Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010) Memorie van toelichting Inhoudsopgave



Dovnload 87.88 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte87.88 Kb.
Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010)

Memorie van toelichting

Inhoudsopgave

I. ALGEMEEN 3

1. Inleiding 3

2. Verbeteren fiscale positie directeur-grootaandeelhouder 3

2.1. Doorschuiffaciliteit bij schenken van aanmerkelijkbelang-aandelen 4

2.2. Aanpassing doorschuiffaciliteit vererven van aanmerkelijkbelang-aandelen 8

2.3. Aanpassing betalingsfaciliteit overdracht aanmerkelijkbelang-aandelen 9

2.4. Invoering eenmalige geruisloze inbreng tbs-pand in de nv of bv 9

2.5. Openstellen herinvesterings- en kostenegalisatiereserve voor tbs-regeling 10

2.6. Invoering terbeschikkingstellingsvrijstelling 10

2.7. Uitbreiding betalingsfaciliteit tbs-regeling 11

2.8. Versoepeling gebruikelijkloonregeling 11

3. Wet inkomstenbelasting 2001 12

3.1. Toerekening inkomen en vermogen tussen partners bij migratie 12

3.2. Goedkeuring voor uitbreiding faciliteiten zeescheepvaart 12

3.3. Dieetkosten 13

3.4. Quasi-legaten en andere uitgestelde giften 13

3.5. Aanpassing overgangsrecht accessoireregeling in IB en LB 14

4. Wet op de loonbelasting 1964 14

4.1. Vakantiebonnen 14

4.2. Versoepeling pensioen in eigen beheer 14

4.3. Loon in, loon over 16

4.4. Reparatie inzake arrest Hoge Raad over internationale pensioenregelingen 16

5. Versoepeling in de deelnemingsvrijstelling 17

6. Uitbreiding inhoudingsvrijstelling dividendbelasting 19

7. Wet op de omzetbelasting 1968 19

7.1. Aanpassing BTW-vrijstelling beroepsonderwijs 19

7.2. Aanpassing BTW-vrijstelling jeugdzorg 20

8. Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 20

8.1. Constructiebestrijding in de BPM 20

8.2. Het opvoeren van auto’s 22

8.3. Aanpassing berekening BPM bij in- en uitvoer 22

9. Aanpassing Algemene douanewet 23

10. Wet op de Accijns 24

10.1. Voorkoming voorraadvorming 24

10.2. Pilot verstrekken blanco accijnszegels 26

11. Wet belastingen op milieugrondslag 27

11.1. Nieuwe belastingvermindering capaciteitstarief in energiebelasting 27

11.2. Aanpassingen verpakkingenbelasting 27

12. Algemene wet inzake rijksbelastingen 28

12.1. Aanpassing navordering 28

12.2. Aanpassing naheffing 31

13. Schriftelijke melding betalingsonmacht 32

14. Verruiming openbaarheid WOZ-waarde 33

15. EU-aspecten 35

16. Budgettaire aspecten 35

17. Uitvoeringskosten Belastingdienst 36

18. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger 36

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING 41



  1. 2.8. Versoepeling gebruikelijkloonregeling

Zoals aangekondigd in de notitie Fiscale positie dga laat het kabinet de gebruikelijkloonregeling met ingang van 1 januari 2010 buiten toepassing als het gebruikelijke loon niet hoger is dan € 5 000 per jaar.4 Hierbij wordt voor concernstructuren (de aanmerkelijkbelanghouder met een holding-bv die belangen in werkmaatschappijen houdt) de grens van € 5 000 niet per vennootschap getoetst, maar geldt deze voor alle werkzaamheden die de directeur-grootaandeelhouder voor het concern verricht. Met dit voorstel komt het kabinet tegemoet aan het bezwaar dat de gebruikelijkloonregeling tot onevenredig zware administratieve lasten leidt als het gebruikelijke loon erg laag is. Als dat lage loon wel wordt betaald, is dat uiteraard wel onderworpen aan de loonbelasting.


Tevens wordt de gebruikelijkloonregeling gestroomlijnd. Thans is de gebruikelijkloonregeling van toepassing als iemand arbeid verricht voor een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, dan wel waaraan hij vermogensbestanddelen ter beschikking stelt. Voortaan wordt de gebruikelijkloonregeling van toepassing als iemand arbeid verricht voor een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft. De gebruikelijkloonregeling wordt (behalve met betrekking tot de grens van € 5 000) uitdrukkelijk per lichaam toegepast. In concernverhoudingen blijft het echter mogelijk bij één lichaam het loon te verantwoorden dat gebruikelijk is ten opzichte van de totale arbeidsprestatie voor alle concernvennootschappen. In alle bepalingen waarbij de gebruikelijkloonregeling aan de orde is, wordt voortaan de term lichaam gebruikt. In enkele bepalingen wordt nu namelijk nog de term vennootschap gebruikt. Ten slotte wordt een meer technische maatregel alleen in het artikelsgewijze deel van de toelichting toegelicht.



  1. 4. Wet op de loonbelasting 1964




  1. 4.1. Vakantiebonnen

Het verschil in waardering tussen vakantiebonnen en vakantiegeld heeft in de vak- en publiekspers in de zomer van 1997 nogal wat stof doen opwaaien. Sindsdien is het verschil in deze waardering geleidelijk opgelost. De waardering van de aanspraak op vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken uit regelingen die dateren van vóór 1997, is in de afgelopen jaren stapsgewijs verhoogd van 75% van de nominale waarde in 1997 tot 97,5% in 2009. Een structurele regeling in de vorm van een waarderingsregel in de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) vormt de afronding van dit proces. Het kabinet verhoogt de waardering van de aanspraak op vakantiebonnen naar 99% van de nominale waarde. Waardering op 99% van de nominale waarde komt tegemoet aan het liquiditeitsnadeel dat werknemers met vakantiebonnen (belast bij toekenning) ondervinden ten opzichte van werknemers met vakantiegeld (belast bij uitbetaling).




  1. 4.2. Versoepeling pensioen in eigen beheer

De Wet LB 1964 biedt directeur-grootaandeelhouders (hierna: dga’s) als bedoeld in de Pensioenwet de mogelijkheid om pensioen in eigen beheer op te bouwen. Dat wil zeggen dat de uitvoering van de pensioenregeling niet plaatsvindt door een professionele (pensioen)verzekeraar, maar dat zij plaatsvindt door een ander lichaam. Het kan dan gaan om een lichaam dat ook de materiële onderneming van de dga drijft (intern eigen beheer). In de praktijk vindt de uitvoering van de pensioenovereenkomst met de dga veelal plaats door een afzonderlijk, door diezelfde dga beheerd pensioenlichaam, vaak de persoonlijke holdingvennootschap, een afzonderlijke pensioenvennootschap of een pensioenstichting (extern eigen beheer). In voorkomende gevallen wordt (een deel van) de aan dat pensioenlichaam betaalde pensioenpremie vervolgens weer teruggeleend aan het lichaam dat de materiële onderneming drijft. De pensioenopbouw in eigen beheer voorziet hiermee in de maatschappelijke behoefte dat premies ten behoeve van het pensioen voor de dga kunnen worden gebruikt voor de financiering van de onderneming.


Aan het opbouwen van een pensioen in eigen beheer stelt de Wet LB 1964 verschillende voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat het eigen-beheerlichaam in Nederland is gevestigd. Voorts dient de opgebouwde pensioenverplichting voor de heffing van de vennootschapsbelasting door het eigen-beheerlichaam te worden gerekend tot het binnenlandse ondernemingsvermogen.
Met betrekking tot genoemde twee voorwaarden bestaat twijfel over de verenigbaarheid daarvan met de vrijheid van vestiging als bedoeld in het EG-Verdrag en de EER-Overeenkomst. Het kabinet acht die twijfel ongewenst. Om die reden laat het kabinet voortaan ook eigen-beheerlichamen die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, of in een bij ministeriële regeling aangewezen andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, als pensioenverzekeraar van een dga toe. Hierbij geldt de voorwaarde dat de pensioenverplichting ook wordt gerekend tot het binnenlandse ondernemingsvermogen van die lidstaat onderscheidenlijk staat (hierna: EU/EER eigen-beheerlichamen).
Voor deze EU/EER eigen-beheerlichamen zullen vanzelfsprekend dezelfde uitgangspunten gaan gelden als voor binnenlandse eigen-beheerlichamen. Dat betekent allereerst dat de EU/EER eigen-beheerlichamen – net als de in Nederland gevestigde eigen-beheerlichamen – rechtens en feitelijk moeten zijn onderworpen aan een belasting naar de winst. Het lichaam moet hierbij aannemelijk maken, onderworpen te zijn aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Om voor EU/EER eigen-beheerlichamen een soortgelijk stelsel van fiscaal toezicht te realiseren, voert het kabinet voor deze lichamen bovendien een aanwijzingsregeling in die overeenkomt met de reeds bestaande regeling op grond waarvan pensioenfondsen en lichamen die bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefenen, worden aangewezen indien zij de pensioenverplichting niet tot Nederlands ondernemingsvermogen rekenen. Op grond van de voorgestelde regeling moet het aan te wijzen eigen-beheerlichaam zich tegenover de inspecteur verplichten: (i) te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling en de bepaling van de winst van het lichaam, en (ii) ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaarden voor de invordering van de belasting die door de dga is verschuldigd en die alleen wordt ingevorderd bij bepaalde met name genoemde onregelmatige handelingen ter zake van het pensioen (zoals afkoop).
Het kabinet is van oordeel dat door bovenstaande uitbreiding van toegelaten aanbieders met EU/EER eigen-beheerlichamen niet voor twijfel vatbaar is dat de regeling voor pensioen in eigen beheer voldoet aan de eisen die het Europese recht stelt aan de vrijheid van vestiging. Bovendien wordt door de aanwijzingsregeling, met de daaraan verbonden verplichtingen in het kader van inlichtingen en aansprakelijkheid, en de eis van materiële onderworpenheid aan een belasting naar de winst, naar verwachting van het kabinet voldoende gewaarborgd dat de bij deze lichamen ondergebrachte pensioenen – in termen van de Wet LB 1964 – op regelmatige wijze worden afgewikkeld. Niettemin zullen de nieuw toegelaten aanbieders de komende periode door de Belastingdienst nauwlettend worden gevolgd. Ingeval de genomen maatregelen in het kader van toezicht en naleving van de in de Wet LB 1964 gestelde eisen onvoldoende blijken te zijn, dan zal de voorgestelde regeling voor pensioen in eigen beheer worden heroverwogen.
De Wet LB 1964 sluit voor de toegelaten aanbieders van loondervingstamrechten (bijvoorbeeld voor ontslagvergoedingen) aan bij de groep lichamen die als pensioenverzekeraar kunnen optreden. Ook ten aanzien van het huidige wettelijk systeem rondom stamrechten in eigen beheer bestaat, gelet op het voorgaande, twijfel over de verenigbaarheid daarvan met de vrijheid van vestiging. Om ook hier alle twijfel weg te nemen, zal de hiervoor beschreven wijziging voor pensioenlichamen mutatis mutandis eveneens worden doorgevoerd voor stamrechtlichamen.
Ten einde te voorkomen dat belastingplichtigen gebruik zouden gaan maken van de mogelijke onverenigbaarheid van de huidige regeling met het Europese recht, wordt voorgesteld aan de regeling terugwerkende kracht te verlenen tot aan de dag van indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Bij de afweging om terugwerkende kracht voor te stellen is voorts nog in de overweging betrokken dat de voorgestelde regeling gunstiger is dan het huidige regime voor pensioen in eigen beheer.


  1. 4.3. Loon in, loon over

Omdat de beoogde invoering van de eenduidige loonaangifte tot 1 januari 2011 is uitgesteld,10 verlengt het kabinet de overgangsregeling met betrekking tot “loon over” met een jaar. Deze overgangsregeling geldt derhalve ook voor loonbetalingen in 2010. De overgangsregeling houdt in dat de inhoudingsplichtige binnen het kalenderjaar loonbetalingen mag toerekenen aan de verstreken loontijdvakken waarop zij betrekking hebben.




  1. 4.4. Reparatie inzake arrest Hoge Raad over internationale pensioenregelingen

Het kabinet repareert de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad inzake de belastingheffing bij internationale pensioenregelingen.11 Vanwege het arrest zijn uitkeringen ingevolge een pensioenregeling van een internationale organisatie vrijgesteld van belastingheffing, voor zover deze uitkeringen kunnen worden toegerekend aan volgens de Nederlandse regels tot het loon behorende aanspraken die tot en met 31 december 1994 zijn opgebouwd, ook als daar feitelijk noch in Nederland noch in het buitenland over is geheven. Het arrest geldt onder omststandigheden ook voor pensioenregelingen van een andere mogendheid. Dit resultaat druist in tegen het uitgangspunt van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) dat bij een pensioenregeling - al dan niet van een internationale organisatie of van een buitenlandse mogendheid (hierna: internationale pensioenregeling) - óf de uitkeringen óf de aanspraken worden belast en een dubbele vrijstelling dus niet mogelijk is. Volgens het arrest van de Hoge Raad kan dat uitgangspunt in de situatie van het arrest niet worden toegepast, omdat de in de Wet LB 1964 opgenomen regeling rondom tot 1995 opgebouwde aanspraken12 derogeert aan dit uitgangspunt.


Het kabinet acht de gevolgen van het arrest onwenselijk. Het niet repareren van de gevolgen van het arrest zou een doorkruising betekenen van het internationaal aanvaarde uitgangspunt dat óf de pensioenaanspraken óf de daaruit voortvloeiende pensioenuitkeringen worden belast (overigens ongeacht of dit in de woonstaat dan wel in de bronstaat plaatsvindt). Het arrest leidt hierdoor tot een gemis aan belastingopbrengsten. De huidige gepensioneerden met internationale pensioenuitkeringen hebben het grootste deel daarvan immers vóór 1995 opgebouwd en voor al deze uitkeringen geldt – gelet op het feit dat de aanspraken volgens de Nederlandse regels veelal tot het loon zullen hebben behoord, maar over een deel van de aanspraken feitelijk niet altijd zal zijn geheven – in zoverre dat de regeling rondom tot 1995 opgebouwde aanspraken in de weg staat aan het uitgangspunt dat óf de aanspraken óf de uitkeringen belast zijn.
Het kabinet stelt dus voor genoemde regeling rondom tot 1995 opgebouwde aanspraken te laten vervallen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat ter zake van internationale pensioenregelingen het voor de inkomstenbelasting geldende uitgangspunt dat óf de aanspraken óf de uitkeringen belast worden, toepassing kan blijven vinden. Tevens heeft het laten vervallen van de regeling rondom tot 1995 opgebouwde aanspraken een vereenvoudiging van de uitvoering van de belastingheffing over pensioenuitkeringen ingevolge een internationale regeling als bijkomend voordeel.



  1. 12.2. Aanpassing naheffing

Volgens recente rechtspraak is het niet (in alle gevallen) mogelijk om een ten onrechte verleende ambtshalve vermindering omzetbelasting na te heffen op grond van de AWR.25 Volgens het hoogste rechtscollege vloeit een ambtshalve vermindering namelijk niet voort uit een ‘ingevolge de belastingwet gedaan verzoek’. Als gevolg van deze rechtspraak is een ongewenste situatie ontstaan. Het gebeurt namelijk regelmatig dat een verzoek om teruggaaf van een aangiftebelasting, bijvoorbeeld omzetbelasting, niet aan alle formele vereisten voldoet, met name dat het buiten de wettelijke termijn wordt gedaan. In dergelijke gevallen komt de Belastingdienst toch veelal aan het verzoek tegemoet. Dit geschiedt dan ambtshalve en met het oog op de belangen van de belastingplichtige nagenoeg per omgaande, dus zonder onderzoek. Wanneer op een later tijdstip geconstateerd wordt dat de belastingplichtige geen recht had op een ontvangen teruggaaf of dat de teruggaaf tot een te hoog bedrag is verleend, moet de Belastingdienst de teruggegeven belasting kunnen naheffen. Het kan immers niet zo zijn dat een juiste belastingheffing wordt gefrustreerd, omdat de Belastingdienst de belastingplichtige ten dienste probeert te zijn.


Om bovenstaande situaties te voorkomen, wijzigt het kabinet de naheffingbevoegdheid in de AWR. Naheffing zal ook mogelijk zijn in alle gevallen waarin een verzoek van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige ten grondslag ligt aan de vrijstelling of vermindering van belasting, of de teruggaaf van belasting.
Voor wijziging van de wet is gekozen zodat de Belastingdienst belastingplichtigen toch van dienst kan blijven zijn met een snelle reactie, zonder elk verzoek dat ontijdig is of anderszins niet aan de formele vereisten voldoet, aan een grondig onderzoek te moeten onderwerpen alvorens daarop een (ambtshalve) beslissing te nemen. Gelet op de aantallen zou een dergelijk grondig onderzoek niet uitvoerbaar zijn. Ter illustratie: alleen al op het gebied van de omzetbelasting worden jaarlijks ongeveer 250 000 verzoeken om teruggaaf ambtshalve verleend. Daarnaast zou het betekenen dat belastingplichtigen (te) lang op een beslissing moeten wachten, waardoor zij schade kunnen ondervinden. In de meeste gevallen gaat het immers om bedragen waar de belastingplichtige in materiële zin recht op hebben, maar waarin het verzoek uitsluitend in formele zin niet deugt.
De voorgestelde wijziging ziet nadrukkelijk alleen op gevallen waarin de beslissing wordt genomen naar aanleiding van een verzoek van de belastingplichtige dat hij op eigen initiatief doet. Op grond van de wettekst is het dus nog steeds niet mogelijk om na te heffen naar aanleiding van een ambtshalve vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting, of teruggaaf van belasting, indien hieraan geen verzoek van de belastingplichtige vooraf gegaan is. Wanneer de Belastingdienst geheel eigener beweging (ambtshalve) een dergelijke beslissing neemt, mag de belastingplichtige ervan uitgaan dat dit berust op een bewuste en weloverwogen standpuntbepaling, waaraan het nodige onderzoek vooraf is gegaan. De bevoegdheid om deze beslissing later weer terug te draaien door naheffing is dan niet passend. Hetzelfde geldt wanneer er weliswaar een verzoek door de belastingplichtige is gedaan, maar hij vervolgens bijvoorbeeld uit gedragingen van de Belastingdienst heeft mogen afleiden dat dit verzoek vóór toewijzing inhoudelijk beoordeeld is. Naheffing wordt dan begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.


  1. 13. Schriftelijke melding betalingsonmacht

De Invorderingswet 1990 bevat de regeling voor de aansprakelijkheid van bestuurders van rechtspersoonlijkheid bezittende ondernemingen met onbetaalde belastingschulden en premies. De melding betalingsonmacht speelt een belangrijke rol in deze regeling. Rechtspersoonlijkheid bezittende ondernemingen die niet in staat zijn om aan hun betalingsverplichtingen jegens de fiscus te voldoen, dienen de ontvanger onverwijld op de hoogte te stellen van de betalingsonmacht. De ontvanger kan dan beoordelen of het nodig is invorderingsmaatregelen te treffen om de belangen van de staat veilig te stellen. Dat het nodig kan zijn om dergelijke maatregelen te treffen, blijkt uit de invorderingspraktijk van de Belastingdienst: naar schatting 80% van de ondernemingen die betalingsonmacht meldt, gaat uiteindelijk failliet. De sanctie op het niet tijdig of niet op de juiste wijze melden is fors. De bestuurder van de onderneming is aansprakelijk en op hem rust het vermoeden dat het niet betalen van de belastingschuld aan hem is te wijten. Alleen de bestuurder die aannemelijk kan maken dat hem geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het niet nakomen van de meldingsplicht wordt in de gelegenheid gesteld het vermoeden van verwijtbaarheid ten aanzien van het niet betalen van de belastingschuld te weerleggen.


De wijze van melden van betalingsonmacht is thans vormvrij. Op dit moment kan dus niet alleen schriftelijk maar ook mondeling worden gemeld. Bovendien hoeft niet altijd expliciet een melding betalingsonmacht te worden gedaan. Verzoeken van de belastingschuldige (bijvoorbeeld uitstel van betaling) waaruit blijkt dat de onderneming in betalingsmoeilijkheden verkeert worden door de ontvanger ambtshalve als melding in aanmerking genomen. Het ontbreken van formele vereisten met betrekking tot de meldingsplicht zorgt echter in toenemende mate voor onduidelijkheid over de vraag of en wanneer een melding heeft plaatsgevonden. Een en ander wordt mede in de hand gewerkt door de werkwijze van de Belastingdienst waarin mondelinge klantcontacten in hoofdzaak via de Belastingtelefoon plaatsvinden. Het is dan lastig om in alle gevallen waarin betalingsproblemen telefonisch aan de orde komen, vast te stellen of er wellicht sprake is van een melding betalingsonmacht in de zin van de Invorderingswet. Als uit het telefonisch contact niet direct duidelijk is geworden dat men de bedoeling had melding te maken van de betalingsonmacht, heeft dat tot gevolg dat de Belastingdienst niet adequaat kan reageren op de ontstane betalingsproblematiek. Bovendien zorgt deze gang van zaken ook voor rechtsonzekerheid voor de bestuurder. Op hem rust namelijk de bewijslast dat hij aan de meldingsplicht heeft voldaan. Als zijn telefonische melding als zodanig niet wordt onderkend loopt hij het risico aansprakelijk gesteld te worden met het niet weerlegbare vermoeden van verwijtbaarheid.
Zowel vanuit de ontvanger als vanuit de bestuurder bezien is er dan ook aanleiding om een eind te maken aan de onduidelijke situatie die de huidige vormvrijheid met betrekking tot de melding betalingsonmacht geeft. Voor beiden geldt dat zij zich daaromtrent geen onduidelijkheden kunnen permitteren. Het belang van het op correcte wijze melden van betalingsonmacht is daarvoor te groot.
Door het toevoegen van de schriftelijkheidseis in de Invorderingswet zal het risico op misverstanden over de melding betalingsonmacht drastisch worden beperkt. Het begrip “schriftelijk” kan overigens ruim worden uitgelegd. Het veronderstelt iedere weergave van schrifttekens ongeacht wat de drager van die tekens is.26 Niet alleen een papieren melding maar ook een digitale melding van betalingsonmacht valt hieronder. De bestuurder kan zodoende op twee manieren melding van betalingsonmacht doen: hij kan op papier de betalingsonmacht melden. Daarvoor kan hij gebruik maken van een meldingsformulier dat te downloaden is van de website van de Belastingdienst. Voorts kan de bestuurder een digitale melding doen via een voorgestructureerd webformulier in het persoonlijk domein voor bedrijven. De wetswijziging treedt in werking op het moment, dat het webformulier in het persoonlijk domein gebruiksklaar is. Door middel van voorlichting zal deze wetswijziging onder de aandacht van de doelgroep worden gebracht.
Artikel III
Artikel III, onderdeel A (artikel 4 van de Wet op de loonbelasting 1964)
De in artikel 12a van de Wet LB 1964 opgenomen gebruikelijkloonregeling is gericht tegen situaties waarin wordt afgezien van salaris of een ongebruikelijk laag salaris is overeengekomen. Op grond van deze regeling wordt, heel kort gezegd, het loon van iemand die arbeid verricht ten behoeve van de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, ten minste gesteld op een gebruikelijk bedrag. In artikel 4, onderdeel d, van de Wet LB 1964 is een delegatiebevoegdheid opgenomen om in dergelijke situaties de arbeidsverhouding van de aanmerkelijkbelanghouder met de vennootschap aan te merken als dienstbetrekking. De tekst van deze bepaling wordt in lijn gebracht met de volgens dit wetsvoorstel te wijzigen tekst van genoemd artikel 12a. Bij aanvaarding van dit voorstel wordt het op deze delegatiebevoegdheid gebaseerde artikel 2h van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 dienovereenkomstig aangepast. De fictieve dienstbetrekking geldt ten aanzien van degene die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft.
Artikel III, onderdeel B (artikel 7 van de Wet op de loonbelasting 1964)
In deze bepaling is geregeld wie inhoudingsplichtig is voor het geval de arbeidsverhouding van een aanmerkelijkbelanghouder fictief als dienstbetrekking wordt aangemerkt. De tekst van artikel 7 van de Wet LB 1964 wordt in lijn gebracht met de volgens dit wetsvoorstel te wijzigen tekst van artikel 12a van de Wet LB 1964.
Artikel III, onderdeel C (artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964)
Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat de nieuw toegevoegde verzekeraar van pensioen, zijnde het elders in de Europese Unie of in een aangewezen staat van de Europees Economische Ruimte gevestigd eigen-beheerlichaam, ook als aanbieder voor loondervingstamrechten kan optreden.
Artikel III, onderdeel D (artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964)
Zoals in het algemene deel van deze memorie is aangegeven, wordt ter vermindering van administratieve lasten voorgesteld dat de gebruikelijkloonregeling niet meer van toepassing is als het gebruikelijke loon niet hoger is dan € 5 000. Tevens wordt voorgesteld de bepaling te stroomlijnen. Volgens de thans geldende tekst is artikel 12a van de Wet LB 1964 van toepassing ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft dan wel waaraan hij vermogensbestanddelen ter beschikking stelt, beide in de zin van de Wet IB 2001. Voorgesteld wordt dat de regeling van toepassing is ingeval de werknemer of diens partner een aanmerkelijk belang heeft in het lichaam waarvoor de arbeid wordt verricht. Ook in het geval alleen de partner een aanmerkelijk belang in het lichaam heeft, kan zich een situatie voordoen waartegen de gebruikelijkloonregeling is gericht. Het begrip partner wordt hier opgevat als dat voor de terbeschikkingstellingsregeling, dat is op dit moment niet alleen degene die formeel de partner van de belastingplichtige is (in het bijzonder de echtgenoot) maar ook degene die op grond van een materieel criterium als de partner van de belastingplichtige kan worden aangemerkt om materiële situaties van partnerschap, bijvoorbeeld situaties waarin een notarieel vastgelegde samenlevingsovereenkomst is gesloten. In verband hiermee wordt niet langer bepaald dat genoemd artikel 12a ook geldt als de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing is. Hiermee wordt de tekst van artikel 12a, eerste lid, vereenvoudigd.

In de gewijzigde tekst van artikel 12a, eerste lid, is vastgelegd dat de gebruikelijkloonregeling van toepassing is per lichaam waarvoor arbeid wordt verricht. Toepassing van de regeling kan dus niet worden afgeweerd met de stelling dat in het door een ander lichaam verstrekte loon rekening is gehouden met de werkzaamheden die zijn verricht in het andere lichaam. In zoverre is het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2005, nr. 40 421, onder meer gepubliceerd in BNB 2006/147, niet meer van belang. Hiermee wordt een eind gemaakt aan feitelijke discussies over de vraag wat al dan niet in een bepaald loon is verwerkt. Het is echter niet de bedoeling dat een aanmerkelijkbelanghouder met concernvennootschappen bij iedere concernvennootschap een gebruikelijk loon dient op te nemen. In dergelijke situaties kan de zogenoemde doorbetaaldloonregeling toepassing vinden (artikel 32d van de Wet LB 1964). Deze regeling kan ook door een dga worden toegepast in geval van een zogenoemd gedeeld ondernemerschap met andere dga’s via een praktijk-bv. De praktijk-bv treedt op naar “buiten”; elke aanmerkelijk belanghouder participeert in de praktijk-bv via zijn “eigen”-bv en is in dienstbetrekking bij de praktijk-bv; het bij de praktijk-bv verdiende loon is voor rekening van de “eigen”-bv. Er wordt dan materieel getoetst of, kort gezegd, de samenwerking en de financiële verhoudingen in de praktijk-bv vergelijkbaar zijn met die van vennoten in een vennootschap onder firma.42 Dan verantwoordt één vennootschap – in het algemeen de persoonlijke holding-bv – een loon dat gebruikelijk is ten opzichte van de totale arbeidsprestatie voor alle concernvennootschappen, met de bewijsregels die daarvoor in artikel 12a zijn gesteld. Dit wordt vastgelegd in het nieuwe tweede lid van artikel 12a.

Het nieuwe derde lid regelt dat de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing is als het gebruikelijke loon voor de arbeid in het lichaam en de tot hetzelfde concern behorende lichamen in het kalenderjaar niet hoger is dan € 5 000. Dit bedrag wordt, net als het normbedrag in de bewijsregel van artikel 12a, eerste lid, van thans € 40 000, niet naar tijdsgelang toegepast, evenmin als het bedrag van € 5 000 in artikel 3.16, vierde lid, van de Wet IB 2001 met betrekking tot het niet aftrekbaar zijn van een vergoeding voor arbeid door de partner in de onderneming van de belastingplichtige. Het begrip concern is niet gedefinieerd. Dit begrip moet materieel worden opgevat waarbij het geen verschil maakt of de aandelen in werkmaatschappijen door de belastingplichtige middellijk dan wel onmiddellijk worden gehouden. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de in het derde lid opgenomen regeling niet betekent dat over lonen van minder dan € 5 000 geen loonbelasting is verschuldigd. Feitelijk uitbetaald loon is aan de loonbelasting onderworpen. De wijziging houdt alleen in dat geen fictief loon wordt belast als – vooraf - van zo’n laag loon wordt afgezien: dat loon hoeft, met andere woorden, niet om fiscale redenen te worden betaald.

In het nieuwe vierde lid zijn begripsomschrijvingen opgenomen. Het gaat daarbij voor de toepassing van artikel 12a van de Wet LB 1964 om de begrippen partner en aanmerkelijk belang en verbonden lichamen. Het gaat dan bij de partner om de met de belastingplichtige verbonden persoon in de zin van artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, onder 10 tot en met 50, van de Wet IB 2001 en om het aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB 2001.


Artikel III, onderdeel E (artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964)
De waardering van vakantiebonnen op 99% van de nominale waarde is het sluitstuk van een langdurige discussie ten aanzien van het onderscheid in belastingheffing tussen vakantiegeld en vakantiebonnen. Vakantiebonnen worden met name gebruikt in bedrijfstakken waar van oudsher veel wordt gewerkt met kortlopende dienstverbanden. In plaats van loondoorbetaling op vrije dagen en uitbetaling van vakantiegeld, worden bij iedere loonbetaling vakantiebonnen verstrekt aan werknemers. De vakantiebon vertegenwoordigt een recht op loon over vakantiedagen en feest- en snipperdagen en/of recht op vakantiegeld. De werkgever koopt de vakantiebonnen in bij een vakantiefonds en verstrekt deze aan de werknemer die op gezette tijden de waarde van de vakantiebon kan verzilveren bij het vakantiefonds. De vakantiebon vormt een aanspraak die de hoofdregel volgt: aanspraak belast, uitkering vrij.

In het verleden heeft voor de waardering een bijzondere regeling gegolden waardoor de waarde gedurende lange tijd op 60% en later 75% van de nominale waarde is gesteld. De Hoge Raad43 heeft geoordeeld, dat het verschil tussen vakantiegeld en vakantiebonnen enig verschil in behandeling rechtvaardigt. Op zwaarwegende gronden van sociaal-economisch-politieke aard kon de regelgever in redelijkheid besluiten de ongelijke behandeling (tijdelijk nog te continueren en) slechts geleidelijk op te heffen. Vanaf 1997 zijn er behoedzaam stappen gezet om de bevoordeling door een lagere waardering van vakantiebonnen op te heffen. Dat heeft in 1998 geleid tot overgangsregeling waarbij stapsgewijs de waardering is aangepast tot 97,5% - thans geregeld in artikel 110 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 - van de nominale waarde in 2009. Gekozen is de bijzondere waarderingsregel, gelet op het structurele karakter, thans in artikel 13 van de Wet LB 1964 op te nemen. Met name aanpassing in de waardering heeft geleid tot een aanzienlijk lager gebruik van vakantiebonnen, maar verdwenen is het niet. In 2005 gold de regeling nog voor zo’n 293.000 werknemers, inmiddels is dat minder dan 70.000.

De tijd is rijp voor een structurele regeling. Gelijkschakeling door de omkeerregel toepasbaar te laten zijn voor vakantiebonnen (aanspraak vrij, uitkering belast) is op uitvoeringsgronden zeer bezwaarlijk vanwege het feit dat verzilvering plaatsvindt bij het vakantiefonds en valt daarom af.

De waardering op 99% van de nominale waarde heft het liquiditeitsnadeel op van de werknemer met vakantiebonnen – hij betaalt belasting per loontijdvak vooraf – ten opzichte van de werknemer met vakantiegeld – hij betaalt achteraf bij uitbetaling.


Artikel III, onderdelen F en H (artikelen 18h en 19b van de Wet op de loonbelasting 1964)
Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat de regelgeving rondom pensioen in eigen beheer voor in Nederland gevestigde lichamen ook gaat gelden voor eigen-beheerlichamen die elders zijn gevestigd in de Europese Unie of in een aangewezen staat van de Europees Economische Ruimte.
Artikel III, onderdeel G (artikel 19a van de Wet op de loonbelasting 1964)
De voorgestelde wijzigingen van artikel 19a van de Wet LB 1964 houden verband met de uitbreiding van toegelaten verzekeraars van pensioen met elders in de Europese Unie of in een aangewezen lidstaat van de Europees Economische Ruimte gevestigde eigen-beheerlichamen. De nieuwe aanbieder wordt opgenomen in artikel 19a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB 1964. Op grond van de tekst van deze bepaling moet het lichaam voldoen aan verschillende voorwaarden.

Allereerst geldt – zoals uit het voorgaande reeds volgt – voor de nieuwe aanbieder een vestigingsvereiste. Hij moet namelijk zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Verder geldt voor deze in de EU/EER gevestigde eigen-beheerlichamen dat zij de pensioenverplichting moeten rekenen tot het binnenlandse ondernemingsvermogen van de staat waarin zij zijn gevestigd. De voorwaarde komt overeen met de regeling die geldt voor binnenlandse eigen-beheerlichamen. Zie in dit verband het bepaalde in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB 1964.

In aanvulling daarop geldt verder dat het desbetreffende lichaam aannemelijk moet maken dat het lichaam is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Deze voorwaarde is ontleend aan het bij dit wetsvoorstel voorgestelde artikel 13, elfde lid, van de Wet Vpb 1969 en dient dienovereenkomstig de toelichting op die bepaling te worden opgevat. Dit brengt onder meer mee dat het lichaam aannemelijk moet maken dat de bedoelde belasting over de winst ook feitelijk is betaald. Dat het lichaam zowel subjectief als objectief aan een winstbelasting moet zijn onderworpen heeft ten doel de eigen-beheerlichamen uit de EU en de EER op dezelfde wijze te behandelen als binnenlandse eigen-beheerlichamen. Ook voor laatstgenoemde pensioenlichamen geldt immers dat zij subjectief en objectief zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting (vgl. artikelen 4, aanhef en onderdeel b, en 5, tweede lid, van de Wet Vpb 1969).

Voorts moet worden voldaan aan de in het tweede lid van artikel 19a van de Wet LB 1964 gestelde voorwaarde. Diezelfde voorwaarde geldt voor binnenlandse eigen-beheerlichamen. Kort gezegd komt deze voorwaarde hierop neer dat het lichaam uitsluitend als verzekeraar kan optreden ter uitvoering van pensioenovereenkomsten die het lichaam heeft gesloten met een directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in de Pensioenwet.

Verder moet het lichaam door de inspecteur zijn aangewezen en zich tegenover hem verplichten om te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de pensioenregeling. Een vergelijkbare voorwaarde geldt thans ook voor pensioenfondsen en lichamen die bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefenen in de zin van artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB 1964. Daarnaast dient het lichaam zich tegenover de inspecteur te verplichten om inlichtingen te verschaffen over de bepaling van de winst van het lichaam. Deze voorwaarde wordt gesteld om buiten twijfel te stellen dat deze informatie noodzakelijk is om aannemelijk te maken dat het lichaam is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing.

Ten slotte dient het lichaam ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid te aanvaarden voor de invordering van de belasting die wordt verschuldigd bij toepassing van artikel 19b, ofwel artikel 3.83, eerste of tweede lid, of artikel 3.136, derde, vierde of vijfde lid, of artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze voorwaarde komt overeen met het bepaalde in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB 1964, in verbinding met artikel 10d, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

De voorgestelde wijziging van het derde lid regelt dat ter zake van de aanwijzingsregeling voor EU/EER eigen-beheerlichamen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld. Deze delegatiebepaling geldt eveneens voor pensioenfondsen en lichamen die bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefenen als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB 1964.


Artikel III, onderdeel H (artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964)

Dit onderdeel is toegelicht bij de in artikel III, onderdeel F, opgenomen wijziging van artikel 18h van de Wet LB 1964.


Artikel III, onderdeel I (artikel 36c van de Wet op de loonbelasting 1964)
Voor een toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar de toelichting op de wijziging van artikel 10a.4 van de Wet IB 2001, zoals opgenomen in artikel I, onderdeel FF.
Artikel III, onderdeel J (artikel 38 van de Wet op de loonbelasting 1964)
Met het laten vervallen van artikel 38 van de Wet LB 1964 repareert het kabinet, zoals in het algemeen deel is toegelicht, de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad inzake de belastingheffing bij internationale pensioenregelingen. Vanwege het arrest zijn uitkeringen ingevolge een pensioenregeling van een internationale organisatie vrijgesteld van belastingheffing, voor zover deze uitkeringen kunnen worden toegerekend aan volgens de Nederlandse regels tot het loon behorende aanspraken die tot en met 31 december 1994 zijn opgebouwd, ook als daar feitelijk noch in Nederland noch in het buitenland over is geheven. Dit resultaat druist in tegen het uitgangspunt van de Wet IB 2001 dat bij een pensioenregeling (al dan niet van een internationale organisatie of van een buitenlandse mogendheid) óf de uitkeringen óf de aanspraken worden belast en een dubbele vrijstelling dus niet mogelijk is. Volgens het arrest van de Hoge Raad kan dat uitgangspunt in de situatie van het arrest niet worden toegepast, omdat het in de Wet LB 1964 opgenomen overgangsrecht derogeert aan dit uitgangspunt.

Artikel 38 van de Wet LB 1964 is bij amendement in de Wet LB 1964 opgenomen en stelt uitkeringen en verstrekkingen ingevolge op 31 december 1994 bestaande, onzuivere en derhalve tot het loon behorende aanspraken vrij van loon- en inkomstenbelasting. Uit het arrest blijkt dat artikel 38 van de Wet LB 1964 een verstrekkend toepassingsbereik heeft ten aanzien van de belastingheffing over internationale pensioenregelingen. Artikel 38 van de Wet LB 1964 gaat volgens het arrest voor op het bepaalde in artikel 3.82 van de Wet IB 2001. Daardoor zijn de uitkeringen ook vrijgesteld indien de tot en met 31 december 1994 toegekende aanspraken weliswaar op grond van de Nederlandse regels tot het loon behoren, maar over deze aanspraken geen belasting is geheven. Door het arrest kan het voor de inkomstenbelasting geldende uitgangspunt ter zake van de belastingheffing over pensioenen in zoverre geen toepassing meer vinden.

Het kabinet stelt daarom voor artikel 38 van de Wet LB 1964 te laten vervallen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat ter zake van internationale pensioenregelingen het voor de inkomstenbelasting geldende uitgangspunt dat óf de aanspraken óf de uitkeringen belast worden, toepassing kan blijven vinden. Daarnaast heeft het laten vervallen van artikel 38 van de Wet LB 1964 een vereenvoudiging van de uitvoering van de belastingheffing over pensioenuitkeringen ingevolge een internationale regeling als bijkomend voordeel.

In theorie heeft het laten vervallen van artikel 38 van de Wet LB 1964 ook gevolgen voor binnenlandse aanspraken (dat wil zeggen: aanspraken, opgebouwd in het kader van een in Nederland vervulde dienstbetrekking) die voor 1 januari 1995 zijn opgebouwd en toen tot het loon behoorden (onzuivere pensioenaanspraken). De verwachting van het kabinet is evenwel dat in de praktijk nauwelijks binnenlandse aanspraken onder het bereik van het overgangsrecht zullen vallen. Immers, ook in de periode vóór 1995 was het gebruik slechts (pensioen)aanspraken toe te kennen die in overeenstemming waren met de destijds geldende fiscale vereisten, zodat de omkeerregel (aanspraak vrijgesteld, uitkeringen belast) kon worden toegepast. Uitkeringen uit binnenlandse onzuivere aanspraken die niet feitelijk tot het loon zijn gerekend, kunnen overigens reeds met toepassing van artikel 10, vierde lid, van de Wet LB 1964 tot het inkomen gerekend worden.


Artikel III, onderdeel K (artikel 39a van de Wet op de loonbelasting 1964)
Artikel 39a van de Wet LB 1964 bevat de voor het jaar 2009 verlengde overgangsregeling met betrekking tot “loon over”. Als de inhoudingsplichtige met betrekking tot verstreken loontijdvakken binnen het kalenderjaar loon verstrekt, is het de inhoudingsplichtige toegestaan dat loon overeenkomstig een door hem bestendig gevolgde gedragslijn aan de desbetreffende loontijdvakken toe te rekenen, zo nodig door middel van het indienen van correctieberichten. Dat loon wordt voor de berekening van de inhouding gerekend tot het loon van het desbetreffende loontijdvak en wordt geacht in die tijdvakken te zijn genoten. Deze regeling werkt door naar de andere loonheffingen die bij het fiscale loon aansluiten en naar de inkomstenbelasting van de werknemer. Omdat de eenduidige loonaangifte tot 1 januari 2011 is uitgesteld, wordt voorgesteld de overgangsregeling ook voor het jaar 2010 te laten gelden. Invoering van de eenduidige loonaangifte vindt overigens niet eerder plaats dan na afronding van de in artikel XVII, zesde lid, van Overige fiscale maatregelen 2009 vastgelegde voorhangprocedure.
280).
Artikel XX
Artikel XX (samenloopbepaling ten aanzien van artikel 32d van de Wet op de loonbelasting 1964)
De in artikel 32d van de Wet LB 1964 opgenomen doorbetaaldloonregeling kan, zoals gezegd, ook door een dga worden toegepast in geval van een zogenoemd gedeeld ondernemerschap met andere dga’s via een praktijk-bv. Er wordt dan materieel getoetst of de samenwerking en de financiële verhoudingen in, kort gezegd, de praktijk-bv vergelijkbaar zijn met die van vennoten in een vennootschap onder firma.

De wettekst wordt achterhaald als het voorstel van wet tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek (28 746) tot wet wordt verheven en in werking treedt.

In verband hiermee wordt voorgesteld “vennootschap onder firma” op dat moment overeenkomstig bedoeld titel 7.13 te vervangen door “openbare vennootschap”. Het gaat om samenwerking voor gemeenschappelijke rekening van twee of meer personen, de vennoten, welke samenwerking is gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten door middel van inbreng door ieder van de vennoten. Een inhoudelijke wijziging van artikel 32d van de Wet LB 1964 wordt hiermee niet beoogd.
Artikel XXI
Artikel XXI (inwerkingtreding)
Het wetsvoorstel treedt ingevolge artikel XXI, eerste lid, in werking met ingang van 1 januari 2010.

Met betrekking tot de mogelijkheid om aanslagen en bepaalde voor bezwaar vatbare beschikkingen te corrigeren indien deze ten gevolge van een fout onjuist zijn vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, is onmiddellijke inwerkingtreding niet gewenst. Daarom is geregeld dat de wijziging van de navorderingsregeling en daaraan verwante regelingen geldt ten aanzien van aanslagen of beschikkingen die zijn vastgesteld of genomen op of na de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging.

In het derde lid wordt voorgesteld om de nieuwe regeling voor het opbouwen van een pensioen in eigen beheer terug te laten werken tot en met 15 september 2009. Dit is de dag van indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De in artikel XII, onderdeel C, opgenomen wijziging van de artikelen 95a en 102a van de Wet op de accijns treedt in werking met ingang van 1 april 2010. De reden hiervoor is opgenomen bij de toelichting op dat onderdeel.

De in artikel XV, onderdeel A, voorgestelde aanpassing van de verwijzing in artikel 30, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken naar artikel 1, derde lid, van de AWR werkt terug tot en met 1 augustus 2008, nu de wijziging van artikel 1, vierde lid, van de AWR per 1 augustus 2008 is aangebracht.

De in artikel XVII, onderdeel C, opgenomen wijziging van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De reden hiervoor is opgenomen in het algemene deel van deze memorie.

Het zevende lid bepaalt dat de versoepeling van het tonnageregime voor grote schepen en scheepsmanagers terugwerkt tot en met 1 januari 2009. Bij een winstberekening over een gebroken boekjaar 2008/2009 vindt de wijziging toepassing op het gedeelte van het boekjaar vanaf 1 januari 2009.

Het achtste lid bepaalt dat de rectificatie van artikel XI van de wet van 1 juli 2009, houdende Fiscaal stimuleringspakket en overige fiscale maatregelen (Stb. 280), terugwerkt tot en met 31 december 2009.


De Staatssecretaris van Financiën,



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina