Wetsvoorstel betreffende de wijziging van de werkloosheidsreglementering in functie van vrijwilligers in het buitenland



Dovnload 54.28 Kb.
Datum19.08.2016
Grootte54.28 Kb.
Wetsvoorstel betreffende de wijziging van de werkloosheidsreglementering in functie van vrijwilligers in het buitenland

(ingediend door mevrouw Sabine de Bethune)


Toelichting
Dit wetsvoorstel heeft als doel om het vrijwilligerswerk in het buitenland te bevorderen en de wettelijke drempels, die vrijwilligerswerk in het buitenland voor jonge werkzoekenden of werklozen hinderen, weg te nemen. Het vrijwilligerswerk in het buitenland mag niet leiden tot het verlies van rechten in de werkloosheid.

Door het vrijwilligerswerk in het buitenland binnen de werkloosheidsreglementering op eenzelfde wijze te behandelen als een stage of een opleiding in het buitenland of vrijwilligerswerk in België, werkt men een bestaande discriminatie weg.

De indieners zijn er immers van overtuigd dat vrijwilligerswerk in het buitenland de kansen op de arbeidsmarkt voor voornamelijk jonge werkzoekenden sterk verhoogt.

Daarenboven wordt een ongelijke toepassing door de werkloosheidsbureau’s van de RVA bij de beoordeling of vrijwilligerswerk als een stage in aanmerking wordt genomen weggewerkt.


Het wetsvoorstel houdt een aanpassing in van de werkloosheidsreglementering met het oog op de gelijkstelling van de periode van het vrijwilligerswerk in het buitenland met de wachttijd. Daarnaast houdt het wetsvoorstel voor vrijwilligers in het buitenland ook een vrijstelling in van de verplichting om beschikbaar te zijn op de arbeidsmarkt om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering en dit voor een periode van drie maanden.

Deze gelijkstelling en vrijstelling zijn ook van belang voor de andere takken van de sociale zekerheid, bij voorbeeld de kinderbijslag in de wachttijd of de ziekteverzekering.



1. Vrijwilligerswerk: van groot maatschappelijk belang
Het belang van vrijwilligerswerk in de samenleving is nauwelijks te onderschatten.
Een persoon die zich als vrijwilliger inzet, zal daar op vele vlakken zelf de vruchten van plukken. Vrijwilligerswerk draagt immers bij tot de persoonlijke ontwikkeling en tot kennisvergaring. Door zich te engageren in een vrijwilligersnetwerk leert men functioneren in groep. Men breidt netwerken uit, doet ervaringen op en leert nieuwe mensen kennen.

De impact van een vrijwilligerservaring in het buitenland is nog sterker voor de persoonlijke ontwikkeling. “Ze verhoogt niet alleen interculturele competenties. De ervaring vermindert ook vooroordelen en etnocentrisme, (…), helpt wij-versus-zij polarisatie te overstijgen en stimuleert het ontdekken van gemeenschappelijke linken over culturele grenzen heen.” (Hammer, M., 2005, Assesment of the impact of the ASF Study Abroad Experience. New York, AFS, Intercultural Programs.)


Naast de impact op de vrijwilliger heeft vrijwilligerswerk ook een grote impact op de samenleving. De Raad voor Vrijwilligers verwoordt het treffend als volgt:

Zonder al dat vrijwilligerswerk zou de samenleving absoluut verschralen: vrijwilligerswerk consolideert het sociaal kapitaal van onze samenleving: het leidt tot sociale cohesie, warmte en samenwerking. Essentieel hierbij is dat het vrijwilligerswerk een ontmoetingsplaats is die leidt tot sociale contacten, tot participatie van mensen ongeacht hun achtergrond op niveau van hun opleiding, gender, sociale positie, etnische en/of religieuze achtergrond.


De diversiteit van het vrijwilligerswerk heeft ook een economisch belang. Heel wat activiteiten en noden worden immers georganiseerd en ingevuld door vrijwilligers die zich belangeloos inzetten in een waaier van sectoren: jeugdwerk, onderwijs, opvang en begeleiding van vreemdelingen, zorgsector, culturele activiteiten, sport, internationale solidariteit, politiek, ecologie, religie, … Het vrijwilligerswerk ontplooit innovatieve acties voor het opsporen van, verwoorden en inspelen op nieuwe maatschappelijke behoeften.

‘In vzw’s waar naast vrijwilligers ook betaalde medewerkers in dienst zijn, komt het aantal vrijwilligers neer op 76.000 voltijdse werkkrachten per jaar. Dat levert die organisaties een kostenbesparing op van ongeveer 2,4 miljard euro, indien het om betaald werk zou gaan. Als je het opentrekt naar alle vrijwilligers in alle organisaties komt men aan 100.000 tot 150.000 voltijdse krachten per jaar.’ (Maxim Loose, Hoger Instituut voor de Arbeid). De sector van het vrijwilligerswerk zou naar schatting 5% van BNP van de lidstaten van de Europese Unie vertegenwoordigen.


Niet alleen het belang, maar ook de omvang zorgt ervoor dat vrijwilligerswerk een belangrijke rol speelt in de samenleving. Ongeveer anderhalf miljoen Belgen zijn op de één of andere manier actief als vrijwilliger. Met groot enthousiasme engageren zij zich in tienduizenden verenigingen, projecten, acties, enz. Uit de Eurobarometer van 2006 blijkt dat drie op de tien Europeanen zegt vrijwilliger te zijn. Het zou dus om meer dan 100 miljoen Europeanen (EU) gaan die vrijwilligerswerk verrichten.
De meeste Europese landen, maar ook ver daarbuiten hebben een wettelijk kader gecreëerd voor het vrijwilligerswerk. Zo ook in België. De totstandkoming van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers (verder: vrijwilligerswet) was een eerste belangrijke stap voor het vrijwilligerswerk in ons land. Deze wet heeft meer duidelijkheid gecreëerd over het statuut en de verantwoordelijkheid van de vrijwilliger en de organisaties die met vrijwilligers werken. Het betekende een erkenning en waardering van de vele mensen die zich belangeloos inzetten voor een ander.
Toch mag deze vrijwilligerswet geen eindpunt zijn en bestaan er vandaag nog een aantal aspecten van het vrijwilligerswerk die voor verbetering vatbaar zijn. Minstens is er nog werk aan de winkel om het vrijwilligerswerk toegankelijker te maken.
Ook de overheid heeft zich daartoe verbonden. Het regeerakkoord van 18 maart 2008, bepaalt:

De regering streeft een versterking van het sociaal weefsel na, onder meer door het



verenigingsleven en het vrijwilligerswerk. In overleg met alle betrokken overheden werkt

ze verder aan administratieve vereenvoudiging en de toegankelijkheid van collectieve

verzekeringspolissen voor vrijwilligerswerk. Ze werkt aan een duidelijk omschreven

statuut, ook op het fiscale vlak. Het toegelaten fiscale plafond voor de vergoeding van

vrijwilligers zal worden opgetrokken.” (pagina 21)
Het Europees Comité van de Regio’s; de Europese Raad van Ministers van Onderwijs, Jeugd en Cultuur; het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Europees parlement hebben een verklaring aangenomen om de Europese Commissie te verzoeken om 2011 uit te roepen tot het Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk. Ondertussen is de Europese Commissie samen met de Europese civiele maatschappij gestart met de voorbereidingen van het jaar.

Naar aanleiding van het Internationaal Jaar van de Vrijwilliger in 2001 (VN) publiceerde de Interparlementaire Unie, samen met het Rode Kruis/de Rode Halve Maan en de Vrijwilligers van de Verenigde Naties in 2004 een oriëntatienota over het vrijwilligerswerk en wetgeving. In de nota werd de aanbeveling opgenomen dat “Le législateur devrait s’intéresser et fixer les conditions dans lesquelles les personnes percevant des allocations de chômage peuvent faire du volentariat, et le temps qu’elles peuvent y consacrer sans perdre leurs droits.”



2. Vrijwilligerswerk in het buitenland
Dit wetsvoorstel wil verder bouwen op de erkenning van het vrijwilligerswerk en gaat specifiek in op het vrijwilligerswerk in het buitenland, georganiseerd vanuit België, op voorwaarde dat de vrijwilliger zijn hoofdverblijfplaats in België heeft, en onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn in het land waar het vrijwilligerswerk wordt verricht (artikel 2, § 1, wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers).
Het vrijwilligerswerk is immers ook onderhevig aan de globalisering en mondialisering die zich in alle sectoren van de samenleving doorzetten. Meer dan ooit trekken vrijwilligers naar het buitenland om ten dienste van een lokale organisatie of gemeenschap vrijwilligerswerk te verrichten. Meer dan ooit ook is de mobiliteit niet beperkt tot Europa, maar is ze gericht op het Zuiden.
Het vrijwilligerswerk buiten de landsgrenzen is ontstaan na de Tweede Wereldoorlog waarbij jongerenuitwisselingen werden gestimuleerd binnen Europa om lidstaten dichter bij elkaar te brengen. Vooral vanuit het jeugdwerk werden initiatieven genomen om jongerenmobiliteit te promoten. In eigen land zijn gespecialiseerde jeugdwerkorganisaties actief geworden die lid zijn van internationale netwerken die interculturele uitwisseling als opdracht hebben zoals AFS Interculturele Programma’s vzw (AFS Programmes Interculturels aslb) of VIA vzw in Vlaanderen en SCI Projets Internationaux in Brussel-Wallonië. Vanuit België is de Bouworde vzw ontstaan (en de Franstalige tegenhanger Association des Compagnons Bâtisseurs aslb) die bouwkampen organiseert over de hele wereld. In 2008 namen 1063 jongeren deel aan een bouwkamp van Bouworde vzw voor twee tot vier weken. Een vierde uitwisselingsorganisatie is YFU Vlaanderen/YFU Bruxelles – Wallonie.
Ook de Europese Unie heeft een specifiek uitwisselingsprogramma ‘Youth in Action’ ontwikkeld voor jongeren tussen 15 en 30 jaar met het oog op het stimuleren van actief burgerschap, solidariteit en tolerantie onder Europese jongeren alsook de betrokkenheid bij het vorm geven aan het Europa van morgen. De focus ligt op de promotie van jongerenmobiliteit binnen Europa. Er zijn ook enkele mogelijkheden buiten Europa. Binnen het programma ‘Youth in Action’ zijn er vijf subprogramma’s: van groepsuitwisselingen tot vormingsprojecten. Eén van de subprogramma’s is het Europees vrijwilligerswerk (EVS) waarbij men twee maand tot een jaar naar het buitenland kan trekken. Voor maatschappelijk kwetsbare jongeren is het Europees Vrijwilligerswerk (EVS) van korte duur (vanaf twee weken) mogelijk. Jongeren die werkloos zijn als gevolg van het beëindigen van de studies zonder diploma en langdurig werkloze jongeren omwille van lage scholing of een persoonlijke problematiek, behoren tot die groep. Eén van de strategieën van Youth in Action is precies om die kwetsbare jongeren meer kansen te geven om deel te nemen aan internationale uitwisselingsprojecten.

De coördinatie van alle aanvragen in Vlaanderen wordt opgenomen door JINT vzw die in 2008 projecten met 68 Vlaamse vrijwilligers goedkeurde; in de Franse gemeenschap door het Bureau Internationale Jeunesse. De aanvragen voor zending van jongeren worden ingediend en begeleid door zendorganisaties zoals VIA, AFS en Bouworde, maar ook bijvoorbeeld door Pax Christi Vlaanderen of jeugdhuizen.


Vrijwilligerswerk in het buitenland is niet meer een zaak van jongeren alleen. Geïnspireerd door de Internationale Bouworde is de vzw Her&Der ontstaan dat sociale, technische of ecologische ‘bouwkampen’ organiseert voor 30+’ers. De Europese Unie heeft in het kader van haar Programma Een Leven Lang Leren een sectoraal programma Grundtvig (naast o.a. Erasmus), gericht op volwasseneneducatie en waarbinnen Senior VrijwilligersProjecten ondersteund worden.
Niet enkel het jeugdwerk maar ook de sector van ontwikkelingssamenwerking zelf draagt in grote mate bij tot meer vrijwilligerswerk over de grenzen heen. Naast het maatschappelijk belang en de persoonlijke ontwikkeling is ook educatie en mondiale vorming één van de doelstellingen die de sector van ontwikkelingssamenwerking daarbij hanteert. Het gaat om vrijwilligers die tijdelijk worden ingeschakeld door niet-gouvernementele organisaties zoals Volens en Broederlijk Delen in een project in het Zuiden via stages, kampen, eerste beroepservaringen en inleefreizen.
Broederlijk Delen bijvoorbeeld zendt jaarlijks 25 vrijwilligers uit voor een periode van drie maand tot één jaar bij één van hun partnerorganisaties. Voor 15 tot 25-jarigen organiseert men één à twee inleefkampen per jaar. Daarnaast kan men vanaf 25 jaar een tweejarig traject volgen met als hoogtepunt een inleefreis van twee tot drie weken in het Zuiden.
Naast gespecialiseerde jeugdwerkorganisaties en ngo’s zijn er ook vrijwilligers die niet via een professionele jeugdwerk- of ontwikkelingsorganisatie in België worden uitgezonden maar ‘op eigen houtje’ of met een kleine groep vrienden naar het buitenland trekken. Aanleiding voor deze vorm van vrijwilligerswerk zijn vaak rechtstreekse persoonlijke relaties met een partner in het buitenland.
Het kan daarbij om tijdelijke contacten gaan of een meer structurele samenwerking met de partner in het buitenland. In de sector van ontwikkelingssamenwerking spreekt men recent over de vierde pijler. De laatste jaren zien we namelijk een vermaatschappelijking en lokalisering van ontwikkelingssamenwerking. Ontwikkelingssamenwerking is niet langer een monopolie van de overheid en de traditionele ngo’s. Deze actoren zijn particuliere initiatieven, organisaties en bedrijven die zelf actie ondernemen door het opstarten van concrete projecten en partnerschappen met groepen en organisaties in het Zuiden. In de praktijk gaat het om scholen, vakbonden, ziekenfondsen, de landelijke bewegingen, migrantenorganisaties, ziekenhuizen, kleinschalige en lokale ngo’s, enz. Dus ook steeds meer vrijwilligers uit die vierde pijler verrichten vrijwilligerswerk bij hun partners in het Zuiden.
Op eigen houtje (of met maximaal vier) kan ook via het programma ‘Extra Time’ van de Vlaamse overheid, waarbij JINT vzw de begeleiding verzekert. Je kan als jongere tussen 16 en 26 jaar een project van 1 tot 3 maand op poten zetten in samenwerking met een lokale partnerorganisatie in het buitenland. In 2007 vertrokken 50 jongeren naar het buitenland met steun van ‘Extra Time’. In 2008 ging het om 30 jongeren.
Als er geen sprake is van een ‘zendende’ organisatie vanuit België (een feitelijke vereniging, private of publieke rechtspersoon zonder winstoogmerk) die werkt met vrijwilligers, dan valt het vrijwilligerswerk in het buitenland niet onder de toepassing van de vrijwilligerswet.
Er bestaan geen accurate cijfers over het aantal Belgische vrijwilligers in het buitenland. We kunnen er van uitgaan dat het jaarlijks om duizenden gaat. Het Platform Kleurrijk Vlaanderen, een stuurgroep dat werd opgericht naar aanleiding van tien jaar jongerenmobiliteit voerde in 2007 een ‘Onderzoek naar de omkadering voor Vlaamse jongeren die naar het Zuiden trekken’. Ze consulteerden 64 actoren met inbegrip van alle belangrijkste spelers: jeugdwerkorganisaties, hogescholen, universiteiten, ngo’s, gemeentelijke/stedelijk diensten voor ontwikkelingssamenwerking en andere. Uit de cijfers blijkt dat er in de periode 2003-2007 sprake is van een verdubbeling van de jongerenmobiliteit naar het Zuiden (ontwikkelingslanden). In 2007 gaat het om 1589 jongeren. Als we daarbij abstractie maken van de jongeren die via universiteiten en hogescholen naar het Zuiden trekken in het kader van een stage, studies of een opleiding en dus niet vrijwilligerswerk gaat het om 987 jongeren. De cijfers zijn echter beperkt tot Vlaanderen, jongeren en vrijwilligerswerk in ontwikkelingslanden. Als men gans België, alle leeftijdsgroepen en alle vrijwilligerswerk in het buitenland in rekening zou brengen gaat het over een nog veel grotere groep.

Een ander onderzoek, van JINT vzw (2009), peilde onder meer naar het profiel van de jongere in Vlaanderen met een internationale mobiliteitservaring. Daaruit blijkt dat 19% van de (geënquêteerde) jongeren tussen 15 en 25 jaar al naar het buitenland is geweest als vrijwilliger bij een plaatselijke vereniging of organisatie of in een Derde Wereld project.



3. Vrijwilligerswerk en werkloosheidsreglementering
Dit wetsvoorstel wil het vrijwilligerswerk in het buitenland door jongeren in de wachttijd of vrijwilligers die een werkloosheidsuitkering ontvangen juridisch beter regelen door een aantal hinderpalen weg te nemen. Het vrijwilligerswerk in het buitenland mag niet leiden tot het verlies van bepaalde rechten in de werkloosheid mits een aantal voorwaarden vervuld zijn. Het wetsvoorstel wil concreet twee aspecten wijzigen. Een eerste aspect betreft het in aanmerking nemen van de periode waarin vrijwilligerswerk wordt verricht in het buitenland door een jonge werkloze in het kader van de wachttijd. Een tweede aspect heeft betrekking op de voorwaarde waarbij men beschikbaar moet zijn op de arbeidsmarkt om een werkloosheidsuitkering te ontvangen.
De indieners geven hiermee gevolg aan het advies van 6 oktober 2004 van de Vlaamse Jeugdraad over “Internationale mobiliteit voor jeugdwerkers en jongeren: Weg met die obstakels!”.
Ook de Europese instellingen hebben zich in verschillende documenten uitgesproken om passende maatregelen te nemen “ om legale en administratieve hindernissen voor de mobiliteit van vrijwilligers weg te werken” en “opdat vrijwilligers en hun gezinnen niet ten gevolge van hun mobiliteit een ongelijke behandeling ontvangen op het gebied van relevante sociale bescherming” (zie o.a. Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 10 juli 2001 inzake de mobiliteit binnen de Gemeenschap van studenten, personen in opleiding, vrijwilligers, leerkrachten en opleiders, 2001/613/CE).

Er werd reeds ingegaan op de impact van het vrijwilligerswerk op de persoonlijke ontwikkeling van de vrijwilliger en op de samenleving. Dit heeft uiteraard ook op professioneel vlak gevolgen. Via het vrijwilligerswerk doet men werkervaring op, verwerft men kennis (o.a. actieve taalkennis), ontwikkelt men bepaalde vaardigheden en attitudes, krijgt men meer zelfvertrouwen. Het hoeft geen betoog dat dit een meerwaarde biedt op de arbeidsmarkt en meer kansen creëert voor de werkzoekende. De effecten op persoonlijk en professioneel vlak zijn nog groter voor maatschappelijk kwetsbare jongeren. Zo blijkt uit onderzoek (Go Strange, JINT vzw, 2009) dat jongeren uit bijvoorbeeld het secundair beroepsonderwijs veel minder kans hebben op een internationale ervaring.


Het is niet zo dat vrijwilligersorganisaties de rol van werkgelegenheidsagentschappen of –bemiddelaars op zich moeten nemen of dat vrijwilligerswerk een werkgelegenheidsmaatregel moet worden. Inherent aan het vrijwilligerswerk is immers het vrijwillig karakter. Vast staat wel dat een jonge werkloze via de bijzondere ervaring van vrijwilligerswerk in het buitenland meer kansen krijgt op de arbeidsmarkt.
Het opschorten van de wachttijd of het onderbreken van de werkloosheidsuitkering omwille van het verblijf in het buitenland voor vrijwilligerswerk heeft ook gevolgen voor andere takken van de sociale zekerheid bijvoorbeeld inzake de kinderbijslag of de ziekteverzekering.
In de huidige werkloosheidsreglementering is het vrijwilligerswerk dat in België wordt verricht juridisch geregeld (art. 45bis). Er is evenwel zo goed als geen ruimte om vrijwilligerswerk in het buitenland te verrichten mits een paar uitzonderingen. Op basis van artikel 97 van het Koninklijk Besluit houdende de Werkloosheidsreglementering kan men vrijgesteld worden van een aantal toekenningsvoorwaarden, zoals de beschikbaarheid op de arbeidsmarkt, voor het verkrijgen van een werkloosheidsvergoeding. Dit geldt in het bijzonder voor de volledige werkloze die minstens 50 jaar is en zijn beroepservaring op vrijwillige basis ten dienste wil stellen in het buitenland (§ 1). De vrijstellingen gelden ook voor de coöperant-jonge werkzoekende (§ 2) en de volledig werkloze die deelneemt aan een humanitaire actie voor ten hoogste vier weken (§ 3). De toepassing in de praktijk van artikel 97 is eerder beperkt. In 2008 werden twee vrijstellingen gegeven aan oudere werklozen, 17 aan jongeren in de wachttijd en 8 wegens een humanitaire actie (Senaat, schriftelijke vraag 4-3489 en 4-3455).
Het statuut van de coöperant-jonge werkzoekende werd in 1996 ingevoerd om jonge werkzoekenden de kans te geven een beroepservaring op te doen in een ontwikkelingsland. Een erkende ngo kon via een door de Minister van Ontwikkelingssamenwerking aanvaarde overeenkomst of project een coöperant-jonge werkzoekende uitsturen voor vier à twaalf maanden. De wachtuitkering werd verder uitbetaald en aangevuld met een maandelijkse vergoeding alsook een premie voor administratie- en reiskosten. Sinds 2003 is het statuut van coöperant-jonge werkzoekende niet meer van toepassing. De coöperant-jonge werkzoekende maakt sindsdien deel uit van een bijzondere categorie ngo-coöperanten geïntegreerd in de programmawerking van een ngo. De jongere kan, op voorstel van een ngo, gedurende zijn wachttijd nog steeds beroep op artikel 97 § 2 om een vrijstelling te bekomen van onder meer de beschikbaarheid op de arbeidsmarkt.
Vanuit een aantal ngo’s en jeugdwerkorganisaties wordt na een rondvraag bevestigd dat heel wat jongeren in de wachttijd of personen in de werkloosheid afhaken voor een vrijwilligersproject in het buitenland wanneer blijkt dat ze niet kunnen rekenen op een gelijkstelling met de wachttijd of een vrijstelling in de werkloosheid.

3.1. Wachttijd
Jongeren (tot 30 jaar) die hun studie of opleiding hebben afgerond en die werkloos worden, kunnen een aanspraak maken op een wachtuitkering. Deze jongeren kunnen immers geen beroep doen op een werkloosheidsuitkering aangezien zij geen voldoende beroepsverleden hebben. Om aanspraak te kunnen maken op een wachtuitkering moeten zij aan verschillende voorwaarden voldoen. De voorwaarde die in dit wetsvoorstel van belang is, bestaat in het doorlopen van een wachttijd. Arbeidsdagen en dagen waarop de jongere als werkzoekende is ingeschreven en beschikbaar is voor de arbeidsmarkt worden in aanmerking genomen voor de wachttijd.
Overeenkomstig de huidige werkloosheidsreglementering kunnen de dagen dat de jonge werkloze vrijwilligerswerk verricht in België in aanmerking genomen worden voor de wachttijd. Het verrichten van vrijwilligerswerk in België verhindert immers niet dat de jonge werkloze beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.
Indien de jonge werkloze evenwel vrijwilligerswerk verricht in het buitenland, dan is zij of hij niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt en kan deze periode in principe dus niet in aanmerking genomen worden als wachttijd. Een stage in het buitenland kan daarentegen wel als wachttijd gelden op basis van artikel 36 § 2 van het Koninklijk Besluit houdende de werkloosheidsreglementering. Hiervoor dient men een aanvraag in te dienen bij de RVA via het formulier C94C. Het is mogelijk dat de directeur van het RVA-kantoor het vrijwilligerswerk in het buitenland beschouwt als een stage op voorwaarde dat het om een nuttige ervaring gaat die gericht is op de integratie in het arbeidsproces.
Op basis van een telefonische rondvraag bij een aantal jeugdwerkorganisaties en ngo’s en uit persoonlijke getuigenissen blijkt echter dat het niet evident is om een goedkeuring van de RVA te verkrijgen als vrijwilliger in het buitenland. Er wordt ook melding gemaakt van een ongelijke toepassing tussen de verschillende RVA-kantoren. Wel zou de gelijkstelling van de periode van het vrijwilligerswerk in het buitenland met de wachttijd makkelijker worden toegekend dan een vrijstelling tijdens de periode waarin men een werkloosheiduitkering ontvangt.
Een belangrijk gevolg van de gelijkstelling van de wachttijd met de periode waarin men vrijwilligerswerk verricht in het buitenland is dat men ook het recht op kinderbijslag behoudt. Vandaag bestaat dus het risico dat men ook zijn recht op kinderbijslag verliest als het RVA-kantoor geen toestemming geeft op basis van ‘een stage’.
Om deze doelstellingen te bereiken wordt artikel 36, § 2 van het Koninklijk Besluit houdende de werkloosheidsreglementering aangepast.
3.2. Werkloosheidsuitkering
Om effectief een werkloosheidsuitkering te kunnen ontvangen, moeten een aantal voorwaarden worden vervuld. De voornaamste zijn dat de werkloze onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon moet zijn, en men beschikbaar moet zijn op de arbeidsmarkt, wat ook inhoudt dat zij of hij actief op zoek moet gaan naar werk.
In het Koninklijk Besluit houdende de werkloosheidsreglementering handelt artikel 45bis specifiek over het verrichten van vrijwilligerswerk door uitkeringsgerechtigde werklozen. Er mag vrijwilligerswerk worden verricht indien dit wordt meegedeeld en indien de directeur van de RVA het niet verbiedt. Het verrichten van vrijwilligerswerk kan verboden worden omwille van twijfel over het vrijwillige karakter en omwille van het feit dat de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt van de werkloze beduidend zou verminderen.
Dit leidt tot de vaststelling dat een uitkeringsgerechtigde werkloze wel de mogelijkheid heeft om vrijwilligerswerk in eigen land te verrichten, maar niet in het buitenland. Het staat immers vast dat de beschikbaarheid van de werkloze in dat geval beduidend vermindert.
Werklozen die een opleiding volgen of een stage uitvoeren kunnen - onder bepaalde voorwaarden - vrijgesteld worden van de verplichting om beschikbaar te zijn op de arbeidsmarkt op basis van artikel 94 § 3 van het Koninklijk Besluit houdende de Werkloosheidsreglementering. Deze mogelijkheid bestaat echter niet voor werklozen die vrijwilligerswerk in het buitenland verrichten.
Ook hier blijkt opnieuw uit de praktijk dat het verkrijgen van een ‘vrijstelling’ bij de RVA om beschikbaar te zijn op de arbeidsmarkt in het kader van vrijwilligerswerk in het buitenland op basis van een kwalificatie als stage (formulier C94A) moeilijk is en dat er een ongelijke toepassing is tussen de RVA-kantoren.
De indieners van dit wetsvoorstel willen eveneens de mogelijkheid creëren voor de werkloze die vrijwilligerswerk verricht in het buitenland om te genieten van de vrijstelling van de verplichting om beschikbaar te zijn op de arbeidsmarkt. Hierdoor kan de vrijwilliger zijn werkloosheidsuitkering behouden. Vrijwilligerswerk is immers een bijzonder nuttige ervaring ten behoeve van de integratie in het arbeidsproces. De directeur kan naar analogie met artikel 45bis de vrijstelling niet aanvaarden indien het vrijwilligerswerk niet langer in overeenstemming zou zijn met de vrijwilligerswet. De vrijstelling geldt voor ten hoogste drie maanden, verlengbaar tot een jaar. Om deze doelstelling te bereiken wordt een artikel 94bis ingevoegd in het werkloosheidsbesluit.

Artikelsgewijze commentaar
Artikel 2
Dit artikel heeft als doel de periode tijdens dewelke de jonge werkloze vrijwilligerswerk verricht in het buitenland, naar analogie met het volgen van een stage in het buitenland, in aanmerking te laten nemen voor het doorlopen van de vereiste wachttijd.
Om deze doelstelling te bereiken wordt artikel 36, § 2 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering aangevuld met een 9°.
Er wordt daarbij verwezen naar de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van de vrijwilligers zodat het betreffende vrijwilligerswerk in overeenstemming is met het toepassingsgebied van de vrijwilligerswet.

Artikel 3
Dit artikel wil de mogelijkheid creëren voor de werkloze vrijwilliger in het buitenland om te genieten van de vrijstelling van de verplichting om beschikbaar te zijn op de arbeidsmarkt, actief op zoek te gaan naar werk, gehoor te geven aan een oproeping, enz.
Indien betrokkene een vrijstelling wil bekomen dat moet hij of zij het vrijwilligerswerk vooraf worden aangegeven aan het werkloosheidsbureau. De aangifte wordt ondertekend door de vrijwilliger en de ‘zendorganisatie’.
Het vrijwilligerswerk moet voldoen aan de definitie en de bepalingen van de wet betreffende de rechten van de vrijwilligers. De vrijstelling kan ongedaan worden gemaakt of beperkt worden door de directeur van het werkloosheidsbureau indien het vrijwilligerswerk niet (langer) de kenmerken vertoont van een activiteit die gewoonlijk door vrijwilligers wordt verricht. Hiervoor worden dezelfde criteria gehanteerd als in artikel 45bis dat handelt over de uitkeringsgerechtigde werkloze die vrijwilligerswerk verricht in België.
In overeenstemming met een stage of studies in het buitenland in artikel 94 § 3 van het Koninklijk Besluit houdende de werkloosheidsreglementering wordt de vrijstelling beperkt tot drie maanden, uitzonderlijk verlengbaar tot een jaar.
Om deze doelstelling te bereiken wordt een nieuw artikel 94bis ingevoegd in het Koninklijk Besluit houdende de werkloosheidsreglementering van 25 november 1991.

Wetsvoorstel
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Artikel 2
In artikel 36, § 2 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering wordt na 8° volgende toegevoegd:
9° de dagen gelegen in de periodes van verblijf in het buitenland voor het verrichten van vrijwilligerswerk in het kader van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers.
Artikel 3
Na artikel 94 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering een nieuw artikel 94bis toevoegen:
Artikel 94bis
§ 1 De volledig werkloze die in het buitenland vrijwilligerswerk verricht in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, wordt op zijn vraag vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56, 58,60 en 66.
§ 2 De volledig werkloze dient hiertoe vooraf een schriftelijke aangifte in bij het werkloosheidsbureau met vermelding van de identiteit van de werkloze en van de organisatie, de aard, de duur, de frequentie en de plaats van het werk en de toegekende materiële of financiële voordelen. Zij wordt door beide partijen ondertekend.
§ 3 De directeur kan de vrijstelling verbieden of slechts aanvaarden binnen bepaalde perken indien hij vaststelt dat één of meer van de volgende punten is vervuld:

1° de activiteit niet of niet langer de kenmerken vertoont van vrijwilligerswerk als bedoeld in de voormelde wet;

2° de activiteit gezien haar aard, omvang en frequentie of gezien het kader waarin zij wordt uitgeoefend, niet of niet langer de kenmerken vertoont van een activiteit die in het verenigingsleven gewoonlijk door vrijwilligers wordt verricht;

3° de toegekende materiële of financiële voordelen, overeenkomstig de voormelde wet van 3 juli 2005, of van de fiscale wetgeving, niet geneutraliseerd kunnen worden.
§ 4 De vrijstelling geldt voor een periode van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar doch kan verlengd worden tot ten hoogste een jaar indien hiertoe een uitzonderlijke reden ingeroepen wordt. Deze verlenging kan slechts eenmaal toegekend worden.”






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina