Wat gaat er mis bij de (her)keuring van mensen met me/cvs? Inhoud



Dovnload 312.43 Kb.
Pagina1/9
Datum20.08.2016
Grootte312.43 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9






WAT GAAT ER MIS BIJ DE (HER)KEURING VAN MENSEN MET ME/CVS?
WAT GAAT ER MIS BIJ DE (HER)KEURING VAN MENSEN MET ME/CVS?


INHOUD
Samenvatting

  1. De uitkomst van de herkeuring van mensen met ME/CVS

  2. Het UWV en de ‘zachte diagnoses’

  3. Wat verklaart het verschil?

  4. Problemen in de opstelling en het handelen van verzekeringsartsen

    1. Onjuiste interpretatie en toepassing van de geldende regels

    2. Misverstanden en vooroordelen over (mensen met) de ziekte ME/CVS

    3. Verkeerde ideeën over de criteria voor het toepassen van een urenbeperking

    4. De ‘dubbele keuring’ en de lijst met ‘zachte diagnoses’ gaan ten koste van de objectiviteit

Bijlagen

  • Bijlage 1: De uitkomst van de herkeuring van mensen met ME/CVS. Stand van zaken januari 2005.

  • Bijlage 2: Onjuiste argumenten op grond waarvan verzekeringsartsen in de praktijk bij de (her)keuring niet of niet volledig rekening te houden met de beperkingen van mensen met ME/CVS (november 2005).

  • Bijlage 3: Stoornissen bij ME/CVS, geclassificeerd volgens de Internationale Classificatie van Stoornissen, beperkingen en handicaps (ICIDH)

  • Bijlage 4: Recente onderzoeksresultaten met betrekking tot ME/CVS

  • Bijlage 5: Signaleringen van het Informatie- en Meldpunt Herkeuringen van de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid (oktober 2004 t/m oktober 2005)

  • Bijlage 6: Uit het verslag van het overleg van UWV en Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid, 2 december 2005

Groningen, januari 2006

Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid

Tekst: Ynske Jansen, met medewerking van Gemma de Meijer en Michaël Koolhaas




WAT GAAT ER MIS BIJ DE (HER)KEURING VAN MENSEN MET ME/CVS?




SAMENVATTING

Volgens de gegevens van het Informatie- en Meldpunt Herkeuringen van de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid verliest 82% van de ME-patiënten door de herkeuring volgens het Aangepaste Schattingsbesluit (ASB) geheel of gedeeltelijk zijn WAO- of WAJONG-uitkering. Dit is een veel hoger percentage dan het gemiddelde, dat volgens UWV cijfers ongeveer 40% is. Uit de cijfers van het UWV blijkt dat ook anderen met een ‘moeilijk objectiveerbare’ ziekte een veel grotere kans dan gemiddeld hebben dat hun uitkering wordt beëindigd of verlaagd. Bovendien geldt dit waarschijnlijk voor alle arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen en niet alleen voor de herkeuringen. Bij nadere analyse blijkt dat dit niet wordt veroorzaakt door de strengere regels van het aangepaste Schattingsbesluit dat per 1 oktober 2004 van kracht is geworden. De oorzaak lijkt te liggen in de opstelling en het handelen van verzekeringsartsen. Zij interpreteren de geldende regels, waaronder de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, niet juist en passen deze niet goed toe. Er leven bij hen veel misverstanden en vooroordelen over de ziekte ME/CVS, zij passen de criteria voor een urenbeperking niet goed toe en voelen zich door het systeem van de dubbele keuring en de daarbij horende lijst met ‘zachte diagnoses’ onder druk gezet om mensen met ME/CVS, of een andere ‘moeilijk objectiveerbare’ aandoening, bij voorbaat geen urenbeperking te geven en niet arbeidsongeschikt te verklaren. Bezwaarverzekeringsartsen vormen hierop lang niet altijd een uitzondering, waardoor een bezwaarprocedure de gedupeerden soms weinig soulaas biedt. Het bovenstaande wordt in deze notitie uitgebreid onderbouwd en toegelicht. De notitie is bedoeld als basis voor een open gesprek, onder andere met het UWV, over mogelijke oplossingen. In hoofdstuk 1 worden daarvoor een aantal aanbevelingen gedaan.




1. DE UITKOMST VAN DE HERKEURING VAN MENSEN MET ME/CVS

De Steungroep heeft in oktober 2004 een Informatie- en Meldpunt Herkeuringen ingesteld. Aan ME-patiënten is gevraagd om hier hun ervaring met de herkeuring te melden. Tot en met november 2005 zijn 81 meldingen van mensen met ME/CVS verwerkt.

Er is naar gestreefd een zo representatief mogelijke respons te krijgen. Wat betreft de man-vrouw verhouding (74% -26%), die overeenkomt met de verhouding onder CVS-patiënten, en de spreiding over een groot aantal UWV-kantoren is dit goed gelukt. Het is in theorie mogelijk dat mensen die ontevreden waren over de uitkomst van de herkeuring eerder geneigd waren te reageren dan mensen die tevreden waren. Maar door het verzoek tot melding te koppelen aan een informatie- of adviesvraag voorafgaand aan de herkeuring en door uitdrukkelijk ook om positieve reacties te vragen denken wij dat de respons niet extreem afwijkt naar de ene of andere kant. De uitkomsten van ons onderzoek moeten naar onze mening zeer serieus genomen worden. Volgens UWV-cijfers is de uitkering van mensen met een zogenaamde ‘somatische zachte diagnoses’ in 73% van de gevallen verlaagd of beëindigd. Dit ligt niet ver af van ons resultaat van 81,5%. Hieronder volgen de samenvatting, de conclusies van ons onderzoek en de daarop gebaseerde aanbevelingen. In bijlage 1 staan de meer uitgebreide gegevens.
1.1 Verlies van uitkering
En dat is ook meteen het eerste dat opvalt: het grote aantal (81,5%) dat de uitkering geheel of gedeeltelijk verliest (54,2 % geheel en 27,2 % gedeeltelijk). Dit is twee keer zoveel als het percentage mensen dat er gemiddeld door de herkeuring in uitkering op achteruitgaat, volgens het UWV 40%.* Opmerkelijk daarbij is dat veel van de mensen die hun uitkering geheel kwijtraken eerst een volledige uitkering hadden, namelijk 42 %. Voor de meesten van hen geldt een verlaging van maar liefst 7 arbeidsongeschiktheidsklassen: van de klasse van 80-100% naar de klasse van minder dan 15% arbeidsongeschiktheid (voor de WAJONG 6 klassen, van 80-100% naar minder dan 25%). Het is niet aannemelijk dat dit verlies van uitkering te verklaren valt uit een verbetering van de gezondheidstoestand. De gezondheid van 89% van de mensen was niet verbeterd sinds de vorige keuring. 43,2% gaf zelfs aan dat de gezondheid slechter was geworden.
* UWV, verslag 1e kwartaal 2005 en bijlage bij UWV- verslag 3e kwartaal 2005, Geciteerd door minister De Geus en Staatssecretaris Van Hoof in hun brief aan de Tweede kamer over ‘Structuur van de uitvoering werk en inkomen (SUWI). 16 december 2005. kamerstuk 26448, nr. 230

1.2 Onderschatting van beperkingen en vaak geen urenbeperking

Daarbij komt dat slechts 12% van de herbeoordeelden van mening is dat voldoende rekening is gehouden met hun beperkingen. Dit komt ook tot uiting in de grote discrepantie tussen het aantal uren per week dat betrokkenen zelf denken te kunnen werken en het oordeel van de verzekeringsarts daarover. Zoals bekend zijn ernstige vermoeidheid en vermoeibaarheid bij ME/CVS centrale symptomen. ME-patiënten hebben dus altijd een energiebeperking, die zeer ernstig kan zijn. Het is dan ook goed te begrijpen dat niemand van de herbeoordeelde ME/CVS-patiënten meent fulltime te kunnen werken. 88% van hen schat in minder dan 20 uur per week te kunnen werken: ruim 40% niet meer dan 9 uur per week en bijna de helft tussen de 10 en 19 uur. Toch zijn de verzekeringsartsen in 65,7% van de gevallen van mening dat de herbeoordeelde arbeidsongeschikten wel 36 tot 40 uur per week kunnen werken.


Daarbij komt dat verzekeringsartsen bij de keuring met argumenten komen die in strijd zijn met de medische kennis over ME/CVS of met de geldende regels. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat in het bijzonder de Richtlijn Medisch Arbeidsongeschiktheidscriterium van 1996 en het gedeelte van het Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten over het verzekeringsgeneeskundig onderzoek (2000) door verzekeringsartsen niet of niet juist worden geïnterpreteerd en toegepast. Bovendien heersen bij hen meerdere misverstanden en vooroordelen over (mensen met) de ziekte ME/CVS. Daarnaast hebben verzekeringsartsen onjuiste ideeën over de criteria voor het toepassen van een urenbeperking. Elders lichten wij dit uitgebreid en beargumenteerd toe (hoofdstuk 4 en bijlage 2).
Wat betreft de beoordeling door de verzekeringsartsen trekken wij de conclusie dat zij de beperkingen van mensen met ME/CVS vaak onderschatten en dat zij hun mogelijkheden om te functioneren vaak sterk overschatten. Oneigenlijke argumenten spelen hierbij naar onze mening een grote rol. 95% van de melders vindt niet alle of geen van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies haalbaar. Wij vinden het aannemelijk dat dit voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt doordat bij die selectie is uitgegaan van de (overschatte) mogelijkheden om te functioneren zoals die door de verzekeringsarts zijn aangegeven. Daarnaast zou hierbij ook een rol kunnen spelen dat de selectie van functies door de arbeidsdeskundige onvoldoende inzichtelijk, verifieerbaar en toetsbaar is, zoals de Centrale Raad van Beroep in november 2004 heeft vastgesteld.* Het gaat hierbij met name om de vraag of de functiebelasting van de geselecteerde functies wel in overeenstemming is met de vastgestelde belastbaarheid van de arbeidsongeschikte. Het UWV heeft het systeem weliswaar aangepast, maar ook daarna hebben meerdere rechtbanken eind 2005 en begin 2006 vastgesteld dat het nog niet aan de door de Centrale Raad van Beroep gestelde eisen voldoet.** Bij een gebrek aan inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid zal altijd twijfel bestaan over de juistheid van de beoordeling.
* onder andere CRvB LJN AR4716

** rechtbanken Maastricht, 02-11-05, LJN AU5577 en AU5579, Leeuwarden, 30-11-05, LJN AU8404, Breda, 03-01-06, LJN AU9030, Almelo, 13-01-06, LJN AU9775 en LJN AU9709.




1.3 Dubbele keuring heeft averechts effect

Of de keuring door één verzekeringsarts heeft plaatsgevonden of dat er een tweede verzekeringsarts is ingeschakeld blijkt, met betrekking tot de vraag of voldoende rekening is gehouden met de beperkingen, geen duidelijk verschil te maken. De dubbele keuring vormt op dit punt dus geen verbetering. Uit de meldingen komen aanwijzingen naar voren dat het systeem van de dubbele keuring juist averechts werkt. De dubbele keuring geldt voor 82 diagnoses die door het UWV als ‘zachte diagnoses’ zijn benoemd. Op grond van de meldingen met betrekking tot ME/CVS, één van de ziektes die door het UWV als ‘zachte diagnose’ wordt bestempeld, vinden wij het aannemelijk dat de betreffende ziektes en aandoeningen daarmee het stempel van ‘ niet ernstig’, ‘minder serieus te nemen’, ‘nooit leidend tot volledige arbeidsongeschiktheid’ hebben gekregen en dat vooroordelen daardoor bij de keuring een rol spelen (zie hoofdstuk 4 en bijlage 2). De dubbele keuring wordt bovendien alleen toegepast wanneer de eerste verzekeringsarts van mening is dat een urenbeperking moet worden toegepast of dat er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Uit de meldingen hebben wij de indruk gekregen dat een deel van de verzekeringsartsen er niet om zit te springen zich te laten controleren door een meerdere of een collega. Zij kunnen dit voorkomen door bij voorbaat geen volledige arbeidsongeschiktheid of geen urenbeperking vast te stellen, ook in die gevallen waarin zij dit anders wel zouden doen of daarover zouden twijfelen.



1.4 Sombere vooruitzichten voor re-integratie

De resultaten op het gebied van re-integratie zijn helaas weinig bemoedigend, al is het nog iets te vroeg om definitieve conclusies op dit gebied te trekken. Nog geen 5% heeft een baan gevonden of heeft het aantal werkuren uit kunnen breiden. Uitbreiding van werkuren is, alleen al gezien het feit dat slechts 11% van de melders voor herkeuring betaald werk had, slechts voor een enkeling een optie. De overgrote meerderheid van de melders ziet weinig tot geen kans om betaald werk te vinden: op grond van de gezondheidstoestand 98,6% en op grond van de positie op de arbeidsmarkt 85,3%. Gezien de gegevens met betrekking tot de gezondheidstoestand en het aantal uren dat men denkt te kunnen werken is dit niet bevreemdend.



1.5 Aanbevelingen

Kortom, de eenmalige herkeuring leidt tot veel menselijk leed. Het resultaat bestaat vooral uit uitkeringsverlies, terwijl de doelstelling om weer aan het werk te gaan voor het overgrote deel niet realiseerbaar is. De meeste herkeurden hebben daarvoor door hun ziekte te veel beperkingen. Opvallend is dat het resultaat van de eenmalige herkeuring vooral werd verwacht van strengere arbeidskundige regels, waardoor functies eerder geschikt verklaard worden, met een lager arbeidsongeschiktheidspercentage als resultaat. Uit onze resultaten blijkt echter dat de medische beoordeling een veel grotere rol speelt. Dit, terwijl op dit gebied de regels nauwelijks zijn veranderd. Wij zijn er dan ook van overtuigd dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling lang niet altijd terecht is.

Te vrezen valt dat onder de wet WIA arbeidsongeschikten met ME/CVS nog eerder uit de boot zullen vallen. Het Aangepaste Schattingsbesluit wordt ook bij de uitvoering van de wet WIA toegepast. 61,7% van de ME-patiënten is na de de ASB-herkeuring voor minder dan 35% arbeidsongeschikt verklaard. Enkelen van hen houden nu nog een kleine WAO- of WAJONG-uitkering over, in de klasse 15-25% (WAO) of 25-35% (WAO of WAJONG). Maar onder de WIA zou geen van hen nog een arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen.
Op grond van onze bevindingen komen wij allereerst tot de aanbeveling om de eenmalige herkeuringen stop te zetten en de gevolgen voor degenen die al een herkeuring hebben gehad terug te draaien.

Verder bevelen wij aan om:



  • de term ‘zachte diagnose’ uit de UWV-woordenschat te schrappen;

  • de procedure van de dubbele keuring af te schaffen óf uit te breiden tot alle diagnoses en tot al die gevallen waarin in eerst instantie flink wordt afgeweken van de uitkomst van de vorige keuring, of waarin betrokkene er zelf om vraagt;

  • verzekeringsartsen, inclusief bezwaarverzekeringsartsen, intensief te instrueren, aan te sturen en te controleren, waarbij met name op de volgend punten wordt gecorrigeerd: vooroordelen en misvattingen over ME/CVS, onjuiste interpretatie en toepassing van het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, onjuiste interpretatie en toepassing van de ‘Standaard urenbeperking’. Het spreekt vanzelf dat in deze gevallen niet alleen onjuiste argumenten en formuleringen moeten worden gecorrigeerd, maar ook de beoordeling die op de verkeerde zienswijze is gebaseerd.

  • Op bovengenoemde punten scholing voor verzekeringsartsen te organiseren en de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid daarbij te betrekken:

  • de ‘Standaard urenbeperking’ te verhelderen of te vernieuwen en daarbij patiënten- en cliëntorganisaties te betrekken;

  • een keurling bij wie op grond van onjuiste argumenten geen of onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen het recht te geven op een nieuwe keuring door een andere verzekeringsarts;

  • onderzoek te laten doen naar ME/CVS en andere ziektes, gericht op het in kaart brengen van de stoornissen, beperkingen en handicaps (volgens de definities van de Wereldgezondheidsorganisatie, ICF) die bij de betreffende ziekte veel voorkomen en de resultaten van dit onderzoek voor verzekeringsartsen toegankelijk maken. Patiëntenorganisaties hierbij te betrekken.

2. HET UWV EN DE ‘ZACHTE DIAGNOSES’*

Het percentage van 82% van de ME-patiënten die de uitkering door de herkeuring geheel of gedeeltelijk verliest is extreem hoog, veel hoger dan het gemiddelde. Het UWV meldt dat de herkeuringen vanaf het begin op 1 oktober 2004 tot 1 oktober 2005 in 38,4% van de gevallen hebben geleid tot beëindiging of verlaging van de uitkering.**

Uit gegevens van het UWV kan afgeleid worden dat mensen met zogenaamde ‘moeilijk objectiveerbare’ ziektes bij de herkeuring vaker hun uitkering geheel of gedeeltelijk verliezen dan anderen. In het verslag van het UWV over het eerste kwartaal van 2005 staan voor het eerst aparte cijfers over mensen met een ‘zachte diagnosecode’*. De uitkering van WAO-ers met een ‘zachte diagnose’ werd in die periode in ongeveer 60% van de gevallen verlaagd of beëindigd. Bij de zogenaamde ‘somatische zachte diagnoses’ is dit percentage zelfs 73%, tegen ongeveer 40% bij een harde diagnose.*** In bijlage 3 bij het verslag van het UWV over het derde kwartaal van 2005 wordt een onderscheid gemaakt in vier diagnosegroepen, al naar gelang de diagnose als lichamelijk of psychisch wordt beschouwd en als hard of zacht.* Het aantal gevallen waarin de uitkering wordt verlaagd of beëindigd is voor ‘hard lichamelijk’ 43%, ‘hard psychisch’ 6%, ‘zacht lichamelijk’ 73% en ‘zacht psychisch’ 47%.****

Beëindiging of verlaging van de uitkering van mensen met een ‘zachte diagnose’ lijkt voor het UWV zelfs een (financiële) doelstelling op zich te zijn geworden. In verband met de dubbele keuring, die in 8,4% van de gevallen plaatsvindt (alleen bij ‘moeilijk objectiveerbare’ ziektes of klachten, door het UWV ‘zachte diagnoses’ genoemd), spreekt het UWV over een geschatte opbrengst voor 2005 van € 45 miljoen.*

Er zijn aanwijzingen dat ook buiten de context van de ASB-herkeuringen steeds vaker de toegang tot de WAO wordt geweigerd aan mensen met ME/CVS of een andere ‘moeilijk objectiveerbare’ ziekte, namelijk bij nieuwe gevallen. Een citaat uit het UWV-verslag over het tweede kwartaal van 2005: ‘Naar verhouding belanden steeds minder mensen in de WAO als gevolg van moeilijk objectiveerbare klachtenpatronen /aandoeningen (zachte instroom). Dit geldt voor zowel de zachte psychische als vooral voor de zachte somatische instroom.’*
* Het begrip ‘zachte diagnose’ zou volgens de Steungroep uit het jargon van het UWV geschrapt moeten worden omdat het onprofessioneel is en een verkeerd signaal afgeeft. Zie ook 4.4.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina