Who’s afraid of ? Een onderzoek naar culturele diversiteit in het amateurtheater in negen steden Saskia de Bruijne, Marc Eikelenboom, Nico Goezinne, Mieke de Wit, onderzoek & advies



Dovnload 276.51 Kb.
Pagina1/6
Datum20.08.2016
Grootte276.51 Kb.
  1   2   3   4   5   6
Who’s afraid of...?

Een onderzoek naar culturele diversiteit in het
amateurtheater in negen steden

Saskia de Bruijne, Marc Eikelenboom, Nico Goezinne, Mieke de Wit
Mieke de Wit, onderzoek & advies

&

Theaterwerk NL
Colofon
Dit onderzoek is een uitgave van Theaterwerk NL.

Theaterwerk NL is de landelijke organisatie voor ontwikkeling en ondersteuning van het amateur theater.


Het onderzoek is verricht door : Mieke de Wit, onderzoek & advies voor de non-profit sector

T 010 477.7361

Vormgeving: ?

Druk: ?


ISBN: ?

Jaar: 2002

De onderzoekers danken alle respondenten voor hun bereidwillige medewerking en de prettige gesprekken die we met hen hebben gevoerd.
Het onderzoek kan worden verkregen bij:

Theaterwerk NL

Herengracht 174

1016 BR Amsterdam

T 020 344.6120

F 020 344.6121

mail@theaterwerk.nl

Inhoudsopgave
Inleiding
1 Onderzoeksopzet
2 Cultuurbeleid en uitvoering

2.1 Actieplan cultuurbereik

2. 2 De negen gemeenten en hun actieplannen cultuurbereik
3 Theatermakers over cultuurbeleid

3.1 Subsidiesystematiek

3.2 Westerse blik

3.3 Artistieke en zakelijke ondersteuning

3.4 Deskundigheid

3.5 Beleid van instellingen en theaters


4 Theatermakers, theatergroepen en stimulatoren van cultureel divers amateurtheater

4.1 Profielen

4.2 Ondersteunende instellingen

4.3 Namen en adressen

Epiloog

Bijlage I: lijst van aandachtspunten voor de gesprekken



Bijlage II: samenvattingen van de actieplannen cultuurbereik van de negen steden

Literatuur



Inleiding
Theaterwerk NL is de organisatie voor ontwikkeling en ondersteuning van het amateur theater in Nederland. Een van de beleidsdoelen voor de kunstenplanperiode 2001 t/m 2004 is de versterking van de culturele diversiteit in het amateur theater. Om aan te sluiten bij de wensen en behoeften van de theatermakers en theatergroepen in dit veld heeft Theaterwerk NL een aantal debatten georganiseerd, coaching aangeboden en de opdracht gegeven voor het uitvoeren van dit onderzoek.
Het doel van het onderzoek is het netwerk van cultureel diverse theatermakers en theaterorganisaties in beeld te brengen. Met name die makers en organisaties die actief zijn in de semi-professionele en niet- professionele sector. Dit netwerk van personen en organisaties is voor de ontwikkeling en uitvoering van activiteiten door Theaterwerk NL van cruciaal belang. Omdat het realiseren van de artistieke wensen sterk afhankelijk is van facilitaire behoeften, beleidsmakers en subsidiegevers is tegelijkertijd onderzocht hoe de beleidsomgeving van de theatermakers en theaterorganisaties eruit ziet.
Taalgebruik

In Nederland kennen we een groot aantal synoniemen voor gastarbeiders, buitenlanders, Medelanders, nieuwe Nederlanders, allochtonen, migranten, immigranten, zwarten, vluchtelingen, minderheden, etnische minderheden, etnische groepen, of het oerlelijke mensen van culturele diversiteit.

Elk van deze synoniemen kent zijn eigen geschiedenis en heeft een eigen beladenheid. Op dit moment is de term culturele diversiteit het minst beladen.

Morgen kan het weer anders zijn.

Om allerlei ingewikkelde taalbochten te voorkomen wordt in het vervolg van dit onderzoeksrapport verder simpelweg gesproken over theatermakers of theatergroepen.
Leeswijzer

In hoofdstuk een wordt uiteengezet hoe het onderzoek is opgezet en uitgevoerd. Hoofdstuk twee is gewijd aan het cultuurbeleid van de onderzochte steden. In hoofdstuk drie komen theatermakers aan het woord over het cultuurbeleid. Ook de wensen die zij hebben en de knelpunten die zij ervaren komen hierin aan bod. Het vierde hoofdstuk bevat profielen van theatermakers, -groepen en stimulatoren van cultureel divers theater. Tot slot een korte epiloog waarin de belangrijkste punten nog even zijn aangestipt.


1 Onderzoeksopzet
Onderzoeksgroep

In dit onderzoek is op zoek gegaan naar groepen of personen die zich al dan niet professioneel bezig houden met het stimuleren van de culturele diversiteit in het amateurtheater.

Dit kunnen zijn:


  • zelforganisaties met een toneelgroep;

  • algemene toneelverenigingen met een substantieel aandeel migranten en/of vluchtelingen;

  • theatermakers die voornamelijk met migranten en vluchtelingen werken;

  • organisaties, behalve de professionele toneelgezelschappen, met een aanbod gericht op semi-professionele of amateurtheatermakers- en/of groepen.


Twee fases

Het onderzoek naar culturele diversiteit is verricht in twee fases: de try-out en de doorloop. De try-out van drie weken was bedoeld om ervaring op te doen met manieren van zoeken en met de lijst van aandachtspunten voor het gesprek. De doorloop is verricht op basis van deze ervaringen.


Zowel in de try-out als in de doorloop zijn alle respondenten steeds telefonisch benaderd. Daarnaast zijn er twee debatten bezocht: één met de titel Allochtonen en Kunstparticipatie in Rotterdam (7 november 2001) en één over de versterking van culturele diversiteit onder de titel Van theatrale ambitie naar politieke realisatie in Den Haag (12 december 2001).

In de try-out zijn één grote stad en twee kleinere steden onderzocht: Rotterdam, Hengelo en Enschede. Steeds werden als eerste de gemeentegidsen opgevraagd en contact gezocht met de migrantensteunfuncties, de provinciale en plaatselijke kunstinstellingen en met de afdeling cultuur van de desbetreffende gemeente. Dit om zowel de beleidsintenties en -inspanningen rondom culturele diversificering in beeld te krijgen, als om eerste aanknopingspunten te krijgen voor verder zoeken. Deze ingangen bleken de juiste.1 Mits er iemand gevonden werd die bereid was om de onderzoekers wat langer te woord te staan. Daarom werd er in eerste instantie met de contactpersonen van de instellingen steeds kort gesproken en hun gevraagd de relevante beleidstukken op te sturen. Deze werden bestudeerd, waarna een afspraak werd gemaakt voor een langer telefonisch interview.

Een onverwachte rijke bron van informatie bleek het telefoonboek op Internet (www.kpn.nl). Via zoekingangen als theater, schouwburg, toneel, Antil, Amat, Kult, Marok, Migr, Surina, Thea, Turk etc. zijn veel contactadressen achterhaald.

Ook het zoeken in een afgeperkt geografisch gebied bleek een goede keuze te zijn. De aanvankelijke verwachting dat het netwerk van theatermakers zich over de gemeentegrenzen zou uitstrekken, werd vrijwel niet bewaarheid. Veel individuele theatermakers bleken weinig anderen te kennen binnen of buiten de eigen gemeente, of wilden hun namen niet doorgeven. De professionele(re) instellingen en stichtingen kenden wel andere instellingen en stichtingen in de eigen regio en daarbuiten, maar vrijwel alleen theatermakers in de omgeving.


In de doorloop zijn aan de eerste drie nog zes toegevoegd: Arnhem, Amsterdam, Den Haag, Groningen, Tilburg, Utrecht. De keuze hiervoor is gebaseerd op omvang - de vier grootste steden mochten uiteraard niet ontbreken - spreiding over het land en aanwezigheid van etnische minderheden.
De lijst met aandachtspunten voor het gesprek bleek goed te voldoen. Met opzet is niet gekozen voor het werken met een voorgestructureerde vragenlijst. Dit om een ‘natuurlijk’ gespreksverloop te bevorderen en te voorkomen dat respondenten zouden afhaken uit weerzin tegen een zoveelste telefonische enquête. Deze weerzin trad duidelijk niet op. Herhaaldelijk zijn de onderzoekers van harte uitgenodigd om komende voorstellingen bij te wonen. Waar de theatermakers minder sterk in bleken te zijn, was in het toesturen van materiaal over eerdere producties.

Inhoudelijk is er na de try-out één aandachtspunt toegevoegd. Een aantal theatermakers, degenen die al langer bezig zijn, bleek een gefundeerde visie te hebben op het cultuurbeleid en de uitwerking daarvan. Uiteraard mochten deze ervaringen uit de praktijk niet ontbreken in dit onderzoek. Het aandachtspunt ‘visie op cultuurbeleid’ is daarom aan de lijst toegevoegd (zie bijlage 1).


Tijdsplanning

Het bleek dat de in de try-out geplande elf dagdelen voor drie gemeenten in een tijdsperiode van drie weken te krap was. Voor de doorloop is daarom veertien dagdelen voor één grote en één kleine gemeente ingeruimd in een periode van vier weken. Voor een grote gemeente zijn ongeveer negen dagdelen nodig en voor een kleine ongeveer vijf.

Uiteindelijke bleek ook de tijdsspanne van vier weken te weinig voor de grote steden: zes weken blijkt reëler.

Onderzoeksbezetting

Het bleek voor één onderzoeker niet haalbaar om meer dan twee gemeenten tegelijkertijd onder de loep te nemen. Door het noodgedwongen vele bellen, terugbellen en teruggebeld worden, worden namen en instellingen door elkaar gehaald en vergeten als het er meer zijn.


Terugkijkend op het verloop

Al met al is het onderzoeken van culturele diversiteit in het amateurtheater een zoektocht geweest langs vele mensen, burelen en soms kronkelige wegen.

Het aantal theatermakers, -groepen of stimulatoren van cultureel divers theater die wij hebben gevonden zijn: Amsterdam 17

Arnhem 5


Den Haag 27

Enschede 4

Hengelo 2

Groningen 8

Rotterdam 24

Tilburg 6

Utrecht 11
totaal 102

In de vier grote steden zijn duidelijk de meeste theatermakers te vinden. Toch denken de onderzoekers dat er nog theatergroepen actief zijn, namelijk binnen de vele zelforganisaties die de steden rijk zijn. Via de migrantensteunfuncties zijn we een paar op het spoor gekomen, maar het was ondoenlijk om alle zelforganisaties apart te benaderen. Een stad als Rotterdam kent alleen al zo’n 150 verschillende.


Uiteraard vergemakkelijkt een goede, actuele adreslijst, zoals die van het Volksbuurttheater in Den Haag, de zoektocht aanzienlijk. Het is dan ook Den Haag waar we de meeste theatermakers hebben gesproken en waar we het gevoel hebben het meest uitputtend te zijn.

Buiten Den Haag zijn actuele lijsten nog schaars. Maar dat vormde ook de reden om dit onderzoek uit te zetten.


Ook als de onderzoeker goed bekend is in de gemeente van onderzoek, wordt het werk aanzienlijk vereenvoudigd. In ons geval was dit Rotterdam. Niet alleen worden persoonlijke adresboekjes makkelijker opengeslagen, maar het onderzoek verloopt ook sneller doordat de relevante instellingen of sleutelfiguren al van te voren bekend zijn en niet via via achterhaald hoeven te worden.

Dit is goed nieuws voor kleinere gemeenten die actief met hun Actieplan Cultuurbereik aan de slag willen. In de relatief korte tijd valt te achterhalen wie er binnen de gemeente op theatergebied actief is, mits iemand die een relevant lokaal netwerk heeft de leiding over het onderzoek heeft. Iets meer tijd zal overigens uitgetrokken moeten worden voor het in kaart brengen van muziek- en dansinitiatieven, omdat er hier meer van zijn.


Tot slot willen wij vermelden dat de term amateur soms irritatie oproept. Veel organisaties willen niet geassocieerd worden met amateurs of het amateurveld. Door het hanteren van de term semi-professioneel, naast die van amateur werden deuren geopend, die anders dichtbleven. Wij voelden ons daar niet door bezwaard, omdat het onderscheid tussen amateur, semi-professioneel en professioneel moeilijk te maken is in het cultureel diverse veld.



Conclusies voor onderzoekers

  • Begin een onderzoek naar culturele diversiteit bij steunfuncties voor migrantenorganisaties, provinciale en plaatselijke kunstinstellingen en de afdeling cultuur van de gemeente;

  • Trek voldoende tijd uit voor het onderzoek, een vuistregel is dat voor een grote stad negen dagdelen en voor een kleine vijf dagdelen uitgetrokken moeten worden in een tijdsperiode van zes weken;

  • Onderzoek per persoon niet meer dan twee steden tegelijkertijd;

  • Werk met een aandachtspuntenlijst en niet met een voorgestructureerde vragenlijst;

  • Www.kpn.nl blijkt een goede bron van informatie;

  • Hou een eerste gesprek met een contactpersoon van een instelling kort, vraag naar de relevante beleidstukken, bestudeer deze en maak daarna een afspraak voor een wat langer interview;

  • Niet alle organisaties willen geassocieerd worden met het amateurveld, gebruik daarom de term

semi-professioneel naast de term amateur;

  • Een cultureel netwerk werken hebben in een gebied versneld een diversiteitsonderzoek aanzienlijk.


2 Cultuurbeleid en uitvoering

2.1 Actieplan cultuurbereik
Onder staatssecretaris Van der Ploeg is op landelijk niveau het Actieplan Cultuurbereik verschenen met het doel zoveel mogelijk mensen als producent of consument te betrekken bij cultuur.

De vijf doelstellingen van het Actieplan zijn:



  • versterking van de programmering van culturele accommodaties;

  • ruim baan maken voor culturele diversiteit;

  • investeren in jeugd;

  • beter zichtbaar maken van het cultureel vermogen;

  • culturele planologie op de agenda zetten.

Ook de gemeenten hebben een taak gekregen bij het uitvoeren van dit Actieplan. Per inwoner krijgt een gemeente hiervoor 0,68 euro.



2. 2 De negen gemeenten en hun actieplannen cultuurbereik
Elke onderzochte gemeente heeft een eigen Actieplan Cultuurbereik of een Cultuurplan met een uitgebreid deel over diversiteit, waarin uiteengezet wordt hoe men het landelijk gegeven beleidskader denkt uit te voeren. Vaak zijn deze Actieplannen omvangrijk en prachtig vorm- en uitgegeven. De gemeenten geven hiermee aan dat zij het cultuurbereik voor de volle honderd procent serieus nemen.
De actieplannen zijn zeer verschillend tot stand gekomen. In sommige gemeenten is een interactief beleidstraject opgezet, waarbij vertegenwoordigers van kunstinstellingen, migrantenzelforganisaties en jongeren zijn gehoord. In andere zijn alleen de bestaande instellingen betrokken bij de totstandkoming van de plannen.
De gemeenten zijn zich er zeer van bewust dat er nieuwe wegen gezocht moeten worden, willen de doelstellingen worden bereikt. De vertrouwde ideeën over cultuur, cultureel aanbod en cultuurparticipatie moeten herzien worden:

  • Wijkgebouwen en andere locaties komen in zicht als aanvullend op de theaters;

  • Het aanbod van de theaters moet aantrekkelijker worden voor een divers publiek;

  • De netwerken en samenwerking tussen instellingen verbeterd;

  • De geijkte subsidiesystematiek voor het amateurtheater met al zijn regels en voorwaarden en vooral veel papier moet onder de loep worden genomen;

  • Jong talent anders gescout en gekoesterd dan in het verleden;

  • Nieuwe marketinginstrumenten ontwikkeld;

  • Meer samenwerking gezocht tussen de verschillende beleidssectoren en uitvoeringsorganisaties.

Elke gemeente buigt zich over deze kwesties en zoekt eigen oplossingen.


Diverse programmering en publieksbereik

Nemen we het beleid van de onderzochte gemeenten door (zie schema verderop en bijlage 2) dan valt op dat er ruim aandacht is voor het cultureel diverser maken van de bestaande kunst- en cultuurinstellingen. Daarnaast krijgt het vergroten van het publieksbereik door een diversere programmering veel aandacht. De gemeenten zijn er van doordrongen dat de bestaande culturele infrastructuur zich zal moeten instellen op de wensen van een veranderd publiek.


Doelgroepen

Binnen het Actieplan Cultuurbereik hebben alle gemeenten geld vrijgemaakt voor het stimuleren van cultureel diverse of op jongeren gerichte projecten. Alleen in Hengelo en Enschede worden bovendien de ‘kansarme autochtonen of minima’ als doelgroep van beleid genoemd.



Extra middelen voor bestaande theatermakers of -groepen

Extra middelen voor het ondersteunen van individuele theatermakers en/of -groepen zijn vrijgemaakt in de meeste gemeenten. De uitzonderingen vormen Amsterdam dat al haar budget besteedt aan kunstinstellingen en hen vrij laat dit geld naar eigen inzicht te besteden en Groningen dat inzet op het ontwikkelen van nieuw talent. Enschede besteedt zelfs vrijwel heel haar budget aan theaterprojecten. Een klein deel reserveert deze gemeente voor monitoring en evaluatie.


Zakelijke en artistieke ondersteuning

De helft van de onderzochte gemeenten is ervan doordrongen dat het stimuleren van diversiteit en kwaliteit binnen het amateurtheater niet kan zonder ondersteuning van de individuele theatermaker.


Den Haag heeft een Aanjaagbureau in het leven geroepen, waarnaar theatergroepen wiens subsidieaanvraag voor het diversiteitsfonds is afgewezen, maar die wel potentie hebben, worden verwezen voor advies en hulp. Dit Aanjaagbureau adviseert de aanvragers tevens over het bereiken van doelgroepen en legt verbindingen tussen culturele instellingen en verschillende culturele groepen. Voorts heeft Den Haag het Volksbuurtmuseum waar theatermakers naast zakelijke ondersteuning ook worden ondersteund in het waarmaken van hun artistieke ambities.
Enschede heeft een Platform in het leven geroepen dat ondersteuning biedt bij het opzetten van projecten en het aanvragen van subsidie. Het platform moet uitgroeien tot een ontmoetingsplaats voor cultuuraanbieders en -afnemers.
In Rotterdam is de Rotterdamse Kunststichting, die tevens de gemeentelijke subsidies verdeelt, begonnen met begeleidingstrajecten voor twaalf amateurkunstbeoefenaars waaronder twee theatergroepen. Het productiehuis van Theater Zuidplein in Rotterdam heeft eveneens de taak om theatermakers zakelijk te ondersteunen.
Tilburg kent een multidisciplinaire werkplaats die een geschikte plek zou zijn voor theatermakers uit verschillende culturen. De enige theatermaker die wij hebben gevonden, heeft een persoonlijke coach.
Talenten vinden en ontwikkelen

Vier gemeenten zoeken wegen om nieuw talent te vinden en te ontwikkelen, naast het stimuleren van diversiteit binnen de bestaande kunsteducatie-instellingen.


In Groningen en in Rotterdam is op uitnodiging van Van der Ploeg al in 2000 een pilot culturele diversiteit gestart. In Groningen ging het om vier fasen. De bedoeling was dat in de eerste fase workshops werden gegeven aan jongeren en vluchtelingen die uitmondden in een presentatie. In de tweede fase werden dan verdiepingsmogelijkheden aangeboden. In de derde fase zou nieuw talent dat was komen bovendrijven in de vorige twee fases worden begeleid. In de laatste fase zou het jong talent doorstromen naar professionele instellingen. Helaas is het project in fase één blijven steken. Op dit moment beraadt Groningen zich erop hoe verder te gaan.
Hengelo zet haar wijkcoördinatoren in voor het zoeken naar projecten die gericht zijn op het bevorderen van de cultuurdeelname van met name minima. Dit kan een eerste stap zijn bij het vinden en bevorderen van talenten. Daarnaast heeft zij de projectgroep Cultuurbereik mede de opdracht gegeven nieuwe initiatieven op te sporen en te stimuleren.
Rotterdam kent de zogenaamde cultuurmakelaars. Zij moeten initiatieven en talenten op wijkniveau opsporen, deze begeleiden bij het doen van subsidieaanvragen en het vinden van huisvesting en dergelijke. Bovendien bemiddelen zij tussen initiatieven op wijkniveau en stedelijke voorzieningen. Uiteindelijk dienen de activiteiten te leiden tot nieuwe cultuurnetwerken.
Ook Utrecht heeft dergelijke talentscouts of cultuurmakelaars aangesteld. Daarnaast zet Utrecht in op het nemen van theaterinitiatieven in de wijken. Het doel is om jongeren te interesseren voor actieve theaterbeoefening om hen uiteindelijk op stedelijk niveau te laten participeren.
Nieuwe podia

Drie gemeenten - Den Haag, Rotterdam, Utrecht - hebben het voornemen nieuwe locaties voor toneel te ontwikkelen. Alle drie denken ze daarbij aan het geschikt maken van wijkaccomodaties of het versterken van de programmering van wijkaccomodaties. Alleen Rotterdam wil ook de buitenruimte beter benutten en heeft Hal 4 aangewezen als accommodatie voor jongerencultuur. Daarnaast is Arnhem van plan een Multicultureel Centrum te realiseren. De gemeente denkt dit echter niet voor 2010 te kunnen verwezenlijken.



Overzicht van beleidsvoornemens van de negen gemeenten in het kader van het Actieplan Cultuurbereik





Beleid gericht op of middelen voor diversificering van bestaande instellingen

Extra Middelen voor bestaande theatermakers of -groepen

Zakelijke of artistieke ondersteuning van theatermakers of -groepen

Nieuwe methoden om talent te vinden en te ontwikkelen

Nieuwe podia

Arnhem

Ja, programmatische afstemming, gezamenlijke PR en marketing kleine podia en schouwburg ten behoeven van groter publieksbereik.

Ja, men werkt aan het meer flexibel inzetten van subsidies.

Nee

Nee

Na 2010 realisatie van Multicultureel Centrum.

Amsterdam

Ja, een commissie cultuurbereik is ingesteld om diversiteit in vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Voorts worden 24 bestaande instellingen gedurende twee jaar extra financieel ondersteund om de doelen uit het actieplan dichterbij te brengen.

Nee

Ja, VOF Polanentheater en Stichting Muzenis ondersteunen theatermakers op het zakelijke en artistieke vlak.

Ja

ja



  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina