Wie slecht doet, slecht ontmoet



Dovnload 32.13 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte32.13 Kb.
WIE SLECHT DOET, SLECHT ONTMOET

- preek over Psalm 52:7 –


Aanwijzingen voor de liturgie
Orde van Dienst B, morgendienst

Votum en vrede-/zegengroet

Zingen: Gezang 168:1 en 2 (Gereformeerd Kerkboek)

Lezing van de wet

Zingen: Lied 440:1,2,3 en 4 (Liedboek voor de Kerken)

Gebed


Lezen: 1 Samuël 21:2-10

Zingen: Psalm 36:1,2 en 3

Lezen: 1 Samuël 22:6-23

Zingen: Psalm 38:6,7 en 8

Lezen: Psalm 52

Tekst: Psalm 52:7

Preek

Zingen: Psalm 52:1,2,3 en 4



Dankgebed en voorbede

Collecte


Zingen: Psalm 52:5 en 6

Zegen
Orde van Dienst B, middagdienst

Votum en vrede-/zegengroet

Zingen: Gezang 168:1 en 2 (Gereformeerd Kerkboek)

Gebed

Lezen: 1 Samuël 21:2-10



Zingen: Psalm 36:1,2 en 3

Lezen: 1 Samuël 22:6-23

Zingen: Psalm 38:6,7 en 8

Lezen: Psalm 52

Tekst: Psalm 52:7

Preek


Zingen: Psalm 52:1,2,3 en 4

Geloofsbelijdenis

Zingen: Lied 440:1,2,3 en 4 (Liedboek voor de Kerken)

Dankgebed en voorbede

Collecte

Zingen: Psalm 52:5 en 6

Zegen

WIE SLECHT DOET, SLECHT ONTMOET

- preek over Psalm 52:7 –


Gemeente van onze Here Jezus Christus!

Stel u ‘ns voor, dat u vanmorgen voor een dichte deur had gestaan! De koster een briefje op de deur zou hebben geplakt, met daarop de woorden: ‘wegens omstandigheden gesloten.’ Zeg nou zelf: dat zou toch wel heel erg vréémd zijn? Dat gebeurt, immers nooit! Want als er geen dominee is, om voor te gaan in de dienst. Is er wel een ándere ambtsdrager, of: een broeder uit de gemeente. Die voor kan gaan, en: een preek kan lézen.

En toch – in Nob, is het wél gebeurd! Is er een dag gekomen, waarop er zo’n briefje op de deur van het heiligdom heeft gehangen. ‘Wegens omstandigheden gesloten’, of beter nog: ‘wegens familieomstandigheden gesloten’. En je kunt je zélfs afvragen, of iemand het ooit gelezen zal hebben. Omdat niet alleen de familie van de priester Achimelech was uitgemoord. Maar ook de inwoners van het dorp, tot de dieren aan toe.

En ja, dat is toch verschríkkelijk om te lezen: zo’n bloedbad, aangericht door één enkele man. De Edomiet Doëg. Te meer, omdat ook Dávid niet geheel vrij uit ging. Schuld had, op een bepaalde manier – aan het onschuldig bloed, dat vergoten was. Omdat hij niet helemaal eerlijk was geweest, tegen de priester Achimelech. Hem min of meer, had voorgelogen. En bovendien had kúnnen weten, dat het fout af zou lopen.

Achteraf moet hij toegeven – aan de enige zoon van Achimelech, die aan het bloedbad ontkomen is. En zich het vege lijf heeft kunnen redden. Dat hij Doëg gezien had, op de dag waarop Achimelech hem geholpen had. En hij tóen al het vermoeden had gehad, dat het wel eens verkeerd zou kunnen gaan aflopen. Maar, gemeente: méér nog, dan bij de rol van David. Kun je zo je vragen hebben, bij de rol die de HERE speelt.

Of, beter: bij de rol, die Hij niet speelt! Want hoewel Hij de Almachtige was, ook tóen al. Stak Hij in die hele geschiedenis, die we gelezen hebben. Geen vinger uit - om de mannen te redden, die toch ‘zijn priesters’ waren. En dat maakt, dat je met vragen blijft zitten. Gróte vragen, zelfs – over de HERE, en zijn bestuur. Zijn liefde, ook. En: zijn rechtvaardigheid. En ja, gemeente – wat móet je dan, met een Psalm als Psalm 52?

Want daarin, is van die moeilijke vragen geen spóór te bekennen! Stérker nog, het is een lied – waarin David zijn vertrouwen uitzingt, in de HERE. En in het ‘recht’ van de HERE. Want zeker, hij windt er bepaald geen doekjes om. Zegt eerlijk, waar het op staat. En wat voor vréselijke man, die Edomiet Doëg eigenlijk is. Maar tegelijk, lijkt hij er niet aan te twijfelen. Dat die daarom ook niet wég zal komen, met zijn gruweldaad.

De HERE zal hem straffen – daar lijkt David vast van overtuigd. Maar hoe kómt hij dan precies aan die wijsheid? En: die zekerheid? Want ook hij, heeft de HERE toch zeker geen vinger uit zien steken – naar die verschrikkelijke Doëg? Nu, over die vraag – gaat de preek van deze morgen. Die ik als volgt voor u wil samenvatten:


WIE SLECHT DOET, SLECHT ONTMOET! God zal hem

1. breken

2. grijpen

3. doden
1. Breken.

Gemeente, ik nóemde het al even: als we de Bijbel mogen geloven, heeft de HERE geen vinger uitgestoken – om de Edomiet Doëg, te straffen om zijn gruweldaad. Oftewel, hij lijkt er bij de HERE gewoon mee te zijn weggekomen! En dan zijn er mensen, voor wie dat soort dingen ‘onverteerbaar’ zijn. Die, zoals dat dan wel heet – een groot ‘rechtvaardigheidsgevoel’ bezitten. Waardoor ze het niet verdragen, als onrecht blijft bestaan.

En eerlijk is eerlijk: daar is ook best, het nodige bij voor te stellen. Want het liegt er niet om, wat Doëg gedaan heeft. Ik bedoel: waar zelfs de lijfwachten van de koning weigeren, ‘hun hand op te heffen tegen de priesters van de HEER’. Daar steekt Doëg er, zonder blikken of blozen. Eigenhandig, vijfentachtig neer! Moet u nagaan: vijfentachtig dienaren van de HERE! Of: vijfentachtig ambtsdragers, zou je óók nog kunnen zeggen.

Maar als hij dat gedaan heeft, die gruweldaad gepleegd. Blijft het benauwend stil. Je zou verwáchten misschien – dat de HERE ‘vuur’ zou laten neerdalen van de hemel. Om de dood van vijfentachtig van zijn dienaren te wreken, aan deze verschrikkelijke Edomiet. Maar dat is niet, wat er gebeurt! De Bijbel zegt nergens, dat Doëg heeft moeten boeten voor zijn verschrikkelijke daad. De man, lijkt gewoon vérder te hebben geleefd.

En dat, terwijl het er voor Abjatar. De enige zoon van de priester Achimelech, die het bloedbad had overleefd. Toch een heel stuk minder rooskleurig, uitzag. Niet alleen, was hij de enige die overgebleven was. Ook, moest hij nog op de vlucht slaan. En een veilig heenkomen zoeken – bij de man, die óók niet geheel ‘vrijuit’ ging. Als het ging, om de dood van zijn familie. Maar die tegelijk, ook de enige was – die hem veiligheid kon bieden.

Met andere woorden: het ‘beeld’, dat deze geschiedenis oplevert. Is het beeld, zoals we dat zo vaak zien. Dat de ‘daders’ vrijuit gaan, ongestoord verder leven. Maar de ‘slachtoffers’, met de brokken blijven zitten. En, zeg nou zelf: dat is toch gewoon niet éérlijk? En als de HERE wérkelijk, een God ‘van recht’ is. Dan móet Hij daar, toch zeker wat aan doen? Een beetje, zeg maar – zoals we het in de 52ste Psalm zien gebeuren?

Want daar, wordt wél ‘recht’ gedaan! Komt de ‘boze’ niet ‘weg’ met zijn gruweldaad, maar wordt hij integendeel door de HERE gestraft. ‘God zelf zal je breken’, begint David het vers dat de tekst voor de preek vormt – ‘voorgoed’. En gemeente, is dat ook niet precies – hoe het móet gaan? In een wereld, waarin de HERE de baas is? Het voor het zeggen heeft? Want pas het maar ‘ns toe, op Doëg – de Edomiet. Wat David hier zegt.

Want als we de Bijbel erop naslaan, wekt die de indruk – dat Doëg een man van ‘aanzien’ is geweest, en: van ‘macht’. Hij was ‘de opzichter van Sauls herders’ – zegt de Bijbel immers, de eerste keer dat hij voor het voetlicht verschijnt. En dan mogen we rustig aannemen, dat hij in die positie het nodige te vertellen zal hebben gehad. En zich misschien zelfs ook wel, de nodige bezittingen zal hebben verworven. Geld, spullen.

Maar dát alles, zegt David dan – aan het begin van ons tekstvers. Zal hem door de HERE, weer worden afgepakt. De HERE zal hem ‘breken’, of beter nog: hem ‘afbreken’. Tot op de grond aan toe, om zo te zeggen. Zoals soms, met huizen wel gebeurt. Of: gebouwen. Die worden afgebroken, en waar in het gunstigste geval alleen maar een stapel stenen van overblijft. En gemeente, is dat ergens ook niet zijn verdiende loon?

Ik bedoel: ook vandaag, kun je ze nog tegenkomen. Volop, zelfs! Mannen of vrouwen, als Doëg. Die aanzien hebben, en macht. Soms de gruwelijkste dingen uithalen, maar er altijd weer mee wegkomen. Waardoor een ander, met de brokken blijft zitten. Maar kunt u er dan soms óók niet naar verlangen, dat de HERE ‘optreedt’ tegen dat soort lieden? Recht doet, hun hun verdiende loon geeft, ze om zo te zeggen tot de grond toe afbreekt?

Maar ja, in verreweg de meeste gevallen – is dat natuurlijk niet, wat je ziet gebeuren! Ik bedoel – in vers 8 wordt gezegd: ‘de rechtvaardigen zullen het zien’. Dat de HERE zo récht zal doen, op aarde. Maar wij, wees eerlijk – wij zien het maar al te vaak, niet! Zoals Abjatar het ook niet gezien heeft, in de dagen waarin Doëg zijn hele familie heeft uitgemoord. En laten we maar eerlijk zijn: dat kan, op sommige momenten. Moeilijk zijn!

Want het levert je vrágen op. Vragen, aan het adres van de HERE. Die Zich in de Bijbel aan ons bekend maakt, en: openbaart. Als een God, die te vertrouwen is. En: een God, van recht. Maar die daar tegelijk, in onze ogen. Vaak maar bitter weinig, van laat zien. Omdat Hij niets doet, aan het onrecht hier op aarde. Mannen en vrouwen, als Doëg. Schijnbaar ongestoord, hun gang laat gaan. Maar goed, er is dan ook nog méér van te zeggen.

2. Grijpen.

Gemeente, wij kunnen onze vragen hebben. Als we niet zien, wat we wel graag zouden zien. En wat de rechtvaardigen, volgens Psalm 52:8 – ook mógen zien. Dat de HERE mensen als Doëg, tot aan de grond toe ‘afbreekt’. Hun al hun geld en spullen, afpakt. Maar, weet u: hoewel wij daar soms mee kunnen ‘zitten’. Met het onrecht, waar de wereld vol van is. Lijkt David, die moeite niet te kennen. Hij blaakt van vertrouwen, in de God die ‘recht’ doet.

Ja, sterker nog: hij gaat in ons tekstvers, nog een stapje verder. Is er niet alleen ‘zeker’ van, dat God geweldenaars als Doëg tot de grond toe af zal breken. Door hen hun spullen en hun geld, af te pakken. Maar voegt daar vrolijk nog de boodschap aan toe, dat de HERE hen ‘grijpen’ zal. En: ‘meesleuren, uit hun tent’. Oftewel, niet alleen hun ‘bezit’ gaat eraan. Maar ook nog, hun ‘huis’. De HERE zal hen zelfs nog beroven, van het dak boven hun hoofd.

En vergis u niet, gemeente – in wat voor gevólgen dat heeft. Want als je én je bezit, én je huis kwijt bent. Ben je ook je ‘plekje’ kwijt, in de samenleving. Of, zo u wilt: je positie. En steeds groter, wordt daarmee de tegenstelling – tussen wie een man als Doëg was, en wat de HERE van hem maken zal. Want ja, u kent ze zelf vast ook wel: mensen, als Doëg. Die een vooraanstaande plek hebben in de samenleving, en daar hun invloed volop laten gelden.

Ik bedoel: overal en nergens, kom je ze tegen. En steeds opnieuw, moet je tot je verbazing vast stellen. Dat ze alwéér ergens opduiken, alwéér ergens een vinger achter hebben gekregen. En dat bepaald niet, in positieve zin! Ze strekken hun tentakels uit, tot in de verste uithoeken van de samenleving. En laten overal, hun slechte invloed gelden. Met als gevolg, dat ze ‘onaantastbaar’ lijken. En met geen mogelijkheid, ooit van hun troon te stoten.

Maar dan moet u zich eens proberen in te denken, wat Dávid zegt! Dat hij er rotsvast van overtuigd is, dat de HERE van zulke mensen. Op enig moment, ‘daklozen’ zal maken. Mensen, wil dat zeggen – die nog geen eigen plek hebben, om het moede hoofd neer te leggen. En die je daarom zomaar tegen kunt komen, op een bankje in het park. Nu, wees eerlijk: dat zou toch wat wezen! Als de HERE op zo’n manier, zijn macht zou laten gelden.

Ja, als we dát toch nog eens zouden mogen meemaken! Dat zouden mogen ‘zien’, zoals ‘de rechtvaardigen’ uit Psalm 52:8. Want dan zouden we, net als de Psalm van hen zegt – ook ‘vol ontzag’, en: met de mond wijd open van verbazing. Erbij staan te kijken. En wees eerlijk: wij niet alleen, velen mét ons! Want ik heb eerder al gezegd, dat het ons vragen op kan leveren. Als we vaststellen, dat de HERE niets doet aan het onrecht waar de aarde vol van is.

Maar er zijn genoeg mensen, zou je kunnen zeggen. Voor wie het bij ‘vragen’, niet blijft. Maar die, in veel gevallen – zelfs afscheid hebben genomen, van de HERE. Omdat ze niet uit de voeten kunnen, met een God die weliswaar ‘macht’ heeft. En ook ‘liefde’ zegt te zijn. Maar tegelijk het onrecht hier op aarde, laat bestaan. En mensen als Doëg, laat lopen. En voor wéér anderen, vormt dat een sta-in-de-weg om in de HERE God te gaan geloven.

En daarom, gemeente – wat zou het wat wezen, als gebeuren zou. Waar David in Psalm 52:7 van spreekt. En: van zingt. De HERE ermee op zou houden, om het kwaad ongestraft te laten. En het onrecht, te laten lopen. Maar Hij inderdaad, de Doëgs van deze wereld – aan zou pakken. Door ze niet alleen, af te breken. Maar ze ook te ‘grijpen’, ‘mee te sleuren uit hun tent’. En als mensen zonder bezit en dak boven hun hoofd, de straat op te sturen.

Maar tegelijk, en het is al méér gezegd vanmorgen. Is dat niet, wat er gebeurt. En: wat we zien. Als we rondkijken, in de wereld waarin de HERE ons vandaag een plekje heeft gegeven. Met als gevolg - dat Dávids zekerheid, bepaald ónze zekerheid niet is. En, daarmee: Davids rúst, ook niet onze rúst. Ja, konden we er maar nét zo zeker van zijn, als hij. Dat de HERE al het kwaad, dat ons in ons aardse leven omringen kan. Niet ongestraft zou laten.


3. Doden.

Gemeente, nóg is David niet klaar – met mensen, als Doëg. Want als hij gezegd heeft, in het vers dat vanmorgen de tekst voor de preek vormt. Dat de HERE hen ‘breken’ zal, hen ‘grijpen’ en ‘meesleuren uit hun tent’. Voegt hij daar tenslotte nog aan toe, dat de HERE hen ook ‘weg’ zal ‘rukken uit het land van de levenden’. Wij zouden misschien zeggen: dat de HERE hen ‘met wortel en tak zal uitroeien’. Zodat ze het léven, er zelfs bij laten zullen.

Ja, misschien – dat je het nog wel het beste, zó zou kunnen zeggen. Met de woorden van het thema: dat bij de HERE, die een God ‘van recht’ is. Wie slecht doet, ook slecht ontmoet. Want wat in het slot van ons tekstvers, met Doëg gebeurt. Is feitelijk precies hetzelfde, als wat hij met de priesters uit Nob had gedaan. Ze zonder pardon, van het leven beroven. Maar nog stééds levert dat de vraag op, hoe David dat dan toch zo zeker weet.

Want hoewel hij het, net als wij. Misschien graag gezien had, dat het zó met Doëg zou zijn afgelopen. En boontje, op die manier om zijn loontje zou zijn gekomen. Zégt de Bijbel niet, dat het inderdaad zo is gegaan. Maar, weet u: daarom spreekt David, in de 52ste Psalm. Om zo te zeggen, ook in geloof en vertrouwen. In geloof, kan hij zich niet voorstellen. Dat de HERE zijn God, die immers een God van recht is. Zo’n gruweldaad zou laten lopen.

Maar gemeente, is dat nou ook juist niet ons probléém? Dat wij ons dat óók niet voor kunnen stellen? Dat de HERE onze God het onrecht, waar deze wereld vaak zo vol van is. Zou laten lopen? Omdat wij Hem uit zijn Woord, mogen kennen als een God ‘van recht’? Maar dat ondertussen wel gebéurt? En: de wérkelijkheid is, waarmee wij te maken hebben? Dat mensen als Doëg, ongehinderd. En, ook: ongestraft. Hun gang kunnen gaan?

En toch, gemeente. Mag Dávids vertrouwen, ook óns vertrouwen zijn. De HERE is een God van recht. Bij wie geen mens, dus ooit met onrecht weg komt. En, daarom: het is precies, zoals David het zegt in vers 8 van zijn Psalm: ‘de rechtvaardigen zúllen het zien, vol ontzag’. Is het niet nu, dan toch in ieder geval straks. Op de dag, waarop Jezus weerkomt ‘om te oordelen de levenden en de doden’. En geen mens, zijn straf nog zal kunnen ontlopen.

En dan zal dát ook het moment zijn, waarop de rechtvaardigen zullen ‘lachen’. Want dat zegt David, óók nog. Dat ze zullen ‘lachen’, om die dwaas van een Doëg. ‘Die zijn toevlucht niet zocht bij God, / maar vertrouwde op zijn rijkdom’. Want dát zal beslissend zijn, op de dag waarop God zal oordelen. Op wie je in je leven, ‘vertrouwd’ hebt. Of je je heil gezocht hebt, bij de HERE God en de Verlosser Jezus Christus. Of bij de schatten van de aarde.

En gemeente, dat geeft het geheel ook iets confronterends. Want je kunt je nú al wel stiekem verheugen – op de Doëgs van onze dagen, die straks hun verdiende loon zullen krijgen. En ten onder zullen gaan, op de dag waarop God ‘recht’ zal komen doen. Maar het lachen zal je snel vergaan, als je niet ook ‘naar jezelf’ hebt gekeken! Want ook al ben je, God zij dank – geen Doëg geworden, in je leven. Je kunt je wel op ‘Doëg-néigingen’ betrappen.



Ik bedoel: ga voor uzelf maar eens eerlijk na, wat David van hem zegt – in de verzen 3 tot 6 van zijn Psalm. En stel uzelf dan eerlijk de vraag, of iets van wat daar beschreven wordt. Ook een plek heeft, in uw eigen leven. Want ik kan u verzekeren: ook al bestaan er, wat dat betreft. Soms grote verschillen, tussen mensen. Er is geen mens op aarde, die hier helemaal ‘vrij’ van is. En geen mens, dus ook. Die het af kan, zonder een redder als Jezus Christus.

Ja, óók voor ons geldt – net zo goed. Dat als we niet onze ‘toevlucht’ zoeken, bij God. En: bij de Redder, die Hij ons uit genade gegeven heeft. Tot een volkomen verzoening van al onze zonden. Er ééns een dag zal komen, waarop ook ons het lachen snel zal vergaan. En wat een zégen daarom, gemeente. Dat dat briefje, waar de preek mee begon - niet op de kerkdeur hangt. Maar de kerkdeur wijd openstaat, voor mensen die van Christus horen willen! Amen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina