Wat we achterlaten



Dovnload 10.8 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte10.8 Kb.
WAT WE ACHTERLATEN
Sanne Luyten
Ik giet de pindanootjes in mijn mond alsof het water is. Ze smaken me niet meer, maar dat lijken mijn hersenen te vergeten. Ik gooi nog een hand vol zoutigheid naar binnen. Het kauwen wordt een droog, stroef geworstel waar ik niet bepaald gelukkiger van word. Het is het idee, maak ik mezelf wijs. Het zal wel helpen. Ik lees verder in mijn boek waarin ik nog altijd geen halve pagina verder ben gekomen, omdat mijn hand steeds, bijna machinaal, naar het zakje gaat en weer terug. Mijn boek wordt rechts onderaan glibberig en de steeds verder uitdijende vlek op mijn bladzijde toont welke hoeveelheid vetzakkerij ik op een minuut naar binnen speel. Ik probeer zo min mogelijk te denken, maar hoe meer ik dat probeer hoe minder het lijkt te lukken.

Koude voeten. IJskoude voeten. Ze halen me langzaamaan uit mijn trance. Het medewerkers t-shirt van het cactusfestival en de beertjesbroek die ik kreeg van mijn moeder zijn helaas niet koudebestendig genoeg voor mijn killigheid. Een deken zou een goeie oplossing kunnen zijn. Een lief dat op mijn blote voeten gaat zitten ook, evenals sokken. De laatste twee heb ik niet in de buurt en ik sta op met een lichte tegenzin. Mijn billen slapen al. Mijn geest helaas nog niet. Of mag ik dat wel zeggen, helaas? Het gevoel dat mijn achterwerk nu ondergaat is niet zo plezierig. Het lijkt wel of ik bloot in de brandnetels ben gevallen en ik dat keer op keer blijf doen. Slapen noemen ze dat dan. Als slapen zo aanvoelde dan deed ik mijn leven lang, geen oog meer dicht. Slapen moet genieten zijn. Rusten. Niets beseffen. Alles beseffen. Dromen. Zuchten en omdraaien Niets in mij slaapt dus. Alles in mij is wakker.


Wanneer ik me nog eens omdraai, doorpriemt het zonlicht mijn oogleden. Mijn nek doet pijn. De constructie van kussens die ik gisteren maakte om gemakkelijk te kunnen lezen, zorgt nu voor een stijfheid die overal kruipt waar het kan. Zittend slapen is nooit een aanrader geweest. Ik dwing mezelf nu echt wakker te worden en ik ben me bewust van het kleffe gevoel dat in mijn mond hangt. Het flesje cola dat nog naast mij staat is mijn redding. Cola vreet alles weg, zelfs de ochtendgeur waarover iedere mens helaas beschikt. Ik kreun. Niet van genot. Ik sta op en begin mijn dag die achtenveertig minuten geleden begonnen had moeten zijn.
Haast en spoed is zelden goed. Dat zei mijn moeder altijd. Deze morgen luister ik even niet naar haar raad. Wassen, omkleden, eten, een bomma bezoeken én naar de bank gaan doe ik in een ongezonde snelheid. Ik moet wel. Nu nog naar de bakker.
“Goeiemorgen, wie is de volgende?”

Ik kijk om me heen en ik zie niemand anders staan dan mezelf.

Ik glimlach. “ Vier koffiekoeken.”

“Welke?”


Nu heb ik een probleem. Aan deze situatie had ik totaal niet gedacht. Nu sta ik hier. Welke?

“Goeie vraag” antwoord ik om wat tijd te rekken. Welke? Welke? Welke?

“Kies jij maar.” zeg ik. Nu kan ik de schuld tenminste nog op het winkelmeisje schuiven als het niet lekker is. Ze kijkt me aan met een lichte verbazing Zonder te aarzelen gooit ze vier verschillende koffiekoeken in het zakje.

“Dat zal het zijn”, zeg ik. Dat was al meer dan genoeg, denk ik bij mezelf en ik betaal het bedrag dat ze op een gemaakt vriendelijke manier opeist.


Onderweg naar huis beginnen mijn gedachten nog verder te malen. Dan kom ik ineens tot een vaststelling: deze draaikolk van rusteloze bedenkingen begon met een schoen. Een schoen van hem, onder de zetel. Ik vond hem tijdens het stofzuigen. Hij hoorde niet in mijn appartement. Ik vond het nogal akelig hem te vinden en stak hem in een zakje. Weg ermee. Ik knoopte het zakje dicht en wou er zo snel mogelijk vanaf. Ik gaf het aan hem en hij lachte. Hij vroeg of de schoen in de weg lag. Ik antwoordde dat die schoen van hem was en dat hij dus niet op mijn appartement hoorde. Hij werd slechtgezind. Ik begreep niet waarom. Hij had bewust die schoenen achtergelaten. Dat was gemakkelijker. “Schoenen?” vroeg ik toen. Ik besefte dat ook zijn rechter-exemplaar nog ergens lag te slingeren. Hij vertelde me dat hij het wel huiselijk vond en dat we elkaar nu toch al lang kenden en of het niet stilaan tijd werd om... Ik dacht dat hij bedoelde of het niet stilaan tijd werd om zijn tweede schoen ook terug te geven. Hij werd boos. Hij zei dat ik er maar eens goed over moest nadenken. Over ons. Over onze toekomst. Dat ik tijd kreeg tot vrijdag. Twaalf uur. Station van Leuven. Als ik dan net zo gevoelloos als vandaag zijn tweede schoen in een plastic zakje in zijn handen dropte, dan wist hij wat hij moest verwachten. Of wist hij dat hij niet meer moest wachten. Dat wachten zinloos was. Dan werd hij wachteloos.
Thuis. Ik heb nog een kwartier. Dan moet ik vertrekken.

Een kwartier om nog een laatste keer te kunnen denken over één enkele vraag die duizend andere vragen oproept.

Wanneer is het voor eeuwig en altijd? Wanneer laat je hem binnen in alles wat vroeger van jou was? Wanneer worden dingen van mij plots van ons? Wanneer wil je zelfs je miezerigste kantjes met hem delen? Je gewoontes en slechte eigenschappen? Wanneer ben je daartoe bereid? Over een kwartier ? Dat kwartier is intussen vijf minuten geworden en het enige wat ik heb gedaan is mij meer vragen gesteld. In mijn onderbewustzijn is mijn keuze al lang gemaakt. Ik heb schrik. De angst om hem te verliezen komt op, in vlagen. Ik doe mijn jas aan en neem het zakje van tafel.
Station Leuven. Hij staat er al, want ik ben te laat. Hij wiebelt op zijn voeten, bijt op zijn nagels en krabt in zijn haar. Hij staat daar. Zo kwetsbaar. Klaar om afgemaakt te worden. Zo lijkt het. Al waren zijn woorden wel klaar en duidelijk. Zelfzeker. Hij had er genoeg van. Hij had genoeg gehad, van dat wachten. Er zou dadelijk een eind aan gemaakt worden. Dat wist ik. Ik voel een zekere vorm van spijt in mij opkomen. Maar een ook een vorm van opluchting om de bekentenis waar hij me toe gedwongen had. Ik stap recht op hem af. Hij kijkt recht naar wie ik ben. Zonder omwegen.. Als een laatste smeekbede. Zo kijkt hij naar mij.
Ik geef hem het zakje . De tranen staan in zijn ogen. Ik huil met hem mee en weet niet wat de weg die voor me ligt, zal brengen. Hij kust mijn haren en neemt me stevig vast. Zo staan we dan, een minuut of tien geklemd in elkaars armen. Net dat wat ik niet wilde, doet nu zoveel deugd. Even vastzitten aan elkaar. Nergens heen kunnen. Gevangen zijn in de ander.
Hij laat me zachtjes los en kijkt in het zakje.

“ Welke koffiekoek wil jij ?” vraagt hij met een hese stem.



Zijn gezicht straalt. Ik bedenk dat ik nog nooit zoiets huiselijks deed als voor een ander zijn middagmaal zorgen en ik slik ik mijn laatste stukje vrijheid door. Het smaakt naar pudding en chocolade.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina