Wet betreffende de rechten van vrijwilligers



Dovnload 100.53 Kb.
Pagina3/4
Datum24.08.2016
Grootte100.53 Kb.
1   2   3   4

7Inwerkingtreding


Deze wet treedt in werking vanaf 1 augustus 2006, met uitzondering van de aansprakelijkheids- en verzekeringsregeling die pas in voege gaan op 1 januari 2007.

3 JULI 2005. – Wet betreffende de rechten van vrijwilligers
(officieuze coördinatie)

HOOFDSTUK I. – Algemene bepalingen.

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. § 1. Deze wet regelt het vrijwilligerswerk dat verricht wordt op het Belgisch grondgebied, en het vrijwilligerswerk dat daarbuiten wordt verricht, maar dat georganiseerd wordt vanuit België, op voorwaarde dat de vrijwilliger zijn hoofdverblijfplaats heeft in België, en onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn in het land waar het vrijwilligerswerk wordt verricht.

§ 2. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde categorieën van personen van het toepassingsgebied van deze wet uitsluiten.


HOOFDSTUK II. – Definities.

Art. 3. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

  1. vrijwilligerswerk: elke activiteit:

    1. die onbezoldigd en onverplicht wordt verricht;

    2. die verricht wordt ten behoeve van één of meer personen, andere dan degene die de activiteit verricht, van een groep of organisatie of van de samenleving als geheel;

    3. die ingericht wordt door een organisatie anders dan het familie- of privé-verband van degene die de activiteit verricht;

    4. en die niet door dezelfde persoon en voor dezelfde organisatie wordt verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst, een dienstencontract of een statutaire aanstelling;

  2. vrijwilliger: elke natuurlijke persoon die een in 1° bedoelde activiteit verricht;

  3. organisatie: elke feitelijke vereniging of private of publieke rechtspersoon zonder winstoogmerk die werkt met vrijwilligers, waarbij onder feitelijke vereniging wordt verstaan elke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid van twee of meer personen die in onderling overleg een activiteit organiseren met het oog op de verwezenlijking van een onbaatzuchtige doelstelling, met uitsluiting van enige winstverdeling onder haar leden en bestuurders, en die een rechtstreekse controle uitoefenen op de werking van de vereniging;

[ ]
HOOFDSTUK III. – De informatieplicht.

Art. 4. Alvorens de activiteit van een vrijwilliger voor een organisatie een aanvang neemt, informeert de organisatie hem minstens over:

  1. de onbaatzuchtige doelstelling en het juridisch statuut van de organisatie; indien het gaat om een feitelijke vereniging, de identiteit van de verantwoordelijke(n) van de vereniging;

  2. het in artikel 6, § 1, bedoelde verzekeringscontract dat de organisatie gesloten heeft voor vrijwilligerswerk; indien het gaat om een organisatie die niet burgerlijk aansprakelijk is als bedoeld in artikel 5 voor de schade die een vrijwilliger veroorzaakt, de toepasselijke aansprakelijkheidsregeling voor schade die de vrijwilliger veroorzaakt, en de eventuele dekking van deze aansprakelijkheid door middel van een verzekeringscontract;

  3. de eventuele dekking, door middel van een verzekeringscontract, van andere aan het vrijwilligerswerk verbonden risico’s en, in voorkomend geval, van welke risico’s;

  4. de eventuele betaling van een vergoeding voor vrijwilligerswerk en, in voorkomend geval, de aard van deze vergoeding en de gevallen waarin ze wordt betaald;

  5. de mogelijkheid dat hij kennis krijgt van geheimen waarop artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing is.

De in het eerste lid bedoelde informatie kan verstrekt worden op welke wijze ook. De bewijslast berust bij de organisatie.
HOOFDSTUK IV. – Aansprakelijkheid van de vrijwilliger en de organisatie.

Art. 5. Behalve in geval van bedrog, zware fout of eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomende lichte fout van de vrijwilliger, is deze, behalve als het om schade gaat die hij zichzelf toebrengt, niet burgerlijk aansprakelijk voor de schade die hij veroorzaakt bij het verrichten van vrijwilligerswerk, ingericht door een in artikel 3, 3° bedoelde feitelijke vereniging die één of meer personen tewerkstelt die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst voor werklieden of bedienden, door een in artikel 3, 3° bedoelde rechtspersoon, of door een feitelijke vereniging die op grond van haar specifieke verbondenheid hetzij met de voormelde feitelijke vereniging, hetzij met de voormelde rechtpersoon beschouwd kan worden als een afdeling daarvan. Voor deze schade zijn respectievelijk de feitelijke vereniging, de rechtspersoon of de organisatie waarvan de feitelijke vereniging een afdeling vormt, burgerlijk aansprakelijk.

Op straffe van nietigheid mag van de bij het eerste lid bepaalde aansprakelijkheid niet afgeweken worden in het nadeel van de vrijwilliger.


HOOFDSTUK V. – Verzekering vrijwilligerswerk.

Art. 6. § 1. De organisaties die krachtens artikel 5 burgerlijk aansprakelijk zijn voor de schade die een vrijwilliger veroorzaakt, sluiten tot dekking van de risico’s met betrekking tot vrijwilligerswerk een verzekeringscontract, dat ten minste de burgerlijke aansprakelijkheid van de organisatie dekt, met uitzondering van de contractuele aansprakelijkheid;

§ 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor de categorieën van vrijwilligers die Hij bepaalt, de dekking van het verzekeringscontract uitbreiden tot:



  1. de lichamelijke schade die geleden is door vrijwilligers bij ongevallen tijdens de uitvoering van het vrijwilligerswerk of tijdens de verplaatsingen die in het kader daarvan worden gedaan en tot de ziekten die zijn opgelopen als gevolg van het vrijwilligerswerk;

  2. de rechtsbijstand voor de onder § 1 […] en § 2, 1°, genoemde risico's.

§ 3. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de minimumgarantie­voorwaarden vast van de verplichte verzekeringsovereenkomsten tot dekking van het vrijwilligerswerk.

§ 4. De gemeenten en provincies informeren de organisaties over de verzekeringsplicht.

De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad nadere regels vaststellen ter uitvoering van deze paragraaf.

§ 5. Aan de organisaties wordt de mogelijkheid geboden zich, tegen betaling van een premie, aan te sluiten bij een collectieve polis die voldoet aan de in § 3 bedoelde voorwaarden.

De Koning bepaalt daartoe de voorwaarden en nadere regels bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.».

Art. 7. In artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 tot vaststelling van de minimumgarantie­voorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privé-leven, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 december 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


  1. het 1° wordt aangevuld als volgt: " deze uitsluiting is evenmin van toepassing op de door artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers verplicht gestelde verzekering voor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ";

  2. het 4° wordt opgeheven.

Art. 8. Vrijwilligerswerk [….] wordt geacht verricht te worden in het privé-leven zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 januari 1984 tot vaststelling van de minimumgarantievoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privé-leven.

Art. 8bis. – In artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen worden de woorden «en van de werkgever van bovengenoemde personen, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten,» vervangen door de woorden «, van de werkgever van bovengenoemde personen, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en van de organisatie die bovengenoemde personen inzet als vrijwilligers, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 5 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers.».
HOOFDSTUK VI. – Arbeidsrecht.

Art. 9. […]

§ 2. Onder de voorwaarden die de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt, zijn de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan niet van toepassing op het vrijwilligerswerk.


HOOFDSTUK VII. – Vergoedingen voor vrijwilligerswerk.

Art. 10. Het onbezoldigd karakter van het vrijwilligerswerk belet niet dat de door de vrijwilliger voor de organisatie gemaakte kosten door de organisatie worden vergoed. De realiteit en de omvang van deze kosten moeten niet bewezen worden, voor zover het totaal van de ontvangen vergoedingen niet meer bedraagt dan 24,79 euro per dag, […] en 991,57 euro per jaar. De in de vorige zin bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) en variëren zoals bepaald bij de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

Te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet wordt de hoogte van de ontvangen vergoedingen na twee jaar onderworpen aan een evaluatie. Deze evaluatie wordt uitgevoerd volgens de nadere regels die de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalt, met dien verstande dat ze wordt uitgevoerd in samenwerking met de instellingen van sociale zekerheid en dat vooraf het advies van de Nationale Arbeidsraad en de Hoge Raad voor de Vrijwilligers wordt ingewonnen. Het evaluatieverslag wordt onmiddellijk meegedeeld aan de Kamer van volksvertegenwoordigers en aan de Senaat.

Bedraagt het totaal van de door de vrijwilliger van een of meerdere organisatie(s) ontvangen vergoedingen meer dan de in het eerste lid bedoelde bedragen, dan kunnen deze enkel als een terugbetaling van door de vrijwilliger voor de organisatie(s) gemaakte kosten worden beschouwd, indien de realiteit en het bedrag van deze kosten kan aangetoond worden aan de hand van bewijskrachtige documenten. Het bedrag van de kosten mag worden vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen en toelagen van alle aard toegekend aan het personeel van de federale overheidsdiensten.

Art. 11. Een activiteit kan niet als vrijwilligerswerk beschouwd worden indien één van de of alle in artikel 10 bedoelde grenzen overschreden worden en het in artikel 10, derde lid, bedoelde bewijs niet kan geleverd worden. De persoon die deze activiteit verricht kan in dat geval niet als vrijwilliger worden beschouwd.

Art. 12. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor specifieke categorieën van vrijwilligers, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, de in artikel 10 bedoelde bedragen verhogen.
HOOFDSTUK VIII. – Uitkeringsgerechtigde vrijwilligers.

Afdeling I. – Werklozen.

Art. 13. Een uitkeringsgerechtigde werkloze kan met behoud van uitkeringen vrijwilligerswerk uitoefenen, op voorwaarde dat hij dit vooraf en schriftelijk aangeeft bij het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.

De directeur van het werkloosheidsbureau kan de uitoefening van de activiteit met behoud van uitkeringen, verbieden, of slechts aanvaarden binnen bepaalde perken, indien hij aantoont:



  1. dat deze activiteit niet de kenmerken vertoont van vrijwilligerswerk als bedoeld in deze wet;

  2. dat de activiteit, gezien de aard, de omvang en de frequentie ervan of gezien het kader waarin zij wordt uitgeoefend, niet of niet langer de kenmerken vertoont van een activiteit die in het verenigingsleven gewoonlijk door vrijwilligers wordt verricht;

  3. dat de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt van de werkloze zou verminderen.

Indien binnen twee weken na de ontvangst van een volledige aangifte geen beslissing genomen is, wordt de uitoefening van de onbezoldigde activiteit met behoud van uitkeringen, geacht aanvaard te zijn. Een eventuele beslissing houdende een verbod of een beperking, genomen buiten deze termijn, heeft slechts gevolgen voor de toekomst, behalve indien de activiteit niet onbezoldigd was.

De Koning bepaalt:



  1. de nadere regels voor de aangifteprocedure en voor de procedure die toepasselijk is indien de directeur de uitoefening van de activiteit met behoud van uitkeringen verbiedt;

  2. onder welke voorwaarden de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening vrijstelling van aangifte van bepaalde activiteiten kan verlenen, inzonderheid indien in het algemeen kan worden vastgesteld dat de betreffende activiteiten beantwoorden aan de definitie van vrijwilligerswerk;

  3. onder welke voorwaarden de afwezigheid van een voorafgaande aangifte niet leidt tot het verlies van uitkeringen.


Afdeling II. – Bruggepensioneerden.

Art. 14. De in artikel 13 bedoelde regeling geldt eveneens voor de bruggepensioneerden en de halftijds bruggepensioneerden, behoudens de afwijkingen die door de Koning vastgesteld zijn op grond van hun specifiek statuut.
Afdeling III. – Arbeidsongeschikten.

Art. 15. In artikel 100, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorgingen en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd:

"Vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers wordt niet beschouwd als werkzaamheid, voor zover de adviserende geneesheer vaststelt dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene."


Afdeling IV. – Leefloon.

Art. 16. Onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt, zijn het verrichten van vrijwilligerswerk en het ontvangen van een in artikel 10 bedoelde vergoeding, verenigbaar met het recht op het leefloon.
Afdeling V. – Tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.

Art. 17. Onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt, zijn het verrichten van vrijwilligerswerk en het ontvangen van een in artikel 10 bedoelde vergoeding, verenigbaar met het recht op de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.
Afdeling VI. – Gewaarborgd inkomen voor bejaarden.

Art. 18. Artikel 4, § 2, van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 1969, bij de wet van 29 december 1990 en bij de wet van 20 juli 1991, wordt aangevuld als volgt:

"9° de vergoedingen die ontvangen zijn in het kader van het vrijwilligerswerk als bedoeld in artikel 10 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers.".


Afdeling VII. – Gezinsbijslagen.

Art. 19. In artikel 62 van de bij het koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, vervangen bij de wet van 29 april 1996, wordt een § 6 ingevoegd, luidende:

"§ 6. Voor de toepassing van deze wetten wordt vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers niet beschouwd als een winstgevende activiteit. De vergoedingen in de zin van artikel 10 van voormelde wet worden niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering, voorzover het vrijwilligerswerk zijn onbezoldigd karakter niet verliest overeenkomstig hetzelfde artikel van dezelfde wet.".



Art. 20. In artikel 1 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag, zoals gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, bij het koninklijk besluit nr. 242 van 31 december 1983 en bij de wetten van 20 juli 1991, 29 april 1996, 22 februari 1998, 25 januari 1999, 12 augustus 2000 en 24 december 2002, wordt, tussen het eerste en het tweede lid, het volgende lid ingevoegd:

"Wanneer het kind een vergoeding geniet als bedoeld in de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, is dit geen beletsel voor de toekenning van gezinsbijslag."



Art. 21. Onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt, zijn het verrichten van vrijwilligerswerk en het ontvangen van een in artikel 10 bedoelde vergoeding, verenigbaar met het recht op de gewaarborgde gezinsbijslag.
HOOFDSTUK IX. – Slotbepalingen.

Art. 22. § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, aan organisaties die zowel werken met vrijwilligers als met personen die geen vrijwilliger zijn, met betrekking tot de bepalingen van deze wet bijkomende voorwaarden opleggen.

In de in het vorige lid bedoelde gevallen kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het werken met vrijwilligers zoals bedoeld in deze wet afhankelijk maken van een voorafgaande machtiging van de minister die bevoegd is voor Sociale zaken.

§ 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop nagegaan wordt of de activiteiten die door een vrijwilliger uitgeoefend worden, beantwoorden aan de bepalingen van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan.

§ 3. De Koning wijst de ambtenaren aan die ermee belast worden toe te zien op de naleving van de bepalingen van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan.



Art. 23. De Koning kan de bepalingen die door artikel 7 worden gewijzigd, opnieuw wijzigen, opheffen of aanvullen.

Art. 24. Deze wet treedt in werking op 1 augustus 2006, met uitzondering van de artikelen 5, 6 en 8bis, die in werking treden op 1 januari 2007.

Voorbeeld van websitetekst om te voldoen aan de informatieplicht

De regering maakte een nieuwe wet die de rechten van vrijwilligers vastlegt. Dit betekent dat organisaties die beroep doen op vrijwilligers aan een aantal verplichtingen moeten voldoen. Ook onze school maakt bij de organisatie van verschillende activiteiten gebruik van vrijwilligers. Wij kunnen rekenen op vele ouders, leerlingen, oud-leerlingen en nog vele anderen. Langs deze weg willen wij de vrijwilligers te informeren over de verzekering e.d. Wij bezorgen u alle informatie waarvan u, volgens de wet, op de hoogte moet zijn.


Organisatie

De vzw [benaming, zetel, adres] Maatschappelijk doel: [cf. statuten]


Aansprakelijkheid

Het kan zijn dat je schade veroorzaakt tijdens de activiteiten die je als vrijwilliger uitoefent. Als school zijn wij daarvoor verantwoordelijk. Zelf ben je wel verantwoordelijk voor de schade die veroorzaakt werd door het bedrog dat je pleegde of de zware fout die je beging. Voor schade veroorzaakt door lichte fouten ben je niet zelf verantwoordelijk, behalve als dit meermaals voorkomt.


Verzekering

Verplichte verzekering

Onze school heeft in dit kader een verzekeringscontract afgesloten bij . Deze verzekering dekt de burgerlijke aansprakelijkheid van de school en van de vrijwilligers. Je kunt de polis inzien op het secretariaat. Als je tijdens een activiteit als vrijwilliger van de school schade veroorzaakt aan een ander, dan zal de verzekering tussenkomen.



Vrije verzekering [schrappen indien een dergelijke verzekering niet werd afgesloten]

Onze school heeft eveneens een verzekeringscontract afgesloten dat lichamelijke schade van de vrijwilligers dekt. Dat betekent dat je verzekerd bent als je een ongeval overkomt tijdens activiteiten die je als vrijwilliger van de school uitvoert. Je bent eveneens verzekerd als je onderweg bent naar of van de activiteit. Dit verzekeringscontract werd afgesloten bij . Ook deze polis kan je inzien op het secretariaat.


Vergoedingen

Niemand kan verplicht worden om activiteiten als vrijwilliger uit te voeren. Voor de activiteiten die je als vrijwilliger uitvoert, word je dan ook niet betaald. Onze school voorziet geen enkele vergoeding.


Geheimhoudingspicht

Soms vernemen vrijwilligers geheimen of vertrouwelijke informatie bij het uitvoeren van hun activiteiten. Vooral als een vrijwilliger werkt in de hulpverlening (Tele-onthaal, de zelfmoordlijn, de jongerentelefoon…) kan dit gemakkelijk voorkomen. Als vrijwilliger ben je dan verplicht om deze informatie geheim te houden. De geheimhoudingsplicht bedoeld in artikel 458 Strafwetboek (zie hieronder), geldt niet als je op vrijwillige basis werk verricht voor onze school.

Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen zijn om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.”


VERZEKERINGEN4


INHOUDSTABEL

Vooraf 2
De polis BA-schoolinstellingen


I. Aansprakelijkheid voor eigen daad 2

1. fout 3

2. schade 3

3 causaal verband 3


II. Aansprakelijkheid voor andermans daad en voor de zaken waarvoor men instaat 4

1. Aansprakelijkheid voor de daad van personen voor wie men instaat 4

2. Aansprakelijkheid voor zaken die men onder zich heeft 4
1. De waarborg burgerlijke aansprakelijkheid 5

2. De waarborg objectieve aansprakelijkheid 6

3. Lichamelijke ongevallen 7

4. Verzekering rechtsbijstand 9

5. Premieberekening 10

6. Bijkomende waarborgen 10


Vooraf
Het aansprakelijkheidsrecht is nogal technisch juridisch een zware kluif. Om een aantal elementaire begrippen uit het aansprakelijkheidsrecht voor u te duiden hebben wij gebruik gemaakt van een bespreking van de polis BA-onderwijsinstellingen, zoals aangeboden door de dienst Verzekering van het Interdiocesaan Centrum, Guimardstraat Brussel. Wij beperken deze bijdrage tot die bepalingen en begrippen die relevant zijn in het kader van de toepassing van de Vrijwilligerswet. Voormelde wet bepaalt dat een organisatie aansprakelijkheid is voor de schade die vrijwilligers veroorzaken bij de uitvoering van hun opdracht, behalve in geval van bedrog, zware schuld of een veelvuldig terugkerende lichte fout van de vrijwilliger. De aansprakelijkheid inzake fouten van vrijwilligers is beperkt tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, verder afgekort als BA. Voor onderwijsinrichtingen is de B.A. van de vrijwilligers meestal gedekt in de polis B.A.-Onderwijsinstellingen. Uiteraard is het aangeraden uw verzekeringspolis op dit vlak te screenen. De polis B.A.-Onderwijsinstellingen kan ook gedeeltelijke dekking verlenen in haar waarborg 'ongevallen­verzekeringen' in zoverre de vrijwilligers uitdrukkelijk opgenomen worden in het begrip 'verzekerden'.

Verzekeringsmaatschappijen zullen in de nabije toekomst uw bestoken met voorstellen van verzekeringscontracten. Wij wijzen er u op dat de aansprakelijkheids- en verzekeringsregeling, uitgewerkt in de Vrijwilligerswet, pas in voege treedt op 1 januari 2007.

Wanneer vrijwilligers betrokken zijn bij lichamelijke ongevallen tijdens de uitoefening van hun activiteiten, kan men hen een vergoeding aanbieden die gelijkaardig is als deze die toegekend wordt op basis van de wet op de arbeidsongevallen., (zie verder bij punt 6 BIJKOMENDE WAARBORGEN, . De veiligheidspolis).

Wanneer het gaat om "occasionele" medewerkers die bvb. deelnemen aan een manifestatie, dan kan hiervoor eveneens een polis 'manifestaties' worden onderschreven (punt 6 BIJKOMENDE WAARBORGEN) en voor hun lichamelijke ongevallen verwijzen wij dan weerom naar de veiligheidspolis.



DE POLIS B.A.-SCHOOLINSTELLINGEN

De polis B.A.-Schoolinstellingen – die wij in deze tekst verder zullen aanduiden met de term schoolpolis – die het Interdiocesaan Centrum gewoonlijk aanbiedt aan haar instellingen, omvat vier waarborgen.



  1. De waarborg burgerlijke aansprakelijkheid

  2. De waarborg objectieve aansprakelijkheid

  3. De waarborg individuele ongevallen

  4. De waarborg rechtsbijstand

Alvorens deze waarborgen verder uit te diepen, menen wij dat het nuttig is even enkele rechtsprincipes in herinnering te brengen over de algemene burgerlijke aansprakelijkheid.

Hierin maken wij het onderscheid tussen de aansprakelijkheid voor eigen daad en de aansprakelijkheid voor andermans daad of voor de zaken waarvoor men instaat.



  1. Aansprakelijkheid voor eigen daad.

Artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek (verder afgekort als B.W.) bepalen:

    • elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden;

    • ieder is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke hij door zijn daad, maar ook voor die welke hij door zijn nalatigheid of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt.

Drie essentiële elementen moeten tegelijkertijd aanwezig zijn nl. fout - schade - causaal verband:

      1. fout

De foutvereiste in de zin van artikel 1382 B.W. omvat twee van elkaar te onderscheiden elementen:

        1. het onrechtmatig handelen

Het betreft het objectief bestanddeel dat verwijst naar de daad.

        1. de toerekeningsvatbaarheid

Het betreft het subjectief bestanddeel dat betrekking heeft op de dader.
Professor Van Gerven5 voorziet twee soorten van onrechtmatig handelen:

  1. elke schending van een specifieke regel d.i. van een wettelijke of reglementaire norm

  2. elke inbreuk op de zorgvuldigheidsnorm

Volgens deze omschreven regel moet eenieder zich in het maatschappelijk verkeer gedragen zoals van een normaal zorgvuldige en vooruitziende persoon mag worden verwacht. Dit is wat men noemt: handelen als een "goed huisvader" of als een "bonus pater familias".

Volgens vaste rechtspraak betekent 'zorgvuldig' dat men de mogelijke nadelige gevolgen probeert te voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen.

'Vooruitziend' betekent dat men zich de gevolgen van zijn handelen of niet-handelen probeert in te beelden.

Een onrechtmatige daad kan slechts als fout worden gekwalificeerd indien de dader schuldbekwaam is en toerekeningsvatbaar.

Zo zullen kinderen slechts schuldbekwaam zijn indien ze tot de "jaren des onderscheids" zijn gekomen.

Een geestesonbekwame is evenmin toerekeningsvatbaar, indien uit de feiten blijkt dat hij zich op het ogenblik van de schadeverwekkende handeling geen rekenschap kon geven van de gevolgen van zijn handelen.




      1. schade

Professor Van Gerven omschrijft schade als een verlies van een patrimoniaal of extra-patrimoniaal voordeel.

Het slachtoffer moet bij het behoud van het voordeel een rechtmatig, zeker en persoonlijk belang hebben.

Er zijn verschillende soorten schade o.m. geleden verlies, gederfde winst, morele- en materiële schade, rechtstreekse- en onrechtstreekse schade.


      1. causaal verband

Men kan algemeen stellen dat een causaal verband voorligt, wanneer de schade, bij ontstentenis van een feit of van een gedraging, niet zou zijn ingetreden.

Het is uiteindelijk de feitenrechter die soeverein oordeelt over het bestaan van een causaal verband.




  1. Aansprakelijkheid voor andermans daad en voor de zaken waarvoor men instaat

  1. Aansprakelijkheid voor de daad van personen voor wie men instaat

Deze vorm van aansprakelijkheid wordt o.m. geregeld door artikel 1384 van het B.W.

Dit artikel stipuleert:

men is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad, maar ook voor die personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft.

De vader en de moeder zijn aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen.

De meesters en zij die anderen aanstellen voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.

De onderwijzers en de ambachtslieden voor de schade door hun leerlingen en leerjongens veroorzaakt gedurende de tijd dat deze onder hun toezicht staan.

De hierboven geregelde aansprakelijkheid houdt op, indien de ouders, onderwijzers en ambachtslieden bewijzen dat zij de daad welke tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten.

Het vermoeden is dus weerlegbaar in hoofde van de ouders en van de leerkrachten.

In hoofde van de leerkrachten moet worden aangetoond hetzij dat er voldoende toezicht werd uitgeoefend, hetzij dat de schadeverwekkende daad, zo plots en onverwachts gebeurde, dat ze zelfs bij een nauwgezet toezicht niet kon worden verhinderd.


  1. Aansprakelijkheid voor zaken die men onder zich heeft

Benevens artikel 1384 alinea 1 van het B.W. geldt in het algemeen voor alle schade veroorzaakt door "zaken" ongeacht dewelke, die niet onder het toepassingsgebied komt van de artikelen 1385 en 1386 van het B.W. Het betreft een onweerlegbaar vermoeden van schuld.

Artikel 1385 van het B.W. stelt dan weer de eigenaar van een dier, of, terwijl hij het in gebruik heeft, diegene die zich ervan bedient, aansprakelijk voor de schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt was.

Het schuldvermoeden is onweerlegbaar.

Artikel 1386 stelt de eigenaar van een gebouw aansprakelijk voor de schade door de instorting ervan veroorzaakt, wanneer deze te wijten is aan verzuim van onderhoud of aan een gebrek in de bouw.

Ook hier is het schuldvermoeden onweerlegbaar.

Artikel 1386 bis handelt specifiek over de schade veroorzaakt door o.m. zwakzinnigen en geestesgestoorden, maar hierover zullen wij momenteel niet verder uitbreiden.

Anderzijds wensen wij enkele algemene begrippen en definities nader te omschrijven, die verder in de tekst zullen voorkomen.


  • Verzekeringsnemer: de persoon die het verzekeringscontract aangaat met de verzekeringsmaatschappij.
    Het betreft meestal de onderwijsinstelling zelf, die in de bijzondere voorwaarden van de polis wordt gedefinieerd.

  • Verzekerden: de natuurlijke of rechtspersonen voor wie dekking wordt voorzien.

  • Schoolleven: alle school- en buitenschoolse activiteiten die met de omschreven instelling verband houden, of zij gebeuren binnen of buiten deze instelling, tijdens of na de lesuren, gedurende de schooldagen of tijdens de verlofdagen en de vakantieperiodes.

De leerlingen, de personeelsleden en andere aangestelden zijn in schoolleven, wanneer zij zich onder het gezag of onder het toezicht bevinden of zouden moeten bevinden van de bevoegde schoolautoriteit of van haar plaatsvervanger of afgevaardigde.

Maken deel uit van het schoolleven, de kleine onderhoudswerken aan of de kleine schoonmaak van de schoollokalen verricht door de leerkrachten en de leerlingen.

Maken geen deel uit van het schoolleven, de activiteiten die behoren tot het privé-initiatief van een of meerdere verzekerden.


  • Gebiedsgeldigheid: is momenteel wereldwijd.

  • Schadegeval: Het betreft de gebeurtenis die, schade veroorzakend, aanleiding geeft tot de toepassing van de waarborgen.

Per waarborg zullen wij eerst het technico-theoretisch deel uiteenzetten.

Daarna zullen wij het, door middel van concrete voorbeelden, nader belichten.



1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina