Word just in the world loves Dutch trance



Dovnload 481.35 Kb.
Pagina5/14
Datum22.07.2016
Grootte481.35 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

1.4 Het belang van cultuurbeleid

Om een land te positioneren binnen het wereldcultuurstelsel moet er goede cultuurpolitiek gevoerd worden, te beginnen met een goed internationaal cultuurbeleid (Crane, 2002). De Swaan (1991) stelt dat Nederlands cultuurbeleid de dominantie van het wereldcultuurstelsel als gegeven heeft te nemen. Hij stelt dat cultuurbeleid alleen maar te begrijpen is in de context van de internationalisering van de cultuur en de opkomst van een wereldcultuurstelsel. De Nederlandse overheid houdt er een ietwat andere visie op na 'een sterk internationaal cultuurbeleid met uitwisseling van talent en topinstellingen als voornaam aandachtspunt biedt de mogelijkheid kunstenaars en kunstinstellingen tot op het hoogste niveau te laten groeien. Ze kunnen zich spiegelen aan en laten inspireren door voorbeelden uit het buitenland' (Ministerie van OCW, 2007: 5).

Cultuurbeleid is de plaats waar machtsstrubbelingen op nationaal en internationaal niveau worden gevoerd om internationaal beleid en prioriteiten voor culturele globalisering uit te zetten en weerstand te bieden aan de dreigende verspreiding van nationale of regionale media (Crane, 2002). Het is een politiek instrument dat door landen ingezet wordt om te controleren wat het land inkomt en uitgaat. De mate waarin een land succesvol is in haar reactie op de druk die culturele globalisering meebrengt heeft grote consequenties voor de toekomst van de cultuur van een land. Overheden en culturele organisaties kunnen verschillende strategieën aanwenden om hun cultuur te behouden, beschermen en verbeteren.

Op internationaal niveau zijn er binnen het cultuurbeleid drie doelen te onderscheiden: het beschermen van de cultuur van een land tegen dominantie van andere landen (protectionisme), het creëren en behouden van internationaal heersende beelden van het land, of bepaalde regio's of steden in het land, en het ontwikkelen en beschermen van internationale markten en locaties voor de internationale export van het land. Cultuurbeleid kan zo bezien een kader bieden voor de cultuur van een land, het geeft aan hoe de leiders van een land de eigen cultuur beschouwen en welke waarde zij toekennen aan de verschillende aspecten ervan. Strategieën die landen, culturele organisaties en wereldsteden aanwenden om hun cultuur te behouden, beschermen en verbeteren zijn onder meer het conserveren en beschermen van nationale en lokale culturen, het verzetten tegen globale cultuur, het globaliseren van nationale of lokale cultuur en het creëren, of herscheppen, van nationale culturele voorwerpen voor de globale export (Crane, 2002).



Nationaal cultuurbeleid


Een sterk internationaal cultuurbeleid vereist in de eerste plaats een nationaal cultuurbeleid. Volgens Robinson et al. (1991) is het voeren van nationaal cultuurbeleid een van de manieren om de nationale culturele productie en de lokale creativiteit te bevorderen. Het Nederlandse cultuurbeleid is gebaseerd op drie overtuigingen, die op drie verschillende momenten in de Nederlandse geschiedenis vorm hebben gekregen. Belangrijke personen hierin zijn achtereenvolgens Johan Rudolf Thorbecke, Victor de Stuers en Emanuel Boekman. Ten eerste is er de liberale overtuiging dat kunst en cultuur in een democratische rechtsstaat inhoudelijk vrij zou moeten zijn, de gedachte aan staatskunst wordt verworpen. De tweede overtuiging wordt gevormd door het idee dat cultureel erfgoed in dit land het waard is om beschermd te worden en dat de overheid hierin een actieve rol moet spelen. De derde overtuiging is de socialistische overtuiging deelname aan artistieke en culturele activiteiten op een actieve of passieve wijze te activeren binnen het Nederlandse overheidsbeleid om cultuurdeelname te stimuleren (Ministerie van OCW/Boekmanstudies, 2007).

Aan het begin van de twintigste eeuw bemoeide de Nederlandse overheid zich slechts zeer beperkt met de kunstbeoefening. Culturele activiteiten vonden plaats binnen de verschillende geloofszuilen, en het stimuleren van kunst en cultuur werd in eerste instantie aan het particuliere initiatief overgelaten. De overheid zag haar taak vooral in het aan banden leggen van wat zij ontoelaatbaar achtte. Kort na de inval van de Duitsers in 1940 werd de staatszorg voor de cultuur drastisch gereorganiseerd en genazificeerd en werd gebroken met de liberale Nederlandse traditie (Meijers, 2003; Van der Plas, 2003; Ministerie van OCW/Boekmanstudies, 2007). De eerste vijftien jaar na de bevrijding leefde men in Nederland in de overtuiging dat de westerse beschaving werd bedreigd door een massale morele en culturele ontworteling. De overheid beschikte vanwege de wederopbouw over een sober bestedingspatroon, toch vond zij dat ze verantwoordelijkheid moest dragen voor de cultuur in haar verschillende facetten. Zowel de bezetter als het kunstenaarsverzet hebben bijgedragen aan een gunstiger klimaat voor overheidsbemoeienis met cultuur. In de loop van de jaren vijftig namen de uitgaven snel toe. Tot de jaren zestig was de politiek van mening dat de subsidiëring van de Nederlandse cultuur tijdelijk zou zijn (Ministerie van OCW/Boekmanstudies, 2007). In de jaren zestig kwam hier verandering in en nam het aantal gesubsidieerde instellingen substantieel toe. Culturele activiteiten en instellingen werden gezien als voorzieningen van algemeen belang die door de gemeenschap moesten worden bekostigd (Nuchelmans, 2002). Mede door de stijging van het nationale inkomen raakte het kunstbeleid in de jaren zestig en zeventig in een stroomversnelling (Ministerie van OCW/Boekmanstudies, 2007).

De Nederlandse overheid acht het vanzelfsprekend dat er ruimte is voor individuele zelfontplooiing, ook op creatief gebied. Om de door haar maatschappelijk gewenste situatie van vrijheid en ontplooiing in stand te houden speelt de overheid drie verschillende rollen, die te bundelen zijn in drie hoofdgroepen van beleid: erfgoed, media en de kunsten. Met betrekking tot erfgoed richt de overheid zich op behoud, bescherming en het toegankelijk maken. Op het gebied van media richt de overheid zich op toegankelijkheid en pluriformiteit. Wat betreft de kunsten richt de overheid zich op garantie van een kwalitatief hoge en gevarieerde productie. Het belangrijkste instrument voor de realisatie van dit beleid zijn subsidies. In het cultuurbeleid dat Nederland de laatste jaren voert zijn drie belangrijke pijlers te vinden, het behoud van cultuur (cultureel erfgoed), ontwikkeling van cultuur (zorg voor de huidige scheppende en uitvoerende kunstenaars) en spreiding van cultuur (bevordering van cultuurdeelname) (Ministerie van OCW, 2007; Ministerie van OCW/Boekmanstudies, 2007).

Internationaal cultuurbeleid


Esselink en Driessen (2008) geven aan dat presentatie van Nederlandse kunstenaars in het buitenland van groot belang wordt geacht, onder andere omdat confrontatie en samenwerking met andere culturen en buitenlandse kunstenaars leidt tot verrijking en inspiratie van de Nederlandse cultuur. Het Nederlandse kwaliteitsniveau en de relevantie van de Nederlandse kunst- en cultuurpraktijk worden op deze manier getoetst aan internationale criteria.

De Nederlandse overheid is pas laat, vanaf de jaren tachtig, gaan denken over internationaal beleid (Ministerie van OCW/Boekmanstudies, 2007; Robinson et al. 1991; Nuchelmans, 2002). Voor die tijd bestonden er enkel internationale verdragen, waarbinnen bilaterale betrekkingen op het gebied van cultuur werden opgenomen. Internationalisering brengt enerzijds de noodzaak van het herformuleren van een nationale en collectieve culturele identiteit, en biedt anderzijds grote kansen op contacten met andere culturen. De mogelijkheden om Nederlandse kunsten en erfgoed in het buitenland te presenteren worden door internationalisering vergroot. Het internationaal cultuurbeleid is er om de kansen die internationalisering biedt optimaal te benutten.

Het huidige internationale cultuurbeleid van de Nederlandse overheid is in de eerste plaats gericht op het zichtbaar maken van de Nederlandse cultuur in het buitenland, en in de tweede plaats op het beschermen van de eigen cultuur. Internationale uitwisseling en ontmoeting zijn belangrijke inspiratiebronnen voor vernieuwing en professionalisering in de kunsten en het cultureel erfgoed (Ministerie van OCW, 2007). De vijf doelen die in het internationaal cultuurbeleid gesteld worden zijn de presentatie van Nederlandse cultuur in het buitenland, de verrijking en inspiratie van Nederlandse cultuur door ontmoeting en samenwerking met andere culturen en buitenlandse kunstenaars, de toetsing van het kwaliteitsniveau en de relevantie van de Nederlandse kunst- en cultuurpraktijk aan internationale criteria, het behoud van cultureel erfgoed dat Nederland deelt met andere landen, en imagoversterking van Nederland en zijn cultuur (Ministerie van OCW, 2006). Internationale uitwisseling stelt ons niet alleen in staat kennis te maken met culturen en uitingen van andere landen, het houdt ons ook een spiegel voor waardoor we de eigen prestaties beter kunnen beschouwen (Ministerie van OCW, 2007). Internationale reflectie biedt ons inzichten in en kennis van onze cultuur (Ministerie van OCW, 2006).

Het Nederlandse kabinet wil ervoor zorgen dat Nederland op het gebied van de kunsten zijn koppositie in internationaal opzicht behoudt, versterkt, dan wel verkrijgt (Ministerie van OCW, 2007). Instrumenten die de overheid inzet ter bevordering van de Nederlandse cultuur over de grens zijn subsidies aan individuen en gezelschappen, de zogenaamde 'Holland-huizen', ambassades, biënnales en festivals, en het aangaan van samenwerkingsverbanden. Financiering van deze verschillende instrumenten vindt plaats door HGIS-cultuurmiddelen (Homogene Groep voor Internationale Samenwerking), Culturele Ambassadeprojecten, subsidies in het kader van de Cultuurnota, fondsen, private fondsen, projectmatige en financiële ondersteuning, en informatie door de Economische Voorlichtingsdienst (EVD) en EU-kaderprogramma's (Ministerie van OCW, 2006).



Sectorspecifiek beleid: muziek


Binnen het cultuurbeleid van de Nederlandse overheid zijn, zoals eerder gesteld, drie hoofdgroepen van beleid te onderscheiden, erfgoed, de kunsten en media. Binnen deze drie hoofdgroepen wordt er in het huidige beleid aandacht besteed aan verschillende sectoren: Amateurkunst en Cultuureducatie, Archieven, Architectuur, Stedenbouw, Monumenten, Archeologie en Landschap, Beeldende kunst en Vormgeving, Bibliotheken, Film, Intercultureel cultuurbeleid, Internationaal cultuurbeleid, Letteren, Media, Musea, Dans, Muziek en muziektheater, en Theater (Ministerie van OCW, 2007).

Binnen de muzieksector richt de overheid zich op het waarborgen van van de hoge kwaliteit van (live)muziek. Ook spreiding, diversiteit, vernieuwing en publieksbereik acht zij van groot belang (Ministerie van OCW, 2007). De rol van de overheid is hierbij meer voorwaardenscheppend dan sturend; een belangrijke rol is weggelegd voor de verschillende fondsen die verantwoordelijk zijn voor het subsidiebeleid en voor sectorinstituten die verantwoordelijk zijn voor de ondersteuning van producerende instellingen.



Toegenomen aandacht voor de popmuziek


Eerder in deze thesis kwam aan de orde dat de popmuziek sinds haar introductie in Nederland ruim vijftig jaar geleden een enorme ontwikkeling heeft doorgemaakt en is uitgegroeid van overlastbrenger tot een serieus en dominant aanwezig cultureel fenomeen, vertegenwoordigd in een volwaardige en professionale bedrijfstak, op zowel nationaal als internationaal niveau (Nuchelmans, 2002). Waar het cultuurbeleid van de Nederlandse overheid zich lange tijd enkel op vormen van 'hoge' cultuur richtte en popmuziek als vorm van 'lage' cultuur buiten beschouwing liet, heeft de popmuziek sinds de jaren tachtig langzaam maar zeker een plaats weten te verwerven in het huidige cultuurbeleid, als serieuze kunstvorm.

Ondersteuning in de vorm van subsidie gaat bij popmuziek voornamelijk indirect, via podia, festivals en productiehuizen. Om echt vernieuwende genres een kans te geven en het aanbod van kwalitatief hoogwaardige popmuziek te vergroten acht het Ministerie van OCW structurele ondersteuning aan artiesten, podia en media-infrastructuur noodzakelijk (Ministerie van OCW, 2007).

De Nederlandse overheid toont niet alleen op nationaal niveau meer en meer betrokkenheid bij de ondersteuning van de Nederlandse popmuziek, ook het belang van de export van de Nederlandse popmuziek wordt in steeds grotere mate erkend. De nationale en internationale ondersteuning van de Nederlandse popmuziek vindt plaats vanuit verschillende ministeries: het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Economische Zaken. De ministeries geven samen invulling aan het internationaal cultuurbeleid, hierbinnen zijn verschillende belangen te onderscheiden.
Het Ministerie van OCW: de culturele waarde van (pop)muziek

Het Ministerie van OCW richt zich in de eerste plaats op de intrinsieke waarde van cultuur. Het ministerie schept voorwaarden voor het behoud en voortbestaan van cultuur, daar cultuur wordt gezien als een basisbehoefte (Ministerie van OCW, 2008). Argumentatie voor de subsidiëring van cultuur legt de overheid in het feit dat cultuur een collectief en een zogenaamd merit good is, iets waarvan het gunstig wordt geacht dat mensen er toegang toe krijgen, vanuit het klassieke ideaal van volksverheffing (Ministerie van OCW, 2007). In aansluiting hierop is het vooral de sterke interculturele component van de popmuziek die het Ministerie van OCW (2007) roemt. Popmuziek draagt bij aan onderlinge binding en zingeving, het geeft duiding aan het leven. Het is onlosmakelijk verbonden met cultuur, en in de huidige maatschappij onmisbaar bij de ontwikkeling van de mens als individu en de samenleving als geheel (Ter Bogt, 1997; Ministerie van OCW, 2007). Popmuziek kan bijdragen aan het bewerkstelligen van maatschappelijke en sociale doelen.

Het Ministerie van OCW (2007) erkent dat optredens in het buitenland van groot belang zijn voor het Nederlandse muziekleven. Ook is het volgens het Ministerie van OCW van belang dat in Nederland kennis genomen wordt van internationale ontwikkelingen, en dat er de mogelijkheid bestaat om kennis uit te wisselen. Nicolaï en Van der Laan (Ministerie van OCW, 2006) geven aan dat het bij de concrete invulling van het strategische overheidsbeleid van belang is zich mede te laten inspireren door het beeld dat in het buitenland van Nederland bestaat. Zij stellen dat juist buitenlandse deskundigen ons een spiegel kunnen voorhouden waarin we onze sterktes en zwaktes kunnen zien.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken: de maatschappelijke waarde van popmuziek

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderschrijft dat spiegeling aan en inspiratie door het buitenland van groot belang zijn voor kunstenaars (Rijksoverheid, 2011). Zij heeft echter ook een ander belang bij de export van de Nederlandse cultuur, in dit geval de popmuziek. Voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken is in het bijzonder de maatschappelijke waarde van cultuur interessant, op het gebied van culturele diplomatie. 'Cultuur opent deuren in de buitenlandse politiek en kan discussie en maatschappelijke veranderingen op gang brengen, thuis en in het buitenland' (Ministerie van OCW, 2008: 2). Cultuur kan de positie van Nederland in het buitenland versterken, ook waar het gaat om het uitdragen van beleid op het gebied van bijvoorbeeld ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten. Cultuur kan op internationaal niveau worden ingezet om politieke en/of maatschappelijke doelstellingen te realiseren.
Het Ministerie van Economische Zaken: de economische waarde van popmuziek

Cultuur en creativiteit worden van groot belang geacht voor de Nederlandse economie. Creativiteit is een essentieel element in een moderne kenniseconomie, mede omdat cultuur ook indirecte, externe effecten heeft (Ministerie van Economische Zaken/Ministerie van OCW, 2005; Ministerie van OCW, 2007). Het belang dat het Ministerie van Economische Zaken heeft bij cultuur en creativiteit in eigen land is in het bijzonder terug te vinden bij het cultureel erfgoed en de podiumkunsten. Deze vormen van cultuur dragen bij aan de aantrekkelijkheid van steden voor zowel toeristen als de creatieve klasse. 'Een dynamisch cultureel en creatief klimaat van hoge kwaliteit vergroot de aantrekkelijkheid van Nederland om in te verblijven, om in te werken en om in te ondernemen' (Ministerie van Economische Zaken/Ministerie van OCW, 2005: 8).

Het belang dat het Ministerie van Economische Zaken heeft bij cultuur en creativiteit over de grens is te vinden op het gebied van export, de export van cultuur is belangrijk voor de Nederlandse economie (Rijksoverheid, 2011). Popmuziek is een vorm van cultuur die zich zeer sterk beweegt zich op de commerciële markt. De Nederlandse overheid erkent met betrekking tot de economische waarde van de Nederlandse popmuziek dat niet alleen exploitatie op de nationale markt van belang is; voor een gezonde, op continuïteit gestoelde muziekindustrie is ook succesvolle exploitatie in het buitenland van groot belang (Perfect and More, 2010). Muziek die alleen op de nationale markt verkocht wordt, krijgt in Nederland te maken met een exploitatieplafond, dat door de teruglopende markt van de geluidsdrager steeds lager is komen te liggen. Wil een Nederlandse act voldoende inkomsten genereren om winst te maken, en om noodzakelijke budgetten voor nieuwe producties vrij te kunnen maken dan is het voor de muziekindustrie noodzakelijk om ook in het buitenland succes te boeken (Perfect and More, 2010). Buitenlands succes wordt van steeds groter belang om te overleven. Met een steeds kleiner wordende markt, waarin het volume van de muziekmarkt terugloopt door fysieke verkopen, worden binnen de muziekindustrie de kansen steeds minder groot.

Succesvolle buitenlandexploitatie draagt daarnaast bij aan een economisch meer gezonde muziekindustrie en leidt tot een bloeiende muziekcultuur. Door het buitenlandse succes van artiesten binnen bepaalde genres, de dance, metal, jazz en punk/rock, krijgen steeds meer Nederlandse popartiesten de kans om zich als zodanig te profileren (Perfect & More, 2010).



Sectorinstituten en fondsen


Om succesvolle exploitatie van populaire muziek op de buitenlandse markt te stimuleren stelt de Nederlandse overheid via verschillende wegen financiële middelen beschikbaar, zowel via sectorinstituten als via fondsen. De sectorinstituten (o.a. Muziek Centrum Nederland4) zijn onder andere verantwoordelijk voor de internationale vertegenwoordiging en promotie. De fondsen (o.a. Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten+5 en Prins Bernhard Cultuurfonds6) zijn verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van subsidiebeleid. Zij stellen regelingen beschikbaar voor het ondersteunen van internationale activiteiten van popmuzikanten. Zij zien in dat de groeiende exportpositie van de Nederlandse popmuziek kansen biedt voor de sector. Ten slotte is er de vanuit de markt gefinancierde organisatie Buma Cultuur7.

Er is door het Ministerie van OCW, het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Buitenlandse zaken een speciaal programma in het leven geroepen om de export van de Nederlandse popmuziek te stimuleren (MusicXport.nl). Dit programma wordt uitgevoerd door de organisatie Buma Cultuur, in samenwerking met Muziek Centrum Nederland. Los daarvan stelt het Ministerie van Economische Zaken geld beschikbaar voor starters op buitenlandse markten, waar ook popmuzikanten een aanspraak op kunnen doen (Prepare2Start).





1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina