Wanneer het licht afneemt, komen ze uit het



Dovnload 6.49 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte6.49 Kb.
De ransuil
Een grauwe dag in de late herfst op “de Berg”; een grote kale boom in het bos. Stam en takken, maar ook de ondergrond zit

vol met witte “krijtstrepen”. De grond is bezaaid met braakballen (waarover volgende week meer). In de boom: slapende uilen. Op een tak zittend, nauwelijks opvallend tegen de donkere stam aangedrukt of in de gaffel, waar een tak zich splitst, zitten ze te slapen. We staan voor de roest (= slaap)plaats van een twintigtal Ransuilen (Asio otus).


Het zijn prachtige vogels met een mooi, warm okergeel, don­ker gevlekt verenkleed en met grote, wonderlijke, oranjegele ogen. Ze zijn iets kleiner dan de Bosuil en hebben als opvallend kenmerk de bij verontrusting steil omhoog gerichte oorplui­men. Wanneer de vogel zich rustig voelt liggen de oorplui­men nagenoeg plat op de kop. Dicht bij elkaar zitten ze in hun slaapboom en wachten op het vallen van de avond. In hun boom zijn ze meestal weinig schuw en, mits voorzichtig, goed te observeren.
Wanneer het licht afneemt, komen ze uit het

bos te voorschijn en gaan op jacht om voor de noodzakelijke maagvulling te zorgen. Een Veldmuis, die ritselend tussen het droge gras trippelt of een slapende vogel worden verrast en onfeilbaar gegrepen door de scherpe klauwen. Verreweg het grootste deel van zijn voedsel bestaat uit Veld- en Woelmui­zen, een tamelijk eentonig menu. Wanneer de opkomende zon een nieuwe dag aankondigt, verdwijnen de licht schuwende uilen weer in het donkere bos om „een uiltje te knappen" en de buit te verteren, die ze in de afgelopen nacht met huid en haar naar binnen hebben ge­werkt. De niet te verteren delen, zoals veren, haren, botjes en schedels worden tot een bal sa­mengeperst. Af en toe wordt de uil onrustig, schuift heen en weer op zijn tak, spert dan de snavel open en laat met een benauwd gezicht een grote viltige prop op de grond vallen.


Daar alle uilen deze handeling verrichten en soms tientallen uilen één boom gebruiken gedurende een heel winterseizoen, is het duidelijk dat onder zo'n boom een dicht uileballentapijt is te vinden.
Paarvorming

Half februari beginnen de balts en de paarvorming. Meestal hebben man en vrouw een ver­bintenis voor één jaar. Het man­netje bakent zijn territorium af en lokt al roepend een vrouwtje. Evenals de andere uílen is de Ransuil een slecht bouwmees­ter, die de constructie van een eigen huis achterwege laat. In hun gebied kiest het vrouwtje een oud ekster-, duive- of eek­hoornnest uit. Afhankelijk van de weersomstandigheden wor­den in maart of april 4 tot 5 eieren gelegd. In jaren met een muizenpiek kan dit aantal wel tot 8 oplopen.


Nestzorg

Direct na het leggen van het eerste ei begint het wijfje te broeden. Na circa 28 dagen komt het eerste jong uit het ei gekropen. Bij een groot legsel is het laatst geboren jong soms 10 tot 14 dagen jonger dan het oudste jong. Er wordt namelijk om de twee dagen een ei gelegd. Wanneer de jongen 3 weken oud zijn, verlaten zij het nest. Zij kunnen dan echter nog niet vliegen, en klauteren met be­hulp van snavels, klauwen en vleugels door de bomen. Met vijf weken kunnen ze vliegen, maar worden daarna toch nog 5 tot 6 weken door de ouders verzorgd.



Dan gaan ze hun eigen weg en kan de cyclus opnieuw begin­nen.
december 1992

Fred Roelofs




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina