Werkdocument Sterke Verhalen – Boek Exodus Ter inleiding



Dovnload 119.37 Kb.
Pagina2/3
Datum24.08.2016
Grootte119.37 Kb.
1   2   3

Heb je het dat al meegemaakt in jouw leven (op je werk, in je buurt, op school, in de klas, in de familie…): je ziet onrecht gebeuren tussen mensen, en je trekt het je aan… Vertel eens. Waarover ging het? Wat heb je proberen te doen aan dat onrecht? Hoe is het verder afgelopen..?

  • Waar zijn de plaatsen, momenten, kansen, groepen, bijeenkomsten, teksten, andere hulpmiddelen… die jou helpen om te oefenen in het ‘leren zien van jouw broer…’?

  • Ken je mensen die je ziet ‘geroepen en geboren worden’, ‘méns ziet worden’, omdat je ze de stap ziet zetten van ‘op een afstand staan te kijken’ naar ‘zich het lot van hun broer daadwerkelijk aantrekken’?

  • Ieder mens wordt twee keer geroepen: hoe vertaal je dat naar jouw leven? Via welke stappen ben jij naar een bepaalde keuze, een bepaald engagement in jouw leven toegegroeid..? Kan je iets vertellen over één of meerdere van die ‘groeimomenten’, die ‘crisissen’, die ‘nachten wakker liggen van iets of iemand, met de vraag wat kan ik er aan doen..’ ?

    Terwijl zijn mensen daar beneden aan het vechten zijn tegen Amalek, houdt Mozes hardnekkig zijn armen omhoog in gebed, zodat zij hun gevecht kunnen winnen. Dan wordt hij moe, en Aäron en Chur komen hem ondersteunen…

    • Waar voel jij zelf onmacht om ‘er iets aan te doen’? Word jij zoals Mozes ook soms moe van te geloven, te hopen, te blijven vertrouwen..? Vertel eens…

    • Waar zie jij solidariteit gebeuren tussen mensen? In de grote wereld? Concreet in jouw leven: wie ondersteunt jou? Wie ondersteun jij? Waar vind jij jouw bondgenoten? Noem er eens een paar…

    • Waar en hoe zouden wij elkaar als groep meer en beter kunnen ondersteunen?

    • Bij die steen die Aäron en Chur aanbrengen om Mozes op te laten zitten: waar vind jij rust, bezinning, verademing, inkeer in de strijd..? Hoe hou jij het vol: dank zij wie, dank zij wat..?

    Creatieve oefening om met de hele groep te doen:

    1. Bibliodrama - De lege stoel

    Bibliodrama is een vorm van speels en dramatiserend omgaan met bijbelverhalen om in groepsverband de persoonlijke zingeving en levensspiritualiteit te ontdekken en te verruimen. In onderwijs en pastoraat is de interesse voor deze methode de laatste jaren sterk gegroeid. De zogenaamde ‘lege stoel’ is wellicht een van de meest gekende bibliodrama-technieken. Wie er goed mee vertrouwd is, kan onderstaande oefening uitvoeren volgens alle regels van de kunst. Wij bieden hier slechts een wat ‘lichtere’ versie aan van deze methodiek.

    • De deelnemers zitten in een halve kring. Vooraan staat een lege stoel. Zorg voor voldoende ruimte tus­sen de stoel en de deelnemers, zodat je als begeleider achter de deelnemers door kan lopen. Hun aandacht moet tijdens het spelen gericht kunnen blijven op de man op de stoel. Als je door hun blikveld gaat lopen, breek je de aandacht en de concentratie.




    • De begeleider leidt het bibliodrama in. ‘Wat we nu gaan doen, is een verhaal uit de bijbel "spelen". Het is echter niet zomaar "toneeltje spelen”. We zullen het verhaal in één rol naspelen, nl. de rol van Mozes. We proberen zo vanuit onze eigen verbeelding in de huid te kruipen van die man, zodat het ons helpt om een beetje te begrijpen wat in die welbepaalde situatie van zijn leven zou kunnen gebeurd zijn.’

    • We kunnen focussen op vier momenten in het verhaal over het herhaaldelijk geroepen worden van Mozes:

    A/ Vlak nadat hij de eerste keer uit zijn paleis is gestapt om eens te gaan kijken naar de slavernij, en voor het eerst is geconfronteerd met het onrecht. Hij heeft ingegrepen en heeft een moord begaan op een Egyptische slavendrijver…(Ex. 2, 11-15)

    B/ Vlak nadat hij ’s morgens is opgestaan bij het aanbreken van de tweede dag – de fameuze ‘morning after’ dus. Hij is na de eerste confrontatie met het onrecht teruggekeerd naar het paleis, en is gaan slapen. Nu is die nacht pas voorbij, en hij moet beslissen of hij vandaag al of niet nòg een keer naar de slaven zal gaan kijken op dezelfde bouwwerf… (idem: Ex. 2,11-15)

    C/ De eerste dag tijdens zijn verblijf in de woestijn – hij is na de tweede confrontatie met het onrecht op de vlucht geslagen, en verblijft nu voor het eerst van zijn leven in niemandsland… (Ex. 2, 15-22)

    D/ Het moment waarop hij – na veertig jaar rondzwerven in de woestijn en na de confrontatie met het brandende braambos – beslist terug te gaan naar ‘Egypte’ en naar de farao, om hem namens God te gebieden: ‘Let my people go!’… (Ex. 3,11-4,23)

    Eerst wordt de passage uit het verhaal van Mozes die we gekozen hebben rustig voorgelezen (of misschien kijkt de groep eerst samen naar aflevering 2 van ‘Sterke Verhalen’). De begeleider geeft dan wat achtergrondinformatie en uitleg bij het gekozen verhaal zodat dit in zijn juiste context wordt geplaatst, en er geen misverstanden bestaan over de kern ervan.
    Vraag dan de deelnemers even de ogen te sluiten en terug te denken aan het bijbelverhaal dat werd gekozen. Zij moeten proberen Mozes in de zopas vertelde situatie voor zich te zien. Waaraan denken zij als ze hem zo voor zich zien? Wat gaat er door hen heen? Wat zouden ze hem willen zeggen of vragen? Dan moeten ze in gedachten diezelfde Mozes op de ‘lege stoel’ zien zitten. Pas daarna doen ze voorzichtig de ogen weer open.

    In een eerste kennismakingsronde geeft de begeleider aan elke deelnemer de kans zichzelf als personage uit het verhaal voor te stellen, en duidelijk te maken vanuit welke rol men straks aan Mozes vragen gaat stellen (bijv.: ik ben de farao, ik ben de moeder van Mozes, een arbeider op de bouwwerf die Mozes heeft zien slaan op die opzichter, zijn schoonvader Jitro, zijn vrouw Sippora, één van zijn schapen uit de woestijn, een meisje dat hij heeft verdedigd tegen de overvallers bij de bron, zijn broer Aäron… )

    Dan wordt aan één deelnemer gevraagd zich in te leven in de rol van Mozes. Hij gaat even buiten, wordt in het gezelschap uitgenodigd en verzocht plaats te nemen op de ‘lege stoel’, en even kort als ‘Mozes’ aan de deelnemers voorgesteld.

    Ieder uit het gezelschap die wil, kan nu met hem aan de praat gaan en hem allerlei vragen stellen, om er achter te komen wat hij dacht en voelde op dat moment in zijn levensverhaal… Demonstreer vooraf hoe dat verloopt: ‘Je gaat vlak voor Mozes-op-de-stoel staan, je zegt de naam van het personage dat jij zelf speelt, en je stelt jouw vraag. Mozes mag antwoorden, waarop de interviewer mag repliceren met een andere vraag enz… Na enige tijd sluit de begeleider het eerste interview af, en nodigt iemand anders uit om zijn of haar vraag aan Mozes te stellen. Beëindig de werkvorm als alle vragen zijn gesteld en alle antwoorden gegeven. Dan wordt Mozes bedankt voor zijn aanwe­zigheid. Hij wordt uitgeleide gedaan en begeleid tot aan de deur, terwijl de deelnemers hem goedendag zeggen.

    De ‘lege stoel’ wordt ‘ontrold’ door die rond te draaien op één van de achterste poten (daarmee geeft de begeleider met een duidelijk gebaar aan dat er niemand meer op de stoel zit, dat dit weer een gewone stoel is) en opzij gezet. Dan wordt er ruimte gemaakt voor de uitwisseling van belevingen en ervaringen. De deelnemers worden uitgenodigd te vertellen wat ze in het contact met Mozes beleefd hebben en hóe ze dit hebben beleefd (ik was verwonderd over…; ik was kwaad toen hij zei…; ik vind het niet serieus dat hij…) Zij mogen ook eigen herinneringen en levenservaringen vertellen die ze associeerden bij het spelen.
    Tenslotte kan de Schrifttekst nog eens opnieuw gelezen worden, zodat de deelnemers de oorspronkelijke versie kunnen vergelijken met de vragen die ze gesteld hebben en de antwoorden die ze gegeven hebben. Na het voorlezen van het verhaal is de werkvorm in principe helemaal ten einde.

    Een interessante variante:

    Men kan de stoel in het midden ook letterlijk de hele tijd leeg laten. De begeleider nodigt de deelnemers dan uit een eerste vraag te stellen aan Mozes. Nadat de eerste vraagsteller zijn vraag geformuleerd heeft aan de denkbeeldige Mozes-op-de-lege-stoel, vraagt de begeleider aan Mozes of hij iets wil antwoorden. Denkt de vraagsteller van zo even zelf te weten wat Mozes zou willen antwoorden, dan wordt hij gevraagd plaats te nemen achter de lege stoel en met de handen op de rugleuning voor even de rol van Mozes op te nemen en een antwoord te geven. Hij antwoordt in de ik-vorm, en gaat daarna naar zijn plaats. Ook de andere deelnemers mogen om beurt een antwoord op die eerste vraag komen geven, altijd vanuit de rol van Mozes zelf en ieder om beurt, zonder te discussiëren met elkaar.

    Er moet dus na de eerste vraag niet onmiddellijk een nieuwe vraag gesteld worden, want er kunnen mogelijks meerdere verschillende antwoorden komen uit de groep. En het ene antwoord creëert soms ook een totaal ander antwoord bij iemand uit de kring…

    Het gaat er bij deze variant vooral om zich met zijn allen heel sterk in te leven in die ene figuur van Mozes, en ook van daaruit te reageren. Elke vraag komt vanuit een verschillend personage – alle antwoorden komen van Mozes. Zo kan je Mozes helemaal ‘uitvragen’ over van alles, en zelf allerlei antwoorden zoeken in zijn plaats…

    1. Mozes op de berg Nebo – bekroning of ontgoocheling..?



    Mozes krijgt van op de berg Nebo even uitzicht op het Beloofde Land waar hij heel zijn leven naar heeft verlangd. Zelf zal hij er echter nooit mogen binnengaan,want hij sterft vóóraleer dit kan gebeuren. De generatie na hem zal zijn werk verder zetten en zij zullen in dat Land mogen gaan wonen…
    Ook jij hebt dromen en verlangens (gehad) over jezelf, jouw leven, jouw engagement of roeping, jouw relatie, jouw kinderen, jouw klas, jouw school, jouw toekomst… Wat zijn/waren die verwachtingen, verlangens, idealen? Welke daarvan zijn uitgekomen? Welke blijf je nog koesteren? Welke heb je al lang of recent opgegeven..?

    Welke gevoelens roept het op als je de oogst ziet van wat je tot nog toe hebt gezaaid? Welke grote verlangens of dromen heb je nog in dat verband? Wat denk je nog/hoop je nog te mogen meemaken? Wat zal voor na jouw leven zijn – misschien..?
    We gaan met al dat materiaal aan de slag!
    A/ AANLEGGEN VAN EEN WIJNLOGBOEK – INVENTARIS VAN DE KELDER DER HERINNERINGEN…
    Een wijnlogboek is de ideale plek om ‘hidden memories’ in op te slaan. Je kan er kwijt wanneer en in welk gezelschap een bepaalde fles werd ontkurkt. En of de wijn je in de zevende hemel bracht, dan wel afging als een gieter bij de hazenrug of de kalkoen…

    Proefaantekeningen in een persoonlijk kelderboek stellen de wijnliefhebber bovendien in staat na verloop van tijd de (te slome of supersnelle) evolutie van een grand cru te ontdekken. Wie geen aantekeningen maakt over zijn wijnen, zal merken dat het proefgeheugen na een tijdje grote mazen begint te vertonen, en dat is doodzonde…
    Leg (in een halfuurtje voorbereidingstijd) een persoonlijk wijnlogboek aan, een ‘kelderboek’, waarmee je op systematische wijze de in- en uitstroom in de kelder van jouw leven (of één bepaald domein ervan: gezin, werk, relatie, roeping, inzet en engagement…) vastlegt. De bedoeling is dat je eventjes achterom kijkt in verwondering, en probeert te noteren wat je in jouw leven (of op dat domein) hebt meegemaakt aan sterke en moeilijke momenten; wat je daarbij hebt geproefd, wat de nasmaak was enz…
    In het gezamenlijk moment kan men de deelnemers één voor één een fragmentje uit hun wijnlogboek laten voorlezen en er wat commentaar bij laten geven.
    B/ MAAK ZELF JOUW WIJNETIKET – PLUS: WE ORGANISEREN EEN RONDJE WIJNPROEVEN…
    Koop een fles wijn uit de Wereldwinkel (dat verruimt meteen de blik en doet de geesten open gaan). Zet die in het midden van de kring, omringd door evenveel lege flessen als er deelnemers zijn in de groep.

    Zorg dat er ook een aantal glazen of bekertjes in het midden staan, om straks te kunnen proeven. In een winkel waar men materiaal verkoopt voor wijnbereiding kan je mooie, onbedrukte etiketten kopen. Zorg dat er minstens evenveel beschikbaar zijn als er deelnemers zijn, maar liefst meer.
    We krijgen eerst een halfuurtje de tijd om ons eigen wijnetiket te maken, voor een wijn die als naam zal dragen: ‘MOUNT NEBO – Wine of the Holy Land’ (cfr. het flesje dat op het einde van deze aflevering 2 van ‘Sterke Verhalen’ werd getoond.) Op het etiket noteren we – naast de naam van onze wijn - in enkele woorden of een paar zinnetjes een groot verlangen dat we altijd hebben gehad, en dat al of niet is uitgekomen. Zet er een datum op die voor dat verlangen zeer betekenisvol was/is; het jaartal of de dag waarop het allemaal is begonnen, in vervulling is gegaan of is misgelopen…
    Indien mogelijk proberen we te zorgen dat het nieuw ontworpen etiket telkens op één van de lege flessen kan gekleefd worden. In het groepsmoment mag ieder dan om beurten iets over zijn wijnetiket en zijn flesje ‘gebotteld verlangen’ van de berg Nebo vertellen, waarna hij of zij wat wijn uit de volle fles Wereldwinkel-wijn in één van de bekertjes mag uitschenken. Op het einde proeven we even van elkaars verlangen, en drinken op de toekomst van ons allen – ‘kome wat komt’…
    C/ WIJNKAART VOOR EEN LEVEN VOL VERLANGEN – SUGGESTIES VAN DE CHEF…
    Laat iedereen persoonlijk een wijnkaart opstellen voor het vieren van zijn of haar moment van afscheid ooit, boven op de berg Nebo. Daarvoor moet men een lijst opstellen van alle goede dingen die men in de loop van zijn leven tot hiertoe heeft geproefd. Allemaal voorproefjes van het Beloofde Land dus, kleine en grote momenten waarop het alledaagse water tot wijn is geworden van verlangen en vervulling.
    Doe dan op een tweede kaart een aantal suggesties aan de generatie die na jou komt. Iets wat zij ooit moeten zien te proeven, iets waar ze smaak zullen in vinden, iets wat hen deugd zal doen, waar ze zullen kunnen van genieten, een plek waar ze eens naar toe moeten gaan, een zalige ervaring die ze eens moeten opdoen…

    Er mag eventueel nog een ‘aanbeveling van de patron’ bij, wat aanwijzingen voor het goed bewaren, de duur die nodig is voor het rijpen, wat wenken voor het opdienen en degusteren…
    Uiteraard gaan we dit alles dan uitwisselen in de groep, en er van alles bij vertellen… Gezondheid!

    Gebed om af te sluiten:

    Veel te laat heb ik jou liefgekregen

    schoonheid wat ben je oud wat ben je nieuw

    veel te laat heb ik jou liefgekregen.

    Binnen in mij was je, ik was buiten

    en ik zocht jou als een ziende blinde

    buiten mij, en uitgestort als water

    liep ik van jou weg en liep verloren

    tussen zoveel schoonheid die niet jij is.
    Toen heb jij geroepen en geschreeuwd,

    door mijn doofheid ben jij heengebroken.

    Oogverblindend ben jij opgedaagd

    om mijn blindheid op de vlucht te jagen.

    Geuren deed jij en ik haalde adem,

    nog snak ik naar adem en naar jou,

    proeven deed ik jou en sindsdien dorst ik,

    honger ik naar jou. Mij, lichtgeraakte,

    heb jij doen ontbranden. En nu brand ik

    lichterlaaie naar jou toe, om vrede.

    (Huub Oosterhuis in ‘Dan zal ik leven. Teksten voor uren alleen’ Ambo/Baarn, 1976, p.112)

    Aflevering 3: Gods troonafstand

    Wanneer gelijk waar een koning afstand doet van zijn troon, dan gaat dit nieuws in een sneltreinvaart de hele wereld rond. Dat onze God troonsafstand doet, is des te opzienbarender. Wat dit wil zeggen, wordt meteen duidelijk wanneer Hij zijn naam openbaart: ‘Ik zal er zijn’. Dat God een werkwoord heeft als roepnaam, is hetzelfde als zeggen: het blijft niet bij woorden. Ik maak er werk van.

    Bijbeltekst

    Eens dreef Mozes de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. Daar verscheen de engel van de HEER aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. Hoe kan het dat die struik niet verbrandt, dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. Maar toen de HEER zag dat Mozes dat ging doen, riep hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’ ‘Ik luister,’ antwoordde Mozes. ‘Kom niet dichterbij,’ waarschuwde de HEER, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.

    De HEER zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden. Daarom stuur ik jou naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden. Mozes zei: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’ God antwoordde: ‘Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.’

    Maar Mozes zei: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: “Wat is de naam van die God?” Wat moet ik dan zeggen?’ Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN” heeft mij naar u toe gestuurd.’ Ook zei hij tegen Mozes: ‘Zeg tegen hen: “De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En hij heeft gezegd: ‘Zo wil ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende generaties.’

    Ex. 3, 1b-7,10-15

    Vragen ter bespreking bij deze aflevering:

    • In welke omstandigheden heb jij ooit ervaren dat God jou opriep, appèl op jou deed? Vanuit welke ‘schreeuw’ van mensen of gebeurtenissen was dat?

    • In welke omstandigheden heb jij ervaren dat God rakelings aan jou voorbijging, dat je Hem even op de rug kon zien..? In moeilijke omstandigheden? In gelukkige?

    • Welke beelden en namen van God zijn jou als kind geleerd? Welke daarvan heb je overgehouden, welke overboord gegooid – en waarom?

    • Met welke namen zou je God nu noemen? Wie is God voor jou? Met welke ervaringen onderbouw je die Godsbeelden en –namen?

    • God spreekt Mozes aan vanuit het brandende braambos. Waar zijn volgens jou nu in de wereld de ‘brandende kwesties’ – waar ‘brandt’ het op dit moment..? En hoor jij daar persoonlijk iets in van ‘Gods Stem’, iets van roeping, een oproep tot ver-antwoord-elijkheid? Hoe ga je daar mee om?

    • Waar/wanneer heb jij in de voorbije periode het hart van je levensopdracht, de polsslag van jouw gelovig bewogen zijn gevoeld? Waar/wanneer wist je: dààr is het te doen – dat is mijn ‘heilige grond’ – daar doe ik mijn sandalen voor uit, daar huiver ik voor uit eerbied, respect, mededogen..?

    • Waar zou ik op dit moment van mijn leven ‘in Godsnaam’ naartoe moeten gaan – waar ligt mijn zending, mijn roeping? Waar ligt die van de Kerk in deze tijd?


    Creatieve oefening om met de hele groep te doen:

    Werken met 'Lapjes God'…
    HET LAPJE
    Stond iemand in een winkel. Uitverkoop. Voor in de rij ritselde papier waarin werd ingepakt, en geld.

    Is zijn beurt gekomen, zegt hij: Dag juffrouw, heeft u voor mij 2 cm god?

    Ach meneer, mogen het ook 4 cm zijn? Ik heb een lapje 4 bij 4, dan hoef ik niet te scheuren.

    Zeker, pakt u maar in.

    Hij betaalde de gewone prijs.
    Toen hij weer buiten was, stijfjes stappend over gladde richels bevroren sneeuw, mompelde hij voor zich uit: wat zal ik met mijn lapje doen? Het is te smal om mij op neer te leggen, het is te zacht om huizen op te bouwen, het is te duur om kleren van te maken. Wel kan ik het, bij wijze van grap, aan iemand sturen, als een pleister, of met een kus beplakt. Of zal ik er iets op schrijven, over iemand die ik misschien bemin?

    Zo mompelend paste hij wel op dat hij niet uitgleed, en liep jaar in jaar uit, of vloog wat rond, terwijl zijn ogen vroegen aan het licht, zijn voeten aan de grond, zijn handen aan elkaar: wat moet ik doen met mijn lapje?
    (Huub Oosterhuis in ‘Zien – soms even, Ambo/Baarn, 1972, zesde druk,p.7 )
    In de loop der tijden hebben mensen God bekleed met een 'patchworkmantel’ van godsbeelden, definities, formules en dogma’s. Dit duidt in elk geval op het feit dat God -zelfs Bijbels- niet in één beeld te vatten is. Het bovenstaande verhaal van Huub Oosterhuis, waarmee zijn boekje ‘Zien – soms even; fragmenten over God’ begint, nemen wij als aanzet voor een oefening waarin we op het Godsbeeld van Exodus 3 (het brandende braambos) focussen.
    We hebben op een behoorlijk aantal stukjes heel divers gekleurd papier (minstens dubbel zoveel als er deelnemers zijn) een godsbeeld of een uitspraak omtrent God genoteerd. Indien met echte lapjes stof wordt gewerkt, moet men de uitspraak of verbeelding aan het lapje vastnieten. We voorzien voldoende stylo’s en enkele nietjesmachines. Ook extra lege blaadjes om van alles op te noteren.


    • We beginnen met het zingen van een keervers:

    Hoe is Uw Naam, waar zijt Gij te vinden,

    Eeuwige God, wij willen U zien.

    Geef ons vandaag een teken van liefde…’ (Z.J. 566)


    • Iemand leest het verhaal over ‘Het lapje’ voor, van H. Oosterhuis.

    • We gaan dit verhaal nu met de hele groep spelen. Er zijn vooraf een aantal lapjes klaargemaakt met allerlei namen op voor God, woorden, beelden, zinnen uit een lied of geloofsbelijdenis… Aan elke aanwezige wordt lukraak een lapje uitgedeeld door de winkeljuffrouw (begeleider) – want zij houdt vandaag uitverkoop... Deze mag haar rol met verve en met de nodige show spelen, en elk lapje even stevig aanbevelen, als was zij een rasechte marktkramer in de stad der mensen…

    • De deelnemers maken in stilte kennis met hun gratis gekregen 'lapje' God en kijken of zij zich kunnen vinden in dit Godsbeeld of -denken. Zij kunnen er dan drie dingen mee doen:


    a/ Zit er naar hun idee een goed beeld of een goede verwoording aan vast, dan houden ze het bij. Ze kunnen er iets op schrijven (of aan vastnieten) aan de achterkant: herkenningspunten met de God die herder is, of de god van hun vader en moeder… Hun reacties tegen de God van hun kindertijd; een ervaring uit hun leven of uit de recente gebeurtenissen, die het Godsbeeld van hun lapje onderbouwt of juist hevig tegenspreekt…

    b/ In een groep waar men elkaar goed kent of vrij open met elkaar kan communiceren, kan men een lapje dat men niet wil houden maar waarvan men vermoedt of zeker weet dat het goed bij een andere deelnemer past omdat die misschien wel zo over God denkt en voelt, doorgeven aan die persoon, al of niet met een boodschap er bij voor de bestemmeling, een aanbeveling, een wens, een gezamenlijke herinnering of ervaring die men heeft meegemaakt… De ontvanger moet dan op zijn beurt beslissen of hij het wil houden. Hij mag het lapje ook terugsturen naar afzender, met enige repliek of commentaar eraan bevestigd.



  • 1   2   3


    De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
    stuur bericht

        Hoofdpagina