Woordbouw opdrachtkaart 1



Dovnload 0.77 Mb.
Pagina1/9
Datum23.07.2016
Grootte0.77 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9

WOORDBOUW

opdrachtkaart 1:

oude naamvalsvormen & uitdrukkingen

6

6.1

weetkaart:

oude naamvalsvormen & uitdrukkingen


OPDRACHT


Schrijf de blauwe woorden uit de zin op, schrijf daarachter de betekenis.

Doe het zo: in feite - werkelijk


1. in feite

werkelijk

2. in aller ijl

heel vlug

3. in levenden lijve

levend

4. in koelen bloede

zonder gevoel

5. ten langen leste

na lange tijd

6. Mark ten voeten uit.

echt iets voor Mark

7. te berge rijzen.

overeind gaat staan

8. te hulp schieten.

helpen

9.’s avonds

in de avond

10.’s morgens

in de morgen

11.’s winters

in de winter

12.’s zondags

werkelijk op zondag


WOORDBOUW

opdrachtkaart 1:

Werkwoorden scheidbare samenstellingen

6

5.1

weetkaart:

Werkwoorden scheidbare samenstellingen


OPDRACHT
Schrijf de zinnen over. Zet een streep onder alle scheidbare samenstellingen. De eerste zin is voorgedaan. Let op: sommige samenstellingen staan los van elkaar in de zin!
1. Mark doet geen oog dicht.

2. Gisteren heeft hij ook geen oog dichtgedaan.

3. Als hij zijn plan uitvoert, wil hij fit zijn.

4. Hij heeft nog nooit zo’n groot plan uitgevoerd!

5. Ineens ontdekt Mark dat de nieuwe dag aanbreekt.

6. Ik heb niet eens gemerkt dat de maan is neergedaald!

7. Ik zou wel eens willen weten waar die uithangt overdag!

8. Ooit zal ik weten waar die neerdaalt.

9. Maar nu is de nieuwe dag aangebroken.

10. Ik ga aan Rosa vertellen waar ik heb uitgehangen.





WOORDBOUW

opdrachtkaart 1:

voornaamwoorden/verwijswoorden

6

3.1

weetkaart:

voornaamwoorden/verwijswoorden


OPDRACHT


Schrijf de zinnen over en vul in elke zin het juist woord in.

Let op: alle woorden worden slechts één keer gebruikt!





1. Stekelbaard is vriendelijk.

2. Mark zwemt met hem mee.

3. Hij is nieuwsgierig.

4. Ze praten met elkaar.

5. “Woon jij al lang hier?”

6. “Ja, ik ben hier geboren.”

7. “En waar komt u vandaan?”




WOORDBOUW

opdrachtkaart 1:

Woordvorming: samenstellingen & afleidingen

6

1.1

weetkaart:

Woordvorming: samenstellingen & afleidingen


OPDRACHT
Schrijf de zinnen over. Schrijf de samenstelling erachter.
1. Een kever die bolletjes mest maakt, is een mestkever

2. De harde zwarte platen op zijn rug zijn rugplaten

3. Een baviaan met een mantel van haar, is een mantelbaviaan

4. Zijn mantel is zo grijs als zilver. Zijn mantel is dus zilvergrijs

5. Een slak is niet zo snel als de bliksem. Hij is dus niet bliksemsnel

6. De beelden zijn zo hoog als een toren. Ze zijn torenhoog



LET OP!

7. Een jakhals is een dier dat rooft. Het is een roofdier

8. Een nijlbaars is een vis die niet rooft. Het is dus geen roofvis

9. Een aal die siddert is een sidderaal




WOORDBOUW

opdrachtkaart 1:

Werkwoorden: enkelvoud/ meervoud

6

4.1

weetkaart:

Werkwoorden: enkelvoud/ meervoud


OPDRACHT
Schrijf de zinnen over en vul het goede woord in.





1. Rosa gaat naar Mark.

2. Mark gaat een stukje opzij.

3. Bert en Irene stoten elkaar aan.

4. Walter kijkt de andere kant op.

5. Stefan en tante Cleo kijken elkaar aan.

6. Oom Simon en Brian gaan naar de kant.

7. Tante Sabrina stoot haar neus.

8. Tante Cleo is een monster.

9. Zij is gewoon jaloers.

10. Rosa en Mark zijn niet verliefd.

11. Zij zijn gewoon hele goede vrienden.

12. Ik ben lui joh! Heerlijk!

13. Ben jij ook zo lui?

14. Nee, jij bent echt moe, he?



WOORDBOUW

opdrachtkaart 1:

Werkwoorden: overigen

6

7.1

weetkaart:

Werkwoorden: overigen


OPDRACHT
Schrijf de zinnen over in je schrift. Onderstreep in elke zin de persoonsvorm rood en het andere werkwoord blauw. De eerste zin is voorgedaan.
1. Je hebt me lang niet alles verteld.

2. Waarom ben je hier gekomen?

3. Ik heb van Tom een opdracht gekregen.

4. Ben jij zijn hulpje geworden?

5. Hij heeft mij een opdracht gegeven.

6. Zijn armen zijn korter geworden.

7. Is hij gekrompen?

8. Hebben jullie dat niet gehoord?

9. Ze wilden niet goed luisteren.

10. We zijn hier al eerder geweest.





WOORDBOUW

opdrachtkaart 1:

Werkwoorden: persoonsvorm

6

2.1

weetkaart:

Werkwoorden: persoonsvorm


OPDRACHT


Schrijf de zinnen over en zet een streep onder de persoonsvormen van de werkwoorden hebben en willen.
1. Ik heb een voorgevoel.

2. Heb jij dat niet?

3. Jij hebt vast ook wel eens een voorgevoel.

4. Iedereen heeft dat wel eens.

5. Jullie hebben het vast ook.

6. Ik wil naar huis.

7. Maar jij wilt dat niet.

8. Waarom wil jij dat niet?

9. Wat voor een dier wil nou een ander dier in de war maken?

10. De meeste dieren willen dat niet.





WOORDBOUW

opdrachtkaart 2:

oude naamvalsvormen & uitdrukkingen

6

6.2

weetkaart:

oude naamvalsvormen & uitdrukkingen


OPDRACHT


Schrijf de blauwe woorden uit de zin op, schrijf daarachter de betekenis.

Doe het zo: staan oog in oog. – staan tegenover elkaar








1. staan oog in oog.

staan tegenover elkaar

2. wendt zijn ogen af.

kijkt expres niet

3. likt zijn lippen af.

wil dit graag opeten

4. Verslindt met huid en haar?

eet helemaal op

5. trekt zijn lippen op.

laat zijn woede zien

6. de huid vol schelden?

erg uitschelden




WOORDBOUW

opdrachtkaart 2:

Werkwoorden scheidbare samenstellingen

6

5.2

weetkaart:

Werkwoorden scheidbare samenstellingen


OPDRACHT
Schrijf de zinnen over en zet een rode streep onder alle scheidbaar samengestelde werkwoorden. Schrijf achter elke zin de woordenboekvorm die erbij hoort.

De eerste zin is al voor gedaan. Let op: deze kaart telt voor twee kaarten!


1. Geesje loopt naar het bos, maar ineens staat ze stil. - stilstaan

2. Ze kijkt naar links en ze loopt door. - doorlopen

3. Ze komt bij een eik en kijkt omhoog. - omhoogkijken

4. Ze gakt en gaat terug. - teruggaan

5. Gaat Kaka mee, of blijft die in de eik? - meegaan

6. Nee, Kaka komt mee, want ze is nieuwsgierig. - meekomen

7. Geesje broedt haar ei uit, want dat kan Kaka niet. - uitbroeden

8. “Misschien komt het ei nu uit!” denkt Kaka blij. - uitkomen

9. Kaka is blij, omdat haar ei misschien uitkomt. - uitkomen

10. Ze roept alsmaar blij terwijl ze rondvliegt. - rondvliegen

11. Geesje wil dat Kaka daarmee ophoudt. - ophouden

12. “Ik word doodnerveus als je zo tekeergaat!” - tekeergaan

13. Kaka houdt ermee op, omdat Geesje dat zegt. - ophouden

14. Ze denkt stilletjes na, terwijl ze bij het nest staat. - nadenken



15. Als ze het jong vasthoudt, roept ze: “Koekoek!” - vasthouden



WOORDBOUW

opdrachtkaart 2:

voornaamwoorden/verwijswoorden

6

3.2

weetkaart:

voornaamwoorden/verwijswoorden


OPDRACHT


Schrijf de zinnen over en vul steeds het juiste woord in.

Let op: alle woorden worden slechts één keer gebruikt!





1. Egypte is ver weg.

2. Het is een mooi land.

3. Het heeft beelden die heel hoog zijn.

4. Sommige zijn wel twintig meter hoog.

5. Dat wil ik wel eens zien!

6. Is dit de weg naar Egypte?

7. Ja, we moeten deze kant op.


WOORDBOUW

opdrachtkaart 2:

Woordvorming: samenstellingen & afleidingen

6

1.2

weetkaart:

Woordvorming: samenstellingen & afleidingen


OPDRACHT
Maak twee rijen woorden in je schrift. Een rij samenstellingen en een rij andere woorden.


apenhaar

slaapwandelen

geluidje

rimpelloos

bleekneus

slaapkop

gevaar

begraven

linkeroever

wijsneus

griezelig

dapper

maanmannetje

maanbaviaan

onzichtbaar

wakker







onleesbaar

bemesten







mantel

maandag



WOORDBOUW

opdrachtkaart 2:

Werkwoorden: enkelvoud/ meervoud

6

4.2

weetkaart:

Werkwoorden: enkelvoud/ meervoud


OPDRACHT
Schrijf de zinnen over en vul de juiste vorm (ev/mv) van het werkwoord in.





1. Tante Cleo lacht gemeen.

2. Die vogeltjes smaken lekker.

3. Zij lust er nog wel een.

4. Ze hapt wild met haar bek.

5. Rosa draait zich om.

6. Twee vissen happen naar lucht.

7. Ze lachen haar uit.

8. Dan draaien ze zich gauw om.

9. Krokodillen lusten graag vis.

10. Van alle vis smaakt de baars het best.


WOORDBOUW

opdrachtkaart 2:

Werkwoorden: overigen

6

7.2

weetkaart:

Werkwoorden: overigen


OPDRACHT
Schrijf de zinnen over in je schrift. Onderstreep in elke zin de persoonsvorm rood, en het andere werkwoord blauw. De eerste zin is voorgedaan.
1. Is Marleen te laat gekomen?

2. Heeft zij haar reis voor niets gemaakt?

3. Ik heb mijn opdracht niet uitgevoerd.

4. Ik ben mislukt, volkomen mislukt.

5. Je hebt je best gedaan!

6. U bent nog niet ingepakt.

7. De anderen zijn verdwenen.

8. Die hebben minder geluk gehad.




WOORDBOUW

opdrachtkaart 2:

Werkwoorden: persoonsvorm

6

2.2

weetkaart:

Werkwoorden: persoonsvorm


OPDRACHT


Schrijf de zinnen in je schrift en zet een streep onder de persoonsvorm. De eerste zin is voorgedaan.

Let op: deze taalkaart telt voor twee kaarten!
1. Onno en Amber lopen voorop.

2. Lopen ze expres heel hard?

3. Coen en mama lopen langzaam.

4. Lopen er ook zwijntjes in het bos?

5. Verderop lopen drie koeien met lang haar.

6. Papa loopt heel sloom.

7. Coen loopt veel sneller.

8. Loopt Onno het hardst?

9. Hee! Loopt daar een zwaantje?

10. Nee. Daar loopt een gans.

11. Onno en Amber liepen voorop.

12. Liepen ze te hard?

13. Papa liep naar een bankje.

14. Liep mama naar het theehuis?

15. Er liepen veel dieren in het bos.

Let op! 16. Er liep een gans, er liepen koetjes en er liep… een hondje!




WOORDBOUW

opdrachtkaart 3:

oude naamvalsvormen & uitdrukkingen

6

6.3

weetkaart:

oude naamvalsvormen & uitdrukkingen


OPDRACHT

Schrijf de zinnen over en maak elk zin goed af.

Doe het zo: Rosa hangt aan zijn lippen.





1. Rosa hangt aan zijn lippen

2. Spitst zij ook haar oren?

3. Zuigt Mark van alles uit zijn duim?

4. Hij is erg in zijn nopjes.

5. Maar Rosa fronst haar wenkbrauwen.

6. Is zij ineens uit haar humeur?

7. Als iets tegenvalt, kijk je op je neus.

8. Als je zorgen hebt, heb je iets aan je hoofd.

9. Als je niks wilt zeggen, houd je je mond

10. Als iemand boos op je is, krijg je op je kop.

11. Als je ineens heel boos wordt, schiet je uit je slof.

12. Maar als je gelukkig bent, heb je het naar je zin.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina