Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Dovnload 1.21 Mb.
Pagina1/25
Datum16.08.2016
Grootte1.21 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   25
Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd

Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Arno C. Gaebelein

Oorspronkelijke titel: An Exposition of the Gospel of John

Oorspronkelijke uitgave: Loizeaux Brothers, Neptune, New Jersey USA

English Version : http://www.biblecentre.org/commentaries/acg_47_john.htm


De besproken Schriftgedeelten werden toegevoegd (in het blauw)
en komen uit de Voorhoeve-vertaling (Telos) van 1982.

Hyperlinks naar de behandelde hoofdstukken in Johannes

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21



Over de schrijver


Arno Clemens Gaebelein (1865-1945) kwam als jonge immigrant in 1879 in de Verenigde Staten aan. Bekend is hij om zijn werk onder de in New York wonende Joden, maar ook om de vele bijbelconferenties die hij hield en door een reeks boeken die hij schreef. Hij was een intieme vriend van C. I. Scofield, en daardoor nauw betrokken bij de totstandkoming van de bekende Scofield Bijbel. Oorspronkelijk methodistisch predikant, voelde hij zich sterk aangetrokken tot de leer van ‘de broeders’, wat ertoe leidde dat hij zich in 1899 losmaakte van alle kerkelijke verbindingen (hoewel hij zich nooit bij ‘de broeders’ gevoegd heeft).

Van dezelfde schrijver is een commentaar op het Mattheüs-evangelie verschenen onder de titel: ‘Zie, uw koning komt’.



Inleiding


Het vierde evangelie is van het begin af toegeschreven aan de discipel, die door de Heer geliefd werd, de apostel Johannes. Hij was één van de zonen van Zebedeüs. Zijn moeder Salóme had een bijzondere toegene­genheid tot de Heer (Zie Lukas 8:3; 23:55; Matth. 27:55, 56 en Mark. 16:1). Johannes kende de Heer vanaf het begin van zijn dienst. Hij was Hem gevolgd met veel liefde en grote trouw. Het schijnt dat de Heer ook een bijzondere voorliefde voor Johannes heeft gehad. Johannes noemt zijn eigen naam geen enkele keer in dit evangelie, maar hij spreekt over zichzelf als de discipel, die door Jezus geliefd werd (13:23; 19:26; 20:2; 21:7, 20). Met Jakobus en Petrus was hij uitver­koren om getuige te zijn van de verheerlijking op de berg en zij waren ook bij de Heer in Gethsémané. Deze drie waren ook tegenwoordig toen de Heer het dochtertje van Jaïrus uit de doden opwekte (Markus 5:37). Johannes was ook getuige van het lijden van Christus (19:26 en 35).

Johannes de schrijver van dit evangelie


Dat Johannes dit evangelie geschreven heeft, wordt bewezen door het getuigenis van de kerkvaders. Theófilus uit Antiochië, Tertullianus, Clemens uit Alexandrië, Hippolytus, Origines, Dionysius uit Alexandrië, Eusebius en bovenal Irenaeus, zij allen spreken over dit evangelie als het werk van de apostel Johannes. Hieraan kunnen nog andere gezag­hebbende namen toegevoegd worden. Van grote waarde is het getuigenis van twee grote tegenstanders van het christendom, Porphyrius en Julia­nus. Beiden spreken over het evangelie van Johannes, en geen van beide twijfelt eraan dat de apostel Johannes dit document schreef. Als zij hadden kunnen bewijzen dat Johannes dit evangelie niet geschreven had, dan hadden deze twee tegenstanders van het christendom hier ze­ker gebruik van gemaakt; dan hadden zij de betrouwbaarheid van dit evangelie, dat zo in het bijzonder de klemtoon legt op de absolute Godheid van Christus, in twijfel getrokken.

Een bijzonder interessant en afdoend bewijs wordt gegeven door Ire­naeus en Polycarpus. Polycarpus had de apostel Johannes persoonlijk gekend en Irenaeus kende Polycarpus. In een brief aan zijn vriend Flo­rius schreef Irenaeus het volgende: “Ik kan de plaats beschrijven waar onze geliefde Polycarpus gewoonlijk zat als hij zich met de mensen on­derhield; ook de manier waarop hij leefde en hoe hij er uit zag staat me nog duidelijk voor de geest. Ik herinner me nog de toespraken die hij hield voor de mensen. Hij vertelde hoe hij met Johannes was omge­gaan en met de anderen die de Heer gezien hadden en hoe zij verhaal­den over de wonderen die de Heer gedaan had en over de dingen die Hij hun geleerd had”.

Irenaeus die Polycarpus, de vriend en metgezel van de apostel Johan­nes, gekend heeft, spreekt over het evangelie van Johannes als het werk van de apostel Johannes. Volgens zijn getuigenis was het hele vier­de evangelie een bekend en veel gebruikt boek in de gemeente. Hij ver­meldt er niet bij op wiens gezag hij dit beweert. Dat was in die dagen ook niet nodig, want iedereen wist dat dit evangelie geschreven was door Johannes.

Polycarpus stierf de marteldood in het jaar 156. Hij had Johannes ge­kend en gedurende meer dan vijftig jaar na de dood van Johannes was hij één van de bewaarders van het getuigenis van Johannes. Hij was in zijn tijd één van de vooraanstaande personen in de gemeenten in Klein Azië. Maar hij stond niet alleen; hij bereikte echter zo’n hoge leeftijd dat hij waarschijnlijk al de anderen die met hem naar Johannes geluis­terd hadden, overleefd heeft. Maar zo’n dertig jaar na de dood van Johannes leefden er nog veel mensen die zich zeker verzet zouden heb­ben als dit evangelie ten onrechte aan Johannes was toegeschreven. Zolang deze mensen leefden, zou dit evangelie geen kans gekregen hebben te worden aangenomen en vele jaren daarna ook niet. Binnen dertig jaar na de dood van Polycarpus had dit evangelie evenwel een plaats in de gemeente onder de andere christelijke geschriften, en werd het beschouwd als het werk van Johannes. De conclusie is onweerleg­baar: Johannes moet dit bijbelboek wel geschreven hebben.


Kritiek op het auteurschap van Johannes


Het feit dat Johannes dit evangelie geschreven heeft, is het eerst in twijfel getrokken door een Engelse predikant, Evanson genaamd, die erover schreef in 1792. In 1920 volgde prof. Bretschneider in zijn kri­tiek op het auteurschap van Johannes. Daarna volgde de school van Tubingen, waaronder Strauss en Baur. Baur, het hoofd van de Tubin­ger Schule, stelde vast dat dit evangelie geschreven zou zijn in het jaar 170. Anderen beweren dat het in het jaar 140 geschreven zou zijn. Keien, een andere criticus, nam het jaar 130 aan, terwijl Renan aan­neemt dat het tussen 117 en 138 na Christus geschreven is. Maar som­migen van deze rationalisten waren gedwongen hun inzichten te her­zien. De leer van de Tubinger school is geheel weerlegd en zij bestaat sinds jaren niet meer. We zouden veel bladzijden kunnen vullen met de inzichten en meningen van deze critici en de antwoorden die bekwame geleerden hierop hebben gegeven. Maar we menen dat dit niet nodig is om onze lezers te overtuigen. De algemene gedachte van de geleerden is nu wel dat dit evangelie door Johannes geschreven is. Neander maakte nog deze opmerking: “Als dit evangelie niet door Johannes ge­schreven is, dan staan we voor een onoplosbaar raadsel”.

Het is niet mogelijk precies te zeggen in welk jaar Johannes zijn evan­gelie geschreven heeft. Algemeen wordt thans aangenomen dat het on­geveer in het jaar 90 na Christus geschreven is.


Het doel van dit evangelie


Moderne critici twijfelen aan de echtheid van dit evangelie omdat er zo’n groot verschil is tussen de beschrijving van de persoon van Chris­tus en zijn leer zoals we die vinden in de drie andere evangeliën en zo­als die in het evangelie naar Johannes beschreven wordt. Inderdaad be­staat dit verschil, maar in plaats van een bewijs tegen de echtheid van dit evangelie is dit juist een bewijs voor de echtheid ervan.

De synoptische evangeliën (Mattheüs, Markus en Lukas) zijn tientallen jaren eerder geschreven en hun inhoud was bekend in de toenmalige Kerk. Als een niet geïnspireerde schrijver geprobeerd zou hebben een vierde evangelie te schrijven, zou hij ongetwijfeld de hoofdlijn die we in de drie andere evangeliën vinden, gevolgd hebben. Maar het evange­lie naar Johannes verschilt, zoals we al opmerkten, geheel van de drie andere evangeliën   en toch zal niemand kunnen ontkennen dat dit evangelie ons dezelfde Persoon laat zien die we ook vinden in de ande­re evangeliën.

Mattheüs schreef zijn evangelie voor de Joden; hij beschrijft onze Heer als de Koning. Markus laat Hem zien als de ware Dienstknecht. Lukas laat ons de Heer zien als volmaakte Mens.

De synoptische evangeliën leggen dus de nadruk op de volkomen mensheid van de Heer en laten Hem zien als de dienstknecht van de besnijdenis (vgl. Rom. 15:8). Vooral Mattheüs en Markus horen even­veel bij het oude testament als bij het nieuwe testament. Het echte christendom is niet ten volle geopenbaard in deze evangeliën. Zij be­wegen zich meer op Joodse bodem.

Wat was er echter gebeurd toen de Heilige Geest de apostel Johannes bewoog zijn evangelie te schrijven? Het volk had zijn Heer en Koning geheel verworpen. De ondergang die de Heer Jezus voorspeld had, was over Jeruzalem gekomen. Het Romeinse leger had de stad en de tem­pel verwoest. De heidenen waren in de wijngaard gekomen en de ver­strooiing van de Joden onder de volkeren was begonnen. De Geest van God houdt rekening met die feiten in het evangelie naar Johannes. Dit vinden we al in het begin van ons evangelie. “Hij kwam tot het zijne en de zijnen hebben Hem niet aangenomen” (1:11). Dat het Judaïsme nu iets was dat tot het verleden behoorde, zien we in de bijzondere wijze waarop het Paasfeest wordt aangekondigd. “En het Pascha, het feest der Joden, was nabij” (6:4; zie ook 2:13 en 11:55). Over de sabbat en het loofhuttenfeest wordt op dezelfde wijze gesproken (5:1 en 7:2). Zulke uitdrukkingen, die inhouden dat de door God gegeven feesten nu slechts “feesten van de Joden” waren, vinden we niet in de andere evangeliën. In het evangelie naar Johannes zien we aan deze uitdrukkingen dat we ons buiten het Judaïsme bevinden. Van He­breeuwse namen en titels wordt de vertaling gegeven, zodat ook zij die de Hebreeuwse taal niet spreken het kunnen verstaan. “Messias, dat betekent: Christus” (1:42). “Rabbi, wat vertaald wil zeggen: Meester” (1:38). “Schedelplaats, die in het Hebreeuws genoemd wordt Golgotha” (19:17), enz.

Maar er was nog meer gebeurd sinds de drie eerste evangeliën geschre­ven waren. De vijand was binnen gekomen en het was hem gelukt de waarheid te verdraaien. Boze afvalligen en antichristelijke leraars lie­ten zich gelden. Zij loochenden de Persoon van de Heer; zijn Godheid, zijn maagdelijke geboorte, zijn volbracht werk, zijn lichamelijke op­standing, in één woord; de “leer van Christus”. Een stroom van dwaal­leer overspoelde de Kerk (Zie 1 Joh. 2:18 23;4:1 6). De dwaalleraars verspreidden hun antichristelijke leer alom. De Geest van God eiste een strenge afzondering van deze mensen: “Als iemand tot u komt en de leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en begroet hem niet. Want wie hem begroet, heeft gemeenschap met zijn boze werken” (2 Joh.: 10 en 11).

Het gnosticisme bracht veel kwaad teweeg in de belijdende Kerk. Dit systeem loochende de Godheid van de Zoon. De Heer Jezus bezat vol­gens de gnostici slechts de hoogste rangorde onder de geesten. Zij ont­kenden de verlossing door het bloed van Christus en de gave van God aan de gelovige zondaars: het eeuwige leven.

God liet in zijn oneindige wijsheid Johannes zijn evangelie pas schrij­ven toen deze leer alom verbreid was. Toen schreef hij onder Godde­lijke leiding het laatste evangelie, waarin we de Heer Jezus, de enigge­boren Zoon van God, de tweede persoon van de Godheid, zien in de volheid van zijn heerlijkheid.

Het beeld van Hem, die de waarachtige God is en het eeuwige leven, wordt ons ontvouwd in dit vierde evangelie. Maar er wordt nog een be­langrijk punt aan toegevoegd: de mens is dood, zonder leven; hij moet opnieuw geboren worden en het leven ontvangen. En dit eeuwige le­ven wordt door de Zoon van God gegeven aan allen die in Hem gelo­ven. Zij ontvangen het van Hem die de bron van het leven is, nu al, in deze tijd, als een blijvend bezit.

Ook vinden we in dit evangelie mededelingen over de derde persoon van de Godheid, de Heilige Geest, zoals we die niet vinden in de ande­re evangeliën: de Geest die het leven geeft, in stand houdt en tot de voleinding voert.

Het evangelie van Johannes is het evangelie van het nieuwe testament, het goede nieuws dat genade en waarheid gekomen zijn door Jezus Christus. Hier vinden we in de kiem alles wat later in de brieven uit­voeriger medegedeeld wordt.

In het zeventiende hoofdstuk horen we de Heer voor het laatste spre­ken vóór zijn lijden. In dit gebed spreekt de Heer als Zoon tot de Va­der ten behoeve van de zijnen, en Hij noemt al de waarheden over Zichzelf en de zijnen, die in dit evangelie bekend gemaakt zijn. Ook al de belangrijke waarheden over de verlossing, die uitvoerig beschre­ven worden in de brieven, vinden we terug in dit gebed.


Het getuigenis van Johannes zelf


Aan het eind van hoofdstuk 20 van dit evangelie vinden we het getui­genis van Johannes zelf over het doel van dit evangelie. “Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen van zijn discipelen ge­daan, die niet geschreven zijn in dit boek: maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam” (vers 30, 31). Hier wordt het tweevoudig karakter van het vierde evangelie door de apostel zelf weergegeven: Christus, de Zoon van God en het leven dat Hij geeft aan allen die geloven.

De karakteristieke kenmerken van dit evangelie zijn te talrijk om ze te noemen in deze inleiding. We zullen er op wijzen in onze beschouwing.




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   25


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina