We onderscheiden drie verschillende vormen van bijwoorden



Dovnload 82.46 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte82.46 Kb.
Bijwoorden


  • Bijwoorden noemen een eigenschap, kenmerk of toestand van andere woorden, met uitzondering van zelfstandige naamwoorden en zelfstandig gebruikte woorden.

We onderscheiden drie verschillende vormen van bijwoorden:



    1. een vorm die eindigt op –ly

    2. een eigen vorm

    3. dezelfde vorm als het corresponderende bijvoeglijk naamwoord


ad. 1 op -ly

  • van bijvoeglijke naamwoorden rude rudely

  • van deelwoorden loving lovingly

  • van zelfstandige naamwoorden day daily


ad. 2 eigen vorm

about much rather there

almost nearly seldom too

already never sometimes very

always often soon well

here quite still where

etc.
ad. 3 dezelfde vorm als het corresponderende bijvoeglijk naamwoord

cheap fast long pretty

clear hard loud right

fair late low straight


Let op: enkele bijvoeglijke naamwoorden zien eruit als bijwoorden. Hiervan kan je dus geen bijwoord vormen. Vaak wordt hetzelfde bereikt door een omschrijving.
Friendly - in a friendly way

Silly - in a silly way

Heavenly lonely lovely weekly

Lively masterly timely


In plaats van likely wordt probably gebruikt.

With difficulty wordt gebruikt, omdat van difficult geen bijwoord kan worden gemaakt. Not possibly is een oplossing voor het bijvoeglijk naamwoord impossible. Een uitzondering hierop vormt this impossibly early hour.


LET OP: na de werkwoorden to taste, to smell, to sound, to feel, to look, to seem en to be krijg je het bijvoeglijk naamwoord ipv het bijwoord


This sandwich tastes wonderful.

You smell good.

That sounds lovely.

The fabric feels soft.

That looks good.

He seems happy.

He is kind.



Soorten bijwoorden


  1. Betrekkelijk bijwoord

The year when he was born. Het jaar waarin hij geboren was.

The hotel where we were staying. Het hotel waar we verbleven.

The reason why he refused. De reden waarom hij weigerde.




  1. Bijwoord van graad

You are absolutely right. Je hebt helemaal gelijk.

I am almost ready. Ik ben bijna klaar.

The box is not big enough. De doos is niet groot genoeg.

This is far better. Dit is veel beter.

He didn’t like it much. Hij vond er niet veel aan.

I’ll buy just one. Ik koop er maar één.
Vergelijk: I’ll just buy one. Ik koop er even één.


  1. Bijwoord van hoedanigheid

She danced beautifully. Ze danste mooi.

Would you kindly wait. Wilt u zo goed zijn te wachten.

He paid her badly. Hij betaalde haar slecht.

The trip was well organized. De tocht was goed georganiseerd.

She knows the town well. Ze kent de stad goed.

You know very well that I cannot drive. Je weet heel goed dat ik niet kan rijden.

Somehow they managed to help. Op de één of andere manier hebben ze me kunnen helpen.




  1. Bijwoord van plaats

She went away. Ze ging weg.

He lives abroad. Hij woont in het buitenland.

We looked for you everywhere. We hebben je overal gezocht.

Are you going somewhere? Ga je ergens naartoe?

There he goes! Daar gaat hij!

There goes our bus! Daar gaat onze bus.

Here comes Ted. Hier komt/Daar heb je Ted.

Ted comes here. Ted komt hier.

William here. Met William. (telefoon)




  1. Bijwoord van regelmaat

She is always on time. Ze is altijd op tijd.

They sometimes stay up all night. Ze blijven soms de hele nacht op.

He has never been to London. Hij is (nog) nooit in Londen geweest.

You never can tell. Je weet het maar nooit.


  1. Bijwoord van tijd

We will soon be there. We zijn er gauw.

I’ll wait till tomorrow. Ik wacht tot morgen.

He hasn’t phoned yet. Hij heeft nog niet gebeld.

She is still in bed. Ze ligt nog (steeds) in bed.


  1. Vragend bijwoord

Why was he late? Waarom was hij laat?

When do you get up? Wanneer sta je op?

Where do you live? Waar woon je?

How soon can you come? Hoe gauw kun je komen?


  1. Bijwoord van modaliteit (drukt de houding van de spreker uit. Deze hebben in het Engels betrekking op de hele zin.)

Surely you could pay for that? Jij kunt dat toch zeker wel betalen?

Apparently he knew the town well. Hij kende de stad blijkbaar goed.

He is obviously clever. Hij is duidelijk knap.

Actually I have just bought one. In werkelijkheid heb ik er net één gekocht.

Spellingsveranderingen

Day - daily maar:

Happy - happily grey - greyly

Noble - nobly pale - palely

Sensible - sensibly sole - solely

True - truly extreme - extremely

Due - duly

Whole - wholly

Final - finally
Bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op –ic eindigen op -ically in hun bijwoordvorm.
Heroic - heroically

Economic - economically

Basic - basically

Bijwoorden die dezelfde vorm hebben als het bijvoeglijk naamwoord


You are right.

Turn right here.

It serves you right.

A clear sky.

We hear you loud and clear.

A pretty girl.

It was pretty cold.

A hard nut.

She works hard.

Loud noises.

Don’t speak so loud.

Cheap holidays.

I bought it cheap.

A late train.

They arrived late.

I was wrong.

My plan has gone wrong.

Henry is a fair player.

Henry plays fair.

To be short in money.

We are running short of petrol.

Je hebt gelijk.

Sla hier rechtsaf.

Je verdiende loon.

Een heldere hemel.

We horen je luid en helder.

Een mooi meisje.

Het was knap koud.

Een harde noot.

Ze werkt hard.

Harde geluiden.

Praat niet zo hard.

Goedkope vakanties.

Ik heb het goedkoop gekocht.

Een late trein.

Ze kwamen (te) laat aan.

Ik heb me vergist.

Mijn plan is mislukt.

Henry is een eerlijke speler.

Henry speelt eerlijk.

Krap bij kas zijn.

Onze benzine raakt op.



He came direct from Antwerp. Hij kwam rechtstreeks uit Antwerpen.

He aimed high. Hij mikte hoog.


Deze bijwoorden geven deze zin een heel andere betekenis.


He was rightly informed.

She saw clearly what was wrong.

She always smiles prettily.

He hardly worked.

To insist loudly on.

He treated her cheaply.

Have you been there lately.

She has been wrongly accused.

He plays fairly well.

He answered her shortly.

Hij was juist geïnformeerd.

Ze zag duidelijk wat fout was.

Ze glimlacht altijd charmant.

Hij werkte nauwelijks.

Ergens zeer nadrukkelijk op staan.

Hij behandelde haar schandalig.

Ben je daar de laatste tijd nog geweest?

Ze is ten onrechte beschuldigd.

Hij speelt tamelijk goed.

Hij antwoordde haar kortaf.



He went to bed directly. Hij ging meteen naar bed.

Her voice was highly praised. Haar stem werd hogelijk geprezen.



Plaats van het bijwoord
In principe staan bijwoorden aan het eind van de zin, in deze volgorde:
1. Hoedanigheid 2. Plaats 3. Tijd

Fred behaved badly (1) at the party (2) last night (3).


Bijwoorden van tijd kunnen voorkomen aan het begin of aan het eind van een zin.
Yesterday I saw him in the park. Gisteren heb ik hem in het park gezien.

I saw him in the park yesterday.


De volgorde van tijdsbepalingen gaan van klein naar groot:

At one o’clock on Christmas Day in the year 1992.


Bijwoorden staan voor bijvoeglijke naamwoorden.
Very nice heel mooi

Rather fast tamelijk snel

Fairly relaxed tamelijk ontspannen

Quite amusing heel amusant

Much older veel ouder
Maar: He is rich enough. Hij is rijk genoeg.

Bijwoorden van regelmaat





  • Voor het werkwoord

He often visits us. Hij bezoekt ons vaak.

  • Voor to do

He often does not know. Hij weet het vaak niet.

  • Na to be

He is always late on Mondays. Hij is altijd laat op maandag.

  • Na het eerste hulpwerkwoord

He has always done his best. Hij heeft altijd zijn best gedaan.

Uitzonderingen


You are right, he always is. Je hebt gelijk, dat is hij altijd.

I don’t like to visit them, but I Ik bezoek ze niet graag, maar soms moet ik


sometimes must. wel.

You never can tell. Je weet het maar nooit.


Bijwoorden van graad staan op dezelfde plaats als bijwoorden van regelmaat.

I hardly heard what he said. Ik hoorde nauwelijks wat hij zei.

He has entirely changed. Hij is helemaal veranderd.

It is barely enough. Het is amper genoeg.



Bijwoorden van hoedanigheid komen na het woord dat ze bepalen.
He marched proudly up to the flag. Hij marcheerde trots naar de vlag.

He looked suspiciously at me. Hij keek me wantrouwend aan.

They speak English well. Ze spreken het Engels goed.
Bijwoorden van modaliteit (die een hele zin bepalen) staan aan het einde of aan het begin van de zin.
Fortunately it never happened. Gelukkig is het nooit gebeurd.

Ann never told me, honetsly. Ann heeft het me eerlijk nooit verteld.


Vergelijk de volgende verschillen:

He secretly decided to go. Hij besloot in het geheim om weg te gaan.

He decided to go secrectly. Hij besloot heimelijk weg te gaan.
He foolishly reacted. Hij was zo dwaas om te reageren.

He reacted foolishly. Hij reageerde dwaas.


You know well I can’t swim. Je weet heel goed dat ik niet kan zwemmen.

You know I can’t swim well. Je weet dat ik niet goed kan zwemmen.


He only lent it to us. Hij leende het slechts aan ons. (gaf het niet)

He lent it to us only. Hij leende het alleen aan ons. (geen ander)


Enkele veel voorkomende bijwoorden.


What, is he back already?

Has he come back yet?

As early as 1980

My trouble is anything but over.

The problem is all but solved.

Anything else?

Hurry up, or else you’ll be late.

By train or otherwise.

She has a big nose, but otherwise she is good-looking.

Dinner’s almost ready.

It’s almost too good to be true.

Almost no one believed her.

That is not nearly enough.

Nearly always

We hardly know her.

There’s hardly any money left.

He hardly ever travels by train.

Hardly anybody came.

You’ll find this hardly anywhere.

I can scarcely hear you.

Barely enough to eat.

The police came at once.

All at once the light went out.

At first I didn’t like him, but I soon changed my mind.

First come, first served.

We weren’t much interested.

The story is very amusing.

He is very much alive.

She was the very first to arrive.

He wants the money badly.

How well you look!

How annoying!

What a mean trick.

What’s he like?

What do you call this?

Don’t be late for dinner.

The doctor came too late.

We haven’t seen him lately.


At last he saw he was wrong.

It will cost you at least 20 pounds.

Is your brother still here?

Is your brother here yet?

He may be in prison, still he’s my friend.
New-laid eggs

A room for newly-weds

Only yesterday.

We could ill afford the money.

Badly made clothes

The doctor will be with you shortly. (presently)

Early in life

He soon repented his decision.

As soon as possible.

He formerly worked as a milkman.

Haven’t we met before?

Slowly but surely.



Wat, is hij nu al terug? (verbazing)

Is hij al terug? (normale betekenis)

Al in 1980

Mijn pech is allesbehalve voorbij.

Het probleem is bijna opgelost.

Nog iets (anders)?

Schiet op, anders kom je te laat.

Per trein of hoe dan ook.

Ze heeft een grote neus, maar afgezien daarvan ziet ze er goed uit.

Het eten is bijna klaar.

Het is bijna te goed om waar te zijn.

Bijna niemand geloofde haar.

Dat is lang niet genoeg.

Bijna altijd

We kennen haar nauwelijks.

Er is bijna geen geld meer.

Hij reist bijna nooit per trein.

Er kwam bijna niemand.

Je vindt dit bijna nergens.

Ik kan je nauwelijks verstaan.

Nauwelijks genoeg te eten.

De politie kwam meteen.

Plotseling ging het licht uit.

Eerst mocht ik hem niet, maar ik veranderde spoedig van gedachten.

Wie het eerst komt, het eerst maalt.

We waren niet erg geïnteresseerd.

Het verhaal is erg amusant.

Hij is springlevend.

Ze kwam als allereerste aan.

Hij heeft het geld hard nodig.

Wat zie je er goed uit!

Wat vervelend!

Wat een smerige streek!

Hoe ziet hij eruit?

Hoe noem je dit?

Kom niet te laat voor het eten.

De dokter kwam te laat.

We hebben hem de laatste tijd niet gezien.

Eindelijk zag hij in dat hij zich vergist had.

Het kost minstens 20 pond.

Is je broer nog hier?

Is je broer al hier?


Hij mag dan in de gevangenis zitten, toch is hij mijn vriend.

Verse (pasgelegde) eieren.

Een kamer voor pasgetrouwden.

Pas gisteren.

We konden het geld slecht missen.

Slecht gemaakte kleren.

De dokter komt zo meteen.
Op jeugdige leeftijd

Hij had spoedig spijt van zijn besluit.

Zo spoedig mogelijk.

Hij werkte vroeger als melkman.

Hebben we elkaar niet eerder ontmoet?

Langzaam maar zeker.


Enkele woorden die ten slotte betekenen:

At last, eventually, finally, in the end, ultimately.

Woordvolgorde
De normale volgorde in het Engels:


  1. Onderwerp – 2. Gezegde – 3. meewerkend voorwerp – 4. lijdend voorwerp (of voorzetsel voorwerp) – 5. voorzetsel complement.

I (1) told (2) my friend (3) a story (4) on the train (5).


Het naamwoordelijk deel van het gezegde wordt steeds onmiddellijk na het koppelwerkwoord geplaatst:
Her coffee tastes wonderful. Haar koffie smaakt heerlijk.
Zodra het onderwerp het gezegde volgt is er sprake van inversie.
Inversie komt voor in de volgende gevallen:
In vragen.
Can he bake a cake? Kan hij een cake bakken?

Did you meet your friend? Heb je je vriend(in) ontmoet?


Maar: Als het onderwerp een vragend woord is, is de woordvolgorde normaal.
Who goes home? Wie gaat er naar huis?

What comes after T? Wat komt er na T?

How many people know this? Hoeveel mensen weten dit?
Na neither, nor en so.
He wasn’t at school, neither was he at home. Hij was niet op school, hij was ook niet thuis.

We speak Chines. So do they. Wij spreken Chinees. Zij ook.


Maar: Als het onderwerp uit beide zinnen overeenkomt de woordvolgorde normaal.
She drives well. So she does. Ze rijdt goed. Dat is zo. (Dat doet ze)

He will win again. So he will. Hij wint weer. Zeker.


In tags.
Fine weather, isn’t it? Mooi weer, niet?

There is a bathroom in the house, isn’t there? Er is een badkamer in het huis, nietwaar?


Als de volgende bijwoorden de zin openen.


Hardly had he seen me, when he ran away.

Scarcely was I in bed when the phone rang.

Never (before) have I met such a strange person.

Very seldom does he eat any breakfast.

No sooner had he closed his eyes than he fell asleep.

There goes my hat!

Here comes my friend!

Nauwelijks had hij mij gezien of hij rende weg.

Nauwelijks lag ik in bed of de telefoon ging.

Nooit (eerder) heb ik zo’n vreemd persoon ontmoet.

Erg zelden gebruikt hij het ontbijt.
Nauwelijks had hij zijn ogen gesloten of hij viel in slaap.

Daar gaat mijn hoed!

Hier komt mijn vriend!

Soms in voorwaardelijke zinnen.




Should he come, ask him to phone me at once.

Had I been there, I would have paid him.

Mocht hij komen, vraag hem dan mij meteen te bellen.

Als ik er was geweest, had ik hem betaald.


In gebiedende zinnen met not.


Don’t you dare throw this away! Waag het eens dit weg te gooien!

Don’t ever try this again! Probeer dit nooit weer!


Exercises
A)

  1. Je legde het erg duidelijk uit.

  2. Zijn verklaring is erg duidelijk.

  3. ’t Is verschrikkelijk koud.

  4. ‘Ik weiger te blijven’, zei hij boos.

  5. Ik ben er vrij zeker van dat Robin de baan krijgt.

  6. Wilt u alstublieft langzaam spreken.

  7. Ik wil een definitief antwoord.

  8. Dat verhaal is moeilijk te geloven.

  9. Wees niet onvoorzichtig.

  10. Het resultaat was niet erg goed; het was onzorgvuldig gedaan.

  11. We hopen dat het de volgende keer zorgvuldiger wordt gedaan.

  12. Dat is precies wat ik bedoel.

  13. Hoe werd het georganiseerd? –Niet erg goed, helaas.

  14. Het aantal studenten is aanzienlijk toegenomen.

  15. Deze onderdelen moeten geregeld geolied worden.

  16. We kunnen daar onmogelijk op tijd komen.

  17. Je zult vast wel iemand vinden, die een verklaring in het Nederlands kan geven.

  18. We waren allen zeer onder de indruk.

  19. Ze krijgen veel toeristen uit het buitenland, maar in economisch opzicht is het land er slecht aan toe.

  20. Dank u wel voor uw hulp.

B)


  1. Goed gedaan.

  2. Het was gisteravond bitter koud.

  3. Hij antwoordde erg openhartig.

  4. Ik kan het gemakkelijk vanavond af krijgen.

  5. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ze thuis is.

  6. Je zus danst fantastisch.

  7. Loop a.u.b. iets vlugger.

  8. Rijd niet zo gevaarlijk.

  9. Ze praatte erg nerveus.

  10. Ze zijn gelukkig getrouwd.

C)


  1. Deze hamburgers smaken lekker.

  2. Gelukkig is iedereen aangekomen.

  3. Het lijkt een mooi plan, het klinkt interessant.

  4. Het ziet er lekker uit, maar het smaakt vies.

  5. Hoe vind je deze cd? Het klinkt wel goed.

  6. Ik voel me heel goed.

  7. Iedereen ziet er gelukkig uit.

  8. Moeder voelt zich moe.

  9. Zijn huis ziet er nogal klein uit.

  10. Heb je goed geslapen? Ja, ik heb erg goed geslapen.

D)


  1. Hij schaatst erg goed.

  2. Je moet niet zo snel eten!

  3. Je moet altijd eerlijk spelen.

  4. Mijn zoon zegt dat hij altijd hard werkt.

  5. Mijn vriend spreekt slecht Italiaans. Hij verstaat het ook niet goed.

  6. We hebben onze boot tamelijk goedkoop verkocht.

  7. Ze kwamen elke week te laat.

  8. Ze mag blijven zo lang ze maar wil.

  9. Zijn broer zwemt nog beter dan zijn zus.

  10. De soep ruikt goed, niet?

E)


  1. Deze kunstbloemen zien er verbazend echt uit.

  2. Ze hebben hem nooit serieus genomen.

  3. Hij sloot zachtjes de deur en liep rustig weg.

  4. De blinden worden gelukkig regelmatig door niet-gehandicapten geholpen.

  5. Wij vragen ons nog steeds af waarom hij vorig zo kritisch over haar boeken schreef.

  6. Het wonderlijke is dat hij nauwelijks serieus belang stelde in haar carrière.

  7. Het speet hem verschrikkelijk dat hij maar gedeeltelijk geslaagd was.

  8. Ik ben bijzonder geïnteresseerd in de problemen van dove mensen.

  9. De werklozen die maandelijks geld van de regering krijgen moeten af en toe solliciteren.

  10. De dode zal snel naar zijn eigen land vervoerd worden en dan onmiddellijk worden begraven.

F)


  1. Ik ga bijna nooit naar een stadion, omdat ik niet bepaald dol ben op menigtes.

  2. Onlangs vroeg een vriend me een wedstrijd bij te wonen die buitengewoon spannend zou zijn.

  3. Ik dacht dat een kaartje vreselijk duur zou zijn, maar gelukkig bleek het redelijk goedkoop te zijn.

  4. Op de dag van de wedstrijd moest ik echter hard werken.

  5. Ik kwam laat thuis en moest me haasten.

  6. Dichtbij het stadion zagen we een verrassend groot aantal agenten die duidelijk hard rust nodig hadden.

  7. Toen we eindelijk dichtbij het stadion waren gekomen, merkten we dat we nauwgezet in de gaten werden gehouden.

  8. Ik geloof dat de politie terecht voorzichtig is, hoewel ik er niet van houd zo bekeken te worden.

  9. De laatste tijd hebben hoogst opgewonden supporters teveel relletjes veroorzaakt.

  10. Gelukkig was het een buitengewoon spannende wedstrijd en speelden beide elftallen vrij eerlijk.

Adverb or adjective?
A)

  1. Honest/Honestly, I can impossible/can impossibly/can’t possible/can’t possibly tell you where you are.

  2. It was rather unfortunate/unfortunately that he came at the wrong time.

  3. Let’s do it proper/properly this time.

  4. They disappeared quiet/quietly.

  5. There was less than usual/usually.

  6. They reached their destination eventual/eventually.

  7. The children were excited/excitedly.

  8. The losses have been great, unfortunate/unfortunately.

  9. Surprising/Surprisingly, all my friends agreed with me.

  10. I want to know the whole/wholly truth.

  11. I am full/fully convinced that Ernest is willing to co-operate.

  12. A Dutch housewife general/generally cooks only one hot meal a day.

  13. Visitors are urgent/urgently requested not to feed the animals.

  14. Few gifts give greater pleasure at Christmas than bulbs, especial/especially a bowl of hyacinths.

  15. The kind of workshirt I liked cost 20 pounds. Eventual/Eventually I bought it for less than half the price.

  16. A lucky/luckily guess is never mere/merely luck. There is always some talent in it.

  17. The boy’s behaviour had been very bad/badly and his father ended his lecture saying: ‘Now my boy, you understand perfect/perfectly what I mean.’ The boy replied: ‘Yes, if I do anything good/well it is because of heredity and if do anything wrong it is my own fault.’

  18. Don’t take life too serious/seriously; you’ll never get out of it alive.

B)


  1. One sunny/sunnily morning in early/earlily summer we decided to go to the beach.

  2. As the beach is usual/usually very crowded we set out extreme/extremely early/earlily following our usual/usually route.

  3. We were bitter/bitterly disappointed to notice we weren’t the only ones on the road.

  4. It was fortunate/fortunately for us that I knew a shortcut.

  5. Quick/Quickly I turned right and we were soon driving along merry/merrily.

  6. Being a cautious/cautiously driver I drove careful/carefully along the narrow road.

  7. Unexpected/Unexpectedly my car began to slow down and I sudden/suddenly realized I was out of petrol.

  8. ‘How perfect/perfectly silly of me’ I said, feeling terrible/terribly embarrassed.

  9. Fortunate/Fortunately I had a jerry-can full of petrol in the boot of my car and in due/duly time we were on our way again.

  10. When we final/finally reached the beach we were happy/happily to see it was still surprising/surprisingly quiet and we had a simple/simply wonderful/wonderfully time.

C)

  1. It is (algemeen) known that people dislike obeying a dentist’s request to open their mouths (wijd).

  2. (Meestal) I don’t feel like keeping my appointment with the dentist, but on the appointed day I (over ‘t algemeen) set out (heldhaftig).

  3. (Gelukkig) my dentist always welcomes me (vriendelijk) and does his utmost to make me feel (op mijn gemak).

  4. (Onlangs) I was (geweldig) relieved when I read about an (ongelooflijk) hopeful development.

  5. Althought I am (goed) aware of the fact that it sounds (hoogst) (onwaarschijnlijk), pain in the dentist’s chair will (uiteindelijk) become (onnodig).

  6. Dentists’ chairs equipped with this (meest recente) gadget will enable patients to regulate pain they must (helaas) endure according to what each considers (aanvaardbaar).

  7. (Persoonlijk) I consider this a development of (historische) significance and I (oprecht) believe that the inventor merits the Nobel prize.

  8. I can (onmogelijk) imagine that there are patients who would prefer to undergo the now (hopeloos) outdated method of dental treatment.

  9. Therefore it may not sound (verrassend) that I hope my dentist will decide to install the pain regulating device (binnenkort) and I am willing to postpone my next appointment (voor onbepaalde tijd) until he (publiekelijk) announces he also possesses one.

  10. Though the (opmerkelijke) new device is reported to be (buitengewoon) (duur) and though I am (over het algemeen) very (zuinig), I am willing to pay whatever it may cost; (gelukkig) I am (goed) verzekerd.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina