Wetgevingsbesluiten en andere instrumenten



Dovnload 138.67 Kb.
Pagina1/4
Datum26.08.2016
Grootte138.67 Kb.
  1   2   3   4

















RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE





Brussel, 20 januari 2009

(OR. en)









5208/09

 














COPEN 7




WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN

Betreft:

Voorstel voor een KADERBESLUIT VAN DE RAAD over het voorkomen en oplossen van jurisdictiegeschillen in strafzaken

Voorstel voor een

KADERBESLUIT 2009/…/JBZ VAN DE RAAD

van

over het voorkomen en oplossen van jurisdictiegeschillen
in strafzaken

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 31, lid 1, onder c) en d), en artikel 34, lid 2, onder b),

Gezien het initiatief van de Tsjechische Republiek, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek en het Koninkrijk Zweden,

Gezien het advies van het Europees Parlement1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te handhaven en te ontwikkelen.

(2) Volgens het Haags Programma ter versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie1, dat tijdens zijn bijeenkomst van 4 en 5 november 2004 door de Europese Raad is aangenomen, moet met het oog op efficiëntere vervolging bijzondere aandacht worden besteed aan de mogelijkheden om in grensoverschrijdende multilaterale zaken de vervolging in één lidstaat te concentreren, waarbij garanties worden geboden voor een correcte rechts­bedeling en moet nadere aandacht worden geschonken aan aanvullende voorstellen op dit gebied, ook wat betreft jurisdictie­geschillen teneinde het uitgebreide programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken te completeren.

(3) De in dit kaderbesluit vervatte maatregelen om met name jurisdictiegeschillen tussen de lidstaten te voorkomen en op te lossen, zorgen ervoor dat het gerecht waar de procedure plaatsvindt het meest geschikte is en dat, wanneer de feiten van een zaak onder de jurisdictie van twee of meer lidstaten vallen, een meer transparante en objectieve keuze van de rechtsmacht mogelijk wordt.

(4) Wanneer feiten onder de jurisdictie van verscheidene lidstaten vallen en tot jurisdictie­geschillen kunnen leiden, kan niet worden gegarandeerd dat het met het oog op straf­vervolging gekozen gerecht het meest geschikte is of op een transparante en objectieve manier is gekozen, gelet op de specifieke omstandigheden van een zaak en de kenmerken van de in aanmerking komende gerechten. In een gemeenschappelijke Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en recht moeten maatregelen worden genomen om te bewerkstelligen dat de nationale autoriteiten in een vroeg stadium op de hoogte zijn van feiten die tot jurisdictiegeschillen kunnen leiden en dat er een akkoord wordt gesloten om dergelijke feiten zoveel mogelijk door één gerecht te laten behandelen, met inachtneming van gemeenschappelijke, objectieve criteria en van de noodzakelijke transparantie.

(5) Dit kaderbesluit heeft betrekking op twee situaties. In de eerste situatie   de bevoegde autoriteiten van een lidstaat gaan over tot strafvervolging voor specifieke feiten en moeten achterhalen of er voor dezelfde feiten een procedure loopt in andere lidstaten   wordt voorzien in een procedure voor uitwisseling van informatie. In de tweede situatie voeren de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een strafrechtelijke procedure voor specifieke feiten en vernemen zij via andere middelen dan de kennisgevingsprocedure dat voor dezelfde feiten reeds een strafrechtelijke procedure wordt gevoerd door de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten. In dat geval is de kennisgevingsprocedure niet van toepassing en moeten de respectieve staten onmiddellijk rechtstreeks overleg plegen.

(6) Het kaderbesluit heeft niet tot doel negatieve jurisdictiegeschillen op te lossen. Daarvan is sprake wanneer geen enkele lidstaat rechtsmacht heeft gevestigd voor het gepleegde strafbare feit. In dit kaderbesluit wordt de situatie waarin een lidstaat rechtsmacht heeft gevestigd, maar deze niet wil uitoefenen, als een specifieke categorie van een positief jurisdictiegeschil aangemerkt.

(7) Geen van de betrokken lidstaten is verplicht om rechtsmacht op te geven of over te nemen. Wanneer er geen akkoord kan worden bereikt, behouden de lidstaten het recht om straf­vervolging in te stellen voor alle strafbare feiten waarvoor zij bevoegd zijn.

(8) Dit kaderbesluit laat het legaliteitsbeginsel en het opportuniteitsbeginsel, zoals geregeld in het nationale recht van de lidstaten, onverlet. Aangezien dit kaderbesluit juist tot doel heeft onnodige parallelle strafrechtelijke procedures te voorkomen, mag de toepassing van die beginselen echter niet leiden tot een jurisdictiegeschil dat zich anders niet zou hebben voorgedaan.

(9) Het kaderbesluit doet geen afbreuk aan en strekt niet tot regeling, zelfs indirect, van het ne bis in idem-beginsel dat is neergelegd in de Schengenuitvoeringsovereenkomst1 en de toepasselijke jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

(10) Dit kaderbesluit laat de procedures op grond van het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging, ondertekend te Straatsburg op 15 mei 1972, alsmede andere regelingen betreffende overdracht van strafvervolging tussen de lidstaten, onverlet.

(11) Wanneer de verdachte onderdaan of ingezetene van een andere lidstaat is, mag dit niet automatisch als een significante band worden beschouwd.

(12) Wanneer zij in de kennisgeving de feiten beschrijft die onderwerp van een strafrechtelijke procedure zijn, moet de kennisgevende autoriteit met name nauwkeurig aangeven waar, wanneer en hoe het misdrijf is gepleegd, en de nadere gegevens van de verdachte of in beschuldiging gestelde verstrekken, zodat de reagerende autoriteit kan uitzoeken of in zijn lidstaat voor dezelfde feiten strafvervolging is ingesteld.

(13) Het rechtstreekse overleg kan worden geïnitieerd door elk van de betrokken lidstaten, via welk communicatiemiddel dan ook.

(14) Dit kaderbesluit bepaalt wanneer de respectieve autoriteiten verplicht zijn rechtstreeks overleg te plegen. Niets mag echter beletten dat de autoriteiten in ieder ander geval vrijwillig rechtstreeks overleg plegen om vast te stellen welke de meest geschikte jurisdictie is.

(15) Wanneer de bevoegde autoriteiten vernemen dat over de feiten op grond waarvan in een lidstaat strafvervolging is ingesteld of overwogen wordt, in een andere lidstaat een onherroepelijke uitspraak is gedaan, moet worden aangemoedigd dat naar aanleiding daarvan informatie wordt uitgewisseld. Doel van die uitwisseling van informatie moet zijn de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar een onherroepelijke uitspraak is gedaan, informatie en bewijsmateriaal te verstrekken op grond waarvan zij de zaak eventueel kunnen heropenen conform hun nationale recht.

(16) Het kaderbesluit mag niet tot onnodige bureaucratie leiden wanneer er voor de problemen waarop het betrekking heeft gemakkelijk betere oplossingen kunnen worden gevonden. In gevallen waarin tussen de lidstaten flexibeler instrumenten of regelingen van toepassing zijn, prevaleren die boven dit kaderbesluit.

(17) Dit kaderbesluit is complementair met en doet geen afbreuk aan Kaderbesluit 2008/…/JBZ van de Raad van … inzake het versterken van Eurojust en tot wijziging van Besluit 2002/187/JBZ1*, en maakt gebruik van mechanismen die reeds bij Eurojust bestaan.

(18) Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de bescherming van persoons­gegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken1, is van toepassing op de bescherming van de persoonsgegevens die krachtens dit kaderbesluit worden verstrekt.

(19) Dit kaderbesluit neemt de grondrechten in acht en is in overeenstemming met de begin­selen van artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

HEEFT HET VOLGENDE KADERBESLUIT VASTGESTELD:



HOOFDSTUK 1
ALGEMENE BEGINSELEN


Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied

1. Dit kaderbesluit bevat:

a) het procedurele kader voor de informatie-uitwisseling tussen nationale autoriteiten betreffende lopende strafrechtelijke procedures voor specifieke feiten om na te gaan of er in andere lidstaten voor dezelfde feiten parallelle strafprocedures lopen, en voor het aangaan van rechtstreeks overleg tussen hun nationale autoriteiten om vast te stellen welke jurisdictie het meest geschikt is om specifieke feiten die onder de jurisdictie van twee of meer lidstaten vallen, te behandelen;

b) voorschriften en gemeenschappelijke criteria die de nationale autoriteiten van twee of meer lidstaten in acht moeten nemen wanneer zij trachten vast te stellen welke jurisdictie het meest geschikt is om specifieke feiten te behandelen.

2. Dit kaderbesluit is van toepassing op de volgende situaties:

a) wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een strafrechtelijke procedure voeren en tot de bevinding komen dat uit de feiten die onderwerp van die procedure zijn, blijkt dat er een significante band is met één of meer lidstaten, en de mogelijkheid bestaat dat de bevoegde autoriteiten van die andere lidstaat/lidstaten een strafrechtelijke procedure voeren voor dezelfde feiten,

of

b) wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een strafrechtelijk procedure voeren en op welke wijze dan ook vernemen dat de bevoegde autoriteiten van een of meer lidstaten een strafrechtelijke procedure voeren voor dezelfde feiten.



3. Dit kaderbesluit is niet van toepassing op situaties waarin geen enkele lidstaat rechtsmacht voor het gepleegde strafbare feit heeft gevestigd.

4. Dit kaderbesluit is niet van toepassing op strafrechtelijke procedures tegen ondernemingen indien deze procedures strekken tot toepassing van het mededingingsrecht van de Europese Gemeenschap.

5. Dit kaderbesluit verleent aan personen geen rechten die zij tegenover de nationale autoriteiten kunnen doen gelden.

Artikel 2
Definities

Voor de toepassing van dit kaderbesluit wordt verstaan onder:

a) "kennisgevende lidstaat": de lidstaat waarvan de bevoegde autoriteiten aan de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat een kennisgeving of een uitnodiging tot het aangaan van rechtstreeks overleg doen toekomen;

b) "reagerende lidstaat": de lidstaat waarvan de bevoegde autoriteiten van de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat een kennisgeving of een uitnodiging tot het aangaan van rechtstreeks overleg ontvangen;

c) "lopende procedures": op grond van de nationale wetgeving door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat ingestelde strafrechtelijke procedures voor specifieke feiten, inclusief de aan het strafproces voorafgaande fase;

d) "kennisgevende autoriteit": de autoriteit die in de nationale wetgeving is aangewezen om de autoriteiten van een andere lidstaat een kennisgeving van lopende strafrechtelijke procedures te doen toekomen, reacties daarop in ontvangst te nemen, en met de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat te bespreken en vast te stellen welke jurisdictie het meest geschikt is om onder de jurisdictie van de betrokken lidstaten vallende specifieke feiten te behandelen;

e) "reagerende autoriteit": de autoriteit die in de nationale wetgeving is aangewezen om kennisgevingen van in een andere lidstaat lopende strafrechtelijke procedures voor een strafbaar feit in ontvangst te nemen en erop te reageren, en met de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat te overleggen en vast te stellen welke jurisdictie het meest geschikt is om onder de jurisdictie van de betrokken lidstaten vallende specifieke feiten te behandelen.

Artikel 3
Vaststelling van de kennisgevende en de reagerende autoriteiten

1. Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke autoriteiten zijn aangewezen als kennisgevende, respectievelijk reagerende autoriteit. Een lidstaat kan besluiten dezelfde autoriteit als kennisgevende en als reagerende autoriteit aan te wijzen.

2. Het secretariaat-generaal van de Raad stelt de ontvangen informatie ter beschikking van alle lidstaten en van de Commissie en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4
Mogelijkheid om de taken van een aangewezen autoriteit
aan een andere nationale autoriteit toe te vertrouwen

1. In iedere fase van de bij dit kaderbesluit ingestelde procedure kan de kennisgevende of de reagerende autoriteit besluiten haar taken als aangewezen autoriteit overeenkomstig artikel 3, lid 1, toe te vertrouwen aan een andere nationale autoriteit, bijvoorbeeld een in de nationale wetgeving met strafrechtelijke vervolging belaste autoriteit.

2. Indien een besluit als bedoeld in lid 1 wordt genomen, wordt dit, samen met de contact­gegevens van de aangewezen autoriteit, onmiddellijk ter kennis gebracht van de kennis­gevende of de reagerende autoriteit van de betrokken lidstaat.

3. Det in lid 1 bedoelde besluit treedt in werking vanaf de ontvangst van het bericht overeenkomstig lid 2.



HOOFDSTUK 2
INFORMATIE-UITWISSELING


Artikel 5
Kennisgeving

1. Indien de volgens de nationale wetgeving tot strafvervolging bevoegde autoriteiten van een lidstaat vaststellen dat feiten die onderwerp zijn van een lopende strafrechtelijke procedure, een significante band hebben met een of meer andere lidstaten, stelt de kennisgevende autoriteit van de eerste lidstaat de reagerende autoriteit(en) van de lidstaat/de lidstaten waarmee een significante band bestaat, daarvan zo snel als doenbaar is in kennis, om na te gaan of de reagerende lidstaat/lidstaten strafvervolging heeft/hebben ingesteld voor dezelfde feiten.

2. De verplichting tot kennisgeving bedoeld in lid 1 geldt alleen voor strafbare feiten die in de kennisgevende lidstaat gestraft worden met een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel met een maximum van ten minste een jaar, en volgens de delictsomschrijving naar het recht van de kennisgevende lidstaat.

Artikel 6
Significante band

1. Een band wordt altijd als "significant" beschouwd wanneer de gedraging of de wezenlijke aspecten daarvan die het strafbare feit opleveren, plaatsvond op het grondgebied van een andere lidstaat.

2. In procedures waarin een andere dan de in lid 1 genoemde band met een andere lidstaat bestaat, wordt per geval, in het bijzonder aan de hand van de in artikel 15, lid 2, genoemde gemeenschappelijke criteria, bepaald of de band als significant moet worden aangemerkt.

Artikel 7
Kennisgevingsprocedure

1. De kennisgevende autoriteit doet aan de reagerende autoriteit kennisgeving op een wijze die schriftelijk traceerbaar is en die de reagerende staat in staat stelt zich van de echtheid ervan te vergewissen.

2. Indien de reagerende autoriteit niet bekend is, verzoekt de kennisgevende autoriteit langs alle mogelijke kanalen, waaronder de contactpunten van het Europees justitieel netwerk en Eurojust, de reagerende staat om nadere gegevens over de reagerende autoriteit.

3. Indien de autoriteit van de reagerende staat die de kennisgeving ontvangt, niet de bevoegde uitvoerende autoriteit in de zin van artikel 3 is, zendt zij de kennisgeving ambtshalve door naar de bevoegde autoriteit en stelt zij de kennisgevende autoriteit daarvan in kennis.



Artikel 8
Vorm en inhoud van de kennisgeving

1. De kennisgeving bevat de volgende gegevens:

a) contactgegevens van de bevoegde nationale autoriteit of autoriteiten die de zaak behandelen;

b) een beschrijving van de feiten die onderwerp zijn van de lopende procedures waarop de kennisgeving betrekking heeft, met inbegrip van de aard van de significante band;

c) de fase waarin de lopende procedure zich bevindt, en

d) de identificatiegegevens van de verdachte en, in voorkomend geval en voor zover bekend, van de slachtoffers.

2. De kennisgeving kan andere relevante aanvullende gegevens bevatten over de in de kennisgevende staat lopende procedures, bijvoorbeeld of daar problemen zijn gerezen.

3. De kennisgevende autoriteit maakt gebruik van het in de bijlage opgenomen formulier A.



Artikel 9
Vorm en inhoud van de reactie

1. In de reactie worden de volgende gegevens verstrekt:

a) in voorkomend geval, de contactgegevens van de nationale autoriteiten die de zaak behandelen of behandeld hebben;

b) of in de reagerende staat een strafrechtelijke procedure loopt met betrekking tot sommige of alle feiten waarop de kennisgeving betrekking heeft en de fase waarin deze zich bevindt;

c) of sommige of alle feiten waarop de kennisgeving betrekking heeft, in de reagerende staat zijn behandeld, alsmede de aard van de onherroepelijke beslissing;

d) of de autoriteiten van de reagerende staat voornemens zijn om voor de specifieke feiten waarop de kennisgeving betrekking heeft, zelf strafvervolging in te stellen.

2. De reactie kan relevante aanvullende gegevens bevatten, in het bijzonder over andere, maar gerelateerde feiten ten aanzien waarvan in de reagerende staat een strafrechtelijke procedure loopt.

3. Om op een kennisgeving te reageren maakt de reagerende autoriteit gebruik van het in de bijlage opgenomen formulier B.



Artikel 10
Termijnen en aanvullende gegevens

1. De reagerende autoriteit reageert op de kennisgeving binnen vijftien dagen na de datum van ontvangst.

2. Indien nodig kan deze termijn worden verlengd met ten hoogste vijftien dagen. De reagerende autoriteit stelt de kennisgevende autoriteit evenwel binnen de in lid 1 genoemde termijn in kennis van de verlenging.

3. Indien de reagerende autoriteit van oordeel is dat de door de kennisgevende autoriteit meegedeelde gegevens onvoldoende zijn om haar in staat te stellen te reageren, kan zij, binnen de in lid 1 vastgestelde termijn, verzoeken dat de nodige aanvullende gegevens worden verstrekt en kan zij een uiterste datum voor de ontvangst ervan vaststellen.

4. De in lid 1 genoemde termijn gaat opnieuw in na ontvangst van aanvullende informatie.

Artikel 11
Uitblijven van een reactie

Indien een reagerende autoriteit niet binnen de in artikel 10 vastgestelde termijn reageert, kan de kennisgevende autoriteit de maatregelen nemen die zij dienstig acht om de zaak onder de aandacht van de reagerende staat te brengen, waaronder kennisgeving aan Eurojust.



HOOFDSTUK 3
RECHTSTREEKS OVERLEG


Artikel 12
Rechtstreeks overleg

1. Bij het toezenden van een reactie of na die toezending houden de kennisgevende autoriteit en de reagerende autoriteit rechtstreekse besprekingen om onderling vast te stellen welke jurisdictie het meest geschikt is om specifieke feiten die onder de jurisdictie van de beide autoriteiten kunnen vallen te behandelen indien:

a) sommige of alle feiten waarop de kennisgeving betrekking heeft, in de reagerende lidstaat onderwerp zijn van een lopende strafrechtelijke procedure; of

b) de autoriteiten van de reagerende staat voornemens zijn om voor sommige of alle feiten waarop de kennisgeving betrekking heeft, een strafrechtelijke procedure in te stellen.

2. Indien de nationale reagerende autoriteiten van meer dan een lidstaat een kennisgeving ontvangen betreffende dezelfde lopende procedure, houden de betrokken autoriteiten rechtstreeks overleg als bedoeld in lid 1. De betrokken kennisgevende autoriteit coördineert dit overleg.

3. Bij gebreke van kennisgeving gaan twee of meer lidstaten via hun respectieve reagerende en kennisgevende autoriteiten rechtstreeks overleg aan om vast te stellen welke jurisdictie het meest geschikt is, indien zij op enigerlei wijze vernemen dat er parallelle straf­procedures lopen of gepland zijn.



Artikel 13
Verstrekken van informatie over belangrijke procedurele handelingen
of maatregelen

De kennisgevende en reagerende autoriteiten die rechtstreeks overleg aangaan, stellen elkaar in kennis van alle belangrijke procedurele maatregelen die zij na de aanvang van het overleg nemen.



HOOFDSTUK 4
VASTSTELLING VAN
DE MEEST GESCHIKTE JURISDICTIE


Artikel 14
Doel van het overleg

1. Het overleg over de meest geschikte jurisdictie heeft als algemeen doel te bepalen dat de bevoegde autoriteiten van één lidstaat alle feiten die onder de jurisdictie van twee of meer lidstaten vallen, zullen behandelen.

2. Indien in een lidstaat strafrechtelijke procedures lopen met betrekking tot feiten die samen­hangen maar niet samenvallen met de feiten waarop het overleg over de meest geschikte jurisdictie betrekking heeft, of indien het, met name gezien de complexiteit van de feiten of het aantal verdachten, onmogelijk is de strafrechtelijke vervolging in één lidstaat te doen plaatsvinden, kan het dienstig zijn strafrechtelijke vervolging in te stellen in twee of meer lidstaten die ieder verschillende feiten behandelen of verschillende personen berechten.

Artikel 15
Criteria voor de vaststelling van de meest geschikte jurisdictie

1. Het algemene uitgangspunt is dat de berechting plaatsvindt in de lidstaat waar het merendeel van de strafbare feiten heeft plaatsgevonden. Dit zal de plaats zijn waar het merendeel van de feitelijke gedragingen van de betrokken personen heeft plaatsgevonden.

2. Wanneer het in lid 1 bedoelde algemene uitgangspunt niet geldt omdat er andere gewichtige factoren zijn die er sterk voor pleiten om de strafvervolging onder een andere jurisdictie te laten plaatsvinden, bezien de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die aanvullende factoren om tot overeenstemming te komen over de meest geschikte jurisdictie. De andere gewichtige factoren kunnen met name bestaan uit:


  • de plaats waar de verdachte of verdachten zich na aanhouding bevindt, respec­tievelijk bevinden, en de mogelijkheid van overlevering of uitlevering naar andere mogelijke jurisdicties;

  • de nationaliteit of verblijfplaats van de verdachten;

  • het grondgebied van de staat waar het merendeel van de veroorzaakte schade is geleden;

  • de wezenlijke belangen van de slachtoffers;

  • de wezenlijke belangen van de verdachten;

  • de plaats waar zich belangrijk bewijsmateriaal bevindt;

  • de bescherming van kwetsbare of bedreigde getuigen wier getuigenis belangrijk is voor de betrokken zaak;

  • de woonplaats van de belangrijkste getuigen en hun vermogen om te reizen naar de lidstaat waar het merendeel van de strafbare feiten heeft plaatsgevonden;

  • het stadium waarin de strafrechtelijke procedure voor de betrokken feiten zich bevindt;

  • het feit dat er verwante procedures lopen;

  • de opzet van de procedure.

Artikel 16
Samenwerking met Eurojust

1. Het staat iedere nationale autoriteit vrij om in elke fase van de nationale procedure:

a) Eurojust om advies te verzoeken;

b) te besluiten specifieke gevallen waarin de vraag naar de meest geschikte jurisdictie rijst, aan Eurojust voor te leggen.

2. Iedere lidstaat doet aan Eurojust melding van de gevallen waarin voor onder de bevoegd­heid van Eurojust vallende zaken geen overeenstemming kon worden bereikt over de vraag welke jurisdictie van een lidstaat het meest geschikt is om specifieke feiten te behandelen, alsmede van de gevallen waarin binnen tien maanden na de aanvang van het rechtstreekse overleg geen overeenstemming is bereikt.

Artikel 17
Gevallen waarin geen overeenstemming is bereikt

In de uitzonderlijke gevallen waarin

a) zelfs na het beroep op Eurojust als bedoeld in artikel 16 geen overeenstemming is bereikt,

of

b) indien in niet onder de bevoegdheid van Eurojust vallende zaken het rechtstreekse overleg in onenigheid is geëindigd of binnen zes maanden na het aanvatten van het overleg geen overeenstemming is bereikt,



stellen de lidstaten Eurojust in kennis van de redenen waarom er geen overeenstemming is bereikt.



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina