Werknemers dragen risico



Dovnload 8.61 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte8.61 Kb.
Werknemers dragen risico

Omdat werknemers onvermijdelijk een belangrijk deel van het bedrijfsrisico dragen zijn ze ook belanghebbenden, waarmee de onderneming rekening moet houden

Paul de Beer*

In: Financieele Dagblad 6 februari 2008


Het Rijnlandse model, waarin de onderneming een evenwicht zoekt tussen de belangen van aandeelhouders én werknemers biedt de werknemer meer zekerheid dan het Angelsaksische model dat zich alleen richt op de aandeelhouderswaarde. Dit staat haaks op de stelling van Lans Bovenberg en Coen Teulings in de discussie over het Angelsaksische shareholders-model versus het Rijnlandse stakeholders-model. Zij voeren in hun essay ‘Werknemer wil zekerheid’ in het FD van 26 januari een origineel nieuw argument aan. Maximalisering van de aandeelhouderswaarde zou in het belang zijn van de werknemers!

De essentie van hun betoog is simpel: als werknemers mee willen profiteren van het hoge rendement van hun onderneming in goede tijden, dan zullen zij onvermijdelijk ook meer van het bedrijfsrisico dragen. Aangezien werknemers dit risico niet kunnen spreiden — zij werken doorgaans immers slechts bij één bedrijf — en de aandeelhouders wel, is het het beste als deze laatsten het volledige risico dragen. Zij verzekeren de werknemers van een vast loon, ongeacht de resultaten van het bedrijf. Maar in ruil daarvoor zullen zij eisen dat de onderneming zich volledig richt op het creëren van aandeelhouderswaarde.

Bovenberg en Teulings zijn niet erg helder over de aard van het bedrijfsrisico. In feite kan het hierbij gaan om twee geheel verschillende risico’s. In de eerste plaats om een tijdelijke fluctuatie in het bedrijfsresultaat, bijvoorbeeld doordat de vraag naar het product kortstondig stijgt of inzakt. Er is geen goede reden waarom de werknemers niet in een dergelijk tijdelijk risico zouden kunnen en willen delen (bijvoorbeeld in de vorm van een resultaatafhankelijke beloning), temeer omdat zij daarmee het risico verkleinen om in slechte tijden te worden ontslagen.

In de tweede plaats kan het gaan om het risico dat de onderneming structureel beter of slechter presteert dan andere ondernemingen. Als het bedrijf structureel slechter presteert is het echter een illusie te menen dat de aandeelhouders het risico van de werknemers voor hun rekening zullen nemen. Zij zullen zich eenvoudigweg uit het bedrijf terugtrekken om elders een hoger rendement te zoeken. De kans is dan groot dat het bedrijf failliet gaat en de werknemers hun baan verliezen. Hoezo verzekering van bedrijfsspecifieke risico’s?

Opmerkelijk is dat Bovenberg en Teulings , vooral in hun achterliggende discussiestuk ‘Rhineland exit?’, uitvoerig stilstaan bij het ‘probleem’ dat werknemers in goede tijden een aandeel in de winst kunnen claimen, maar in slechte tijden niet met minder loon genoegen zullen nemen. Het omgekeerde probleem, namelijk dat het management c.q. de aandeelhouders in slechte tijden hun belofte niet zullen nakomen om het bedrijfsrisico zelf te dragen, maar een deel van het personeel ontslaan, krijgt veel minder aandacht.

De onderneming zou zich volgens Bovenberg en Teulings eenduidiger moeten richten op aandeelhouderswaarde op de lange termijn, zodat het management zich kan committeren aan zijn beloften aan het personeel. Maar het probleem is nu juist dat, naarmate een groter deel van de aandeelhouders buitenlands is, ze zich steeds minder aan die langetermijndoelstelling gelegen zullen laten liggen.

De realiteit is dat werknemers onvermijdelijk een belangrijk deel van het bedrijfsspecifieke risico van hun onderneming dragen. Maar dan is er alle reden om hen ook te beschouwen als belanghebbenden (stakeholders), waarmee de onderneming rekening dient te houden. Het Rijnlandse model, waarin de onderneming een evenwicht zoekt tussen de belangen van aandeelhouders én werknemers, voldoet in dit opzicht dan ook beter dan het Angelsaksische model dat zich alleen op aandeelhouderswaarde richt. Het belang van de werknemers kan worden vormgegeven via versterking van de formele (indirecte) medezeggenschap via de Ondernemingsraad.

Maar omdat het risico van de factor arbeid en de factor kapitaal in de praktijk niet te scheiden valt — temeer omdat werknemers via hun pensioenfondsen ook kapitaalverstrekkers zijn — valt er veel voor te zeggen om werknemers te laten participeren in het aandelenkapitaal van hun onderneming. Werknemersaandelenbezit vergroot de betrokkenheid van de werknemers bij hun onderneming, vermindert de afhankelijkheid van de onderneming van externe kapitaalverschaffers en versterkt daarmee de oriëntatie van de onderneming op het rendement op de lange termijn. Dat is uiteindelijk in het belang van zowel de werknemers als van (trouwe) aandeelhouders.



De strikte scheiding van aandeelhouders- en werknemersbelangen in het Angelsaksische model biedt dus niet het wenkende perspectief dat Bovenberg en Teulings ons voorspiegelen. Integendeel, als bedrijfsspecifieke risico’s steeds groter worden, zoals zij stellen, is het juist des te belangrijker om de rol van werknemers als stakeholders in de onderneming meer gewicht te geven.
* Paul de Beer is Henri Polak hoogleraar voor arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam; verbonden aan De Burcht (Centrum voor Arbeidsverhoudingen) en het Amsterdams Instituut voor ArbeidsStudies (AIAS).







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina