Welke kaartjes horen bij elkaar? (getallen 1 t/m 6 of 1 t/m 12 centraal)



Dovnload 28.74 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte28.74 Kb.

Titel van de les

Welke kaartjes horen bij elkaar?

(getallen 1 t/m 6 of 1 t/m 12 centraal)


Leeftijdsgroep

Ongeveer 6 tot 8 jaar


Kerndoel

Deze les levert een bijdrage aan de kerndoelen

1: de leerlingen leren hoeveelheidbegrippen gebruiken en herkennen

2: de leerlingen leren rekenhandelingen uitvoeren voor het functioneren in alledaagse situaties


Leerstofonderdeel

Getal als onderdeel van de telrij

Uiterlijk van het getal

Getal als hoeveelheid

1.1_3 binnen een context weten wat bedoeld wordt met begrippen als niets-alles (allemaal), veel-weinig, meer-minder, evenveel, samen

1.1_4 (actief) hanteren van begrippen als erbij, eraf, alle, geen, niets, veel, weinig, meer, minder, evenveel, één meer, één minder, een paar, genoeg

1.2_3 hoeveelheden (tot en met 10) op een afbeelding tellen en benoemen

1.2_3 getalsymbolen tot en met 5 koppelen aan hoeveelheden en andersom

1.2_4 tastbare hoeveelheden (tot en met 12) tellen en benoemen.

1.2_4 getalsymbolen tot en met 10 koppelen aan hoeveelheden en andersom

2.3_3 de getalsymbolen tot en met 5 herkennen en benoemen

2.3_3 getallen tot en met 5 in de juiste volgorde zetten

2.3_4 de getalsymbolen tot en met 10 herkennen en benoemen

2.3_4 getallen tot en met 10 in de juiste volgorde zetten

2.3_4 de positie van de getallen tot en met 5 ten opzichte van elkaar kennen




Doel van de les

Vergelijken van hoeveelheden: begrippen meer, minder

Koppelen van hoeveelheden aan getalsymbolen

Verkennen van de volgorde van getallen


Benodigdheden


- kopieerblad B8: kaartjes met de getalsymbolen 1 tot en met 12

- kopieerblad B5




Korte samenvatting

Leerlingen leggen individueel of in tweetallen getalkaartjes op volgorde. Daarna krijgen ze steeds een kaart met een andere hoeveelheid appels in een getalpatroon, die ze onder het juiste getal moeten leggen.


Organisatie

Kleine groepjes of tweetallen


Activiteiten

Start: getalkaartjes op volgorde leggen

U geeft iedere leerling of ieder tweetal een set getalkaartjes door elkaar. Laat de kinderen de kaartjes bekijken. ‘Wat zie je?’ Kunnen de kinderen een paar getallen noemen?

Vraag de kinderen om de getallenrij tot en met 12 te leggen. Wanneer de kinderen vastlopen vraagt u welk getal er al ligt en welke daarna komt.
Het opzeggen van de telrij kan hierbij een goed hulpmiddel zijn.
Aan het eind wordt samen bekeken of de getallenrij klopt door de getallen vanaf het begin te benoemen terwijl u ze aanwijst.

Kaartjes met patronen van 1 tot en met 12


Als de getallenrij op tafel ligt geeft u ieder kind of tweetal een kaart met een getalpatroon. “Hoeveel appels zijn dat? Bij welk getal hoort het kaartje?”
Geef de kaarten niet op volgorde maar door elkaar. Begin wel met een paar makkelijke en vervolgens wat moeilijke kaartjes waarbij een relatie met de vorige kaart bestaat.
Bijvoorbeeld:

1









ste 2de

Of

1



















ste 2de

Hierbij zet u leerlingen op het spoor van doortellen. “Hier zijn er drie, vier, vijf, zes.” Ook leren de leerlingen impliciet over relaties tussen getallen:’zes is drie en drie’.
Afsluiting: Een kaartje weg halen

U kunt de activiteit afsluiten met een spelletje. Draai een van de kaartjes om (of haal die weg) en vraag welk getal weg is. Dit kan wat makkelijker door het ‘gaatje’ in de telrij open te laten of moeilijker door de getallen bij elkaar te schuiven:



4

Of






Aandachtspunten

Let op de manier die de leerlingen gebruiken bij het vast stellen van het aantal stippen, zodat u ze kunt stimuleren om een stap verder te komen:

  • Telt de leerling synchroon? Zegt de leerling de telrij correct op?

  • Telt de leerling alle appels of telt hij door?

  • Herkent de leerling het getalpatroon?




Differentiatie

Makkelijker

  • Gebruik minder getalkaartjes (wel een paar waarmee het kind nog moeite mee heeft).

  • Geef het kind niet alle twaalf getalkaarten tegelijk maar geef steeds de volgende drie getallen zodat het eenvoudiger is om ze op volgorde te leggen.

  • Laat de leerlingen de hoeveelheden tellen, help de leerlingen daar desnoods mee.

Moeilijker



  • Laat het kaartje met het getalpatroon kort zien en draai deze vervolgens om. Om welk kaartje ging het? Waar hoort het te staan? U oefent hiermee het in een keer herkennen van de getalpatronen.

  • Stimuleer de leerlingen om gebruik te maken van de patronen en de relaties met andere kaarten.




Vervolgactiviteiten

(

1)Knutselidee: eigen kaarten maken

Laat leerlingen eigen kaartjes met patronen (na)maken. Dat kan bijvoorbeeld door het opplakken van stickers.


(2) Memory spelen

Speel een memoryspel met een deel van de kaarten uit kopieerblad B8 en B5, waarbij kinderen steeds één kaart met een hoeveelheid en één kaart van het bijbehorende getalsymbool moeten zoeken.




Variatie

Andere getalpatronen kiezen

U kunt variëren door kaarten te nemen waar de hoeveelheden op een andere manier zijn gestructureerd (zie de twee mogelijkheden van kopieerblad B5). U kunt ook kiezen om ze samen te gebruiken.


Getallen 1 t/m 6

U kunt de activiteit beperken tot de getallen tot en met zes.


Eigen kaartjes gebruiken

Er zijn ontwikkelingsmaterialen die ook kaartjes met hoeveelheden hebben. Die kunt u ook gebruiken. Gebruik alleen kaarten waar de hoeveelheden gestructureerd afgebeeld zijn.


Kaartjes in brievenbussen

In plaats van de kaartjes met getalpatronen onder de getalkaartjes te laten leggen, kunt u ook dozen met daarop het getalsymbool als ‘brievenbus’ gebruiken.


Kinderen moeten de kaarten met getalpatronen in de goede brievenbus doen.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina