (insuline) : afname omzetting tot ureum

  • andere weefselbestanddelen weerhouden: Na+, Cl-, K+, fosfaat, Ca2+



Metabolisme vd KH


Zwakke diabetogene activiteit
Hyperglycemie dr daling perifeer glucose gebruik (dr verhoogde lipolyse)

+ gluconeogenese  mog opstapeling glycogeen in lever


Metabolisme Lipiden
* mobilisatie vrije VZ uit verweefsel

* ketogenese



  • daling RQ

  • vermindering vetreserve

  • stijging prot gehalte

blokkering lipolytische werking dr glucose


    • onrechtstreekse stimulans secretie insuline

    • rechtstreekse stimulatie productie glucagon

 E shift van glucose nr lipiden

30. Wat is het dag-nacht ritme van groeihormoon ? Waarom is somatotroop hormoon in feite een betere benaming voor GH ?


  • secretie onder de vorm van pulsen

  • c verandert snel & fel tgv metabole prikkels

  • dag-&-nacht rimte:

piek conc 3à4 uur na begin diepe slaap

gn inhibitie dr glucose op dat moment

wsl opgelegd dr CZS

doel: recuperatie organisme



  • stimulering secretie: somatocrinine (hypothalamus)

  • inhibitie secretie: somatostatine (hypothalamus)

Somatotroop hormoon?

= Groei beïnvloedend hormoon
het GH heeft heel wat fct’s buiten ‘doen groeien’:


  • spec groeifct wordt uitgevoerd dr vrijgestelde hormonen IGF’s

fct:

  • bescherming proteïne & glc reserves

  • fct recuperatie mechanisme lichaam (voortgaande secretie na adolescentie)

    • aanmaak kapotte eiwitten

    • verbranding

  • misbruik in sport



31. Wat zijn de growth factors 1 en 2 en bespreek hun receptoren.
IGF1 &2 = insuline-like growth factor 1&2


  • verantwoordelijk voor non-suppressible insulin like activity

    • grote structuur overeenkomst: gemeenschappelijke precursor

  • IGF-1 vooral synthese dr lever

  • Extrahepatische IGF’s: paracriene activiteit




      • eigen specifieke bindingsprot: IGFBP

modulerende werking

IGF1 meer GH afh meer groeifactor act

IGF2 meer insuline activiteit


      • receptoren:

IGF-1: agonist-bindend RPTK (receptor proteïne tyrosine kinase)

IGF-2: agonist-bindend intracellulair-docking

Transmembranaire glycoprot:


  1. uitw agonist-bindend domein

  2. lipofiel deel (in membraan)

  3. cytoplasmatisch domein: PTK activiteit IGF-1 & insuline

docking IGF-2
insuline-achtige activiteit: via insuline R

32. Bespreek melatonine, erythropoïetine en PAF

MELATONINE


Waar?

Aanmaak thv epifyse (pijnappelklier, lokalisatie ziel vgl Descartes)

= overblijfsel mediaan oog

derde hersenventrikel onder corpus callosum


Synthese:

Serotonine (= 5-hydrotryptamine) afgeleide tryptofaan



N-acetyltransferase

N-acetylserotonine



Hydroxy-indole-O-methyltransferase HIOMT

Melatonine (= N-acetyl-5-methoxytryptamine)


Regeling: thv activiteit HIOMT

  • controle ZS

  • retina licht -> OZS -> veel licht (-) weinig licht (+)


Inactivering:

Melatonine -> 6-hydroxymelatonine (hydroxylase)

Melatonine -> inactief (ringopening)
Functie:


  • lichtverkleuring kikkervisjes

  • regeling begin puberteit

    • pathologie

    • geologische spreiding

  • regeling dag-nacht-cyclus


Pathologie:

  • tumor: hypertrofie: vertraagde puberteit

  • tumor: vernietiging epifyse: vervroegde puberteit

  • jong blijven: kwakzalverij?

  • Jet-lag pillen: werkzaam?



ERYTHROPOIETINE


Waar?

  • thv nier (90%)

  • thv lever (10%)


Synthese:

34kDa glycoproteïne 166AZ


wanneer?

  • bij O2-gebrek nier

    • hoogte

    • bloeding

    • anemie

  • verhoogd bij chronisch O2gebrek (grote hoogte)

  • verminderd bij

    • chronisch nierlijden

    • IL-1 interleukine-1

    • TNF tumor necrosis factor

    • IFNalfa interferon-alfa (bij virale infectie)

    • IFNgamma interferon-gamma (dr T-lymfocyten)


Functie:

Versnelde proliferatie en diffrentiatie (thv beenmerg) van EPO-gevoelige progenitorcellen rbc:



  • BFU-E

  • CFU-E

Werking: binding op R: fosfotyrosinekinaseR: dimeervorming: autofosforylatie:...
Pathologie:

  • toediening bij tekort rbc (voorheen transfusies)

    • zware chemo

    • beenmerg transplantatie

  • sport



PAF = platelet-activating-factor


= alkylfosfolipide
Waar?

  • bloedplaatjes

  • monocieten

  • neutrofielen

  • eosinofielen

  • bloedvatendotheelcellen

  • ...


synthese:

1-O-alkyl-2-acyl-glycerofosfocholine (membraan)



PLA2

1-O-alkyl-2-lyso-glycerofosfocholine = lyso-PAF



lyso-PAF-acetyltransferase

PAF
Wanneer? invloed



  • antigen-antilichaam reactie

  • chemotactische peptiden

  • thrombine

  • collageen

  • andere autocoïden


Inactivering:

Lyso-PAF-acetyltransferase

Lyso-PAF-acyltransferase
Functie:


  • sterke vasodilatator

  • stimulator vasculaire permeabiliteit

  • aggregatie bloedplaatjes

  • aggregatie & degranulatie leucocyten

  • stimulering contractiliteit gladde spier

  • chemotaxis

receptor = G-prot gekoppelde R => activatie PLC, PLD, PLA2

33. Bespreek de bradykinine- en kallidinefamilie
BRADYKININE 9AZ

KALLIDINE 10AZ




  • trage contracties ileum

    • relaxatie spiertjes bloedvaten

  • aanmaak na ontstekingen

  1. vasodilatatie => verlagen BD

meer wbc

  1. PIJN registratie => bij elke vorm weefselschade ‘mis’signaal

  2. verhogen permeabiliteit bloedvaten

    • wbc sneller terplaatse

    • snellere afvoer

  3. verhogen prostaglandinen

  4. relaxatie gladde spiercellen




  • lever: precursoren kininogenen = alfa2 globulinen

    • HMWK = hoog molecule gewicht kininogeen plasma & weefsels

    • LMWK = laag molecule gewicht kininogeen weefsels

      • Plasma: omzetting HMWK nr bradykinine oiv plasma-kallikreïne

Omzetting kallidine in bradykinine oiv aminopeptidase

In des-Arg-kallidine oiv carboxypeptidase



      • Weefsels: omzetting HMWK & LMWK nr kallidine oiv weefsel-kallikreïne




  • Inactivering:

    • Actieve plasmakininen: weefselcarboxypeptidasen: kininaseI – kininaseII (=ACE)

    • zeer snelle afbraak T1/2 = 15s

  • Werking plasmakininen:

    • B1-en B2 receptoren

      • B2: GPCR => PLC (IP3 & DAG) & PLA2 (arachidonzuur)



34. Bespreek de eicosanoïden.
C20 lipo-oxygenase Leukotriënen (A, B, C, D, E)
Cyclo-oxygenase Prostaglandinen (A, E, F)

Eicosa-3-een PGA1

Arachidonzuur PGA2

Eicosa-5-een PGA3



Tromboxanen (A, B)
Autocoïden: (uit essentiele VZ)

  1. prostaglandinen PG

  2. prostacyclinen PGI

  3. leucotriënen LT

  4. lipo-xinen LX

  5. thromboxanen


Chemische structuur:

    • gemeenschappelijke gesatureerde basisstructuur C20 = prostanoïnezuur

    • bepaald aantal = bindingen (suffix)

    • leucotriëen:

      1. gn ringstructuur

      2. 1à2 O-substituties

      3. drie geconjugeerde = bindingen


Vorming:

A.precursor = Arachidonzuur <= vrijgemaakt uit fosfolipiden (fosfolipase A2)

oiv hormonale & neurohormonale factoren

B.arachidonzuur  endoperoxide PGG & PGH(cyclo-oxygenase)

C. PGG & PGH  prostaglandinen PGD2 & PGE2 & PGF2alfa

PGG2  TXA2 = thromboxane A2 (thromboxane synthetase)

TXA2  TXAB2 (snelle omzetting)

PGG2  prostacycline PGI2 (prostacycline synthetase)

PGI2  6-keto-PGF1
Inactivatie:

15-hydroxyprostaglandine dehydrogenase


La famille:

TXA2: = thromboxane A2



  • in BP

  • aggregatie & constrictie

Tromboxaan

Een door trombocyten geproduceerde prostaglandine


  • met vaatvernauwende en

  • aggregatie bevorderende werking

  • antagonist van prostacycline

PGI2: = prostacycline 2



  • bloedvaten

  • inhibitie aggregatie BP & dilatatie

Prostacycline PGI

Een prostaglandine geproduceerd door bloedvatwanden



  • Dat vasodilatatorisch werkt en

  • Trombocytenaggregatie remt

12-hydroperoxy-arachidonzuur & 12-hydroxy-arachidonzuur:



  • longweefsel, wbc, BP

  • lipoxygenase

  • cellulaire invasie bij ontstekingsreactie

5-HPETE: = 5-hydroperoxy-6,8,11,14-eicosatetraenoic acid



  • voor synthese lipoxinen & leukotriën

  • 5-lipoxygenase

LTC4: = leukotriëne C4



  • aminolipide

  • tripeptide glutathion

  • nageslacht van 5-HPETE

Leukotrieen

Ontstekingsmediator die oa een rol speelt bij type I-allergische reacties en door oa mestcellen en eosinofiele cellen gevormd wordt uit arachidonzuur: verantwoordelijk voor oa bronchoconstrictie; slijmsecretie en toegenomen vaatpermeabiliteit bij astma


LTD4:

  • aminolipide

  • gly & cys

  • nageslacht van 5-HPETE

LTE4:


  • aminolipide

  • cysteïne

  • nageslacht van 5-HPETE

LTF4:


  • aminolipide

  • cysteïne & glutaminezuur

  • nageslacht van 5-HPETE

Leukotriënen:



  • allergische reacties & ontstekingen

Prostaglandine:



  • contractie uterus

  • gladde spieren GI-stelsel

  • gevoeliger w voor pijn

Prostaglandinen



Afk PG

Groep derivaten van essentiële vetzuren die vrijwel overal in het lichaam voorkomen, hoofdzakelijk in vier hoofdgroepen in te delen en afhankelijk hiervan met uiteenlopende werking, zoals modulatie van cellulaire regelsystemen (vnl bij bedreiging van de homeostase bij stresssituaties) en van processen als vasopermeabiliteit, ontstekingen e.a.,



  • stimulering van de motorische uterusactiviteit (weeën-inductie),

  • remming van motoriek en secretie van maag en darm,

  • broncho- en vasodilatatie,

  • bloeddrukverlaging en

  • bevordering van de diurese door antagonisme tov het ADH,

  • stimulering van hormonenproductie,

  • beïnvloeding van sensorische en metabole functies,

  • remming van trombocyten aggregatie en

  • regulering van prikkeloverdracht in het CZS




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina