Werkdocument Sterke Verhalen – Boek Exodus Ter inleiding



Dovnload 119.37 Kb.
Pagina3/3
Datum24.08.2016
Grootte119.37 Kb.
1   2   3

c/ Men kan het pas gekregen ‘lapje God’ ook van de hand doen door het opnieuw in het midden van de kring te leggen met of zonder commentaar. De winkeljuffrouw leest na verloop van tijd al wat teruggegeven is even hardop voor (zij wil er van af: het is uitverkoop!) Zij prijst het nog even aan en als er iemand is die zich door één of ander afgeprijsd lapje aangesproken weet of vindt dat er een betere verwoording aan vast zit dan bij het lapje dat hij heeft gekregen,dan kan die ‘kandidaat-koper’ om één van deze 'lapjes' vragen.

  • We voorzien geruime tijd om de uitverkoop verder te zetten. Je kan aan de winkeljuffrouw een nieuw lapje vragen als dat van jou weg is. Of je kan er eentje nemen uit het stapeltje afgewezen lapjes. Je kan nog een keer één van de drie bovenstaande dingen met jouw laatst-verworven lapje doen; je kan terugschrijven naar wie jou iets geschreven en aanbevolen heeft enz…

  • De winkeljuffrouw van dienst kan op het laatst nog even de overblijvende lapjes God solderen of gratis weggeven. Uiteindelijk mag elke deelnemer slechts één lapje als 'beste' voor zichzelf overhouden.

  • Dan laten we ieder om beurt zijn favoriete lapje voorlezen – de voorkant en misschien iets van wat er op de achterkant bij geschreven staat of aan vastgeniet is. We maken daar een litanie van namen van, een lange voorbede. Want na elke inbreng zingen we het keervers: ‘Hoe is Uw Naam…’

  • Op het einde mag wie dat wil ook een lapje nemen uit de stapel die afgewezen werd, en naar believen daarbij ook een vrije voorbede formuleren. (‘Ik zou willen bidden voor al wie zwaar ziek is, en niet meer kan geloven in een God die almachtig is…)

  • In een nabespreking kan er nog aan alle deelnemers gevraagd worden in welke van de favoriete godsbeelden van ieder persoonlijk zij zich kunnen vinden. Er worden streepjes gezet, en zo vinden we zelfs 'het meest favoriete lapje God’ van de hele groep. Vergelijk dit dan eens met wat in de aflevering van ‘Sterke Verhalen’ over ‘Gods troonafstand’ als het ‘godsbeeld-van-het-brandende-braambos’ wordt naar voor gebracht. En ga daarover in gesprek.

Gebed om af te sluiten:

God van Mozes

brandende stem, vuur

onder zijn voeten

woord als een wolk

licht voor hem uit

water en brood

land van belofte
God van ons

allerhoogste

steeds zo nabij

Jij niet God zoals wij je denken

onvindbare betrouwbare

vriend.
Gij die de oorsprong zijt

van al het goede dat gedaan wordt,

wees in ons hart, in onze ziel,

in ons verstand,

dat wij bij machte zijn

het ergste leed iets te verzachten,
dat wij opwegen tegen de wanhopigen;

dat allen die zich mensen noemen

niet doorgaan met de verwoesting

van deze aarde.
Bij alles wat gebeurt,

schrikwekkend, mensonwaardig,

nu hier, dan daar –

leer ons aandacht hebben

voor wat óók gebeurt

en geschiedenis maakt:

voor gerechtigheid die volbracht wordt,

voor mensen die zich inzetten

ten einde toe en zich eraan houden.
Stem die ons riep

en roepen zal,

in ons en boven ons uit,

van U is de toekomst

kome wat komt.

(Huub Oosterhuis in ‘Dan zal ik leven. Teksten voor uren alleen’ Ambo/Baarn, 1976, p.88)



Aflevering 4: De passage

Het gevoel hebben tegen een muur aan te lopen, niet meer verder te kunnen…, wie onder ons maakte dat al niet mee in zijn leven? Het verhaal van de doortocht door de Rode Zee leert ons om niet bij de pakken te blijven zitten. Meer nog het vertelt ons van een ‘passage’, van een doorgang. Dit opstandig geloof wordt hier voor het eerst verwoord. We kunnen er best aan wennen, want het is de basismelodie van de hele Bijbel, een weerkerend refrein.

Bijbeltekst

Die nacht nog ontbood de farao Mozes en Aäron. ‘Ga onmiddellijk bij mijn volk weg,’ zei hij, ‘u en alle Israëlieten! Ga de HEER maar vereren, zoals u hebt gevraagd. Neem uw schapen, geiten en runderen mee, zoals u gevraagd hebt, en verdwijn! Maar bid dan ook voor mij om zegen.’ De Egyptenaren drongen er bij het volk op aan zo snel mogelijk uit hun land weg te gaan. ‘Anders sterven we allemaal nog!’ zeiden ze. Toen pakten de Israëlieten hun baktroggen, met daarin het nog ongedesemde deeg, wikkelden die in kleren en namen ze op de schouders.

Nadat ze Sukkot hadden verlaten, sloegen ze hun kamp op in Etam, aan de rand van de woestijn. De HEER ging voor hen uit om hun de weg te wijzen, overdag in een wolkkolom, ’s nachts in een lichtende vuurzuil. Zo konden ze dag en nacht verder trekken. Overdag ging de wolkkolom het volk voortdurend voor, en ’s nachts de vuurzuil.

Toen aan de farao, de koning van Egypte, bericht werd dat het volk gevlucht was, kregen hij en zijn hovelingen spijt. ‘Hoe konden we Israël zomaar laten vertrekken!’ zeiden ze. ‘Nu zijn we onze slaven kwijt.’ De farao liet zijn strijdwagen inspannen en verzamelde zijn krijgsvolk. Hij nam de zeshonderd beste wagens van Egypte mee, en ook alle andere, stuk voor stuk bemand met officieren.

Toen hield Mozes zijn arm boven de zee, en de HEER liet de zee terugwijken door gedurende de hele nacht een krachtige oostenwind te laten waaien. Hij veranderde de zee in droog land. Het water spleet, en zo konden de Israëlieten dwars door de zee gaan, over droog land; rechts en links van hen rees het water op als een muur. De Egyptenaren achtervolgden hen, alle paarden en wagens van de farao en al zijn ruiters gingen achter hen aan de zee in. Maar in de morgenwake keek de HEER vanuit de vuurzuil en de wolkkolom neer op het Egyptische leger en zaaide paniek onder hen. Hij liet de wielen van de wagens vastlopen, zodat de Egyptenaren de grootste moeite hadden om vooruit te komen. ‘Laten we vluchten!’ riepen ze. ‘De HEER steunt de Israëlieten, hij strijdt tegen ons!’ Zo redde de HEER de Israëlieten die dag uit de handen van de Egyptenaren.

Ex 12, 31-34, Ex. 13, 20-22, Ex. 14, 5-7, 21-25, 30a

Vragen ter bespreking bij deze aflevering:

Bij de plagen van Egypte:

  • Welke ‘plagen’ teisteren vandaag de mensheid? Hoe vertaal je die ‘plagen van Egypte’ uit het Schriftverhaal naar vandaag..?

  • Is het waar dat natuurrampen en epidemieën… straffen zijn van God? Welke tegenargumenten kan je aanbrengen om deze doemgedachte te ontkrachten?

Bij de ‘liturgie’ van Pesach, de Paasnacht:

  • Hoe beleef jij de liturgie in het algemeen, en concreet de vieringen in jouw gemeenschap? Wat spreekt je daar in aan, wat geeft je van daaruit kracht, wat houdt je gaande en staande?

  • Wat zou in die liturgie een stuk levensechter kunnen zijn? En hoe kan daar aan gewerkt worden?

Bij de doortocht door de Rietzee:

  • Wanneer moest je zelf ooit door de Rietzee heen trekken? Hoe lang heeft toen die ‘passage’ geduurd? En aan welke ‘overkant’ ben je toen beland?

  • Wie heeft ooit op één of ander domein van je leven gezegd: ‘Trek weg uit Egypte’? Wie heeft jou ooit uitgenodigd, gevraagd, uitgedaagd om in beweging te komen, om een (nieuwe) weg te gaan? Wat deed die vraag jou? En wat is er van gekomen, hoe is het verder gegaan, eenmaal je die ‘passage’ had gemaakt?

  • Voor wie heb jij ooit geprobeerd om een beetje als Mozes te zijn, die met zijn geloof in ‘Ik-zal-er-zijn’ en met zijn staf het (vrucht)water van de Rietzee deed breken en een weg open maakte naar de toekomst..? En wat is er van die ‘boreling’ die jij ter wereld mocht helpen brengen, verder geworden..?

Creatieve oefening om met de hele groep te doen:
Tableau vivant…
De bedoeling van een tableau vivant (een levend schilderij) is de inleving. De deelnemers nemen de rol van een personage op zich, maar die rol is beperkt in 'tijd': het is een momentopname zoals op een schilderij of een foto; én beperkt in 'plaats': de personages bewegen niet.
We focussen in deze oefening op de fameuze ‘plagen’ van Egypte, tien in getal. Voor alle duidelijkheid zetten we ze hier nog eens onder elkaar, in de juiste volgorde en met een duidelijke schriftverwijzing:

  1. Het water van de Nijl in bloed veranderd (Ex.7,14-22)

  2. De kikvorsenplaag (Ex. 7,26-29 en 8, 1-11)

  3. De muggen (Ex. 8,12-28)

  4. Allerlei ongedierte (idem)

  5. De veepest (Ex. 9,1-12)

  6. Zweren en puisten… (idem)

  7. Hagel en donder verwoesten de oogsten (Ex. 9,17-35)

  8. Sprinkhanen vreten het land kaal (Ex. 10,1-20)

  9. Duisternis valt over heel het land (Ex.10,21,29)

  10. Dood van de eerstgeborenen van Egypte (Ex. 11,4-8)

A. We knutselen met de hele groep eerst op een creatieve manier twee zaken ineen die de machtspositie van farao moeten verbeelden:

  • Een TROON, bijvoorbeeld een rijkversierde zetel met onder elk van de vier poten telkens vijf platte stenen of tegels. Dat betekent dat de troon van farao bij het begin behoorlijk stevig staat en in evenwicht is. Op die troon moet tijdens de oefening maar beter niemand gaan zitten (is te gevaarlijk!)

  • Een KROON met tien punten, verguld en versierd, met in elke punt een (nep)juweel. Het moet wel mogelijk zijn om elk van die punten af te breken, en er het (nep)juweel uit te halen.

B. Nu gaan we in kleine groepjes elk van de tien plagen proberen te hertalen naar vandaag, en een manier zoeken om die straks in een ‘tableau vivant’ uit te beelden voor de hele groep.

We kunnen ook graffiti gebruiken, spandoeken maken enz… Belangrijk kan ook zijn: het schminken en verkleden van de deelnemers in de kleur, het dier of het voorwerp van de plaag. Er kan geluid bij te pas komen: bubbelgeluiden van stervende vis, kwakende kikkers, zoemen van muggen, loeiende koeien, doodse stilte bij de duisternis, geschrei van de vermoorde eerstgeborenen… Misschien kunnen hier of daar ook een moderne song, een foto uit de krant, een schilderij, een video- of filmfragment… van pas komen.

Let er toch vooral op dat het méér wordt dan een spelletje of een techniek. Laat iedereen zich inleven in zijn rol – ga er eerst over aan de praat en vergeet vooral de vertaaloefening naar vandaag niet!

Voor wie niet zo creatief is, of voor dit alles niet de nodige ‘soepelheid’ bezit, of het nodige materiaal: een scenario uitschrijven voor wat men zou moeten en kunnen doen om één van de tien plagen uit te beelden kan ook reeds zeer interessant zijn…

C. Wanneer alles klaar is, gaan we de plagen één voor één uitbeelden. Tekens weer gaat Mozes met zijn groepje acteurs voor de troon van farao staan, en beeldt de plaag uit die op komst is. En na iedere presentatie gaat Mozes naar de troon, haalt van onder één van de poten van de troon twee stenen of tegels weg, zodat die troon eventjes begint te wankelen… En van farao’s kroon haalt hij telkens uit één punt het juweel weg, en breekt die punt dan ook helemaal af van de basis van de kroon…

Wie op dat moment niet moet acteren, kijkt toe en observeert, zonder commentaar te geven. Nog een wenk: het 'tableau vivant' echt fotograferen en dan laten zien bij de nabespreking werkt stimulerend en heeft soms verrassende effecten…

D. Op het einde is dan de troon van farao definitief omver gestoten (Mozes moet daarvoor bij zijn laatste ingreep nog een handje toesteken en met zijn staf die troon écht omver gooien!) En de kroon is helemaal ontbloot…

E. Het 'tableau vivant' wordt dan definitief verbroken. Alle deelnemers (spelers en observatoren) gaan in een kring zitten. Er volgt een nagesprek, waarbij men ‘plaag’ na ‘plaag’ de revue laat passeren. De begeleider vraagt eerst naar de gevoelens van degenen die deelnamen aan het tableau vivant. Daarna komen de observatoren aan het woord, en vertellen wat het tableau vivant bij hen zoal heeft opgeroepen.
F. Als slot kan men met de groep nog één of andere versie van het Magnificat zingen, het ‘lied van Mirjam’. Of bijvoorbeeld ook de beurtzang uit psalm 72: ‘Voor kleine mensen…’

Gebed om af te sluiten:

Wij lopen vooruit

op wat nog niet is,

wij spelen in

op uw toekomst;

zeggen en zingen

alles is goed



wat Gij hebt gemaakt.’
Langzaam en moeizaam

in hoop en vrees

werken wij uw belofte uit,
bouwen wij

aan een stad van vrede,

de nieuwe schepping

waar Gij ons licht zijt,

alles in allen.
Zend uw geest

en wij worden herschapen.

Geef deze aarde

een nieuw gezicht.

(Huub Oosterhuis in ‘Gebeden en Psalmen’ Ambo/Baarn, 1984, p.80)





Aflevering 5: Samen-scholen in de woestijn

Een woestijn kan best idyllisch lijken op een tv-scherm vanuit onze luie zetel. Wanneer de Bijbel spreekt over de woestijn, dan heeft dit niets met toerisme te maken. De woestijn is er een krachtig symbool. Het wil ons duidelijk maken dat we aangewezen zijn op de ander, op God. Wie het in een barre omgeving alleen wil redden, haalt het niet. De woestijn daagt ons daarom uit om met anderen op weg te gaan, school te lopen bij elkaar.

Bijbeltekst

Van de Rietzee ging Israël in opdracht van Mozes weer verder, de woestijn van Sur in. Drie dagen trokken ze door de woestijn zonder water te vinden. Toen kwamen ze in Mara. Het water van Mara konden ze echter niet drinken, zo bitter was het; vandaar ook dat die plaats Mara heet. Het volk begon zich bij Mozes te beklagen. ‘Wat moeten we drinken?’ zeiden ze. Mozes riep de HEER aan, en de HEER wees hem op een stuk hout. Toen hij dat in het water gooide, werd het zoet.

Daar in de woestijn gaf de HEER hun wetten en regels, en daar stelde hij hen op de proef. Hij zei: ‘Als jullie de woorden van de HEER, jullie God, ter harte nemen, als jullie doen wat goed is in zijn ogen en al zijn geboden en wetten gehoorzamen, zal ik jullie met geen van de kwalen treffen waarmee ik Egypte heb gestraft. Ik, de HEER, ben het die jullie geneest.’ Hierna kwamen ze in Elim, een plaats met twaalf waterbronnen en zeventig dadelpalmen. Daar sloegen ze bij het water hun tenten op.

Vanuit Elim trok het hele volk van Israël weer verder. Op de vijftiende dag van de tweede maand na hun vertrek uit Egypte bereikten ze de woestijn van Sin, die tussen Elim en de Sinai ligt. Daar in de woestijn begon het volk zich opnieuw te beklagen. ‘Had de HEER ons maar laten sterven in Egypte,’ zeiden ze tegen Mozes en Aäron. ‘Daar waren de vleespotten tenminste gevuld en hadden we volop brood te eten. U hebt ons alleen maar naar de woestijn gebracht om ons hier allemaal van honger te laten omkomen.’De HEER zei tegen Mozes: ‘Ik zal voor jullie brood uit de hemel laten regenen. De mensen moeten er dan elke dag op uitgaan om net zo veel te verzamelen als ze voor die dag nodig hebben. Daarmee stel ik hen op de proef: ik wil zien of ze zich aan mijn voorschriften houden. Op de zesde dag moeten ze tweemaal zo veel verzamelen en klaarmaken als op de andere dagen. Sommigen luisterden niet naar hem en bewaarden toch iets; de volgende morgen zat het vol wormen en stonk het. Mozes wees hen scherp terecht.

Ex. 15,22-27, Ex. 16,1-5, Ex. 16,20

Vragen ter bespreking bij deze aflevering:

Veertig jaar ronddwalen in de woestijn. Momenten van twijfel, onzekerheid, leegte, uitzichtloosheid… Maar tegelijk tijd om te groeien en te verlangen, kans om sterker en meer volwassen te worden in geloof.

  • Als je jouw leven bekijkt, welke gebeurtenissen gaven je dan het gevoel ‘in de woestijn’ te zitten? Wat maakte het jou dan moeilijk, wat moest je achterlaten, en hoeveel moeite heeft dat gekost? En hoe ben je daardoorheen gegroeid naar iets nieuws?

  • Wat is er volgens jou nodig om ‘Volk van God’ te worden? Op welke manier zijn wij daar met onze groep, school, parochiegemeenschap, communauteit… mee bezig? Wat lukt er al aardig? Wat lukt helemaal niet? Wat moeten we anders aanpakken? Waar zouden we eindelijk eens werk moeten van maken..?

  • Op welk moment heb jij het duidelijkst gevoeld dat je bij deze groep behoorde? Wat waren tot nog toe onze sterkste momenten als groep? Wat zijn bindende factoren – wat zijn ontbindende factoren geweest in het verleden? En op vandaag?

  • Geef aan een buitenstaander vijf motieven op om aan te sluiten bij deze groep waar jij nu deel van uitmaakt. Maak er een soort ‘propagandafolder’ van: hoe werf je nieuwe leden om mee met deze gemeenschap van mensen op zoek te gaan naar het Beloofde Land?

  • Hoe zie jij de evolutie inzake medezeggenschap en samen gedragen verantwoordelijkheid in de Kerk - plaatselijk en wereldwijd? Teken een soort gedroomd ‘organigram’ uit van dat ‘Volk Gods’ onderweg… Welke ‘ambten’ zijn er nodig, welke structuren, welke overlegorganen..? En wat van het nu bestaande kan men beter afschaffen of anders organiseren en invullen..?

Creatieve oefening om met de hele groep te doen:

  1. Probeer ‘Egypte’ op vandaag eens voor te stellen aan de hand van collages, flapteksten, krantenknipsels enz… met namen, gezichten, situaties, cijfergegevens, beursberichten… uit de actualiteit. Waar zie je dit allemaal gebeuren:

  • Piramides van macht en rijkdom die worden opgestapeld

  • Er zijn mummies, er heerst een cultuur van de dood, er is het conservatief vasthouden aan macht en bezit

  • Aan de top: zonnekoningen, farao’s, dictators – en onderdrukte mensen in slavernij aan de basis

  • Alles wordt bewaakt door sfinxen, onbetrouwbare mensen, ‘leeuwen’ als koningen van de ‘jungle’

  • Daar staan de vleespotten van de welvaartsmaatschappij

  • Op strategische plaatsen zijn obelisken opgericht als symbolen van de ‘winnaarsmentaliteit’; triomfbogen vol erelijsten en prestaties…

  • Het gouden kalf wordt er aanbeden…

  1. Wat stel je daar tegenover? Welke symbolen, utopische perspectieven… zie je ergens aan de horizon verschijnen die een gedroomd alternatief vormen voor dat ‘Egypte’? Hoe stel je het ‘Beloofde Land’ voor op vandaag? Een Land waar waarden overheersen als: samenhorigheid, verbondenheid, vrede, vrijheid, trouw, democratie, inspraak, gelijke rechten voor iedereen, multicultureel samenleven, respect voor de natuur, delen van werk, herverdelen van bezit…

Je zou deze droombeelden bijvoorbeeld kunnen boetseren in klei, met op de achtergrond het lied ‘Imagine’ van John Lennon. Misschien schrijft er zelfs iemand een nieuwe strofe voor dat lied, die moet beginnen met ‘Stel je eens voor dat…’ en eindigen met het refrein: ‘Je mag zeggen dat ik een dromer ben, maar ik ben zeker de enige niet. Ik hoop dat jij je ooit bij ons zult voegen, en dan zal de wereld meer één worden…’ (in het Engels mag ook!)

  1. Zet ‘Egypte’ en ‘Beloofde Land’ nu als twee tegengestelden tegenover elkaar in de ruimte. En leg daartussen een strook zand aan, met middenin op een lange strook papier de handgeschreven tekst van de ‘tien woorden’ uit Exodus 20,1-17 (of een parafrase die directer aanspreekt of die je met de groep hebt opgesteld). Laat iedereen nu eens nadenken welke concrete situaties, mensen, projecten, initiatieven… hij of zij ziet gebeuren die onze wereld dichter bij het Beloofde Land brengen. En ook welke kleine stapjes hij of zij zelf wil zetten/reeds gezet heeft om die weg door de woestijn vorm te geven. Schrijf die gegevens op voetjes die vooraf zijn klaar gemaakt, en die je dan als een ‘weg’ in het midden van de woestijn legt. Want ‘…wie zal zeggen of dat wat wij hopen bestaat? Het is ermee als met de wegen op aarde: eerst zijn er geen wegen, maar ze ontstaan als mensen in dezelfde richting gaan…’ (lee sjuun)

  2. Je kan afsluiten met het (prachtige) lied van Herman Verbeek: ‘Doopbelijdenis’ uit de bundel ‘Zang van de monnik’ – waarbij telkens eerst iemand uit de groep op de keuzevragen uit de strofes moet antwoorden met ‘Dan zal ik door het water gaan…’. Pas dan mag de hele groep instemmen met het refrein: ‘En wij met jou en jij met ons, wij zullen samen gaan…’ Een ander lied om mee af te sluiten kan zijn: ‘De Steen’ - van Bram Vermeulen.

Gebed om af te sluiten:

Laat het soms even zijn

alsof wij gaan op vleugels –

zoals mensen gaan

die op weg zijn naar een nieuw begin.
Dat wij zien, nog bij ons leven,

een glimp, een vonkje

van uw rijk van vrede:

mensen in vrede.
Dat wij soms even weten,

zo zeker als wij bestaan,

dat duren zal uw trouw,

en wie Gij zijn zult, ooit,
in een nieuwe hemel,

op een nieuwe aarde,

als de dood gedood is:

God in mensen.
Nu nog heeft niemand

U ooit gezien.

Maar Gij zult God zijn,

nieuw en voorgoed

alles in allen.

(Huub Oosterhuis in ‘Gebeden en Psalmen, Ambo/Baarn, 1984, p.189)

Auteur: Geert Dedecker





1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina