Wereldgodsdiensten en de interreligieuze dialoog I. De Katholieke Kerk



Dovnload 306.98 Kb.
Pagina1/5
Datum25.07.2016
Grootte306.98 Kb.
  1   2   3   4   5



WERELDGODSDIENSTEN EN

DE INTERRELIGIEUZE DIALOOG

I. De Katholieke Kerk


A. Visie, theologische duiding, concrete voorbeelden
1. De Kerk voor Vaticanum II

2. Van exclusivisme naar inclusivisme

3. Leer van de Kerk tijdens Vaticanum II

4. Paulus VI

5. Johannes Paulus II

6. Benedictus XVI

7. Het pluralisme

8. Dialoog en Verkondiging

9. Dominus Iesus

B. Contemplatieve ingesteldheid
1. Dialoog op een dieper niveau

2. Enkele praktijkvoorbeelden




C. De samenhang van de wereldreligies
1. De complementariteit volgens Hans Küng

2. De axiale religies volgens Karl Jaspers



A. Visie, theologische duiding, concrete voorbeelden

Ook al zijn er met Vaticanum II aanzetten tot vernieuwende inzichten gegeven, toch blijft de formulering van de dialoog vanuit de katholieke Kerk voor verduidelijking vatbaar. Historische bezoeken en profetische toespraken van paus Johannes-Paulus II contrasteerden nog te veel met verklaringen van het leergezag. Naast theologische reflecties is er ook nood aan een specifieke spiritualiteit in verband met de dialoog. Die kan soms een ander licht op de te volgen weg werpen. Dialoog dient bijgevolg vanuit verschillende oogpunten benaderd te worden: theologisch inzicht, spirituele diepgang en pastoraal optreden.





  1. De Kerk voor Vaticanum II

Enkele uitzonderingen daar gelaten, mogen we stellen dat het grootste deel van de geschiedenis van het christendom gekenmerkt werd door een zeer negatieve houding ten opzichte van andere religies. Nochtans getuigde de kerk in de eerste twee eeuwen van haar bestaan van een vrij open houding op dat vlak.




  • Justinus de Martelaar (ca.100- ca.165) zei dat Gods uitgezaaide woord (Logos spermatikos) werkzaam was onder individuele niet-christenen. Dat maakt het mogelijk dat er bij heidense filosofen (bv. Socrates) sporen van christelijke waarheid aangetroffen konden worden. God is immers vanaf de schepping met de Logos in de wereld aanwezig geweest. Onderscheid dient echter gemaakt te worden tussen de Logos a-sarkos en Logos en-sarkos. Dat laatste slaat op het ‘vleesgeworden woord’, nl. Jezus Christus. Van hem is de uitspraak: "Al het ware, door wie het ook gezegd mag zijn, komt van de heilige Geest."




  • Clemens van Alexandrië (ca.150- ca.215) stelde dat zowel christenen als heidenen iets van Gods genade hebben ontvangen. Toch maakte hij het onderscheid tussen christelijke theologia (ware uitspraken over God) en niet-christelijke mythologia (onware verhalen uit de heidense mythologie).




  • Ireneus van Lyon (2de e.) sprak over ‘deugdzaamheid in de harten’. Door de Logos spermatikos werkt God in de harten van alle mensen, waardoor die een deugdzaam leven leiden. Ireneus heeft het over sommige heidense volkeren die God ‘Vader’ noemen en die Hem ‘vrezen en liefhebben’. Zij leven eveneens volgens een morele code.

De eerste christelijke denkers gingen er bijgevolg van uit dat door de werking van Gods heilsbrengende genade overal in de wereld goede en waarachtige dingen bestonden. Elke filosofische en religieuze traditie had haar bestaan te danken aan Gods openbarend initiatief. De Logos was dus overal zichtbaar, voor christenen werd ze op definitieve wijze in Jezus Christus belichaamd. Voor de verhouding tot de Joden had dat negatieve implicaties:


Ten aanzien van de joden ontwikkelde men gaandeweg het zogeheten ‘substitutiemodel’ of ‘supersessionisme’. De Kerk vervangt het oude Israël; zij is het nieuwe en ware Israël terwijl het contemporaine rabbijnse jodendom eigenlijk niets meer is dan een levend fossiel of anachronisme. Maar volgens Gods heilsplan zullen uiteindelijk, aan het eind der tijden, alle joden zich bekeren.”
De houding tot de antieke filosofie daarentegen was eerder positief. Terwijl de offercultussen en mythische godenwerelden in het Romeinse Rijk werden afgewezen, ontwikkelden de kerkvaders ten aanzien van de filosofie een positievere houding:
De Griekse filosofie, die in de oudheid niet zozeer een louter intellectuele bezigheid maar eerder een moreel-religieuze levenswijze behelsde, werd door onder meer Eusebius van Caesarea (gest. 339) beschouwd als een voorbereiding op het evangelie.” Die stap kon gezet worden op basis van “de theorie dat de menselijke rede een soort voorlopige participatie is aan de Logos, het goddelijk Woord, dat in zijn geheel geïncarneerd en definitief geopenbaard is in Jezus van Nazareth.
Die twee duidelijke standpunten betroffen twee levensbeschouwingen waarmee de eerste generaties christenen in contact kwamen: het Jodendom en de Griekse filosofie. Pas daarna werd aan een algemener en grondiger theologische reflectie gedaan. Vanaf de 3de eeuw verhardt het kerkelijk standpunt.


  • Cyprianus van Carthago (gest. 258) meende dat iedereen nu wel de kans had gehad christen te worden. Van hem zou de uitdrukking zijn: ‘Wie niet de Kerk heeft als moeder, kan niet God hebben als Vader’. Hij vergeleek de Kerk ook met de ark van Noach: wie zich erbuiten bevindt, zal omkomen. Het christendom stond aan de vooravond een aanvaarde godsdienst te worden (Edict van Milaan 313). Voortaan ging de Kerk dan ook harder optreden tegen al wie niet christelijk was. De begin- en slotwoorden van het Credo van Athanasius (1) zijn een weerspiegeling van die houding:

Al wie behouden wil worden, heeft vóór alles nodig, dat hij het algemeen (‘katholiek’)



geloof vasthoudt. Wie dit niet volledig en ongeschonden bewaart, zal ongetwijfeld voor

eeuwig verloren gaan. …

Dit is het algemeen geloof. Wie dit niet oprecht en standvastig gelooft, kan niet behouden

worden.”


  1. Het Credo wordt wel aan Athanasius (296-373), bisschop van Alexandrië toegeschreven, doch werd hoogwaarschijnlijk door Ambrosius (339-397), bisschop van Milaan opgesteld en was bedoeld om het arianisme te bestrijden. Die belijdenis werd alleen gelezen bij de zondagse priem in de westerse kerk en werd niet gebruikt in de Oosters-orthodoxe. Ze is daarenboven in het Latijn en niet in het Grieks geschreven.

Cyprianus smeedde het begrip ‘extra ecclesiam nulla salus’. Dat werd aanvankelijk uitsluitend gebruikt in de context van kerkscheuringen, waarbij de Romeinse bisschopszetel de autoriteit was in geloofszaken. Die strikte scheiding tussen gelovigen en ongelovigen werd eveneens toegepast op alle ongedoopte kinderen en zelfs op foetussen die in de baarmoeder stierven en als gevolg daarvan naar de hel gingen. Die redenering leverde later de argumenten voor Kruistochten en Inquisitie, Jodenvervolging en godsdienstoorlogen. Het geloof en de waarheid zijn immers voorhanden en die waarheid bezit de Kerk. Het is haar taak anderen tot dat besef te brengen met alle mogelijke middelen die de tijdsgeest verschaft.
Daarmee werd de basis gelegd van het ‘exclusivisme’. De exclusivistische opstelling is de oudste gesystematiseerde visie in de theologie van de religies en wordt zo genoemd omdat ze de heilswaarheid van de eigen religie stelt tegenover het totaal ontbreken van enige heilswaarde in andere religies. Wanneer men het katholieke geloof niet aanhangt en bovendien niet behoort tot de Kerk, is men verstoken van heil, redding, paradijs. Vaak wordt in die benadering verwezen naar de woorden van Jezus in het Johannesevangelie: ”Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.” (Joh 14, 6)
De oorspronkelijke context is dus binnen-christelijk en slaat op ketters en christenen die op eigen initiatief de Kerk verlaten. Daardoor zondigen zij tegen de liefde tot God, want ze scheiden zich af van de geloofsgemeenschap. In de vierde eeuw breidde die leerstelling zich verder uit. “Met de veranderingen in de politieke status van het christendom veranderde ook de betekenis die werd gegeven aan het ‘extra ecclesiam’. Men begon ervan uit te gaan dat de geloofsprediking zich inmiddels overal in de wereld had verbreid. Dat betekende dat wie niet geloofde, de joden en de heidenen, moedwillig het evangelie en de Kerk afwees en zich uitsloot van Gods heil. Onder verwijzing naar Marcus 16, 15-16 stelt Augustinus dat wie het geloof en dus Gods heilsaanbod nu niet aanvaard heeft, dat bewust en uit vrije wil afwijst. ‘Preek het evangelie aan elk schepsel. Wie gelooft en gedoopt wordt, zal gered worden; wie niet gelooft, zal veroordeeld worden’”.

In de hoge middeleeuwen wordt dat beginsel toegepast op de scheiding tussen de oosterse en de westerse Kerk (1054) enerzijds en de conflicten tussen de paus en de wereldse heersers anderzijds. De islam werd over het algemeen negatief beoordeeld, onder invloed van de Kruistochten en de Spaanse Reconquista. Moslims werden nu eens als heidenen beschouwd, dan weer als ketters, omdat ze Jezus en Maria wel erkennen, maar niet diens goddelijkheid. Dat maakte hen verwant met het arianisme.




  • Het Vierde Lateraans Concilie (1215) en het Concilie van Florence (1439-45) bevestigden het exclusivisme, doch gezaghebbende figuren binnen de Kerk beginnen dat standpunt tegen te spreken. Vooral sinds 1492 wijzigde de officiële houding. Vermits met de ontdekking van Amerika een hele bevolking niet eens de gelegenheid had gehad de christelijke boodschap te vernemen, moet die wel via een andere weg Gods heil aangeboden hebben gekregen. Tegenstemmen lieten dus van zich horen, ondermeer missionarissen zoals Raymond Lull (1235-1315), Bartholomeus de las Casas (1474-1566), Matteo Ricci (1552-1610) en Robert de Nobili (1577-1656). We staan echter nog ver van een nieuw doordachte open houding in de Kerk.




  • In de 19de eeuw stelde Pius IX nogmaals dat niemand kan gered worden buiten de Romeinse Kerk. Wie zich in volle geweten verzet tegen de Kerk, plaatst zich buiten de heilsgeschiedenis. Toch zijn er mensen die zich in een ‘genadetoestand’ bevinden en ‘op weg zijn naar het heil’, omdat zij niet de gelegenheid hebben tot de Katholieke Kerk te behoren, wegens afwezigheid van missionering.




  • In de encycliek ‘Mystici Corporis’ schreef Pius XII in 1943 dat de Rooms-Katholieke Kerk het mystieke lichaam van Christus is. Vandaar dat deelname aan de sacramenten noodzakelijk is voor het heil. Niet-christenen zijn niet uitgesloten, maar ook niet ingesloten. Er heerst onzekerheid over hun heil.




  • Stilaan wint de mening veld dat ‘extra ecclesiam’ alleen van toepassing is op mensen en volkeren die, na kennis van het geloof te hebben genomen, Christus bewust afzweren. In de jaren voor Vaticanum II veranderde de vraagstelling van ‘welk geloof is noodzakelijk voor de verlossing van de niet-christenen’ naar ‘wat is de geloofswaarde van andere religieuze tradities’? Pas in de tweede helft van de 20ste eeuw zou Karl Rahner stellen dat ook het gestructureerd en institutioneel religieuze leven van niet-christenen (hun religie op zich) de concrete uitdrukking is van Gods universele heilswil. Dat leidde tot totaal nieuwe standpunten op het Tweede Vaticaans Concilie (1962-65), met een verdere explicitatie in de documenten ‘Dialoog en Verkondiging’ (1991) en ‘Dominus Iesus’ (2000). Het is de overgang van een houding van ‘exclusivisme’ naar ‘inclusivisme’. Beide visies zullen nu geanalyseerd worden.



2. Van exclusivisme naar inclusivisme

2.1. Exclusivisme

Het exclusivisme is eeuwenoud, maar werd theologisch uitgewerkt door de protestantse theoloog Karl Barth (1886-1968), daarin gevolgd door ondermeer Hendrik Kraemer (1888-1965). Hun visie:




  • legt de nadruk van Gods universele heilswil uitsluitend bij de persoon van de bemiddelaar ervan,

  • stelt als voorwaarde om gered te worden een persoonlijke kennis van het heilswerk van Jezus Christus (vooral zijn offerdood),

  • en is daardoor een vrij radicaal Christocentrische houding; ze kan zelfs als christomonisme gedefinieerd worden.


Het exclusivisme vindt sterke waarborgen in de Bijbel:
- In de Romeinenbrief worden heidenen en Joden als zondaars aanzien door hun weigering Jezus als verlosser en messias te aanvaarden:
God heeft zijn belofte niet gebroken. Want niet alle Israëlieten behoren werkelijk tot Israël, niet alle nakomelingen van Abraham zijn ook werkelijk zijn kinderen. Er staat immers geschreven: ‘Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht.’ Dat wil zeggen: ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van God, maar gelden als nageslacht van Abraham op grond van Gods belofte. Als íets een belofte is dan zijn het deze woorden: ‘Over een jaar kom ik terug en dan heeft Sara een zoon.’ Sterker nog, Rebekka was van onze vader Isaak zwanger van een tweeling, en al voor ze geboren waren en nog niets goeds of slechts hadden gedaan, werd haar gezegd: ‘De oudste zal de jongste dienen.’ Gods besluit blijft namelijk van kracht: God kiest een mens niet uit op grond van zijn daden, maar omdat hij hem roept.” (Rom 9, 6-11)
Toch hebben slechts weinigen aan het evangelie gehoor gegeven, want Jesaja vraagt: ‘Heer, heeft iemand geloofd wat wij hebben gezegd?’ Dus door te luisteren komt men tot geloof, en wat men hoort is de verkondiging van Christus. Maar dan is mijn vraag: hebben ze de boodschap soms niet gehoord? Natuurlijk wel, want er staat: ‘Hun roep klinkt over heel de aarde, hun woorden tot de uiteinden van de wereld.’ Maar dan vraag ik weer: heeft Israël de boodschap niet begrepen? Welnu, Mozes zegt al: ‘Ik zal jullie afgunstig maken op een volk dat geen volk is, ik daag jullie uit met een volk zonder verstand.’ En bij Jesaja staat zelfs: ‘Ik heb me laten vinden door wie mij niet zochten, ik heb me bekend gemaakt aan wie niet naar mij hebben gevraagd.’ Maar bij Jesaja staat over Israël: ‘Heel de dag heb ik mijn handen uitgestrekt naar mijn ongehoorzaam en opstandig volk.’” (Rom 10, 16-21)
- De Christocentrische houding is minstens op twee andere plaatsen van het Nieuwe Testament terug te vinden:
Door niemand anders kunnen wij worden gered, want zijn naam is de enige op aarde die de mens redding biedt.” (Hand 1,12)
En hij zei tegen hen: ‘Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld.” (Mc 16, 15-16)
Ook al gelooft Barth niet in het heil buiten Christus’ belijdenis, toch rekent hij op de uiteindelijke eschatologische zege. Gods genade zal overwinnen over het ongeloof en allen zullen tot geloof in Christus komen. Het ‘oneindig kwalitatief onderscheid’ tussen God en de mensheid wordt door God alleen overbrugd. Geen enkele godsdienst, ook niet de christelijke, is bij machte de mens te redden, want godsdiensten zijn pogingen om datgene te bewerkstelligen dat alleen van God zelf kan komen. Hij past zich daarvoor niet aan onze verwachtingen aan. Zelfs Christus moest lijden en sterven, en werd in die zin ‘afgewezen’ en afhankelijk gemaakt van Gods genade door te ‘moeten’ verrijzen. Dat werd dan het goddelijke ‘ja’. Net zoals Jezus ons menselijk bestaan tijdelijk en zonder zonden heeft gedeeld, mogen wij nu delen in Gods redding dankzij de verrijzenis. Dat initiatief, nl. de uniciteit van Gods openbaring in Christus, maakt christenen als het ware afhankelijk van die openbaring en bijgevolg superieur aan andere godsdiensten. Nergens anders kan het heil gevonden worden. Er is slechts één bemiddeling mogelijk: die van Jezus Christus.

Implicaties: - andere godsdiensten waarderen, betekent Christus opgeven

- andere religies zijn niét door God gewild



- missie is noodzakelijk; dialoog is niet mogelijk
In de stichtingsfase van een religie, wanneer die zich afzet tegen andere en zijn eigen identiteit probeert te vinden, is een exclusivistische houding enigszins begrijpelijk. Dan doe je beter niet teveel aan dialoog: het conflict met het jodendom leidde Paulus tot de formulering van de substitutieleer; het verzet tegen de keizercultus liet geen compromissen toe.
Een aantal tekorten van het exclusivisme:


  • Het doet geen recht aan het trinitaire karakter van het christelijk geloof: God wordt bijna uitsluitend gedefinieerd aan de hand van de expliciete Jezus’ belijdenis.

  • Het houdt geen rekening met de specificiteit van particuliere religies en vervalt makkelijk in een apologetische confrontatie.

  • Het kent geen waarde toe aan de religieuze geschiedenis van de mensheid.

  • Het heeft geen oog voor openbaring in de schepping of in de natuur, alleen voor die in Jezus Christus.

  • Het volgt dezelfde redenering als de islam, die beweert dat de voorgaande openbaringen (Tora en evangelie) vervalst zijn, dat de Koran de volledig juiste weergave is van Gods hemels Boek en dat de profeet Mohammed het zegel van de profeten is. >>> Exclusivismen sluiten elkaar uit.


2.2. Inclusivisme

Aanleiding en context
Het inclusivisme daagde op in de loop van de 20ste eeuw, vooral na de Tweede Wereldoorlog. De ervaringen van de sjoa (‘God met ons’ ideologie), de secularisatie, het wegebben van religieuze tegenstellingen door het vreedzaam contact met andere wereldreligies en een nieuwe aanpak van de missionaire activiteiten vroegen om een nieuwe benadering van de visie op de religies.
Daarnaast is er in de loop van de 20ste eeuw veel kennis vrijgekomen over de religies waardoor er meer interesse ontstond ze beter te leren kennen. Veel mensen kwamen met kunst en tempels van andere religies in contact tijdens hun reizen naar andere continenten. In meer recente tijden is via internet bijna alle informatie dicht bij huis gekomen. Het komt zelfs meer en meer voor dat westerlingen zich tot andere religies bekeren. Dat is ondermeer het geval voor de islam, de Hara Krisjnabeweging uit India en het Tibetaans boeddhisme. Die drie levensbeschouwingen hebben in Europa en Amerika vaste voet aan de grond gekregen.
Het viel ook op dat die religies, waarvan sommige ouder zijn dan het christendom, zich in de loop van de geschiedenis niet alleen hebben kunnen handhaven, maar ook hebben versterkt. Ondanks grootschalige inspanningen van Westerse christelijke missionarissen zijn zij er dus in geslaagd hun vitaliteit te behouden.
We mogen ook niet vergeten dat de geloofwaardigheid en suprematie van de Westerse politieke en religieuze instanties een stevige deuk hebben gekregen met de twee wereldoorlogen, die voor buitenstaanders een ongehoord spektakel van haat en vernieling onder zogenaamde christelijke naties toeschenen. In de loop van de 20ste eeuw herwonnen veel Aziatische en Afrikaanse landen en culturen hun zelfbewustzijn, vaak gekoppeld aan een streven naar onafhankelijkheid. Vele leiders en delen van de bevolking keken niet meer op naar het Westen. Zijn cultuur en godsdienst werden te sterk vereenzelvigd met kolonialisme en onrechtvaardige wereldstructuren.

Al die factoren hadden tot gevolg dat het christendom zich niet meer in het centrum van het wereldgebeuren bevond, maar één van de vele spelers werd op de wereldwijde markt van zingeving en cultuur. Een kritisch her-denken van het christelijk geloof, zoals dat in Europa gedurende vijftien eeuwen vorm gekregen had, drong zich op. Er moest op een andere manier worden omgegaan met de heilsvraag:

- Hebben volkeren die zich niet tot het christendom bekennen evenwaardig toegang tot het

heil van Godswege?

- Waarin bestaat het heil dat in andere religies wordt aangeboden? Wat betekenen begrippen

als uniciteit en universaliteit, die steeds exclusief met het christelijk geloof waren verbonden. Golden zij nog of dienden ze een gewijzigde inhoud te krijgen. Of konden andere religies ook aanspraak maken op die kwaliteiten?

- Zijn de religieuze ervaringen, rituelen en geschriften van andere godsdiensten ook wegen

die tot eeuwig heil voeren? Zijn ze wel zo verschillend van elkaar?


De onontkoombare vraag die als gevolg van die bevraging naar boven kwam, is deze: heeft het nog zin het christendom te prediken en bekeringen te stimuleren? De Kerk werd immers in het leven geroepen om zich in de wereld te verspreiden: Kerk zijn is missionair zijn of is niet zijn, welke geactualiseerde invulling men ook aan ‘missie’ mag geven. De verhouding tussen missiologie en dialoog is een aparte tak van de theologie geworden en geeft aanleiding tot een vernieuwde theologie van de religies (zie het Vaticaans document ‘Dialoog en Verkondiging’ 1991). De resultaten van die reflecties hebben duidelijk pastorale consequenties, niet alleen voor de traditionele missielanden buiten Europa en Noord-Amerika, maar ook in de ‘missiegebieden’ van het Oude Continent.
De Wereldraad van Kerken verklaarde op zijn Zesde Algemene Vergadering te Canada in 1983 dat de gehele mensengeschiedenis, in elke tijd en op elke plaats, met al zijn verschillende culturen en geloofsvormen, stammen en volkeren, met al zijn donkere en hoopvolle kanten en ervaringen het toneel is en blijft waar de drieëne God zijn activiteiten ontplooit. In die zin werd de tekst uit het Johannesevangelie (‘Jezus het licht der wereld’ Joh 8, 12 en 9, 5) gelezen als allesomvattend en niet langer als bevooroordeeld tegenover andersgelovigen. Net zoals de zon ’s ochtends oprijst voor alle mensen, is Jezus Christus het licht dat schijnt voor alle volkeren en niet louter voor de christenen. De hele wereld leeft reeds in het licht dat van God afkomstig is. Een gelijkaardige gedachtegang kan opgebouwd worden vanuit Jesaja 65,1-2: “Al vragen zij niet naar mij, toch laat ik me raadplegen, en al zoeken ze mij niet, toch laat ik me vinden. Al roept dit volk mijn naam niet aan,toch antwoord ik: ‘Hier ben ik, hier ben ik.’ Heel de dag sta ik met uitgestoken handen tegenover een opstandig volk, dat op de verkeerde weg is en zijn eigen ingevingen volgt.”
Jezus Christus wordt niet meer gezien als iemand die alle mensen tot zich zal trekken, door middel van de missionering. Wie vanuit Jezus’ boodschap leeft en handelt zal integendeel een solidaire houding aannemen naar alle mensen ter wereld toe en meewerken aan een wereldwijde gemeenschap van mensen en culturen die in vrede met elkaar leven. In die zin heeft Jezus Christus een universeel geldige boodschap in het leven geroepen. Contact met andere geloofssystemen geeft aanleiding Gods werk te ontdekken in en vooral in de wisselwerking tussen die systemen. Dat houdt in dat het getuigenis dat christenen in de wereld, krachtens hun missionaire ingesteldheid, afleggen ook naar hen terugkomt in het getuigenis dat mensen uit andere religies eveneens verondersteld worden af te leggen. Zo krijgen christenen zicht op de magnalia Dei (de ‘wondere daden van de Heer’) die in het leven en de opvattingen van andersgelovigen aanwezig zijn. In 1963 riep de Britse historicus en missioloog Max Warren op tot:

“…a deep humility, by which we remember that God has not left himself without a witness in any nation at any time. When we approach people of another faith than our own, it will be in a spirit of expectancy to find how God has been speaking to them and what new understandings of the grace and love of God we may ourselves discover in this encounter.”

Tien jaar later schreef de Zuid-Afrikaanse Nieuw-Testamenticus en missioloog David Bosch:
I would dare to say that today I understand God better than I used to. This is due above all, of course, to the boundless grace of God, but my increasing understanding of African concepts of God was instrumental in the process. God used the richness of African religious experience to teach me more about his richness.”
Het laatste citaat herinnert ons eraan dat ook inheemse godsdiensten betrokken dienen te worden in de dialoog omdat ook zij een bepaald licht werpen op de wijze waarop God geconcipieerd wordt. Die tradities zijn zeer oud en hebben in het geval van Afrikaanse religies ongeveer honderd miljoen aanhangers, al dan niet vermengd met christendom of islam.
De hierboven geschetste nieuwe inzichten worden theologisch verwoord in het inclusivisme en zullen eveneens in zijn meer extreme (consequente?) vorm het pluralisme oproepen, waarover meer in een apart hoofdstuk. Het inclusivisme vindt zijn wegbereider in de theoloog Karl Rahner (1886-1968). Die visie is meer dan een correctie op het exclusivisme: andere religies worden voortaan gezien als onderdeel van Gods heilsplan, meer bepaald als ‘praeparatio evangelica’. Dat begrip werd in de Oudheid reeds gebruikt om de Griekse filosofie positief te duiden, nl. als voorbereiding op het christelijk geloof. Karl Rahner zag in aanhangers van andere religies ‘anonieme christenen’. Het inclusivisme aanvaardt dat andere religies ook heiliging brengen, of beter gezegd een begin ervan kunnen zijn. Zij staan bijgevolg in een duidelijke relatie tot de Kerk. Er kan immers niet meer dan één heilsweg zijn.
In die context krijgt dialoog een dubbele, misschien dubbelzinnige, betekenis:

- andersgelovigen leren kennen en waarderen (interreligieuze dialoog in strikte zin van het woord)

- de dialoog zien als onderdeel van de verkondiging en dus als voorbereiding op een mogelijke

bekering.


Alle documenten van het Tweede Vaticaans Concilie werken die visie verder uit. De meeste pauselijke documenten en toespraken zijn erop gebaseerd.


  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina