Wij zijn allemaal filosofen Ja, maar hoe?



Dovnload 29.23 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte29.23 Kb.
Wij zijn allemaal filosofen

Ja, maar hoe?
Jean Paul Van Bendegem

Vrije Universiteit Brussel

Centrum voor Logica en Wetenschapsfilosofie

Universiteit Gent

Vraagstelling
Het is zonder enige twijfel zo dat “filosofie-voor-alledag” in de (commerciële) lift zit. Er verschijnen stapels boeken die ons proberen uit te leggen hoe we de ingewikkelde filosofische theorieën die door de eeuwen heen door ongelofelijk verstandige mensen bedacht zijn kunnen toepassen of gebruiken in ons dagelijkse levenswandel. Heb je een probleem met zingevingsvragen, dan volstaat het om eens rond te kijken en bijvoorbeeld met de Stoïcijnen mee te gaan, indien het gelaten zijn jou aanspreekt, of met de Epicuristen als het evenwichtige genot centraal staat voor jou of met Wittgenstein indien het zwijgen en de ascese jou het beste bevalt. Als ik een beetje cynisch word, dan wacht ik eigenlijk nog juist – hoewel, het kan best zijn dat het al bestaat – op schilderijtjes om aan de muur te hangen met spreuken op zoals “Als ge niets te zeggen hebt, zwijgt dan (naar Ludwig Wittgenstein)” of “Ge moet niet meer zeveren dan nodig is (naar William Van Ockham)”.

Mijn eerste spontane respons op deze toch nieuwe ontwikkeling binnen de filosofie is dus eerder negatief. Als men mij praat over het goede leven, dan weet ik eigenlijk niet precies wat men bedoelt. Het kan toch niet de gedachte zijn dat voor elke daad of handeling die ik stel, ik een geschikte filosoof kan vinden die voor mij deze daad of handeling zal verantwoorden? Hoewel sommige stukjes van Alain de Botton vervaarlijk in die richting gaan. Het doet mij teveel denken aan “Jongens en Wetenschap”. In dit uitstekende radioprogramma wordt veel kennis overgebracht op een interessante manier, zonder enige twijfel, en dat wetenschap ermee te maken heeft, ook zonder enige twijfel, en dat het over dingen gaat in het dagelijkse leven, nogmaals zonder enige twijfel, maar wat je er niet leert is wat wetenschap is, wat wetenschap beoefenen betekent, hoe wetenschap wordt gefinancierd en gelijkaardige aspecten1. Net zoals we in dat radioprogramma bezwijken we voor de gedachte dat we even zelf wetenschapper zijn, net zoals we denken dat met de nodige citaten gewapend we allemaal even een beetje filosoof zijn.

De gedachte in deze laatste zin uitgedrukt heeft mij echter doen twijfelen aan mijn eerste spontane respons. Want wat ik wél denk is dat wij allemaal effectief filosofen kunnen zijn, zij het niet op de manier zoals hierboven grof geschetst. Dus wordt de, naar mijn mening, meer interessante vraag deze: Als mensen allemaal filosofen kunnen zijn en de aanpak hierboven deugt niet, hoe moet het dan wel? Waarmee meteen ook de ondertitel van dit artikel is verklaard. En het is dat probleem dat ik graag kort wil behandelen in dit artikel.
Betere vraagstelling
Ik wil graag het goede leven leiden, maar hoe doe ik dat? Dat is de vraag waarrond de kwestie draait. Om tot een begin van een antwoord te komen, moet ik wel eerst de voorafgaandelijke vraag aanpakken: hoe kunnen we het goede leven invullen? Mijn voorstel is dit: het goede leven laat zich concentreren op het goede doen. Het argument is eenvoudigweg dat wat zich in mijn hoofd afspeelt voor anderen niet toegankelijk is, maar zodra het een sociale dimensie krijgt – ik vertel anderen wat ik denk, dat beschouw ik dus ook als een handeling – heeft het een repercussie voor anderen en dan komt de vraag van het goede of het slechte zeker tussen. Wil Robinson Crusoë het goede leven leiden, dat hij het doet, maar het vormt geen probleem voor mij of een ander. Toch niet totdat Vrijdag op het eiland verschijnt.

Dus wordt de vraag: ik wil een bepaalde daad stellen, wat doe ik? Ik zal uiteraard slechts die daden stellen die ik als goed, positief, enzovoorts waardeer. Om dat te kunnen uitmaken moet ik op zijn minst bij het stellen van een bepaalde daad de verschillende mogelijkheden die er al of niet zijn, kunnen inschatten en beoordelen. Ik bedoel: in een gegeven situatie kan je een bepaalde handeling verrichten, maar doorgaans (zeker als het interessant wordt) zijn er meerdere scenario’s mogelijk en dus wordt de vraag welk scenario als beste uit de bus komt. Hoe doe je dat dan weer? Je bent geneigd te denken dat deze kwestie van een grootse eenvoud is: maak gebruik van de beste kennis die je hebt, schrijf alle scenario’s uit, hanteer één of ander mechanisme om de scenario’s te evalueren, kies er het beste scenario uit en, ten slotte, voer het uit. Zo simpel is dat toch. Ik vrees van niet.

Laat ik voorbijgaan aan de volgende problemen: (a) er is, voor zover mij bekend, geen unieke sluitende methode om gegeven een aantal scenario’s een schaal op te stellen zodat de scenario’s kunnen gerangschikt worden en het beste kan uitgekozen worden2, (b) maar stel dat ik het beste scenario heb geselecteerd, dan nog is het vaak zo dat dit scenario geen rekening heeft gehouden met de vereisten om de handeling in kwestie effectief ook te kunnen uitvoeren, met andere woorden, het scenario is niet uitvoerbaar of niet realiseerbaar omdat er geen prijskaartje aan vasthangt of omdat de kost te groot is3, (c) maar stel toch dat ik het beste scenario heb kunnen selecteren, dan nog blijft de mogelijkheid dat ik het niet wil uitvoeren, met andere woorden, mijn “kop” zegt mij dat dit het juiste ding om te doen is, maar mijn “wil” zegt mij, ik heb geen zin (wat in de literatuur zo mooi wordt omschreven als de “zwakheid van de wil”). Zoals gezegd wil ik aan deze aspecten voorbijgaan, maar mij vooral concentreren op het eerste aspect: maak gebruik van de beste kennis die je hebt.
Wat is er zoal te weten?
Bepalen wat kennis is, is een hachelijke onderneming, daar hoeft geen twijfel over te bestaan. Maar wat je wel kunt zeggen is dat wat ook de beste kennis is, ze zeker zal te maken hebben met wat wij gewoonlijk omschrijven als wetenschappelijke kennis. Als je in een lift staat en het totale gewicht van de aanwezigen mag niet boven de honderd kilo en op een etage wil een gewichtig iemand toch binnenstappen, dan ga je neen zeggen. Als wordt gevraagd “Waarom?”, dan zal het antwoord uiteraard zijn dat de gewichtslimiet overschreden is, en, als men aandringt, zal er uiteindelijk een uitleg volgen over de draden waaraan de liftkooi hangt, de draagkracht daarvan, het risico van het breken van de draden, met andere woorden, je doet aan een beetje natuurkunde, als ik het zo mag uitdrukken. In die zin komt wetenschappelijke kennis tussen, naast andere overwegingen4.

Dit brengt mij onvermijdelijk tot de volgende vraag: welke wetenschappelijke kennis zal ik, algemeen gesproken, kunnen nodig hebben om scenario’s uit te werken? Uiteraard in de eerste plaats een flinke brok psychologie, zowel om mij een beeld te kunnen vormen van mezelf – ik moet toch rekening houden met mijn eigen psychologie om te weten dat bepaalde scenario’s nooit zullen uitgevoerd worden omdat ik een psychologisch onvermogen heb om dit of dat scenario te realiseren – als van de ander. In sommige gevallen zul je moeten verdergaan en ook bepaalde biologische componenten mee in rekening brengen, want het kan toch best zijn dat een bepaald psychologisch gedrag door een geschikte biologische tussenkomst kan overwonnen worden, zeg maar, door een geschikte pil te nemen, zodat ik eigenlijk ook de farmacologie er moet in betrekken. Wat met de ander? In de meeste gevallen zal het gaan over anderen in het meervoud, wat dus betekent dat naast psychologie, ook socio-psychologie en uiteraard ook sociologie hun aandeel moeten krijgen. Als dat dan een beetje wil lukken, moet ik ook nog de situationele factoren in kaart brengen, wat doorgaans betekent dat we ons in een maatschappij of in een samenleving bevinden, dus dat met andere woorden, economie, politicologie, rechtswetenschappen en nog zo’n paar zaken hun volwaardig aandeel zullen opeisen. En, gezien het voorbeeld, vergeten we niet de natuurwetenschappen.

Mijn strategie zal wel duidelijk zijn: als we dit alles in rekening moeten brengen, staan we voor een verloren opdracht: elk scenario wordt een lijvig boek op zich (zeg maar, een doctoraat).

Maar het is veel erger dan dat: op een curieuze manier staan die wetenschappen “haaks” op de scenario’s die ik wil bedenken. Laat ik dit toelichten. In één scenario moet ik fysische, biologische, psychologische, sociologische, economische, en ga zo maar door, elementen samenbrengen om een samenhangend beeld te kunnen hebben, maar dat is nu uitgerekend wat die wetenschappen mij niet aanreiken. Dat bestaat gewoonweg niet. En, voor alle duidelijkheid, ik wil geenszins pleiten voor een éénheidswetenschap, want wat zouden we daar aan hebben voor mijn specifiek probleem? Eén grote wetenschappelijke theorie (een soort “theory of everything” waar ooit Stephen Hawking van droomde – waarin alle theorieën uit alle verschillende disciplines een plaats krijgen en dan zou ik, arme individuele mens, vanuit die gigantische theorie proberen afleiden hoe dit of dat scenario er zou moeten uitzien.

En dat is in geen geval het einde van de ellende: indien ik scenario’s ontwerp, dan pleeg ik een bewuste act (althans dat denk ik). Het is immens verleidelijk om dat bewuste ook te projecteren in de scenario’s zelf. Ik bedoel dit. Er is meer en meer bewijsmateriaal (denk ik) dat het grootste gedeelte van ons denken en doen onbewust verloopt, met andere woorden, dat wat wij met zoveel trots (en terecht in vele gevallen) ons bewustzijn en zelfbewustzijn noemen, eerder moet beschouwd worden als een randfenomeen van hoe onze hersenen (en niet zozeer wij) tegen de wereld aankijken. Een klassieker: de eerste indruk die je van een mens opdoet (en dat doe je op een verbazingwekkend korte tijd) verloopt zo goed als volledig onbewust. Eerlijk zijn: stel, je wordt verliefd op iemand. Wie durft er te zeggen dat dit een bewuste act is? Ja, nadien, komen de scenario’s bij de vleet, maar niet op het ogenblik zelf. Maar de grap is dat naarmate alle onbewuste componenten ook in kaart worden gebracht, de herkenning met jouzelf verloren gaat. Voor je het weet ben je een biologisch organisme dat, door bepaalde geuren en kleuren geleid, zelf bepaalde hormonale processen op gang trekt, die een aantal fysiologische reacties starten, en die bepaalde onbewuste bewegingen van ledematen veroorzaken, enzovoorts enzoverder, terwijl ik alleen maar wou zeggen dat ik verliefd ben.

Om de wanhoop maximaal te maken, bedenk ten slotte dat er nog hopen open vragen zijn (zoals het hoort) in alle opgesomde wetenschappelijke disciplines en dat er binnen de meeste disciplines verschillende met elkaar conflicterende theorieën bestaan. Welke psychologie? Welke sociologie? Welke economie? Het drama is echter: ik moet en ik wil scenario’s ontwerpen, want ik wil er graag het beste scenario uithalen, want ik wil graag dat goede leven leiden. Dus wat moet ik doen? Hoe kan ik uit deze impasse geraken?


Van oplossingen die er geen zijn.
Een voor de hand liggende oplossing waarover al heel wat inkt is gevloeid, vloeit en zal vloeien is het inschakelen van experten. Een interessante stap hoeft dat evenwel niet noodzakelijk te zijn. Het probleem is dat experten vaak heel verschillende opinies hebben (uiteraard verwant met mijn opmerking van daarnet dat binnen elke discipline elkaar bestrijdende theorieën te vinden zijn). Hoe moet ik daarmee omgaan? Je zou nog kunnen zeggen, weeg ze zelf af tegenover elkaar, kijk wie de beste, de interessantste argumenten heeft, maar dit is al te grappig. Hoewel ik zelf geen expert ben in het domein in kwestie, ben ik blijkbaar wel in staat om een “meta-expert” te zijn, iemand die over de discipline van alles te zeggen heeft. Ik laat nog in het midden dat het beoordelen van argumenten, logische of niet, een al even moeilijke zaak is omdat we daar zelfs niet eens duidelijk weten waarop de correctheid van een argumentatie gebaseerd is (en, geloof mij, ik ben een expert). Dus nu moet je je al bezighouden met de verhouding tussen logica, argumentatie en de wereld (let wel, de meervoudsvormen zouden toepasselijker zijn: logica’s en argumentaties). En, als je daarop eindelijk een antwoord hebt, kan je weer afdalen tot op het niveau van jouw oorspronkelijk pro­bleem, namelijk wie is de meest betrouwbare expert. Een weinig interessante strategie.

We moeten dus best een andere route volgen. Een indicatie voor de te volgen route is zeker dit: aangenomen dat het bovenstaande rommelige, verwarde en verwarrende betoog correct zou zijn, hoe heb ik mijzelf, de anderen en de wereld kunnen overleven tot nu toe? Ik heb het duidelijk niet gedaan zoals hierboven geschetst en toch is het mij blijk­baar gedeeltelijk gelukt (denk ik). Welke strategie of strategieën heb ik gevolgd? Ik zie twee mogelijk­heden: ofwel zijn er nauwelijks strategieën te volgen ofwel, indien er verschillende scenario’s mogelijk zijn, heb ik gehandeld volgens mijn beste inzichten, welke die ook zijn. Kunnen hieruit oplossingen gedistilleerd worden voor mijn probleem?


Oplossing 1: “Maak je geen zorgen, je leeft jouw leven niet, het wordt geleefd”.
Een doorsnee week in mijn bestaan ziet er behoorlijk banaal uit. Daar komen eerlijk gezegd niet zoveel scenario’s aan te pas. En als je het wat verstandig aanpakt, dan vermijd je (in de mate van het mogelijke natuur­lijk) alle lastige scenario’s. Met andere woorden, het leven is een banaal stukje gebeuren, bijna integraal voorspelbaar, dus leef het dan ook zo. Daardoor verdwijnt natuurlijk ook de vraag naar het goede leven, want we praten niet meer over leven tout court. Bovendien is deze oplossing zeker niet bevredigend omdat je niet alle lastige scenario’s kunt vermijden. Dus hoe dan ook zullen er moeilijke situaties komen en dus kan je maar beter voorbereid zijn. Tenzij je zou opteren voor het klooster en niet voor deze wereld, maar zie mijn reeds gemaakte opmerking over Crusoë.
Oplossing 2: “Doe jouw best, vertrouw op jouzelf”.
Is dit geen redelijk idee? Alles bij elkaar genomen, stel dat je je in een bepaalde situatie bevindt, je moet iets doen en je hebt doorgaans een eerste gevoel, een eerste indruk, een eerste inzicht. En meer dan vaak handel je naar dat inzicht. Je voelt aan “neen, dat mag ik niet doen” of “ja, dat moet ik zeker doen” en inderdaad je hebt het niet of wel gedaan en het was goed. Behalve het feit dat het mij iets teveel doet denken aan mijn protestantse opvoeding, voel ik mij helemaal niet geholpen, want de onvermijdelijke vraag moet gesteld worden: waarop zijn mijn inzichten gebaseerd?

Om een inzicht in mijn inzichten te verwerven – dit klinkt bekend ondertussen – moet ik diezelfde wetenschappen er weer in betrekken en houd vooral rekening met het feit dat het krijgen van een inzicht een grotendeels onbewust proces en je staat terug aan af. Mag ik in herhaling vallen: een relatie die begint, het verliefd worden, hoe werken mijn inzichten in zo’n geval, en, aan het andere eind van de zaak, het beëindigen van een relatie, het verlies van de interesse in elkaar, het vervreemden van elkaar, welke inzichten hoor ik hier te hebben, wat zeggen ze mij en wat zijn ze waard? Dit alles in de veronderstelling dat ik een greep op de zaak zou hebben, wat ik ten sterkste betwijfel.


Oplossing 3: “Durf het aan, vertrouw op de ander”.
Ik wil wel, vertrouwen op de ander, maar mijn probleem is dat ik in de ander mijzelf herken – anders gezegd, ik heb alle redenen om aan te nemen dat wat geldt voor mij eveneens geldt voor mijn medemens – dus dat die ander met juist dezelfde problemen zit. Wat is dat oordeel dan waard? Ik kan de ander niet zien als een expert die mij kan helpen (in zoverre dit kan, zoals ik al vermeld heb), maar als een medereiziger. Kan ik dan veel meer doen dan vaststellen hoe die ander op mijn gedrag reageert? Kan ik dan veel meer doen dan vaststellen dat anderen mij positief beoordelen? Kan ik dan veel meer doen dan sociaal behaaglijk zijn? Gewaardeerd worden? En zal ik het rijtje vervolledigen: belangrijk gevonden worden?

Lijk ik nu te beweren dat het beste wat je kunt doen om een goed mens te zijn het nastreven is van een vorm van conformisme? Proberen in het toevallige milieu waarin je nu terechtgekomen bent een plaats te verwerven zodat je door iedereen of toch door de meesten goed wordt bevonden? Er rekening mee houdend dat, als je morgen in een ander milieu wordt gedropt, het kwestie is van daar dan sociaal te passen. Is het een kwestie van een populariteitspoll? Of, nog erger, zullen we elkaar herkennen in onze onwetendheid, in ons niet kunnen oordelen en gezamenlijk beaat glimlachend tegen de wereld aankijken? Zeker niet.


Oplossing 4: “Vertrouw niemand, jouzelf inbegrepen”.
Hier wil ik graag kort wezen. Dit is een onleefbare positie die eerder aanleiding zal geven tot het bouwen van schuilkelders voor de komende ondergang van de wereld. Hoewel je de constructeurs niet voldoende zult vertrouwen en het ding zelf zult willen bouwen, maar dan zul je de materialen wantrouwen, maar die zelf maken wordt al een stuk moeilijker, zoniet onmogelijk. Voor mezelf wil ik hier oplossing 2 erbij halen en vaststellen dat deze oplossing helemaal niet overeenstemt met mijn inzichten en dus niet bruikbaar is: ik heb geen constant wantrouwen tegenover mezelf (althans dat denk ik toch).
Oplossing 5: “Oplossing 2 is in orde, als je ze maar aanvult met voldoende wetenschappelijke kennis”.
Uiteraard volg je je eigen inzichten, maar die kan je bijsturen met wetenschappelijke inzichten voor zover nodig. Of anders gezegd, misschien heb ik wel een lichte obsessie met uiterst gedetailleerde scenario’s? Is het werkelijk nodig om in zo’n detail te gaan? Zijn benaderende scenario’s (zo, het verlossende woord is gezegd) misschien niet goed genoeg? Ik zal voorbij gaan aan het probleem dat ik uiteraard moet kunnen uitmaken wanneer mijn directe inzichten niet voldoende zijn of verkeerde indicaties geven en op basis waarvan zou ik dat kunnen doen?

Maar dat deze oplossing mij niet kan bevredigen is uitgerekend omwille van de vaststelling dat benaderende scenario’s vaak, maar dan ook vaak totaal verkeerde indicaties geven. We kennen allemaal situaties genoeg waarin een benaderend scenario een meer dan plausibele uitkomst suggereerde en nadien bleek dat één of ander klein, niet in acht genomen detail de zaak radicaal de andere kant opstuurt. Merk op dat het niet helpt om te stellen dat de kwestie is om uit te zoeken welke benaderende scenario’s het wel doen en welke niet. Want dat is zo mogelijk nog een moeilijker en onmogelijker vraag om te beantwoorden5.


Is er dan helemaal geen uitweg?
Ik zie eigenlijk maar één weg die mij nog rest: ervan uitgaan dat alle scenario’s die ik bedenk onvolledig zullen zijn, dat ik scenario’s zal vergeten, dat scenario’s niet zullen opleveren wat ik dacht of hoopte, dat ik op een curieuze manier inzichten, gevoelens, wetenschappelijke inzichten door elkaar mix om hopelijk geen al te grootse rampen te veroorzaken. Of, zoals ik het al op andere plaatsen heb verdedigd: een eind wegprutsen (omdat het ons enig leefbaar alternatief is). Maar zo dat het goed is.

Waarschijnlijk begrijpt de lezer nu waarom ik zo’n initiële scepsis heb tegenover filosofie “voor dagelijks gebruik om het goede leven te leiden”. Men maakt een gruwelijke onderschatting van de complexiteit van het gestelde probleem en laat ons één ding zeker niet vergeten: naarmate de wetenschappen zich verder zullen ontwikkelen, naarmate we nog meer kennis zullen hebben, hoe dwingender mijn analyse van toepas­sing zal zijn, met andere woorden, hoe moeilijker het wordt om te beslissen. Je zou beginnen te begrijpen dat diegene die alles weet niets meer doet. Helaas sluit dit dan weer het goede leven uit.




1 Voor alle duidelijkheid: ik heb alleen maar lof voor het programma. Beter dat het er is dan dat het er niet is. Maar boven het niveau van de feiten en feitjes stijgt het programma niet uit. Een anecdote ter illustratie: men heeft mij ooit ingeschakeld als “expert” omtrent de vraag “Wat is het grootste getal?”. Deze vraag heeft geen eenduidig antwoord (want voor een deel is het ook een filosofische kwestie) en de programmamakers waren duidelijk niet in hun schik dat er geen helder, klaar en duidelijk antwoord was gekomen. Want, ja, nu blijven de luisteraars met de vraag zitten: “Jamaar, wat is het nu?”.

2


 Deze problematiek is precies het onderwerp van de decisietheorie of besliskunde en de speltheorie. Het is niet zo moeilijk om problemen te bedenken waar een keuze moet gemaakt worden en waar verschillende regels leiden tot totaal andere keuzes. En dan ga ik nog voorbij aan al de gevallen waarin de methode niets oplevert, met andere woorden, niet van toepassing is. Vanuit de speltheorie (op bijna mathematisch vlak) valt er bitter weinig te vertellen over deze spelsituatie: (i) man en vrouw willen graag of naar de film of naar het theater, (ii) ze gaan het liefst samen in plaats van alleen ergens naartoe, (iii) de vrouw wil het liefst naar de film, (iv) de man wil het liefst naar het theater. Deze spelsituatie heet niet voor niks “het gevecht der seksen” in de vakliteratuur. Voor de spitsvondige lezer: ze kunnen ook gaan biljarten natuurlijk, maar dan is de gegeven spelsituatie wel veranderd en spelen ze een ander spel.

3


 Concreet: ik heb schitterende plannen om de meest perfecte universiteit te realiseren, maar jammer genoeg is er geen geld voor. Ik ben eerder geneigd om te zeggen dat in dat geval mijn plannen niet deugen.

4


 Ik kon ook zelfmoordplannen hebben en er juist op hopen dat er iemand bij zou komen, maar dan maak ik weer gebruik van dat stukje natuurkunde, zij het nu om de zekerheid te hebben dat de draden zeker zullen breken.

5


 Dit zou ons, onder andere, in het domein van de systeemtheorie brengen, waar de vraag hoe een systeem te identificeren één van de kernproblemen is.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina