Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand



Dovnload 39.49 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte39.49 Kb.




Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand

  1. Inleiding - inwerkingtreding

  1. Op 26 april 2007 werd de wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand goedgekeurd (B.S. 12 juli 2007).

Vijftien jaar na de wet van 3 augustus 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wordt bij deze wet opnieuw gepoogd om de gerechtelijke achterstand in te dijken. De wet brengt fundamentele en ingrijpende wijzigingen aan in het Gerechtelijk Wetboek.

De wet streeft een driedubbele doelstelling na:



      • Het versnellen van het uitwisselen van argumenten tussen de partijen en het van bij het begin vastleggen van een kalender waarin de belangrijke fasen van de procedure staan;

      • De personen sanctioneren die nutteloos en moedwillig de procedure vertragen, door hen te veroordelen tot een boete;

      • Een betere controle uitoefenen op de termijn die de rechters nemen om hun vonnis te vellen. Indien de vertraging niet gerechtvaardigd is, is een specifieke sanctie voorzien: een inhouding op de wedde.

Hieronder wordt een opsomming gegeven van de belangrijkste wijzigingen die deze wet in het gerechtelijk wetboek aanbrengt.

  1. Met uitzondering van enkele bepalingen is de wet in elke aanleg van toepassing op de zaken waarvoor op 1 september 2007 geen rechtsdag of geen kalender voor de rechtspleging is vastgesteld, of waarvoor geen enkel verzoek tot vaststelling werd ingediend.

Elk verzoek tot instaatstelling en vaststelling van rechtsdag na 1 september 2007 moet dus overeenkomstig de bepalingen van deze nieuwe wet gebeuren.

  1. Voorafgaande maatregelen

  1. Art. 19, tweede lid Ger.W. wordt uitgebreid met een bepaling die de meest gerede partij – die een voorafgaande maatregel wenst te bekomen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen – de mogelijkheid biedt om in elke stand van het geding de zaak voor de rechter te brengen bij eenvoudig schriftelijk verzoek neergelegd ter of toegezonden aan de griffie. De griffier roept dan de partijen en, in voorkomend geval, hun advocaat op bij gewone brief of, ingeval de partij verstek heeft laten gaan op de inleidingszitting en geen advocaat heeft, bij gerechtsbrief.

  1. Inleidingsvorm

  1. De hoofdvorderingen worden thans “op straffe van nietigheid” bij dagvaarding voor de rechter gebracht (onverminderd de regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift) (art. 700 Ger.W.). De bedoeling is dat hierdoor, indien een onjuiste rechtsingang wordt gekozen, de regels van de nietigheidsleer (zie art. 860 e.v. Ger.W.) van toepassing zijn en er dus geen sprake is van onontvankelijkheid of ontoelaatbaarheid.

De vraag stelt zich hoe deze bepaling zich zal verhouden tegenover de rechtspraak van het Hof van Cassatie waarbij wordt aangenomen dat de inleiding bij dagvaarding een regel van rechterlijke organisatie is.

  1. De bepaling vermeldt bovendien dat de akten, nietig verklaard wegens overtreding van deze bepaling, de verjaring stuiten alsmede de termijnen van rechtspleging toegekend op straf van verval.

  1. Schriftelijke verschijning

  1. De advocaten van partijen kunnen nog steeds, in onderlinge overeenstemming, op de inleidende zitting schriftelijk verschijnen indien de zaak niet van die aard is dat ze bij de inleiding kan worden gepleit.

  2. Nieuwe toevoeging aan art. 729 Ger. W. is de mogelijkheid voor de advocaten van de partijen om “in de mate van het mogelijke” hun standpunt toe te lichten m.b.t. het in gereedheid brengen van de zaak (cf. gewijzigd art. 747 Ger.W.). Deze verklaring kan vooraf aan de griffie worden gericht. Het feit dat deze verklaring werd afgelegd, wordt vermeld op het zittingsblad.

  1. Korte debatten

  1. Het artikel 735 Ger.W. blijft bestaan, maar wordt aangevuld met een opsomming van gevallen waarin de zaken, behoudens akkoord van de partijen, in korte debatten zullen worden behandeld :

  • de invordering van de niet betwiste schuldvorderingen;

  • de vorderingen bedoeld in artikel 19, tweede lid;

  • de taalwijzigingen als geregeld in artikel 4 van de wet van 15 juni 1935;

  • de regeling van geschillen van bevoegdheid;

  • de vorderingen om uitstel van betaling.

Voor deze gevallen wordt geoordeeld dat deze van het gemeen recht afwijkende procedure een kader biedt dat gunstig is voor de snelle regeling van deze incidenten of verzoeken, die daarom niet noodzakelijk korte debatten vergen, maar met het oog op het vervolg van de procedure voordelig kunnen worden geregeld in de vorm van korte debatten. Het is niet duidelijk hoe de gevallen die geen korte debatten vergen, toch in korte debatten zullen worden geregeld. Zo zal bijvoorbeeld over een bevoegdheidsproblematiek dikwijls uitgebreid worden gediscussieerd tussen partijen. Hoe kan dit dan op de inleidende zitting of op een nabije zitting reeds worden behandeld.

Deze bepaling is daarenboven op geen enkele wijze verplichtend gesteld.



  1. Vervolgens wordt art. 735, §5 Ger.W. aangevuld. De procedure van korte debatten wordt ook van toepassing verklaard op onsplitsbare geschillen. Wanneer in die gevallen één of meerdere partijen verstek laten gaan en ten minste een partij verschijnt, is art. 735 Ger.W. van toepassing op voorwaarde dat elke niet verschenen partij bij gerechtsbrief door de griffier opgeroepen wordt op een zittingsdag bepaald op een nabije datum, waarop een vonnis op tegenspraak zal kunnen worden gevorderd. De oproeping moet de tekst van deze paragraaf vermelden.

Deze toevoeging aan de bestaande paragraaf 5 van art. 735 Ger. W. (“de bepalingen van dit artikel gelden onverminderd de regels inzake verstek”) is een gevolg van de opheffing van art. 753 Ger.W.


  1. Conclusie

  1. In art. 744, tweede lid Ger.W. worden thans de vereisten opgenomen in verband met de inhoud van de conclusie.

De conclusies moeten uitdrukkelijk de eisen van de concluderende partij uiteenzetten alsook de middelen in feite en in rechte waarop iedere eis steunt.

Een partij kan uiteraard nog steeds in de loop van het geding andere middelen in rechte en in feite aanvoeren. Er wordt niet opgelegd dat de uiteenzetting van de middelen reeds volledig in de eerste conclusie moet gebeuren.

Bovendien wordt aan deze verplichting geen sanctie gekoppeld


  1. De in een andere zaak of in een andere aanleg genomen conclusies waarnaar wordt verwezen of waaraan wordt gerefereerd worden niet beschouwd als conclusies in de zin van artikel 780, eerste lid, 3°Ger.W. (nl. dat het vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusies of middelen van de partijen moet bevatten). De bedoeling hiervan is te vermijden dat in hoger beroep enkel zou worden verwezen naar de conclusies uit eerste aanleg.

  1. Instaatstellen van de zaak

A. Art. 747 Ger.W. : conclusietermijnen en rechtsdagbepaling

  1. Het opstellen van een procedurekalender wordt veralgemeniseerd. De partijen kunnen enkel nog bij akkoord vragen om de zaak naar de rol te verwijzen of op bepaalde datum uit te stellen.

A.1. Akkoord tussen partijen over de conclusietermijnen : art. 747 §1 Ger.W.

  1. Indien de partijen op de inleidingszitting of op een latere zitting onderling conclusietermijnen afspreken, dan licht de rechter de partijen in over de vroegste datum waarop een rechtsdag zou kunnen worden bepaald.

De rechter neemt vervolgens akte van de conclusietermijnen, bekrachtigt ze en bepaalt de rechtsdag. De beschikking wordt in het proces-verbaal van de zitting vermeld. De griffier geeft de partijen en hun advocaten kennis van deze beschikking.

In deze paragraaf wordt geen sanctie voorzien. Er wordt enkel verwezen naar art. 747, §2 derde en vierde lid Ger.W. en dus niet naar art. 747, §6 Ger.W. waarin de sanctie vervat zit voor de gevallen onder A.2. Sommigen zijn echter reeds van mening dat de sanctie van ambtshalve weren uit de debatten toch moet worden toegepast.



A.2. Partijen hebben geen conclusietermijnen afgesproken : art. 747 §2 Ger.W.

- opmerkingen van partijen : art. 747 §2, eerste lid Ger.W.

  1. Uiterlijk binnen de maand na de inleidingszitting (en onverminderd de toepassing van de regels inzake het verstek) kunnen de partijen, afzonderlijk of gezamenlijk, in voorkomend geval in de gedinginleidende akte, aan de rechter en aan de andere partijen hun opmerkingen over de instaatstelling van de zaak bezorgen.

Deze termijn kan door de rechter worden verkort ingeval dat noodzakelijk is of de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt.

  1. Zij kunnen eveneens in onderlinge overeenstemming afwijken van deze instaatstelling van de zaak en om de verwijzing ervan naar de rol verzoeken en, als de omstandigheden het toelaten, om verdaging tot een bepaalde datum.

Er mag worden aangenomen dat dit laatste ook binnen de maand na de inleidingszitting moet gebeuren.

  1. Aan de termijn van een maand is geen sanctie gekoppeld. Wel is verder bepaald dat de rechter uiterlijk zes weken na de inleidende zitting het tijdsverloop van de rechtspleging bepaald. De vraag rijst of de rechter rekening moet houden met opmerkingen die pas na een maand zijn meegedeeld.

- de rechter bepaalt de rechtsdag en de conclusiekalender : art. 747, §2 derde en vierde lid Ger.W.

  1. Uiterlijk zes weken na de inleidingszitting, bepaalt de rechter het tijdsverloop van de rechtspleging, in voorkomend geval het akkoord van de partijen bekrachtigend of rekening houdend met de opmerkingen van de partijen.

Afhankelijk van de datum van de pleitzitting, die, ingeval de conclusietermijnen door de rechter worden bepaald, uiterlijk drie maanden na de overlegging van de laatste conclusies plaatsvindt, bepaalt de rechter het aantal conclusies en de uiterste datum waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en toegezonden aan de andere partij, alsmede de datum en het uur van de pleitzitting en de duur ervan.

Tegen de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag staat geen rechtsmiddel open. De rechter kan echter in geval van verzuim of verschrijving in de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag, deze beschikking ambtshalve dan wel op, zelfs mondeling, verzoek van een partij, verbeteren of aanvullen.

De beschikking wordt in het proces-verbaal van de zitting vermeld. De griffier brengt de beschikking bij gewone brief ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, van hun advocaten, en bij gerechtsbrief van de niet verschenen partij.

- verwijzing naar de rol of verdaging naar latere datum : art. 747, §2 vijfde lid Ger.W.


  1. Wanneer de zaak naar de rol is verwezen, of werd verdaagd naar een latere datum – wat enkel bij akkoord van partijen kan (zie art. 747, §2 eerste lid Ger.W.) – kan iedere partij, door middel van een gewoon schriftelijk verzoek neergelegd ter of gezonden aan de griffie, om de instaatstelling van de zaak verzoeken.

Dit verzoek wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de andere partijen ter kennis gebracht en, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten. Hiervoor is geen termijn bepaald. Deze kennisgeving doet de hiervoor vermelde termijnen van 1 maand voor opmerkingen en 6 weken voor het bepalen van het tijdsverloop van de rechtspleging ingaan.

In deze situatie blijft uiteraard ook art. 750 Ger.W. mogelijk, nl. verzoek tot rechtsdag op gezamenlijk verzoek van partijen. Art. 750, §2 Ger.W. verdwijnt (zie verder).



- laattijdig neergelegde conclusies : : art. 747, §2 vijfde lid Ger.W.

  1. De conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, worden ambtshalve uit de debatten geweerd. Zowel het neerleggen als het verzenden aan de tegenpartij worden dus weerhouden om de sanctie vast te stellen (in tegenstelling tot vroeger). Er wordt echter niet bepaald wat op welke precieze tijdstip de conclusies als op de griffie afgegeven en aan de andere partij gericht beschouwd worden en evenmin op welke manier die neerlegging en die toezending bewezen moeten worden. Dit zal ongetwijfeld tot discussies leiden.

Op de rechtsdag kan de meest gerede partij een vonnis vorderen, dat in ieder geval op tegenspraak gewezen is. Een vonnis zonder tegensprekelijk karakter kan dus niet worden gevorderd.

Dit alles onverminderd de toepassing van de in artikel 748, §§ 1 en 2 Ger.W. bedoelde uitzonderingen (zie hoger).

De sanctie blijft dus gelijk aan deze die vroeger reeds in art. 747§2 Ger.W. vervat zat. Alle rechtspraak hierover blijft dus ook zijn gelding behouden.

Zoals hoger gesteld, wordt deze sanctie niet uitdrukkelijk aan art. 747, §1 Ger.W. gekoppeld waarbij de partijen bij akkoord conclusietermijnen kunnen afspreken.



- onsplitsbaar geschil

  1. In geval van onsplitsbaarheid van het geschil en onverminderd de toepassing van artikel 735, § 5, Ger.W. moet art. 747 §2 Ger.W. worden toegepast wanneer een of meer partijen verstek laten gaan, terwijl ten minste één partij verschijnt.

- procedure in kort geding, zoals in kort geding, beslagrechter

  1. Voor de rechter in kort geding, voor de voorzitter van de als in kort geding zetelende rechtbank en voor de beslagrechter bedraagt de termijn waarover de partijen beschikken om hun opmerkingen te doen gelden ten hoogste 5 dagen, en de termijn waarbinnen de rechter het tijdsverloop dan wel de instemming daarmee van de partijen aantekent ten hoogste 8 dagen. De rechter kan die termijnen inkorten of afschaffen indien de omstandigheden zulks verantwoorden.

De griffier geeft uiterlijk de eerste werkdag volgend op die waarop de beschikking werd gewezen, bij gewone brief kennis van de beschikking aan de partijen en in voorkomend geval aan hun advocaat, alsmede bij gerechtsbrief aan de niet verschenen partij, tenzij de partijen hem van die kennisgeving vrijstellen.

- opmerking

  1. De termijnen voor de partijen om te reageren over de instaatstelling en voor de rechter om de rechtspleging te bepalen, worden niet geschorst in de gerechtelijke vakantie.

B. Art. 748 Ger.W.

  1. In dit artikel worden vooral tekstuele wijzigingen aangebracht.

  2. Het verzoekschrift waarin wordt verzocht om bij het ontdekken van een nieuw stuk of feit te kunnen beschikken over een nieuwe termijn om te concluderen en eventueel om een nieuwe rechtsdag te bepalen wordt voortaan bij gewone brief door de griffier ter kennis gebracht van de partijen en hun advocaat. De gerechtsbrief blijft behouden voor de kennisgeving aan de niet verschenen partij.

In de rechter dit verzoek inwilligt, dient hij ook te vermelden of er een syntheseconclusie moet worden opgesteld.

C. Art. 745, tweede lid Ger.W. : vermoeden geschrapt

  1. Het vermoeden dat een conclusie geacht wordt te zijn meegedeeld vijf dagen na de toezending wordt geschrapt.

D. Art. 748 bis Ger.W. : syntheseconclusie

  1. De laatste conclusies van een partij moeten steeds in de vorm van een syntheseconclusie worden opgesteld.

Voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3° Ger.W. (nl. dat het vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusies of middelen van de partijen moet bevatten) vervangen de syntheseconclusies zelfs alle vorige conclusies en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt. Er blijft dus slechts één geschrift over waarmeer de rechter rekening moet houden.

Dit onverminderd art. 748§2 Ger.W. (nieuwe feit of stuk) en behoudens in het geval van conclusies die er slechts toe strekken om een of meer van de in art. 19, tweede lid Ger.W. bedoelde maatregelen te verzoeken, een tussengeschil op te werpen dat aan het geding geen einde maakt of te antwoorden op het advies van het openbaar ministerie.

Er wordt weliswaar niet bepaald wat een syntheseconclusie precies is en evenmin wordt een sanctie aan deze verplichting gekoppeld.

E. Art. 750 – 751 – 753 Ger.W.


  1. Art. 750§2 Ger.W, art. 751 Ger.W. en art. 753 Ger.W. worden opgeheven. Art. 750 §1 Ger.W. blijft bestaan met licht gewijzigde tekst.

  1. Schriftelijke procedure

  1. Art. 755 Ger.W. blijft behouden, mits tekstuele aanpassing. De oorspronkelijke geplande wijziging werd niet weerhouden.

  1. Neerleggen stukken ter griffie

  1. De stukken worden ter griffie neergelegd ten minste vijftien dagen voor de rechtsdag bepaald voor de pleidooien (art. 756 Ger.W.).

In de beschikking van in staat stellen van de zaak, in de beschikking van bepaling van de rechtsdag, in het bericht van verdaging of in het bericht van bepaling van de rechtsdag kunnen afwijkingen of andere regelingen zijn opgenomen.

Ten gevolge hiervan wordt art. 1261, tweede lid Ger.W. afgeschaft, waar dit bepaalde dat de dossiers in geval van echtscheiding op grond van bepaalde feiten ten minste 8 dagen voor de zitting op de griffie moesten worden neergelegd.



  1. Ambtshalve weren conclusie en pleidooi

  1. In een nieuw art. 756bis Ger.W. wordt bepaald dat het ontbreken of het ambtshalve weren van de conclusies geen verbod tot pleiten betekent. Dat pleidooi geldt echter niet als conclusie.

Bovendien wordt voorzien dat de tegenpartij na dat pleidooi nog antwoordconclusies kan indienen. Daartoe zal de zaak van rechtswege op vijftien dagen in voortzetting worden gesteld, waarna ze zonder nieuwe debatten in beraad zal worden genomen. De rechter kan die termijn inkorten op verzoek van de partij die nog conclusies mag indienen.

  1. Interactief debat

  1. Tijdens dan wel vóór de pleitzitting kan de rechter voorstellen om de pleidooien te vervangen door een interactief debat.

Indien de partijen daarmee instemmen, leidt de rechter het debat, waarbij hij de mogelijkheid heeft de partijen te oriënteren naar aangelegenheden die hij relevant vindt en die van aard zijn hem opheldering te verschaffen. Tijdens dat debat mogen de partijen vragen stellen die niet door de rechter zijn opgeworpen, op voorwaarde dat deze hetzij in hun geschriften werden aangevoerd, hetzij gekoppeld zijn aan de toepassing van art 735 Ger.W., hetzij betrekking hebben op een onregelmatigheid die de procedure van instaatstelling aantast.

  1. Indien een partij er zich tegen verzet dat de pleidooien door een interactief debat worden vervangen, kan het debat desondanks na de pleidooien plaatsvinden.

  2. Deze bepaling brengt dus een actievere rol van de rechter op de pleitzitting met zich mee.

  1. Berechting van de zaak

  1. Art. 770, §1 Ger.W. vermeldt nog steeds dat de rechter de dag voor de uitspraak moet bepalen, die moet plaatsvinden binnen een maand na het sluiten van de debatten.

Indien de uitspraak niet binnen die termijn kan plaatsvinden, wordt de oorzaak van de vertraging op het zittingsblad vermeld. Deze vermelding moet objectief kunnen worden verantwoord tegenover de hiërarchische overheid die belast is met het toezicht op de naleving van de termijnen van beraad.

  1. Art. 770, §2 Ger.W. wordt ingevoegd en bepaalt dat de griffiers in tweevoud de lijst moeten opmaken van de zaken waarin de uitspraak met meer dan een maand werd uitgesteld. Deze lijst wordt ter ondertekening voorgelegd aan de betrokken magistraat of magistraten, die zo in de gelegenheid worden gesteld schriftelijke opmerkingen te maken.

De lijsten worden, op initiatief van de hoofdgriffier, elke maand opgemaakt en toegezonden aan de korpschef van het gerecht en aan de korpschef van het openbaar ministerie bij dat gerecht.

De hoofdgriffier van het vredegerecht maakt de lijst over aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg van zijn gerechtelijk arrondissement.

Een afschrift wordt op de griffie bewaard.

Met inachtneming van dezelfde regels worden die lijsten maandelijks bijgewerkt.



  1. Art. 770, §3 Ger.W. bepaalt dat indien de rechter het beraad langer dan drie maanden aanhoudt, hij de korpschef en de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof moet verwittigen, onverminderd de mogelijkheid voor een partij om daartoe het initiatief te nemen.

  2. In dit geval bepaalt art. 770, § 4 Ger.W. dat de betrokken magistraat of de betrokken magistraten onverwijld worden opgeroepen door de korpschef om te worden gehoord over de oorzaken van de vertraging.

De oproeping is verplicht wanneer het herhaalde tekortkomingen betreft.

De korpschef en de betrokken magistraat of magistraten werken in onderling overleg een oplossing uit om de vertraging te verhelpen.

Van het verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt.


  1. De inlichtingen en de desbetreffende processenverbaal kunnen in aanmerking worden genomen in geval van tuchtvervolgingen, bij de periodieke evaluatie van de magistraat of in het kader van een op hem betrekking hebbende benoemings- of aanwijzingsprocedure. Indien een tuchtsanctie verantwoord is, kan de opgelegde straf in geen geval lager zijn dan een zware straf in eerste graad (art. 770, §5 Ger.W.).

  1. Heropening van de debatten

  1. Indien een heropening van de debatten wordt bevolen, nodigt de rechter partijen voortaan uit om binnen de termijnen die hij bepaalt, op straffe van ambtshalve verwijdering uit de debatten, hun schriftelijke opmerkingen over het middel of de verdediging ter rechtvaardiging ervan, uit te wisselen en hem deze te overhandigen (gewijzigd art. 775 Ger. W.).

In ieder geval is de beslissing gewezen na de heropening van de debatten op tegenspraak gewezen indien de beslissing van heropening zelf op tegenspraak gewezen is (art. 775, derde lid, Ger. W.).

  1. Misbruik van rechtspleging

  1. Art. 780bis Ger.W. voorziet thans een algemene bepaling om procesrechtsmisbruik (in andere dan straf- of tuchtzaken) te sanctioneren. Hierdoor kan de partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden veroordeeld worden tot een geldboete van 15 euro tot 2.500 euro, onverminderd de schadevergoeding die gevorderd zou worden.

De Koning kan het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud.

Art. 656 Ger.W. (cassatie), art. 838, tweede en derde lid Ger.W. (wraking) en 1072bis Ger.W. (hoger beroep) worden afgeschaft.



  1. Uitspraak en ondertekening vonnis

  1. Een nieuw art. 782 bis Ger.W. bepaalt dat – behalve voor straf- en tuchtzaken – het vonnis uitgesproken wordt door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en van het openbaar ministerie.

Indien evenwel een kamervoorzitter wettig verhinderd is het vonnis uit te spreken waarvoor hij aan de beraadslaging heeft deelgenomen in de in art. 778 bepaalde voorwaarden, kan de voorzitter van het gerecht een andere rechter aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. Art. 779, tweede lid Ger.W. wordt dan ook opgeheven.

  1. Art. 782 Ger.W. bepaalt nog steeds dat voor de uitspraak het vonnis ondertekend wordt door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.

Het wordt echter met een tweede lid aangevuld waardoor het eerste lid niet van toepassing wordt verklaard indien de rechter of rechters oordelen dat het vonnis onmiddellijk na de debatten kan worden uitgesproken.

  1. Exceptie van nietigheid

Art. 865 Ger.W. bepaalt dat de regels van art. 864 Ger.W. en van art. 867 Ger.W. niet van toepassing zijn op het in art. 860, tweede lid Ger.W bedoelde verval, nl. in verband met de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden.

Art. 867 Ger.W. wordt vervangen als volgt : “Het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling, met inbegrip van de niet-naleving van de in deze afdeling bedoelde termijnen of van de vermelding van een vorm, kan niet tot nietigheid leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, of dat die niet-vermelde vorm wel in acht is genomen.”

Veerle Tollenaere

Advocaat - Frans Baert & vennoten



Frans Baert & Vennoten

Advocatenassociatie




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina