Whewell introduceerde de termen scientist (bèta-wetenschapper) en physicist



Dovnload 100.58 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte100.58 Kb.
3] representatie en werkelijkheid: positivisme tot Popper
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
tegen 1840 was natural philosophy geprofessionaliseerd tot een aparte beroepsgroep die erkenning eiste

William Whewell introduceerde de termen scientist (bèta-wetenschapper) en physicist (natuurkundige) 1

dit onderscheid betekende een verschil in methode: science = positivistisch, filosofie = essentialistisch 2

wetenschap boekt vooruitgang (door de kwantitatieve methode), filosofie niet

wetenschappers moesten nu zelf epistemologische en ontologische vragen oplossen

wetenschappelijke theorieën werden steeds mathematischer (abstracter), vooral sinds Fourier (1822)

hoe kunnen mathematische formules een afbeelding vormen van de werkelijkheid?

het succes van een theorie (voorspellen, technologie) is nog geen confirmatie van waarheid

(John Herschell, Auguste Compte, William Whewell en J.S. Mill hielden zich met deze discussie bezig)
waar de filosofie (sinds de Romantiek en het Idealisme) geassocieerd werd met speculatie,

baseren de sciences zich uitsluitend op waarneming (empirie) en mathematische (rationele) principes



filosofie werd geassocieerd met metafysica; experimentele wetenschap was gebaseerd op positief bewijs
voorbeelden van de verschuiving van essentialistische verklaringen naar positivistische beschrijvingen:
wat is warmte? het ontsnappen van caloric (gewichtloze vloeistof) of beweging van deeltjes (moleculen)?

Antoine Lavoisier (1743-1794) introduceerde de calorische theorie van warmte (1783): caloric = wat warmte is

Benjamin Thompson (Count Rumford, 1753-1814) experimenten suggereerden: warmte = beweging van deeltjes

Jean-Baptiste Joseph Fourier (1768-1830) was geen natural philosopher, maar wiskundige

in "the analytical theory of heat" (1822) introduceert hij een mathematische wet (Fourier's law)

deze wet zegt niet wat warmte is (ontologie), maar beschrijft hoe het zich gedraagt (vgl. behaviorisme)

namelijk: volgens bepaalde wetmatigheden; het fenomeen warmte kan mathematisch worden beschreven

Fourier ondermijnde de afbeeldings-theorie: de werkelijkheid is niet kenbaar, alleen de fenomenen

de afbeeldings-theorie is metafysica: er is geen manier om 'achter' de fenomenen te kijken

we weten nooit wat het object van onze studie is; we kunnen alleen het gedrag ervan beschrijven

we hebben geen voorstelling van de werkelijkheid nodig: wiskunde is het fundament voor wetenschap
Michael Faraday (1791-1867) gebruikte in zijn theorie over magnetisme nauwelijks wiskunde, maar termen

James Clerk Maxwell (1831-1879) vertaalde Faraday's theorie over magnetisme en electriciteit naar wiskunde

Maxwell's puur wiskundige beschrijving verklaarde niet wat een electro-magnetisch veld is, alleen wat het doet

zijn Maxwell's wiskundige formules die het magnetisch veld beschrijven een afbeelding?


William Thomson / Lord Kelvin (1824-1907) meende dat we een theorie pas werkelijk begrijpen,

als we er een fysische / ruimtelijke / mechanische voorstelling / model van kunnen maken



Maxwell en Fourier braken met dit idee: wetenschap is niet gebaseerd op ruimtelijke / fysieke voorstelling

het succes van wetenschap bleek niet af te hangen van 'echt begrip' (Kelvin) van de fenomenen;

het beschrijven ervan volstaat (Ernst Mach, Pierre Duhem, Heinrich Herz verdedigden deze visie)
de werkelijkheid 'an sich' kunnen we dus niet kennen, alleen de fenomenen (instrumentalisme)

maar hoe kan wetenschap dan voorspellen, als er geen relatie met de werkelijkheid 'an sich' is?

waarom zou wiskunde (een menselijke uitvinding) de taal zijn om de fenomenen te beschrijven?

als wiskunde mensenwerk is, wat is dan de betekenis van mathematische modellen van de natuur?

daarbij: wetenschappelijke theorieën zijn voordurend aan verandering onderhevig (historicisme)

wetenschap werkt, voorspelt, brengt technologie voort, maar waar is wetenschap kennis van? de werkelijkheid?


de niet-Euclidische meetkunde (ontwikkeld vanaf 1813) gooide een bom onder ons werkelijkheids-begrip

deze theorieën gaan uit van hyperbolische en eliptische meetkunde (gekromde ruimte)

niet-Euclidische meetkunde kent andere axioma's: stelt o.a. Euclides' 5e axioma (parallelle-lijnen) ter discussie

deze theorieën zijn deductief geldig, maar zijn ze waar in onze 3-dimensionale werkelijkheid?

Euclides' parallelle-lijnen axioma is waar, maar alleen in de Euclidische meetkunde

hetzelfde geldt voor andere theorieën: ze zijn gebaseerd op aannames!


de vraag voor de wetenschappen wordt dan: hoe moeten we kiezen uit verschillende aannames?

als een wetenschappelijke theorie gebaseerd is op wiskundige axioma's, waarop zijn deze dan gebaseerd?

met het voortschrijdende succes van wetenschap verdwijnen deze metafysische vragen naar de achtergrond

natuurwetenschappelijke theorieën werden steeds abstracter, en steeds ontoegankelijker voor de leek



theorie en empirie blijven op elkaar betrokken, maar het idee van representatie wordt steeds problematischer

het (metafysische) idee 'werkelijkheid' maakt plaats voor positivisme: wisselwerking tussen empirie & theorie

bijv. Henri de Saint-Simon (1760-1825), Pierre-Simon Laplace (1749-1827) en Auguste Comte (1798-1859)
John (Johann) Bernhard Stallo (1823-1900): The Concepts and Theories of Modern Physics (1882)

wat is de status van concepten in wetenschappelijke theorieën? hooguit heuristisch, en altijd voorwaardelijk

we moeten een conceptualisatie van de werkelijkheid niet verwarren met de werkelijkheid zelf

vgl. Alfred Korzybski: "the map is not the territory" of de parabel van de blinden en de olifant

wetenschappelijke theorieën moeten gevrijwaard blijven van realisme / metafysische aannames

het realisme / representationalisme (geloof in de relatie tussen concepten en realiteit) blijkt echter hardnekkig


Ernst Mach (1838-1916) pleit tegen het beeld van wetenschap als kennis van de werkelijkheid (voorbij empirie)

'kennis van de werkelijkheid' als afbeelding is metafysica: 'de werkelijkheid' is die van de theorie

wetenschap is het ontwaren van structuren in empirische data, zodat ze bruikbaar worden (pragmatisch)

hij was tegen een realistische / ontologische interpretatie van theorieën / modellen (zoals de atoom-theorie)

Ludwig Boltzmann (1844-1906) geloofde echter wel in de atoom-theorie als representatie van de werkelijkheid

voor velen (wetenschappers en leken) was realisme beter te verenigen met het succes van wetenschap

tegen 1910 leek Boltzmann de wetenschappelijke gemeenschap aan z'n kant te hebben

in 1923 meet Robert Andrews Millikan (1868-1953) de massa van het electron

als je iets kan meten, dan moet het toch bestaan? hoe moeten we Ernst Mach begrijpen?

als atomen niet echt bestaan, hoe kan hun massa en electrische lading dan ontdekt worden?

maar als het atoom wel echt bestaat, bestond het dan voordat Dalton het 'ontdekte' begin 19e eeuw?

bestaat het al sinds Democritos, of sinds de big bang?

en hield het op te bestaan toen J.J. Thomson ontdekte dat het deelbaar was?

of toen Rutherford ontdekte dat het uit protonen en electronen bestaat?

en heeft Bohr's quantum-theorie aangetoond dat het atoom eigenlijk nooit bestaan heeft?

en bestaat het Higgs-deeltje (Higgs boson) sinds het postuleren ervan door Peter Higgs in 1964?

of sinds er (in 2012) een meting is gedaan die aan de hoop van wetenschappers voldeed?

of bestaat het Higgs boson al zolang het universum bestaat? dit laatste is de visie vanuit de theorie

maar ook is het common sense: de aarde werd niet pas rond toen men niet meer geloofde in een platte aarde


in de 19e eeuw is het beeld ontstaan dat alleen natuur-wetenschappelijke kennis ware kennis is:

rationalisme, naturalisme, materialisme, mechanicisme en determinisme (Descartes, Newton, Laplace)

biologie en psychologie is te reduceren tot natuurkunde (ook wel: sciëntisme / sciëntistisch imperialisme)

de wetenschappelijke claim is dat het object waar de theorie naar verwijst altijd al bestaan heeft

maar historisch gezien bewijst de wetenschap dat ze er tot nog toe altijd naast heeft gezeten
begin 20e eeuw introduceren Einstein, Planck, Bohr, Heisenberg, Schrödinger, Fermi e.a. nieuwe theorieën,

en daarmee een 'nieuwe werkelijkheid', die gedicteerd wordt door mathematische berekeningen



ruimte, tijd, materie en beweging krijgen een geheel nieuwe betekenis, ontoegankelijk voor de leek:

ruimte vervormt, tijd is niet constant, materie is energie, licht gedraagt zich dan als golven, dan als deeltjes, etc.

wetenschap ontwikkeld zich niet lineair, kennis is niet cumulatief, nieuwe theorieën zijn geen aanpassingen;

nieuwe theorieën creëren een nieuwe wereld / werkelijkheid; ze presenteren i.p.v. representeren

Max Planck gebruikte een model voor licht dat uitging van de deeltjes- én de golf-theorie van licht

Albert Einstein stelde in 1905 dat licht niet kan bestaan uit deeltjes én golven, ook al werkt het model

we moeten uitgaan van de realitiet, niet van onze perceptie ervan

Planck, Einstein, Schrödinger en de Broglie geloofden dat wetenschap de werkelijkheid representeert

Niels Bohr stelt dat golf-deeltjes-dualiteit slechts conceptueel is, geen echte eigenschap van licht

maar onze concepten reiken niet verder dan onze perceptie; we kunnen ons er niets bij voorstellen

daarom moeten afzien van het idee 'afbeelding' of 'correspondentie' tussen theorie en werkelijkheid

dat is namelijk metafysica, oftewel speculatie op basis van dogma's (zo stellen ook Heisenberg en Pauli)

buiten onze theorieën en waarneming om hebben we niets, geen objectief gegeven werkelijkheid



wiskunde werkt, maar we weten niet waarom, noch wat de formules betekenen qua realiteit

Einstein en Bohr stonden tegenover elkaar: Einstein was determinist, Bohr probabilist en meer pragmatist

Einstein weigerde de quantum mechanica te erkennen als volwaardig; "God does not throw dice"

hij zocht naar onderliggende oorzaken voor het schijnbaar willekeurige gedrag van elementaire deeltjes


Percy Williams Bridgman (1882-1961) trekt uit Einstein's relativiteits-theorie een relativistische conclusie:

operationalisme: de betekenis van een concept ligt in de wijze van waarnemen / meten / verifiëren

het gaat niet om de werkelijkheid achter onze waarneming, maar de wereld van onze waarneming!

vgl: intelligentie is geen onafhankelijk bestaand iets, maar intelligentie is dat wat een intelligentie-test meet



de Linguistic Turn 3
behalve in de wiskunde werd er in de 19e eeuw ook grote vooruitgang geboekt in de logica

de resultaten deden sommige filosofen / wiskundigen vermoeden dat er een nauwe relatie tussen beide bestaat

(Franz Brentano, Edmund Husserl, Gottlob Frege, Bertrand Russell, Alfred North Whitehead, Ludwig Wittgenstein)

het logicisme (1872 tot jaren '20) was een project om de wiskunde te vertalen / funderen in de logica

dit was het startschot voor de analytische filosofie, die vooral de Angelsaksische filosofie heeft beïnvloed

eind 19e eeuw kwam er o.a. door ontwikkelingen in de logica (weer) meer aandacht voor taal


de 20e eeuw luidt een verschuiving in van een focus op denken en epistemologie, naar een focus op taal

de term Linguistic Turn wordt geassocieerd met de analytische filosofie (en logisch positivisme)

dat vooral in de Angelsaksische landen de leidende rol in de filosofie kreeg 4

motto van de analytische filosofie: “The way to understand reality is by examining language”



analytische filosofie is een reactie op de idealistische teneur binnen filosofie (holisme, fenomenologie)

het wordt soms synoniem geacht met taal-filosofie, maar is eigenlijk een tak van de taal-filosofie



kenmerken van de analytische filosofie: 5

Ø sterk vertrouwen in rationalisme en de natuur-wetenschappelijke methode om de wereld te beschrijven

Ø benadert filosofische problemen los van historische oorsprong of taalkundige en culturele context

Ø interesse in analyse van een filosofisch probleem en interpretatie van de wereld (i.p.v. de menselijke conditie)

Ø problemen die zich niet door de logica laten oplossen, blijven door de beperkingen van de taal onoplosbaar
analytische filosofie wil schijnproblemen analyseren, die door ons taalgebruik gesuggereerd worden

het ziet taal als objectiveerbaar: streeft naar helderheid in theorie-vorming, met logica als gereedschap

introspectie & metafysica maken plaats voor taal-analyse gebaseerd op logica (Frege, Russell, Wittgenstein)

logica gaat over de formele structuur (niet de inhoud) van redeneringen en beweringen (proposities)

het verband tussen redeneringen en de werkelijkheid is niet relevant voor de geldigheid van een redenering

bijv: premisse 1: alle mensen zijn sterfelijk premisse 1: alle mensen zijn groen

premisse 2: Socrates is een mens premisse 2: Socrates is een mens

conclusie: Socrates is sterfelijk conclusie: Socrates is groen

beide redeneringen zijn geldig (want logisch equivalent), maar hun waarheid is afhankelijk van verificatie

hetzelfde geldt voor mathematische modellen: interne consistentie en verificatie van voorspellingen zijn 2 dingen

logicisme & logisch atomisme
Bertrand Russell (1872-1970)

Russell wordt beschouwd als vader van de analytische filosofie en het logisch atomisme 6

de wereld bestaat uit losse (atomaire) feiten, die afzonderlijk gekend kunnen worden, los van het geheel

deze feiten moeten opgevat worden als betekenis-atomen, dus als een talig iets, niet als materiële dingen

logisch atomisme wordt daarom wel getypeerd als platonisme: de werkelijkheid is opgebouwd uit begrippen 7

het gaat er vanuit dat uit de structuur van de logica valt af te leiden hoe de werkelijkheid feitelijk is ingericht,

en dat de complexiteit van de feiten te herleiden is tot wat werkelijk bestaat: de particularia (betekenis-atomen)

feiten zijn volgens Russell "die dingen die een bewering waar of onwaar maken"

er zijn complexe en atomaire feiten; complexe feiten opgebouwd uit atomaire feiten

Ludwig Wittgenstein (1989-1951): Tractatus Logico-Philosophicus (1922)

Wittgenstein baseert zich op het logisch atomisme en vernieuwingen in de logica door Russell en Frege

het is de taak van de filosofie om de logische vorm van empirische uitspraken te beschrijven

zinvolle uitspraken zijn afbeeldingen van (mogelijke) situaties (en kunnen waar of onwaar zijn)

m.a.w: zinnen zijn betekenisvol als ze een (mogelijke) stand van zaken uitdrukken



ware uitspraken zijn met succes getoetste zinvolle uitspraken

"de wereld is de totaliteit van de feiten, niet van de dingen

de wereld wordt door de feiten gedefinieerd en daardoor dat het alle feiten zijn

het geheel van de feiten bepaalt wat het geval is en ook wat allemaal niet het geval is

de feiten in de logische ruimte zijn de wereld"
de logische structuur van proposities is isomorf met de logische structuur van de werkelijkheid

afbeeldings-theorie van de propositie: beweringen drukken standen van zaken in de werkelijkheid uit

Wittgenstein's afbeeldings-theorie is een versie van het correspondentie-model van de waarheid

dit stelt dat een uitspraak waar is als ze met de werkelijkheid correspondeert, en onwaar als ze dat niet doet

Wittgenstein stelt dat een uitspraak waar is als ze correspondeert met het feit dat ze beschrijft


er is een formele overeenkomst tussen de structuur van de wereld en de structuur van de taal

via inventarisatie van alle atomaire uitspraken kan de hele wereld (alle feiten) in kaart gebracht worden

de samenhang van feiten is dus de werkelijkheid, en hiervan kunnen we kennis hebben

enkelvoudige dingen bestaan wel, maar we kunnen er geen kennis van hebben (vgl. Kant's Ding an sich)



standen van zaken (feiten) zijn dus alleen toegankelijk via de taal / logica
zoals feiten bestaan uit elementen in onderling verband, zo bestaan beweringen uit woorden in onderling verband

de enkelvoudige volzin (atomaire propositie) functioneert als afbeelding ("de kat slaapt")



taal en wereld (geheel van feiten) hebben dezelfde logische vorm
de 7 basis-stellingen uit de Tractatus zijn:

1] De wereld is alles wat het geval is.

2] Wat het geval is (een feit) is het bestaan van standen van zaken.

3] Het logische beeld van de feiten is de gedachte.

4] De gedachte is een betekenisvolle zin.

5] De zin is een waarheidsfunctie van elementaire zinnen.

6] De algemene vorm van een waarheidsfunctie is: Dit is de algemene vorm van een zin.

7] Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen.
filosofie kan geen problemen oplossen, doch slechts schijn-problemen doen verdwijnen

in navolging van Hertz meent hij dat filosofische problemen voortkomen uit vage en onterechte vragen

bijv: wat het wezen van kracht is, is een onzinnige vraag, we kunnen alleen spreken over wat we waarnemen

namen & betekenis van beweringen

we moeten betekenis en waarheid scheiden door verschil te maken tussen namen en beweringen



namen zijn de kleinste atomaire analyse-eenheden: verwijzende woorden (kat, atoom, planeet, Higgs-deeltje)

namen moeten hypothetisch worden gepostuleerd (conventie / afspraak) als kleinste element van de taal

de betekenis van een naam (teken / woord) is datgene waarnaar het verwijst (be-tekende), of het bestaat of niet



namen hebben alleen betekenis in hun onderlinge verbinding (verificatie van de verwijzing is onmogelijk!)

namen benoemen (be-tekenen) objecten, maar beelden de dingen niet af (want Ding an sich is onkenbaar)

beweringen (proposities) beelden wel situaties af (maar benoemen niet)

de betekenis van een volzin (bewering, propositie) zit in de volzin zelf, in de compositie van namen



een naam kan niet waar of onwaar zijn (verwijst alleen), een bewering wel (feiten zijn verifieerbaar)

zo kunnen (gekende) namen in een nieuwe combinatie in een volzin staan en iets (op)nieuw be-tekenen

de wijze waarop namen verwijzen is volgens conventie / theorie: 'atoom' krijgt pas betekenis door de theorie

over de betekenis van namen moeten we het eens zijn (conventie), maar feiten zijn objectief / logisch

als we het eens zijn over de betekenis van kat, zitten en mat, dan is "de kat zit op de mat" waar of onwaar

de vraag of katten, matten, atomen, quarks of genen objectief bestaan is metafysica; het zijn slechts namen

namen verwijzen dus naar hypothetische objecten, feiten zijn de logische relaties ertussen, en maken mijn wereld

Die grenzen meiner sprache sind die grenzen meiner welt” (5.6)




logisch-positivisme (logisch-empiricisme / neo-positivisme): de Wiener Kreis (= Ernst Mach Verein)
Wittgenstein's Tractatus heeft veel invloed gehad op de Wiener Kreis, een club van wetenschappers / filosofen:

Moritz Schlick (=Ernst Mach), Rudolf Carnap, Otto Neurath, Gustav Bergmann, Herbert Feigl, Kurt Gödel, e.a. 8

de Wiener Kreis wil de Tractatus benutten voor de uitwerking van een wetenschappelijk wereldbeeld:

logisch positivisme = strikt empirische interpretatie van het logisch atomisme (in de Tractatus niet te vinden)
de Tractatus wordt de mascotte van de Wiener Kreis

"een volzin begrijpen, betekent, weten wat het geval is, indien hij waar is"

wordt vertaald als: "de betekenis van een zin is de methode van zijn verificatie" 9


Wittgenstein's afbeeldings-theorie van de propositie vormt zo de grondslag van het verificatie-beginsel :

een criterium voor cognitieve zinvolheid waarmee metafysische uitspraken geëlimineerd moesten worden


het verificatie-criterium onderscheidt zinvolle van zinloze beweringen, wetenschap van metafysica

het verificatie-beginsel stelt dat alle geldige uitspraken wetenschappelijk verifieerbaar moeten zijn:

d.w.z. via vaste regels te herleiden zijn tot waarnemingsgegevens

alleen proposities die empirisch te toetsen zijn hebben betekenis; lees: kunnen waar of onwaar zijn


een wetenschappelijke theorie is een verzameling zinvolle beweringen, met een deductieve structuur

sommige van die beweringen zijn axioma's, waaruit andere beweringen afgeleid kunnen worden

als van een deductie de premissen waar zijn, is de conclusie noodzakelijk ook waar

meestal zijn er verder nog aanvullende hulphypothesen nodig om tot voorspellingen te komen



voorspellingen zijn nodig voor verificatie van de theorie
volgens het logisch-positivisme is universeel geldige, noodzakelijk ware en zekere kennis is mogelijk

de methode is een cirkel-beweging tussen:

1] observatie-beweringen (sense-data / empirische feiten) aan de hand van:

ostentatieve definities (ostentatief = demonstratief, aantoonbaar, onbetwistbaar)

2] theoretische beweringen / abstracties met een protocol ter verificatie (vgl. Bridgman's operationalisme)

3] logische regels om bovenstaande te verbinden

problemen voor het logisch positivisme bleken inductie, confirmation bias en theorie-geladenheid

Ø het verificatie-beginsel loopt aan tegen het inductie-probleem: generaliseren van waarnemingen

inductie = op basis van een eindig aantal waarnemingen algemene conclusies trekken

inductieve generalisaties spelen een essentiële rol bij de totstandkoming van wetten / theorieën

David Hume (1711-1776): een X aantal observaties dat B volgt op A is geen bewijs dat dat altijd zo is

inductie is dus natuurlijk (gebaseerd op gewoonte en vertrouwen), maar niet wetenschappelijk

verificatie is feitelijk gebaseerd op het principe van steekproeven, en biedt dus geen garantie in alle gevallen

het confirmatie-beginsel moest dit recht breien: elke positieve waarneming bevestigt de theorie (gradueel)

de confirmatie-graad (of verificatie-graad) is de mate van waarschijnlijkheid van algemene geldigheid

maar het inductie-probleem blijft onverminderd bestaan, en wordt verergert door iets anders:

Ø confirmation bias is de neiging van mensen (& wetenschappers) om hun overtuigingen bevestigd te zien

dit leidt onvermijdelijk tot een incestueuze wisselwerking tussen theorie en empirie:

voor elke theorie is wel bevestiging te vinden; en hoe vager de theorie, des te simpeler

Ø neutrale observatie van naakte feiten is onmogelijk: waarneming is gebaseerd op verwachting

m.a.w: elke antwoord is een antwoord op een vraag; vraagloze (objectieve) antwoorden bestaan niet

zonder theoretisch kader kunnen er geen vragen geformuleerd worden, en dus geen antwoorden gevonden



feiten spreken niet voor zich, maar worden geconstrueerd binnen een conceptueel raamwerk
Werner Heisenberg's antwoord op het onderscheid tussen zinvol en zinloos van de logisch positivisten: 10

"The positivists have a simple solution: the world must be divided into that which we can say clearly,

and the rest, which we had better pass over in silence. But can any one conceive of a more pointless philosophy, seeing that what we can say clearly amounts to next to nothing. If we omitted all that is unclear, we would probably be left with completely uninteresting and trivial tautologies."
ondanks de kritiek werd het logisch positivisme omarmd door de wetenschappelijke wereld tot in de jaren '60

gezien het maatschappelijk imago van wetenschap als Waarheid is dit goed te begrijpen

Karl Raimund Popper (1902-1994)
wetenschap begint niet met het constateren van feiten, maar met het formuleren van problemen

dit leidt tot theorieën, en vervolgens tot hypothesen die empirisch getoetst kunnen worden

het gaat in wetenschap niet om de Waarheid (= statisch), maar om vooruitgang (= dynamisch)

het verschil tussen wetenschap en pseudo-wetenschap is niet het verschil tussen zinvol en zinloos

elke wetenschappelijke theorie / discipline is ooit begonnen als vage intuïtie, een tentatief zoeken

Dalton's atoom-theorie (1805) is begonnen als onbewezen metafysica van Democritos (±460-370 v.Chr.)


verificatie is geen manier is om de geldigheid van algemene uitspraken te demonstreren

theorieën moet je niet confirmeren (bevestigen), maar op de proef stellen!

de hypothese / theorie dat alle zwanen wit zijn bewijs je niet door 1000 witte zwanen te zoeken,

maar door een tegenvoorbeeld te vinden: een niet-witte (maar zwarte, grijze, of paarse) zwaan

i.p.v. verificatie neemt Popper dus het falsificatie-beginsel als demarcatie-criterium voor wetenschap
Einstein's theorie (1916) werd geconfirmeerd door Arthur Eddington (1919), maar is volgens Popper geen bewijs

het bestaan van het Higgs-boson werd in 1964 voorspeld, en in 2013 empirisch aannemelijk gemaakt 11

belang: dit deeltje moet bestaan om het standaardmodel van de deeltjes-fysica kloppend te maken:

het is de drager van het aangenomen Higgs-veld, dat verondersteld wordt het hele universum te doortrekken

door de Higgs-bosonen krijgen alle andere deeltjes massa, volgens de theorie

dit illustreert hoezeer theoretische vooringenomenheid en empirie op elkaar betrokken zijn


het enige kriterium is daarom weerlegbaarheid: een theorie moet in principe falsifieerbaar zijn

d.w.z. dat voorspellingen risico-vol moeten zijn om een hoog empirisch gehalte te hebben

het wetenschappelijk gehalte van een theorie wordt bepaald door haar empirische inhoud:

oftewel de hoeveelheid potentiële falsificatoren van een theorie 12

de falsifieerbaarheid van een theorie neemt toe naarmate de empirische inhoud toeneemt

daarmee stelt een theorie zich kwetsbaar op, en kan er geleerd worden van foute aannames


een niet-falsifieerbare theorie stelt zich niet kwetsbaar op, en heeft altijd gelijk (volgens zichzelf)

theorieën die niet weerlegbaar zijn, zijn onwetenschappelijk (astrologie, Jomanda, Plato, Marx, Freud)

theorieën die steeds maar weer bevestigd worden zijn óf hele goede theorieën, óf hele slechte

altijd gelijk krijgen duidt op een gebrek aan informatie-gehalte (= empirisch gehalte)

wetenschappers moeten hun nek uit durven steken, risico durven nemen, want dat leidt tot vooruitgang

we kunnen de waarheid nooit vaststellen, maar de onwaarheid van een theorie wel: namelijk door falsificatie

zowordt ook het inductie-probleem omzeild: een theorie geldt als waar zolang er geen tegenvoorbeeld is
Popper is dus niet geïnteresseerd in de confirmatie-graad (of verificatie-graad) van een theorie,

maar in de corroboratie-graad: de mate waarin theorieën (strenge) toetsen hebben doorstaan 13



i.p.v. positivisme (empirisme) dus: kritisch rationalisme; d.w.z. kennisontwikkeling begint vanuit de ratio,

en via methodologische regels (falsificatie, corroboratie) kan kennis worden verbeterd, maar is nooit zeker...

kennis zal altijd hypothetisch (een veronderstelling) blijven

Popper baseerde zich voor zijn theorie expliciet op Xenophanes (570 - 475 v.Chr.), die stelde:



"de waarheid kunnen wij niet kennen, dus moeten we ons beperken tot hypothesen"
net als in natuurlijke evolutie: trial & error bepalen het succes, niet de correspondentie met de werkelijkheid

wetenschap heeft dus niets te maken met zekerheid, maar is vooral veel gissen en uitproberen 14

theorieën waar (nog) géén tegenvoorbeeld voor gevonden is zijn voorlopig betrouwbaar

tenzij er geen tegenvoorbeeld voor gevonden kán worden, dan is er geen sprake van een empirische theorie, maar van pseudo-wetenschap, metafysica, ideologie, etc.


Popper was door zijn vader bekend met het Darwinisme en zijn idee van trial & error is ontleend aan Darwin:

"Alles Leben ist Problemlösen: Über Erkenntnis, Geschichte und Politik" (1994) 15

maar waar in de natuur organismen op het spel staan, staan in de wetenschap theorieën op het spel

niet de wetenschapper sneuvelt, maar de theorie (al heeft dit wel degelijk consequenties voor de wetenschapper)
toch was Popper sceptisch t.a.v. Darwin's theorie wegens gebrek aan empirische inhoud

"de best aangepasten overleven"... maar wat zijn de best aangepasten? degenen die overleven!

dit is een tautologie! wat is er voor nodig (welk tegen-voorbeeld) om deze theorie te falsifiëren?

Popper zag het darwinisme als metafysisch onderzoeks-programma, een pre-wetenschappelijke theorie:

Ø natuurlijke selectie is tautologisch geformuleerd, en verklaard dus niets

Ø toevallige en willekeurige mutaties kunnen niet leiden tot complexe organ(ism)en 16
d.m.v. corroboratie en falsificatie leidt de wetenschap ons steeds verder richting de waarheid

wanneer we die bereikt hebben zullen we echter nooit weten

op basis van Popper's falsificationisme is een theory of everything dus onmogelijk

maar hij geloofde wel dat we steeds dichter in de buurt komen van een ware representatie van de werkelijkheid

m.a.w: hij geloofde wel in een objectieve waarheid, in een ultieme vorm van kennis, ook al is die onbereikbaar

zo bleef Popper nog schatplichtig aan het dualisme dat 500 v.Chr. in gang gezet is:

een scheiding tussen subject-object, kennis-werkelijkheid, theorie-empirie, waarheid-dwaling

pragmatisme
de enige stroming die zich ontworsteld lijkt te hebben van het platoons dualisme is het pragmatisme

ontwikkeld vanaf 1870 door o.a. Charles Sanders Peirce, William James, John Dewey en George Herbert Mead

de functie van concepten, begrippen en theorieën is niet om de werkelijkheid te representeren / weerspiegelen

kennis is instrumenteel: een gereedschap om te ordenen, anticiperen, handelen, en problemen op te lossen

het wezen van taal en kennis ligt in hun praktisch nut en succes, niet in representatie of accuraatheid

William James: "waar is wat werkt", afhankelijk van wat je nastreeft; waardevrijheid bestaat dus niet!

John Dewey: "kennis dient een doel; Ware kennis is platonisme; religie onder een andere naam"

i.p.v. logisch empirisme pleiten ze voor prospectief empirisme: voorspelling en controle (kennis = macht)

begrippen als Waarheid, taal, kennis en werkelijkheid komen hiermee in een geheel ander licht te staan!


1

 William Whewell: The Philosophy of the Inductive Sciences (1840)


2 hypothetisch deductief redeneren + naturalistisch reductionisme + empirie = de methodische grondslag van de natuurwetenschap

- hypothese: te testen veronderstelling

- deductie: afleiding van het bijzondere uit het algemene

- redeneren: denken in controleerbare logische stappen

- naturalisme: er bestaat een objectief gegeven natuurlijke waarnemer-onafhankelijke werkelijkheid, en deze is kenbaar

- reductionisme: achter de veelheid van verschijnselen één principe, een eerste oorzaak of oer-stof veronderstellen

- empirie: (proefondervindelijke) waarneming


3 de term Linguistic Turn werd geïntroduceerd door Gustav Bergmann (1906-1987), lid van de Wiener Kreis

Bergmann identificeerde Wittgenstein als de initiator ervan, maar feitelijk gingen Russell en Frege hem voor




4 de kloof tussen de positivistische (empiristische, naturalistische, wetenschappelijke) benadering enerzijds,

en de neo-kantiaanse, hermeneutische en fenomenologische benadering anderzijds,

leidt in de 20e eeuw tot gescheiden werelden, aparte culturen, die zich op verschillende manieren manifesteren:

- alfa & bèta, in Angelsaksische landen bekend als sciences & humanities (gamma = social sciences)

C.P. Snow  stelt in The Two Cultures (1956) dat er een onvruchtbare scheiding bestaat tussen alfa & bèta,

en dat in intellectuele kringen bèta wordt afgedaan als toegepaste, technische wetenschap voor ingenieurs;

Plato of Shakespeare citeren heeft meer status dan Newton of Planck begrijpen

- angelsaksische & continentale filosofie:

angelsaksische filosofie is meer pragmatisch / empirisch georienteerd (Hobbes, Locke, Hume, Bentham, Mill)

continentale filosofie richt zich meer op de condition humaine (mens & cultuur)

- analytische filosofie enerzijds, en semiotiek en structuralistische (taal)filosofie anderzijds:

de analytische filosofie en de linguistic turn waren vooral van invloed op de angelsaksische filosofie

de 'continental linguistic turn' (na WO2) vond weinig weerklank in de angelsaksische filosofie (tot Rorty)


5 fases van de analytische filosofie:

1900 - 1920: realisme, logicisme & logisch atomisme (Frege, Moore, Whitehead , Russell)

1920 - 1945: logisch positivisme van de Wiener Kreis, gepopulariseerd door Alfred Ayer

1945 - 1985: analyse van de omgangstaal: Wittgenstein II, Gilbert Ryle, John Austin, John Searle, Peter Strawson




6 logisch atomisme was een reactie op het (Brits en Duits) idealisme (holisme), dat stelt:

alle feiten zijn met elkaar verbonden: de werkelijkheid is fundamenteel één, en kan alleen zo gekend worden

Russell verdedigt common sense realisme: dingen, feiten, concepten, getallen en universalia bestaan (objectief)

Russell is sterk gekant tegen idealisme (Hegel) enerzijds, en cartesiaans en Hume's scepticisme anderzijds

de metafysica is volgens Russell altijd gebaseerd geweest op begrippen uit de omgangstaal (bijv. vrijheid)


7 "the safest general characterization of the European philosophical tradition is that it consists of a series of footnotes to Plato" (Alfred North Whitehead)


8 Wittgenstein en Karl Popper waren regelmatig aanwezig, maar geen leden van de groep,

daar zij op essentiële punten afweken van het door de groep gepropageerde logisch positivisme of logisch empirisme




9 vgl: Bridgman's operationalisme: "de betekenis van een concept ligt in de wijze van meten / verifiëren"

10


 Wittgenstein's 7e stelling uit de Tractatus: "What We Cannot Speak About We Must Pass Over In Silence"

ook wel vertaald als "Whereof One Cannot Speak, Thereof One Must Be Silent."

11 het higgs-boson is een naar Peter Higgs vernoemd elementair deeltje dat in 1964 door François Englert en Robert Brout werd voorspeld

in 2012 werd bekendgemaakt dat m.b.v. de Large Hadron Collider een deeltje is ontdekt met de massa van het higgsboson

in 2013 werd door CERN nogmaals onder voorbehoud bevestigd dat het deeltje bestaat


12 potentiële falsificatoren zijn basisuitspraken waaraan de theorie kan worden getoetst

een basisuitspraak is een bewering die ontkent wat de universele uitspraak stelt:

bijv: "deze zwaan is zwart" = basisuitspraak; "alle zwanen zijn wit" = universele uitspraak

wanneer de basisuitspraak waar is, is de bijbehorende universele uitspraak onwaar

oftewel: als een basisuitspraak wordt aanvaard, leidt dat tot falsificatie van de theorie


13 als je een nieuw type auto op veiligheid wilt testen dan is de manier daarvoor niet om de producent ervan zelf die veiligheid te laten demonstreren:

hij zal geen risico's nemen en met de toegestane snelheid op een B-weg in de polder laten zien dat het een prima auto is.

maar de concurrent of de consumentenbond zal vooral op zoek gaan situaties waarin zou kunnen blijken dat de auto onveilig is:

zij zullen bijv. de auto met crash-test dummies frontaal tegen een muur op laten rijden.




14 dit past Popper ook toe op politieke en sociaal-maatschappelijke theorieën in "The open society and its enemies" (1945)

ideologieën & utopieën zijn gesloten systemen, laten zich niet falsifiëren

pas in de praktijk zal blijken dat deze samenlevingen net zo gesloten zijn als de theorie waarop ze gebouwd zijn!

openheid in theorie is een voorwaarde voor de open samenleving

Popper pleit voor een open, democratische samenleving, met een pragmatisch (niet-idealistisch) beleid

elke beleidsmaatregel moet in de praktijk getest worden, en van daaruit zien we verder

bestrijd onrechtvaardigheid waar evident i.p.v. strijden voor een ideale rechtvaardige samenleving

i.p.v. utopian social engineering (een revolutie die kind met badwater weggooit), pleit Popper voor piecemeal social engineering



"the piecemeal engineer will adopt the method of fighting against the greatest and most urgent evil of society,

rather than fighting for its greatest ultimate good"


15 "Das Entscheidend Neue der wissenschaftlichen Methode und der wissenschaftlichen Einstellung liegt nun darin, daß wir in der Wissenschaft aktiv an der Elimination interressiert und beteiligt sind. … Die Amöbe flieht vor der Falsifikation: Ihre Erwartung ist ein Teil von ihr, und vorwissenschaftliche Träger von Erwartungen oder Hypothesen werden oft durch die Widerlegung der Hypothese vernichtet. Einstein dagegen hat seine Hypothese objektiviert. Die Hypothese ist etwas außerhalb von ihm; und der Wissenschaftler kann seine Hypothese durch seine Kritik vernichten, ohne selbst mit ihr zugrunde zu gehen. In der Wissenschaft lassen wir unsere Hypothesen für uns sterben." (Popper: Alle Leben ist Problemlösen; p. 25)


16 Popper leek hiermee niet doordrongen van de relatie tussen toevallige mutatie en natuurlijke selectie

evolutie = reproductie + (genetische) variatie + (natuurlijke) selectie = cumulatief proces



het resultaat heet adaptatie (al is aanpassing een misleidend woord, want er is niet 'iets' dat zich aanpast)









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina