Wild en grillig. Het bewogen leven van Willem F. G. L. Kusse



Dovnload 164.3 Kb.
Pagina1/4
Datum23.07.2016
Grootte164.3 Kb.
  1   2   3   4
Wild en grillig. Het bewogen leven van Willem F.G.L. Kusse.

1830 was in de Lage Landen het jaar van de opstand van het Zuiden tegen het Noorden, die resulteerde in de geboorte van het Koninkrijk België. 1830 was ook het geboortejaar van die intrigerende bloedverwant van mij, die het “noord-zuid-conflict” als het ware in de genen had. Die werd geboren in het Noorden, maar op een plek zo dicht tegen de grens dat je gsm er zich in het Zuiden waant. Die een protestantse vader had en een katholieke moeder, en zou trouwen met een katholiek meisje van Vlaamse ouders. Die 30 jaar later verzeild zou raken in weer een confrontatie tussen Noord en Zuid, maar nu op het westelijk halfrond, en met een omgekeerd resultaat. En wiens voornamen getuigen van het dilemma waarvoor zijn ouders zich gesteld vonden, van hun noodzaak partij te kiezen: Willem Frederik George Lodewijk. De voornamen van de Nederlandse kroonprins, de latere koning Willem II, held - zij het niet onomstreden - in de Slag bij Waterloo, die het einde markeerde van het Napoleontische tijdperk.

Zou het leven dat mijn bloedverwant ging leiden eer doen aan zijn koninklijke en heroïsche voornamen? Lees verder en oordeel zelf!

Ouderlijk huis en gezin

Willem Frederik George Lodewijk Kusse1 zag het levenslicht in IJzendijke op 6 december 1830.2 Drieënhalve maand eerder had zijn vader Jozias een huis met moeshof en boomgaard gekocht in het uiterste noordoosten van de Grote Jonkvrouwpolder, aan de oude steenweg van IJzendijke naar Biervliet3. Deze weg liep vanuit het centrum van IJzendijke naar het noordoosten, aan de linkerzijde van de Grote Jonkvrouwpolder, en boog voorbij het huis van Jozias naar rechts, langs de dijk van de Ameliapolder die behoorde tot de gemeente Biervliet. Aan de andere kant van de dijk, op 50 passen van zijn nieuwe huis, stond de ouderlijke boerderij van Jozias, waar hij op 17 oktober 1807 was geboren en in augustus 1830 nog woonde met zijn broers Jannis en Pieter. Hun ouders Abraham Kusse4 en Susanna de Reu waren er overleden in respectievelijk 1825 en 18135.





Fragment van de kaart van de gemeente Biervliet van 1866 uit de Gemeente Atlas (tekenaar: Jacob Kuyper). Waar “Buitenlust” staat stond de hofstede van Abraham Kusse. De pijl wijst naar de plek waar de gelijknamige herberg van zijn zoon Jozias Kusse, die tegenwoordig “t oude tolhuis” heet, staat, op het grondgebied van de toenmalig gemeente IJzendijke.



Hofstede “Buitenlust”, zoals geschilderd in 1924 door de IJzendijkse kunstenaar Charel Varin. Hier woonde in de eerste decennia van de 19de eeuw het gezin van Abraham Kusse en Susanna de Reu, de grootouders van Willem. Het huis is na de oorlog afgebroken. In het nieuwe huis, bewoond door Alex en Benita Haverbeke, hangt dit schilderij aan de muur.

Het huis in de Grote Jonkvrouwpolder zou vanaf 1831 bekend staan als herberg “de Buitenlust”, welke naam ook de boerderij van Abraham Kusse getooid heeft. Tot zijn dood in 1879 heeft Jozias de herberg uitgebaat, waarna zijn weduwe Angelina van de Voorde en zijn op één na jongste zoon Jozias Frederik de zaak tot 1897 voortzetten. Het huis bestaat nog, maar heet nu “t oude tolhuis”. Helemaal onjuist is die naam niet, want uit de inventaris van de nagelaten goederen van Jozias6 blijkt dat hij het tolgeld inde langs de weg van IJzendijke naar Biervliet. Zijn herberg stond immers op de grens tussen beide gemeenten.





De voormalige herberg “De Buitenlust” in de Grote Jonkvrouwpolder te IJzendijke. Gefotografeerd door de auteur op 30 juni 2007.

Het is verleidelijk bij de foto van dit goed geconserveerde huis te vermelden dat onze hoofdpersoon er geboren is, maar hiermee zouden we de waarheid geweld aandoen. In het koopcontract was namelijk bepaald dat Jozias pas op 3 mei 1831 in het gebruik van het huis zou komen. Bovendien blijkt uit de geboorteakte van Willem dat hij werd geboren in de wijk “binnen”, nummer 36. Herberg “de Buitenlust” lag echter in de wijk “buiten” en had in de jaren 1830 het nummer 149. Het huis “binnen, nr. 36” heb ik (nog) niet kunnen identificeren. Misschien stond het vlak bij de in 1922 afgebroken houten standaardmolen in de Molenstraat, want de molenaarswoning had toen het nummer 35. Dat zou mooi passen in de levensloop van Willem, zoals straks zal blijken. Maar ik kan niet bewijzen dat het ook klopt.7 In ieder geval mogen we stellen dat Willem is opgegroeid in het huis op de foto. Zijn broertje Pieter werd er geboren op 1 april 1832, en daarna al zijn andere broers en zussen.

Hoewel zijn ouders pas vlak vóór zijn geboorte in het huwelijk traden was Willem niet de oudste. Op 5 maart 1828 had zijn moeder al mijn betovergrootvader Jannis Josephus Kusse ter wereld gebracht. De volgende dag toonde Jozias, toen landman te Biervliet, dit kind op het stadhuis van IJzendijke en bekende hij de vader te zijn. De verschillende denominaties - Jozias was van huis uit protestant en Johanna Catharina rooms-katholiek -, zullen mogelijk een tijdig huwelijk in de weg hebben gestaan. Toch lijken de families Kusse en Waatjes voordien al met elkaar bevriend te zijn geweest. Toen Johanna Catharina’s moeder Elizabeth de Witte op 14 december 1814 hertrouwde met Constantin Bernardus Vermeire, trad Jozias’ vader Abraham Kusse op als getuige. Hij was een “goede bekende” van de bruid. Helaas leefden Abraham Kusse en Elizabeth de Witte in 1828 niet meer, zodat ze het huwelijk van hun kinderen niet hun zegen konden geven.

In het bevolkingsregister van IJzendijke van 1826-1842 staan Willem en zijn broers en zussen, evenals hun vader, te boek als hervormd, maar in dat van 1843-1850 als rooms-katholiek, op de pater familias na. Na de dood van Johanna Catharina Waatjes zou Jozias Kusse nog drie keer trouwen (zie de korte genealogie in de bijlage). Alle drie echtgenotes waren rooms-katholiek. Wellicht voelde Jozias zich meer thuis tussen de katholieken of was hij uit de gratie geraakt bij zijn hervormde streekgenoten?

Willem had in totaal dertien broers en zussen. De drie jongsten, uit het laatste huwelijk van zijn vader met Angelina van de Voorde, werden geboren toen Willem al uit huis was. Acht kinderen overleden op jonge leeftijd. Hieruit zou je kunnen afleiden dat het gezin het niet breed had. Toch duiden de eerdergenoemde inventaris uit 1879 en de akte van boedelscheiding uit 18838 niet op extreme armoede. Naast de herberg liet Jozias twee arbeidershuisjes (ook in de Grote Jonkvrouwpolder) na, die verhuurd werden, en enig land, dat hij beboerde. Wel was er sprake van meer schulden dan baten voor zover het de roerende zaken betrof. Maar met de waarde van het onroerend goed meegerekend was er een batig saldo van ruim f 1.500. Geen vetpot, maar ik ben armere gezinnen tegengekomen.

Geen van de broers en zussen van Willem kreeg meer dan twee voornamen, laat staan koninklijke. Het kan haast niet anders dan dat de ouders een speciale bedoeling hadden met de opmerkelijke naamkeuze voor hun tweede kind. Een protestantse jongen met een katholiek meisje; een buiten de echt geboren eerste kind; een buiten de echt verwekt tweede kind. Voeg daarbij dat de vader van het meisje geboren was in Watervliet, dus aan de “verkeerde” kant van de zich (op)nieuw vormende grens. Het zal de plaatselijke bevolking, en zeker het protestants-orangistische deel, te denken hebben gegeven. Meenden de ouders de twijfels van hun buren weg te kunnen nemen met de vernoeming van hun zoon naar de Nederlandse kroonprins? Stonden ze er bij stil dat zulke beladen voornamen wel eens een wat al te zware last zouden kunnen zijn voor een eenvoudige plattelandsjongen?



Vliegende start

In 1852 vinden we Willem terug als molenaarsknecht in Aardenburg. Een verrassende carrièrekeuze, want molenaars zijn in de familie Kusse verder niet te vinden. Waarschijnlijk was hij in de leer bij Cornelis de Smit. Het is immers zijn houten korenwindmolen in de bedijkte Aardenburgse Haven, die Willem dat jaar kocht, blijkens de akte van overdracht die op 4 juni 1852 werd verleden voor notaris Servaes van den Broecke.9 De molen is te situeren aan de noordkant van de huidige N58, tegenover het gehucht Draaibrug. Toen ik in 2006 een fietstocht maakte door de omgeving vond ik het restant van de stenen molen die Maarten Aalbregtse er in 1870 liet bouwen op de plek van de houten molen van Willem (zie foto). Volgens de buren was de plek verlaten sinds de weduwe Aalbregtse 10 jaar eerder was overleden.





Fragment van de kaart van de gemeente Aardenburg van 1866 uit de Gemeente Atlas (tekenaar: Jacob Kuyper). Het pijltje wijst de plek aan waar Willems molen stond.

Overblijfsel van de molen van de familie Aalbregtse, op de plek waar in de jaren 1850 de houten korenmolen van Willem Kusse stond. Gefotografeerd door de auteur in het voorjaar van 2006.

Keren we terug naar de akte van overdracht. Omdat Willem nog minderjarig is wordt hij bijgestaan door zijn vader Jozias. De molen zal Willem vanaf 1 juli vrijelijk kunnen gebruiken, maar de woning pas vanaf 1 november. Willem moet flink in de buidel tasten. De koop wordt gesloten voor een som van f 7.000. Hiervan heeft Willem al f 3.000 betaald. De resterende schuld ad f 4.000 blijft voorlopig openstaan tegen 4½ % intrest per jaar en onder verband van de molen en toebehoren. Willems vader en oudste broer stellen zich borg.

Je vraagt je af waar Willem zo maar eventjes f 3.000 vandaan haalde. Het antwoord ligt besloten in een andere akte die op dezelfde 4 juni 1852 werd verleden voor notaris Van den Broecke. Hierin leent Petrus Leopoldus de Grave, landbouwer te Zuidzande, f 3.000 tegen 4½ % intrest per jaar van Bernardus Josephus Doens, landman in ruste te Oostburg. Jozias Kusse staat borg voor de schuldenaar.10 Petrus Leopoldus de Grave is de vader van Judica, met wie Willem op 28 juni in het huwelijksbootje zal stappen. Willem zal die f 3.000 dus geleend hebben van zijn aanstaande schoonvader!

Op zijn 21ste had onze hoofdpersoon al vrouw, molen en een schuld van f 7.000. Dit zou hem nog lelijk opbreken!



Nood breekt wet

De eerste jaren van hun huwelijk waren ogenschijnlijk gelukkig voor Willem en Judica (die we in het vervolg “Julia” zullen noemen, omdat ze het in latere jaren zelf ook deed). Binnen drie jaar werden hun twee zoons geboren: Petrus Leopoldus op 8 augustus 1853 en Johannes Josephus 27 januari 1855. En, belangrijker nog: de kinderen bleven in leven, wat gezien de hoge kindersterfte van die tijd en plaats gerust als een zegen van boven mocht worden opgevat. Maar het geluk zou niet lang blijven duren.

Op 12 augustus 1856 veroordeelde het Provinciaal Gerechtshof van Zeeland Willem tot een gevangenisstraf van een jaar. Helaas is het arrest zelf niet aan ons overgeleverd, omdat het met de rest van het archief van het Hof in 1945 verloren is gegaan in het bombardement van de Haagse wijk Bezuidenhout door onze Engelse bondgenoten. Vriendelijk vuur, zeg maar. Gelukkig verschaffen de inschrijvingsregisters van het Huis van Justitie te Middelburg11 en de Strafgevangenis te Middelburg12 ons enig inzicht in wat Willem misdaan had.

Willem zou medeplichtig zijn geweest aan drie nachtelijke diefstallen uit een schuur bij een bewoond huis. De medeplichtigheid van Willem bestond in het “bewust inruilen en vermalen van het gestolene tegen genot”. Dat “gestolene” zal ongetwijfeld graan zijn geweest. Andere leden van deze bende waren Jacobus en Isaac Hendrikse uit Retranchement, die drie jaar aan de broek kregen, en het echtpaar Philippus Franciscus Hendrikse en Jannetje de Roo, eveneens wonende te Retranchement, die beiden een half jaar moesten zitten.13 Philippus Franciscus was geboortig van Brugge, zijn vrouw van Nieuwvliet.

Van 12 augustus 1856 tot en met 11 augustus 1857 zat Willem in de Strafgevangenis te Middelburg. Een verzoek om gratie, ingediend door zijn vrouw Judica, werd door de Minister van Justitie afgewezen.14 Volgens het signalementsregister was hij 1,70 meter lang, rooms katholiek, korenmolenaar te Aardenburg, 25 jaar oud, en was het Nederduits zijn "gewone taal". Verdere uiterlijke kenmerken: rond aangezicht van bleke kleur, rond voorhoofd, spitse neus, gewone mond, dikke kin met een put erin, blauwe ogen, bruine wenkbrauwen en blond haar. Hij tekende met "W Kusse".15

We zullen nooit met zekerheid weten wat Willem bewogen heeft tot zijn misstap - verondersteld dat de rechters het bij het rechte eind hadden met hun veroordeling -, maar de zware hypotheek op zijn molen zal toch wel een rol hebben gespeeld. De gevolgen zijn desastreus te noemen. Op 1 juli 1856 (Willem zal in voorarrest hebben gezeten) moesten Julia en de kinderen de molen verlaten en verkassen naar de Herenweg nr. 347 in de Isaebellapolder te Aardenburg. De molen werd overgenomen door Maarten Aalbregtse16. En tot overmaat van ramp overleed tijdens Willems gevangenschap het op 20 mei 1856 geboren dochtertje Angelica Johanna.

Na Willems ontslag uit de gevangenis volgde tweeënhalf jaar van werkloosheid. Ondertussen werden nog twee meisjes geboren: op 26 juli 1858 Maria Louisa, die nog geen 3 maanden later overleed, en op 20 oktober 1859 Louisa Maria, die een half jaar later een begrafenis op zee zou krijgen.

Go West!

Het mag een wonder heten dat Willem en Julia het met hun gezin zo lang hebben uitgehouden zonder ogenschijnlijke bron van inkomsten. Ze zullen waarschijnlijk geholpen zijn door hun familie en vrienden. Wellicht heeft Julia nog wat kunnen verdienen met een klusje hier of daar, maar aanwijzingen daarvoor ontbreken. Het zag er hoe dan ook somber uit voor het nog jonge gezin. In Aardenburg en omgeving zou Willem met zijn reputatie wel nooit meer aan de bak komen. Tijd om de horizon te verleggen. Go West!

Op 20 maart 186017 vertrokken Willem en Julia met hun drie kinderen en Willems jongere broer Abraham Jacobus (Abram) Kusse, die in navolging van zijn oudste broer Jannis Josephus voor smid had geleerd, naar Amerika. Omdat zij zelf geen geld hadden voor de overtocht hadden Willem en Abraham Jacobus ieder f 250 geleend van hun vader Jozias, wat was vastgelegd in een akte voor notaris Hermanus Gerard Hammacher te Groede.18 In Rotterdam gingen zij met 10 andere passagiers, onder wie drie Duitsers, aan boord van het schip van kapitein J.H. Stellman. Ze arriveerden op 9 mei 1860 in de haven van New York. Geheel voorspoedig was de reis niet verlopen, want hun vijf maanden oude dochtertje haalde de overkant niet.19

Hoe het Abram in de Nieuwe Wereld is vergaan is duister. Volgens de eerder aangehaalde akte van boedelscheiding van zijn vader Jozias uit 1883 zou hij in 1865 zonder nageslacht en zonder testament zijn overleden. Hopelijk duikt er nog eens een brief of akte op die ons wat leert over zijn avonturen in Amerika. Over het verdere leven van Willem zijn wij heel wat beter geïnformeerd, niet in de laatste plaats door het zeer uitgebreide pensioendossier dat bewaard wordt bij de National Archives in Washington D.C. Onlangs werd mij het gehele dossier in fotokopievorm toegestuurd (voor 75 Amerikaanse dollars, wat geen cent te veel is!). Tenzij anders vermeld zal de informatie uit de rest van deze minibiografie ontleend zijn aan dit dossier.



Op de Hollandse Berg

Milwaukee in de staat Wisconsin is in de eerste plaats een stad van Duitse immigranten. Dit uit zich vandaag nog in het grote aanbod van bier en vette worst. Minder bekend is dat er ook een Nederlandse wijk was die luisterde naar de naam “Dutch Hill” of “Hollandsche Berg”. Volgens Prof. Henry S. Lucas was dit de hoger gelegen grond ten noordwesten van de vlakten langs de Milwaukee River, voorbij Chestnut Street (tegenwoordig East Juneau Avenue). Hier kwamen sinds de jaren 1840 verschillende Zeeuwse en Gelderse families wonen. Het aantal Nederlanders zou begin jaren 1850 zes- tot zevenhonderd hebben bedragen, op een totale bevolking van zesduizend.20

Op de “Hollandsche Berg” moeten Willem en zijn gezin zich niet lang na aankomst in Amerika hebben gevestigd. Uit verklaringen in zijn pensioendossier van buren en Willem zelf blijkt dat hij al in deze buurt woonde vóór zijn martiale avonturen in augustus 1861 een aanvang namen (waarover straks meer). Mogelijk was hij erheen geleid door Abraham Engels, een zwager van zijn oom Jannis Kusse. Abraham Engels en zijn vrouw Johanna Orlebeke waren in 1848 met hun kinderen uit Retranchement vertrokken21 en woonden in 1860 in Milwaukee, in de “9th Ward”, waarin de “Hollandsche Berg” gelegen was.”22 Willems oom Pieter Kusse had met zijn vrouw Elizabeth de Nijs en hun drie kinderen (er waren er al acht overleden!) in 1854 de oversteek al gewaagd. Zij woonden in 1860 in Wayne, Passaic in de staat New Jersey.23 Misschien zijn Willem en Julia onderweg naar Milwaukee nog bij hun oom Pieter en tante Elizabeth24 langsgegaan (Wayne ligt minder dan 50 km van New York City). We weten het niet.

In 1880 woonde het gezin van Willem en Julia in 16th Street, nummer 537. Inmiddels was het gezin uitgebreid met dochter Anna (Annie), geboren op 6 december 1864, en William (Billy), geboren op 1 november 1869.25 Het adres in 1880 kennen we uit de federale volkstelling van dat jaar (de zogenaamde US Federal Census). Die “censussen” werden eens per tien jaar gemaakt, maar voor Milwaukee zijn ze niet allemaal bewaard gebleven. Zo is de census van 1870 helaas verloren gegaan.26 De adressenboeken (City Directories) van Milwaukee van 1876-1877 en 1879 geven als adres het nummer 540 (wel in 16th Street), maar dat zou hetzelfde huis kunnen zijn vóór een hernummering. Vanaf 1880 tot 4 dagen voor zijn dood in 1901 zou William op het adres 537, 16th Street blijven wonen.27 Tegenwoordig is de nummering anders, maar waarschijnlijk stond het huis van Willem en Julia in het blok tussen Walnut Street en Galena Street. Je kunt daar een kijkje nemen via Google Maps!



Opnieuw noord tegen zuid

Op 12 april 1861 vielen de afscheidingsgezinde zuidelijke troepen het federale Fort Sumter in South Carolina aan. Dit ontketende de Amerikaanse Burgeroorlog.28 De krijg mag voor de meesten een gruwel zijn, sommigen biedt hij nieuwe perspectieven. Zo ook Willem. Op 6 augustus van hetzelfde jaar nam hij dienst bij de US Navy. Volgens de officiële documenten in zijn pensioendossier zou hij tot 8 oktober 1861 gediend hebben op de “North Carolina”, vervolgens tot 15 juli op de “Ottawa”, en daarna nog anderhalve week op de “Norwich”. Op 25 juli 1862 zwaaide hij af.

Willem zelf zou 30 jaar later beweren dat hij alleen op de “Ottawa” had gediend.29 Dat zullen we maar toeschrijven aan zijn geheugenproblemen, want de Ottawa werd pas op 7 oktober 1861 in gebruik genomen. Ze was een “steam gunboat” die werd ingezet bij de blokkade van de wateren van de Carolina’s, Georgia en Florida. Tijdens Willems diensttijd was ze onder meer betrokken bij de verovering van Fort Walker en Fort Beauregard in South Carolina op 7 november 1861 en de verovering van Fernandina, Florida op 4 maart 1862.30 Of Willem zich verdienstelijk heeft gemaakt door krijgshaftige handelingen valt te betwijfelen. Hij was “coal heaver”, vrij vertaald kolenschepper.



Laatste stuk uit de verklaring van Willem tegenover “Special Examiner” Erdman van 18 januari 1895, waarin hij onder meer verklaart enkel op de “Ottawa” te hebben gediend. Uit het pensioendossier van Willem Kusse, bewaard in de National Archives te Washington D.C., Verenigde Staten.

Na een adempauze van bijna anderhalf jaar vervolgde Willem zijn militaire loopbaan in 1864, maar dan te land. Op 4 januari werd hij door Captain Tillapaugh als “Private” geworven voor “Company E” van het 24ste regiment van de “Wisconsin Infantry”.31 Hij tekende voor een periode van drie jaar. Op 19 februari 1864 sloot hij zich in Loudon, Tennessee als rekruut aan bij zijn compagnie. Op 9 juni 1865, toen de oorlog al was beslecht in het voordeel van het Noorden, werd Willem getransfereerd naar Company K van het 13de regiment (Wisconsin Infantry). Vijf dagen later zwaaide hij definitief af als militair.32

Het 24ste regiment van de Wisconsin Infantry werd ook wel het “Milwaukee Regiment” genoemd, omdat ongeveer tweederde van de oorspronkelijke 1001 man, verdeeld over tien compagnieën, uit Milwaukee kwam.33 In de maand augustus 1862 werd het regiment gevormd en kwam onder leiding te staan van kolonel Charles Larrabee. Company E, waarvan Willem deel zou gaan uitmaken, was een fusie tussen de “Plankinton Rangers”34, onder leiding van Duncan “Cam” Reed, en de “Rough and Readys” van David Horning uit Wauwatosa. Aanvankelijk had Cam Reed de leiding van de compagnie, maar nadat hij door laf gedrag in de “Battle of Stones River”35 (hij veinsde ziek te zijn om zo niet aan de gevechten te hoeven deelnemen) uit het regiment was gebonjourd, kreeg David Horning het heft in handen. Hij werd gepromoveerd tot kapitein en bleef tot het eind van de oorlog de nummer één van zijn compagnie.

Het “Milwaukee Regiment” stond bekend als vechtregiment. Toen Willem ervan deel ging uitmaken had het al vier bloedige veldslagen achter de rug36 en was het aantal fitte strijders nog geen kwart van de aanvankelijke 1001. Begin mei 1864, met Willem in de gelederen37, werd het regiment ingezet in de “Atlanta Campaign” onder leiding van General William T. Sherman. Het regiment werd toen geleid door de 18-jarige Arthur McArthur, bijgenaamd de “Boy Colonel”.

Willem zal betrokken zijn geweest in een aantal veldslagen in Georgia, onder meer die van Resaca en Adairsville. Beide waren weinig succesvol. Op 31 mei 1864 schreef Datus “Date” Worth38 aan zijn ouders dat Company E sinds het begin van de Atlanta Campaign negen man had verloren (doden en gewonden). Onder de gesneuvelden van Willems compagnie waren Dolph Walter en Peter Bernges. Joe Singer, ook van Company E, verloor op 27 mei bij schermutselingen nabij Dallas, Georgia, een deel van zijn schedel, waardoor zijn hersenen bloot kwamen te liggen. Hij overleefde zijn verwondingen, maar zou nooit meer de oude zijn.39

Begin juli telde Willems compagnie nog maar vijftien of zestien man. Capt. David Horning was rond die tijd ernstig gewond geraakt. De compagnie zal ook verliezen hebben geleden in de voor de federale troepen desastreus verlopen “Battle of Kennesaw Mountain” op 27 juni 1864.40

De laatste grote veldslag waaraan Willem moet hebben meegedaan was die van Peach Tree Creek, een paar mijl ten noorden van Atlanta, op 20 juli 1864.41 Deze werd wel door de Union gewonnen. Daarna was Willem vaker ziek dan niet, zoals we straks zullen zien als we zijn medisch dossier lichten.

Twaalf ambachten …

Hoewel het kopje wat overdreven is, valt op dat Willem diverse stielen heeft geprobeerd, maar geen enkele lang heeft volgehouden.

Dat zijn carrière als molenaar op een mislukking uitdraaide is reeds uitvoerig besproken. Na aankomst in Milwaukee heeft hij nochtans geprobeerd als molensteenscherper42 zijn brood te verdienen. Mogelijk werkte hij in de molen die Jan Grootemaat in de jaren 1850 bouwde op Dutch Hill.43 Erg lang kan hij dit niet hebben gedaan, want op augustus 1861 nam hij dienst bij de US Navy, als kolenschepper. Het is moeilijk voor te stellen dat Willem het molensteenscherpen heeft ingeruild voor een baan als kolenschepper, ver weg van zijn gezin, omdat hij het laatste leuker vond.

Wat Willem heeft gedaan in de anderhalf jaar tussen zijn tijd bij de marine en zijn tijd bij de infanterie heb ik niet kunnen achterhalen. Bij de Wisconsin Infantry was hij drie maanden lang (april-juni 1864) de kok van zijn compagnie.44 Daarna was hij hoofdzakelijk ziek.

Na de oorlog zou hij gewerkt hebben als hovenier45, arbeider46, landbouwer47 en dagloner48. Waarschijnlijk deed hij los werk, voor zover zijn fysiek het toeliet. Zijn buurman en huisbaas Cornelius van de Fehren49, die op nummer 570 van 16th Street woonde, verklaart op 24 januari 1895 aan “Special Examiner” A. Erdman van het “Pension Office”50 dat Willem een dagloner geweest is, maar dat hij de laatste pakweg 14 jaar vanwege zijn zwakke gestel niet meer in staat is geweest hele dagen te werken.51

Hoewel Willem in de US Federal Census van 1900 nog te boek staat als dagloner lijkt het niet waarschijnlijk dat hij na 1890 nog een baan heeft gehad. De verklaringen in zijn pensioendossier van medici, familieleden en buren laten er weinig twijfel over bestaan dat Willem niet meer in staat was tot enige fysieke arbeid. En voor andersoortige arbeid had hij niet geleerd.





Voorkant van de originele verklaring van 24 september 1890, gedaan voor notaris Henrietta C. Rex, waarin Willem Kusse verzoekt om een invaliditeitspensioen als oorlogsveteraan. In 1895 zal hij ontkennen dat de handtekening rechtsonder van hem is. Uit het pensioendossier van Willem Kusse, bewaard in de National Archives te Washington D.C., Verenigde Staten.



Fragment uit de verklaring van Willem Kusse, afgelegd tegenover “Special Examiner” A. Erdman op 18 januari 1895. Willem verklaart in 1892 een onjuiste verklaring afgelegd te hebben over de kwetsuur aan zijn linkerhand en –pols. Bovendien verklaart hij dat de handtekening onder de originele verklaring van 24 september 1890 niet van hem is. Uit het pensioendossier van Willem Kusse, bewaard in de National Archives te Washington D.C., Verenigde Staten.


  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina