Werkvertaling: Karel Verbeke



Dovnload 19.79 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte19.79 Kb.
Tacitus, Annales I, 16-30

werkvertaling: Karel Verbeke


16. Dit was de stand van zaken in de stad, toen er muiterij ontstond in de legioenen in Pannonië, zonder enige nieuwe oorzaken, tenzij dat de verandering van keizer de kans op muiterij en de hoop op beloningen ten gevolge van een burgeroorlog liet zien.

In het zomerkamp waren drie legioenen tegelijk gestationeerd onder het bevel van Iunius Blaesus, die, nadat hij op de hoogte was gebracht van de dood van Augustus en het nieuwe bewind van Tiberius, de gewone corvees had opgeschort omwille van nationale rouw en vreugde. Daardoor werden de soldaten losbandig, begonnen ze ruzie te maken, hun oren te luister te leggen bij gesprekken van allerlei gespuis/verschillende kwatongen/kwaadsprekers, en tenslotte verlangden ze luxe en vrije tijd, en haalden ze hun neus op voor discipline en hard labeur.



In het kamp leefde een zekere Percennius, ooit de leider van een bende theatersupporters, vervolgens een soldaat uit de kudde, een fervent opruier, en een ervaren rot op het vlak van ophitsen van bijeenkomsten voor een actie ten gunste van toneelspelers. Deze dreef de gemoederen van de onervaren jongens en diegenen die zich afvroegen hoe de toestand van de legerdienst er zou uitzien na Augustus’ dood, aan en geleidelijk aan verzamelde hij alle slechteriken/schurken op nachtelijke bijeenkomsten, of, in de schemering nadat de betere soldaten zich hadden teruggetrokken,.
17. Tenslotte, nadat weldra de anderen, als medestanders van de opstand /de andere medeopstandelingen ook gereed waren, vroeg hij hen openlijk, zoals een bevelhebber zijn troepen toespreekt, waarom ze zo’n klein aantal centurio’s en nog een kleiner aantal tribunen gehoorzaamden als slaven. “Wanneer anders zullen ze een oplossing durven eisen,indien ze niet nu met smeekbeden of met wapens zich met een verzoek wenden tot de nieuwe, wankelende keizer? Er is gedurende zoveel jaar genoeg verkeerd gedaan door lamlendigheid, namelijk door het feit dat de veteranen diensttijd die dertig tot veertig jaar duurt met een veelvuldig door wonden verminkt lichaam maar moeizaam ten einde brengen. En zelfs voor de afgezwaaiden is de legerdienst nog niet gedaan, maar ze moeten, onder een ander vaandel ingedeeld, hetzelfde zware labeur blijven verdragen. En als iemand het van al deze toestanden levend zou hebben afgebracht, dan wordt hij nog naar alle uithoeken (van het rijk) gesleurd, waar ze onder naam van akkerland zompige moerassen en braakliggend bergland krijgen. De legerdienst is zeker en vast zwaar, én hij brengt niets op : hun leven en gezondheid worden op 10 asses per dag waard geschat/ worden tien asses waard geacht; hiervan moeten ze hun kleding, wapens en behuizing betalen, hiervan moeten ze de ongenadigheid van de centurionen en de vrijstelling van karwijen afkopen. Vervloekt die geselingen en wonden, die strenge winters, die uitputtende zomercampagnes, die wrede oorlog of die eeuwige vrede zonder winst! En niets zou verlichting kunnen brengen tenzij de dienst zou worden begonnen onder duidelijke voorwaarden: ze willen één denarius verdienen per dag, een einde aan de legerdienst na 16 jaar , ze willen niet nog langer onder het vaandel moeten blijven, maar in hun eigen kamp de gouden handdruk cash uitbetaald krijgen. Lopen de praetoriaanse cohorten, die elke dag twee denarii worden uitbetaald, en die na 16 jaar naar huis en haard terugkeren, soms meer gevaar? Wachtdiensten in de stad worden door hem niet bespot : toch kijken zij daar bij die wildemannen vanuit hun tent de vijand in de ogen.

19.Blaesus zei met veel redenaarskunst, dat de soldaten niet door middel van opstand en relletjes hun verlangens aan de keizer moesten overmaken, en dat de soldaten uit vroegere tijden en zelfs deze lichtingen nooit zoiets revolutionairs aan de goddelijke Augustus hadden gevraagd ; én het is/was(?) een zeer ongeschikt moment om de zorgen van de nieuwe keizer te belasten. “Als men dan toch met alle geweld verlangt in vredestijd datgene na te streven dat zelfs de overwinnaars van de burgeroorlogen niet hebben opgeëist, waarom zet men dan zijn zinnen op geweld, wat tegen gewoonte van gehoorzaamheid, tegen het fatsoen van de tucht ingaat? Benoem toch gezanten en geef hen een opdracht mee.”

Ze gaven al klappend te kennen/ beslisten dat de zoon van Blaesus, tribuun dit gezantschap op zich zou nemen, en hij zou gaan vragen om een afzwaai voor de soldaten na zestien jaar dienst : de overige eisen zouden worden medegedeeld wanneer het eerste goed was afgelopen.

Na het vertrek van de jongeman was het een tijdje rustig maar de soldaten zetten een grote mond op omdat het feit dat de zoon van de legatus optrad als pleitbezorger van het algemeen belang duidelijk aantoonde dat met dwang was bekomen wat ze door onderdanigheid nooit zouden bereikt hebben.
20.Ondertussen rukten de manipels, die nog voor het begin van de muiterij naar Nauportus gestuurd waren om te werken aan wegen, bruggen en andere nuttige ondernemingen, de vaandels uit de grond, nadat ze gehoord hadden van het tumult in het legerkamp. Nadat ze de nabijgelegen dorpen en Nauportus zélf, dat maar de grootte van een provinciestad had, hadden leeggeplunderd, keerden ze zich met luid gelach en gespot, en tenslotte zelfs met zweepslagen tegen hun centurio’s, die hen tevergeefs probeerden tegen te houden, maar hun voornaamste woede was gericht op Aufidienus Rufus, de kampcommandant, die ze van zijn wagen sleurden en bepakten met bagage, ze dreven hem tot in de voorste gelederen van de kolonne onder luid gespot en ze vroegen hem of hij met plezier zo’n zware last en zo’n lange tocht verdroeg.

Rufus immers was lange tijd gewoon soldaat geweest, vervolgens centurio en daarna prefect van het kamp, en hij probeerde de oude en harde legerdienst weer in te voeren, vergrijsd als hij was in werk en labeur, en dés te ontoegeeflijker omdat hij het zelf verdragen had.


21. Bij hun aankomst laaide de muiterij weer op en ze gingen geweldig te keer in de omliggende dorpen. Blaesus gaf het bevel een klein aantal plunderaars, die het zwaarst met buit beladen waren, als voorbeeld voor de anderen te lijf te gaan met zweepslagen en hen in de kerkers op te sluiten ; want zelfs toen nog gehoorzaamden de centurio’s en de beste soldaten van ieder manipel hun bevelhebber.
22.Het geweld laaide heviger op en de opstand kreeg nog meer medestanders. Een zekere Vibulenus, een gewoon soldaat, werd voor het verhoog van Blaesus op de schouders van omstanders getild, bij/tussen de soldaten die door het dolle heen waren en reikhalzend uitkeken naar wat hij ging zeggen. “Jullie,”zei hij,”hebben wel deze onschuldige en allerellendigste soldaten, hun levenslicht en levensadem teruggegeven : maar wie geeft mijn broer het leven, wie geeft mij mijn broer terug? Hij was naar jullie gestuurd vanuit de Germaanse legers voor het gemeenschappelijk belang, maar Blaesus heeft hem de voorbije nacht laten ombrengen door zijn lijfwachten, die hij tot ondergang van de soldaten onderhoudt en bewapent. Zeg op, Blaesus, waar heb je het lijk weggegooid : zelfs vijanden misgunnen niemand een begrafenis. Wanneer ik mijn verdriet met kussen, met tranen zal hebben verzadigd, laat mij ook afmaken, zolang deze soldaten hier ons maar begraven, wij, die niet omwille van een misdaad maar omdat we voor het belang van de legioenen opkwamen, zijn gedood.
23. Hij wakkerde deze woorden nog aan door in tranen uit te barsten, terwijl hij zijn borst en gezicht met zijn handen openkrabde. Daarna dreef hij de mensen op wier schouders hij zat uiteen, hij viel voorover en rolde zich voor ieders voeten en dit maakte bij hen zo’n emotie en verontwaardiging los, dat een deel van de soldaten de lijfwachten, die uit het slavenpersoneel van Blaesus kwamen, en een ander deel datzelfde slavenpersoneel in de boeien sloeg, en anderen alle kanten uitstoven om het lijk te gaan zoeken. En als niet snel aan het licht gekomen was dat er nergens een lijk te vinden was, dat de slaven zelfs onder zware folteringen, de moord bleven ontkennen, en dat die man nooit een broer had gehad, had het helemaal niet veel gescheeld of de commandant was ten onder gegaan. Toch joegen ze de tribunen en de kampcommandant weg, de bagage van de gevluchte bevelhebbers werd geplunderd, en men vermoordde de centurio Lucilius, wie ze met militaire humor de bijnaam "Nog een" hadden gegeven omdat hij, nadat hij een wijnstok gebroken had op de rug van een soldaat, met heldere stem een andere vroeg, en dan opnieuw een andere. Alle anderen hebben zich kunnen schuilhouden, en ze hielden alleen Clemens Iulius achter, die ze wegens zijn scherpe geest geschikt zagen om opdrachten van de soldaten uit te voeren. Wat erger was, was dat het achtste en het vijftiende legioen zelfs met elkaar in de clinch zouden zijn gegaan, omdat de eerstgenoemde een centurio die Sirpicus heette ter dood wilde brengen, terwijl het vijftiende legioen hem beschermde, als de soldaten van het negende legioen er niet waren tussengekomen met smeekbeden en bedreigingen tegen de kemphanen.

25. Nadat hij binnen de omwalling was getreden, plaatsten ze wachtposten bij de poorten en gaven ze het bevel dat de gewapende troepen op de vooraf bepaalde punten in het kamp moesten wachten op verdere orders : de overigen omsingelden in een enorme horde, het verhoog. En daar stond Drusus, met één hand kalmte vragend/tot kalmte aanmanend.

Toen zij daar herhaaldelijk naar de menigte rondom zich hadden gekeken, begonnen woest te schreeuwen, en dan opnieuw te sidderen bij zien van de keizerszoon ; een onzeker gemompel, een woest geroep en plots weer rust ; de grillen van hun gemoed maakten henzelf bang, maar joegen ook schrik aan.

Tenslotte, nadat het tumult was uitgestorven, las hij een brief van zijn vader voor, waarin die schreef dat “zijn voornaamste zorg uitgaat naar de sterkste legioenen, die hij zelf heeft geleid en waarmee hij immers meerdere oorlogen had uitgevochten ;zodra zijn hart weer bekomen zou zijn van de rouw, zou hij hun eisen aan de senatoren voorleggen ; in afwachting daarvan stuurde hij zijn zoon om zonder aarzelen toe te staan wat dadelijk toegestaan kon worden ; rest moest aan de senaat worden overgelaten en het zou niet billijk zijn die verstoken van invloed en strengheid te vinden.


28. De dreigende nacht, klaar om in misdaad uit te barsten, werd slechts door het toeval verzacht : want plots zag men ondanks de heldere hemel, de maan vervagen. De soldaten die niets wisten over de oorzaak, beschouwden dit als een voorteken in verband met hun situatie, ze zagen hun daden als de oorzaak van deze maansverduistering, en ze dachten dat wat ze deden goed zou uitdraaien als de godin haar heldere schittering teruggegeven zou worden.

Dus ze lieten de klanken van koper en het getoeter van krijgstrompetten en hoorns klinken ; en naargelang ze helderder of donkerder werd, waren ze blij of treurden ze. Nadat de opkomende bewolking het zicht belemmerde, werd er geloofd dat de maan door duisternis was toegedekt –eenmaal aangeslagen geesten worden makkelijk tot bijgeloof bewogen-, dat hen eeuwige arbeid werd voorspeld, en ze jammerden dat de goden hun daden afkeurden.

Caesar gaf het bevel, in de mening dat van deze ommekeer goed gebruik moest worden gemaakt en dat met wat het lot had doen gebeuren, wijs moest worden omgegaan, om de tenten te rond te gaan ; hij ontbood centurio Clemens en anderen die door hun goede kwaliteiten op een goed blaadje stonden bij het gewone voetvolk. Ze mengden zich onder de nachtwacht, de wachtposten en de bewakers van de poorten, gaven hen hoop, en zaaiden angst. “Hoelang nog zullen wij de zoon van de keizer tarten? Hoe zal deze strijd eindigen? Wij zijn toch niet van plan om aan Percennius en Vibulenus onze krijgseed te zweren? Zullen Percennius en Vibulenus de soldaten de soldij uitdelen en de afgezwaaiden akkerland schenken? Zullen zij in plaats van de Nero’s en de Drusi de heerschappij van het Romeinse volk overnemen? Zijn wij niet liever, net zoals we de laatsten met schuld waren, zo ook de eersten met spijt? Wat men vraagt voor het algemeen belang, heeft tijd nodig : je eigen profijt zal je dadelijk verdienen, en dadelijk krijgen.”

Nadat ze er door ontroerd waren, haalden ze rekruten en veteranen, die elkaar toch wantrouwden, en de verschillende legioenen uit elkaar. Daarna keerde het gevoel van gehoorzaamheid terug: ze verlieten de poorten en ze brachten de veldtekens, die ze bij het begin van de muiterij bijeen hadden gebracht op een plaats, terug naar hun eigen standplaatsen.


29. Bij krieken van de dag riep Drusus iedereen op het appel, en, hoewel hij nog geen begenadigd spreker was, keurde hij, gebruik makend van zijn aangeboren adel, wat gebeurd was af, en loofde hij hun huidig gedrag; hij verklaarde dat hij niet kon worden overwonnen met terreur en bedreigingen: als hij zag dat ze terug onderdanig waren geworden, en als hij hen hoorde smeken, zou hij zijn vader schrijven dat hij bedaard de beden van de legioenen in overweging mocht nemen. Omdat ze zo smeekten, werden Blaesus, opnieuw diezelfde, en L.Aponius, Romeinse ridders uit de cohorte van Drusus, en Iustus Catonius, een centurio van eerste rang, naar Tiberius gestuurd.

Daarna werd er gediscussieerd, omdat de ene groep voorstelde dat men moest wachten op de gezanten en ondertussen de soldaten met vriendelijkheid kalm moest houden, terwijl anderen meenden dat er met harde maatregelen moest gehandeld worden. Bij het pepeupel is er geen greintje gematigdheid te vinden; ze jagen schrik aan, of het moest zijn dat ze zelf bang zijn, en wanneer ze doodsbang zijn, kan men ze straffeloos kleineren: zolang het bijgeloof hen nog in zijn greep houdt, moet het gezag hen nog banger maken door de leiders van de revolte terecht te stellen.



Omdat Drusus’ karakter eerder naar de harde aanpak neigde, beval hij Vibulenus en Percennius om te brengen. Velen vertellen dat ze in de tent van de bevelhebber zijn begraven, anderen vertellen dan weer dat de lichamen buiten de wal tentoon zijn geworpen.
30. Daarna werden alle voornaamste oproerkraaiers bijeengezocht en een deel, dat buiten het legerkamp rondzwierf, is door de centurio’s en de praetoriaanse cohorten omgebracht : de manipels leverden er zelfs een aantal uit, als bewijs van hun trouw.

Vergroot werden de zorgen van de soldaten door de vroeg ingevallen winter met zijn onophoudelijke stortbuien, die zo hevig zijn dat ze niet uit hun tent kunnen komen, niet bijeen kunnen hokken, en de standaarden nauwelijks kunnen beschermen omdat de modderstromen die dreigen mee te sleuren. Daarnaast bleef ook hun doodsangst voor de woede van de goden bestaande, niet zonder reden verduisterden de hemellichamen en ging de storm zo tekeer, voor de goddelozen : en er was geen andere manier om het kwaad te verlichten, dan tenzij ze dit heilloos en bezoedeld kamp zouden verlaten, en ieder vrij van schuld naar zijn winterkamp zou terugkeren. Eerst vertrok het achtste legioen, vervolgens het vijftiende : het negende riep luid dat ze de brief van Tiberius moesten afwachten, maar daarna, in de steek gelaten door het vertrek van de andere twee, besloot het spontaan de dreigende nood te voorkomen. En Drusus, die niet verwachtte dat de gezanten zouden terugkomen, keerde terug naar Rome, omdat zijn aanwezigheid hen voldoende had bedaard.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina