Werknemer of kapitalist?



Dovnload 20.32 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte20.32 Kb.
Werknemer of kapitalist?

Paul de Beer*

In: C.J. Vos, M. Westerhof- van Gelder, P.C. Nieuwland-Jansen en R.F.Hanoch (red.), De werknemer als aandeelhouder, Den Haag: Stichting Nederlands Participatie Instituut, pp.19-25.
Er zijn van die ideeën die, als een veenbrand, lange tijd onder de oppervlakte sluimeren en dan weer oplaaien, maar nooit voldoende aanslaan om het tot realiteit te brengen. Vaak is dat doordat ze zo ver afstaan van bestaande ideeën en concepties, dat ze moeilijk zijn in te passen in dominante denkrichtingen. Bij ‘links’ roepen ze dan al snel de verdenking op een ‘rechts’ bedenksel te zijn, terwijl ‘rechts’ ze juist aanziet voor een verwerpelijke ‘linkse’ gedachte. Een goed voorbeeld hiervan is het gegarandeerde basisinkomen – een minimuminkomen waar geen prestatie tegenover staat. Voor rechtse mensen symboliseert het de verwording van de verzorgingsstaat bij uitstek, terwijl linkse mensen het zien als een poging de weg vrij te maken voor de vrije markt (was de ‘rechtse’ econoom Milton Friedman er niet immers ook een voorstander van?). Ook de werknemer als aandeelhouder is zo’n idee dat zozeer op gespannen voet lijkt te staan met de bestaande verhoudingen dat niemand het goed weet in te passen in zijn eigen denkwereld en bijna iedereen het daarom afwijst. Als werknemers aandeelhouders worden, geven ze dan niet al hun zekerheden op en worden ze dan niet medeverantwoordelijk voor de uitwassen van het kapitalistisme? Als werknemers aandeelhouders worden, is dat dan niet de eerste stap op weg naar werknemerszelfbestuur en zet dat niet de bijl aan de wortel van de ondernemingsgewijze productie? Zowel van vakbondszijde als van werkgeverszijde valt er dan ook weinig enthousiasme te bespeuren voor het idee van werknemersaandelenbezit.

Dat is tot op zekere hoogte begrijpelijk, maar tegelijkertijd toch ook verwonderlijk. Immers, heeft niet iedereen de laatste jaren de mond vol van de ingrijpende veranderingen die zich in de economie en op de arbeidsmarkt voordoen? De zelfstandige zonder personeel – eigenlijk toch gewoon een kleine kapitalist – wordt de hemel in geprezen als de redder van de dynamiek van de arbeidsmarkt. De moderne werknemer zou steeds meer een ‘werkondernemer’ (moeten) worden, een creatieve en flexibele medewerker die zich medeverantwoordelijk voelt voor het reilen en zeilen van zijn onderneming. Onder de noemer ‘sociale innovatie’ worden tal van ideeën gelanceerd om de arbeidsverhoudingen een productiever karakter te geven, door de kennis en vaardigheden – competenties, zoals dat tegenwoordig heet – van medewerkers optimaal te benutten.


Verwevenheid arbeid en kapitaal

Maar al deze ideeën voor vernieuwing houden wel krampachtig vast aan de traditionele scheidslijn tussen werknemer en werkgever/ondernemer of, om het wat klassieker uit te drukken, tussen arbeid en kapitaal. Sterker nog, het snel oprukkende aandeelhoudersactivisme, het agressieve optreden van hedge funds en private equity funds lijkt de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal recent juist weer aan te scherpen. In dit klimaat word je al snel voor wereldvreemd versleten als je suggereert dat de factor arbeid en de factor kapitaal meer zouden moeten samenwerken en uiteindelijk misschien zelfs grotendeels zouden moeten samenvloeien. Toch is dat idee ook weer niet zo vreemd. In de discussie over private equity funds wordt er regelmatig op gewezen dat veel van deze fondsen opereren in opdracht van pensioenfondsen. En die pensioenfondsen beheren op hun beurt weer het enorme kapitaal (in Nederland circa 750 miljard euro in 2006), dat de werknemers (lees: de factor arbeid) als uitgesteld loon hebben afgestaan ten behoeve van hun toekomstige pensioen. Dezelfde vakbonden die met lede ogen aanzien hoe het activistische kapitaal als sprinkhanen ‘ons’ bedrijfsleven te lijf gaat, zijn daar tot op zekere hoogte, in hun rol van bestuurders van pensioenfondsen, zelf medeverantwoordelijk voor. Bij nadere beschouwing is de scheidslijn tussen arbeid en kapitaal dus heel wat minder helder dan doorgaans wordt gesuggereerd.


In het licht van deze ontwikkelingen is het interessant om ook de verhouding tussen arbeid en kapitaal op ondernemingsniveau eens door een andere bril te bezien. Om te beginnen zijn ook daar arbeid en kapitaal veel meer verknoopt dan op het eerste gezicht lijkt. Twee simpele voorbeelden kunnen dit verduidelijken.

In de eerste plaats is het lot van de werknemers van een bedrijf direct verbonden met dat van de onderneming. Als de aandeelhouders een bedrijf willen opsplitsen, dan voelen de werknemers de gevolgen daarvan vaak sterker aan den lijve dan de aandeelhouders zelf. Zo bezien delen de werknemers al in hoge mate in het risico van de factor kapitaal. Als puntje bij paaltje komt biedt een vast dienstverband en een vaste beloning echt geen bescherming tegen de krachten van het wildwest-kapitalisme.

In de tweede plaats is de opbrengst van een investering in een onderneming vaak in hoge mate afhankelijk van het personeel. Veel moderne bedrijven, vooral in de dienstensector, ontlenen hun waarde minstens zo zeer aan het personeelsbestand – en de kennis en ervaring die het belichaamt – als aan fysieke kapitaalgoederen (machines, gebouwen) en gecodificeerde kennis (octrooien, merken e.d.). Mede daardoor komt het rendement van een investering in een onderneming (bijv. om een nieuwe technologie te introduceren) vaak voor een groot deel (of zelfs het grootste deel) bij de werknemers terecht. Zo is het gebruikelijk dat een stijging van de productiviteit, ook als die voortvloeit uit de toepassing van een nieuwe technologie, tot een evenredige loonstijging leidt. Als de loonkosten bijvoorbeeld 50 procent van de toegevoegde waarde van een bedrijf bedragen, betekent dit dat de helft van de kapitaalsinvestering in nieuwe technologie ten goede komt aan de werknemers!
Zowel op het macroniveau van de economie als geheel, als op het microniveau van de individuele onderneming zijn de factoren arbeid en kapitaal dus sterk met elkaar verweven en is het niet zinvol te spreken in termen van een tegenstelling – of zelfs een diepe kloof – tussen arbeid en kapitaal. In de dagelijkse beleving van de meeste werknemers en werkgevers is die kloof er echter wel degelijk. Een belangrijke verklaring daarvoor is dat de wijze waarop de arbeidsverhoudingen in Nederland (en de meeste andere westerse landen) georganiseerd zijn, is gebaseerd op de veronderstelling van een dergelijke kloof. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de CAO-onderhandelingen, waarbij de vertegenwoordigers van de factor arbeid (de vakbonden) en van de factor kapitaal (de werkgeversorganisaties) tegenover elkaar staan alsof zij twee strikt gescheiden belangen vertegenwoordigen. De CAO-onderhandelingen gaan dan ook vooral over de verdeling van de toegevoegde waarde van de onderneming tussen werknemers (arbeid) en aandeelhouders (kapitaal). Dat een redelijk rendement op dat kapitaal indirect ook in het belang is van de werknemers (bijv. als deelnemers aan een pensioenregeling) speelt daarbij hoegenaamd geen rol. Hierdoor hebben CAO-onderhandelingen vaak een weinig productief karakter en zijn zij niet gericht op het vergroten van ‘de koek’, hoewel alle partijen daar beter van zouden worden.

Hoewel de faam van Nederland als overlegeconomie wellicht anders zou doen vermoeden staat ook het nationale overleg tussen vakbeweging en ondernemersorganisaties vaak in het teken van een vermeende tegenstelling tussen arbeid en kapitaal. Daarom doen zich regelmatig stevige botsingen voor als de vakbonden menen dat de rechten van werknemers in het geding zijn (zie het conflict over het ontslagrecht) of als de werkgevers menen dat het ondernemingsklimaat in Nederland wordt geschaad (zie plannen om de topinkomens aan te pakken).

En ook op ondernemingsniveau overheerst vaak het denken in termen van een belangentegenstelling, hoezeer men in de dagelijkse praktijk ook samen werkt aan een gemeenschappelijk doel. De recente klachten over de moderne managers zijn daar een goed voorbeeld van (al duidt het feit dat die klachten minstens zo sterk in de publieke sector als in de marktsector weerklinken erop dat het hierbij niet per se om een tegenstelling tussen arbeid en kapitaal gaat). Ook de vele reorganisaties waar werknemers vaak de zin niet in van inzien, wijzen op een kloof tussen werkgever c.q. management en werknemers.
Relatie met werknemersaandeelhouderschap

Wat heeft dit alles nu te maken met werknemersaandelenbezit?

Als werknemers aandeelhouder van hun eigen bedrijf worden, wordt daarmee direct zichtbaar dat de belangen van arbeid en kapitaal niet strikt te scheiden zijn en in hoge mate dooreen lopen. In de feitelijke verhoudingen hoeft dit niet per se heel veel te veranderen, maar de psychologische effecten ervan zouden groot kunnen zijn. Naar mijn overtuiging zouden dat vooral positieve effecten zijn.

Werknemers die aandelen in hun eigen bedrijf bezitten, zijn zich meer bewust van de belangen van de factor kapitaal en zullen daardoor een evenwichtiger afweging maken tussen die belangen en de belangen van de factor arbeid. Een hoog rendement op kapitaal wordt dan tevens hun eigen belang. Als dat ten koste gaat van het loon (of andere arbeidsvoorwaarden), moeten zij zelf afwegen wat op langere termijn het zwaarst weegt. Het volstaat dan niet langer om elke verslechtering van arbeidsvoorwaarden zonder meer af te wijzen of in de CAO-onderhandelingen louter te streven naar maximalisatie van de loonruimte. Want wat je met de ene hand pakt, verlies je deels weer met de andere hand. Van productiviteitsverbetering die tot een hogere toegevoegde waarde van de onderneming leidt, profiteert de werknemer-als-aandelhouder daarentegen twee keer, namelijk via een hoger loon en via een hoger rendement op zijn aandelen. Een werknemer die tevens aandeelhouder is zal zich dus veel meer op het lange-termijnbelang van de onderneming richten, zonder overigens het specifieke belang van de werknemers uit het oog te verliezen.


Om deze verandering in oriëntatie van werknemers tot stand te brengen zal werknemersaandelenbezit alleen echter niet volstaan. Essentieel, zo blijkt uit onderzoek, is een goede communicatie tussen bedrijfsleiding en medewerkers, in twee richtingen. Betrokkenheid van de werknemer bij de onderneming vereist vanzelfsprekend dat hij/zij voldoende op de hoogte is van hoe het er met de onderneming voorstaat en welke strategie de onderneming volgt. Omgekeerd dient de leiding van de onderneming voldoende oor te hebben voor zowel de belangen als de ideeën van de werknemers. Werknemersaandelenbezit kan bijvoorbeeld de bereidheid van werknemers vergroten om creatieve ideeën voor een betere, efficiëntere bedrijfsvoering te delen met de leiding, maar dan dient de leiding daar uiteraard wel voor open te staan.

Werknemersaandelenbezit kan omgekeerd ook de betrokkenheid van de factor kapitaal bij de onderneming vergroten. Misschien wel het belangrijkste nadeel van de scheiding van eigendom (aandeelhouders) en bestuur (management) van de onderneming, die de afgelopen eeuw heeft plaatsgevonden, is dat de meeste (en zeker de kleine) aandeelhouders geen enkele betrokkenheid meer hebben bij de ondernemingen waarin zij beleggen. Een aandeel is nog slechts een financiële belegging, die dan ook louter op basis van rendement wordt beoordeeld. En steeds vaker is dat nog alleen het korte-termijnrendement. Dit jachtige kapitaal maakt het voor ondernemingen steeds lastiger te investeren in riskante activiteiten die pas op langere termijn een (onzeker) rendement opleveren. Het afstoten van minder rendabele bedrijfsonderdelen of het opkopen van kleine innovatieve bedrijven levert daardoor vaak meer ‘aandeelhouderswaarde’ op dan het in huis ontplooien van innovatieve activiteiten. Dit bedreigt niet alleen de continuïteit van de onderneming op langere termijn (door het gevaar van verstarring), maar is ook schadelijk voor het groeivermogen van de economie als geheel.

Aandelenbezit van werknemers kan op twee manieren aan deze bezwaren tegemoet komen. Omdat veel werknemers langere tijd aan hetzelfde bedrijf verbonden blijven – de gemiddelde baanduur bedraagt in Nederland bijna tien jaar – hebben zij meer belang bij een redelijk rendement op langere termijn dan bij een hoog rendement op korte termijn als dat de lange-termijncontinuïteit in gevaar brengt. Dit veronderstelt overigens wel dat werknemers hun aandelen, in ieder geval zolang zij bij de onderneming in dienst zijn, niet te gelde kunnen maken. Anders bestaat het gevaar dat zij zich laten meeslepen door de jacht op maximaal korte-termijnrendement. Recente ervaringen hebben laten zien dat een aandeelhouder die slechts een procent van de aandelen bezit de leiding van een onderneming aardig in het nauw kan brengen. Dit betekent dat ook een relatief bescheiden aandelenbezit van werknemers al voldoende kan zijn om in de aandeelhoudersvergadering een substantiële invloed uit te oefenen. Daarvoor is het vanzelfsprekend wel nodig dat de werknemers met één mond spreken, bijvoorbeeld doordat zij alleen certificaten van aandelen ontvangen die in een fonds worden gestort, dat wordt beheerd door een vertegenwoordiging van de werknemers.

Als de aandelen van werknemers bovendien worden gefinancierd uit de loonruimte (bijv. in de vorm van een niet contant uitgekeerde winstdelingsregeling), dan blijft er meer kapitaal in de onderneming om investeringen te financieren en zal deze minder snel een beroep hoeven doen op externe kapitaalversschaffers. Dit vermindert de afhankelijkheid van de onderneming van de vaak irrationele sentimenten op de kapitaalmarkt. Ook dat maakt het voor een onderneming gemakkelijker om zich te richten op lange-termijncontinuïteit.


Concluderend

Werknemersaandelenbezit is zeker geen panacee tegen alle kwalen van de moderne kapitalistische economie. Ze zal er ook niet toe leiden dat alle tegenstellingen tussen werknemers en werkgevers, tussen arbeid en kapitaal als sneeuw voor de zon verdwijnen. De geschetste positieve effecten zullen zich bovendien alleen manifesteren als werknemersaandelenbezit samengaat met een aantal andere veranderingen in de arbeidsverhoudingen. Nu sommige van die veranderingen – zoals een meer productieve CAO-agenda en een effectievere benutting van competenties van werknemers – onder de noemer sociale innovatie in het middelpunt van de belangstelling staan, zou het een gemiste kans zijn als de eigendomsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal daarbij geheel buiten beschouwing blijven. Het gevaar is reëel dat zonder een verandering in de eigendomsverhoudingen de verschillende partijen weer snel terug vallen op oude vertrouwde patronen. Een ‘ouderwets’ conflict tussen arbeid en kapitaal – of het nu gaat om de looneis of om het ontslagrecht – zou de vernieuwing van arbeidsverhoudingen dan weer snel tot staan brengen.



* Henri Polak hoogleraar voor arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, tevens verbonden aan het Amsterdams Instituut voor ArbeidsStudies en De Burcht (Centrum voor Arbeidsverhoudingen).







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina