Wording van gelre vanaf karel de grote (742-814)



Dovnload 66.99 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte66.99 Kb.


WORDING VAN GELRE VANAF KAREL DE GROTE (742-814)
Karel de Grote kon zijn gouwgraven niet betalen, omdat er in het Frankische rijk nu eenmaal weinig edel metaal in omloop was, sinds de oosterse landen waar dat metaal vandaan moest komen, door de veroveringen van de moslims voor West-Europa grotendeels onbereikbaar geworden waren. Uit deze geldnood was het leenstelsel geboren. Militaire en ambtelijke diensten konden door een vorst als Karel de Grote alleen maar beloond worden door de dienstverleners uit het koninklijk bezit, de zogenaamde domeinen, landerijen ter beschikking te stellen, de opbrengst van die landerijen was hun loon. Het blote eigendom van zulke salarisvervangende landerijen bleef in handen van koning of keizer, die zich in deze kwaliteit leenheer noemde. Degene die de landerijen als beloning voor zijn diensten in gebruik kreeg, was de leenman. Dit, voor de bestuurlijke toplaag geldende, politiek-economische systeem als zodanig staat bekend als het leenstelsel en wordt in iets ruimere, meer sociale zin ook wel aangeduid met de onder veelvuldige verkrachting inmiddels wat gedenatureerde term feodalisme.

Een leenman die zijn leerheer afviel, hetzij politiek, hetzij zakelijk, omdat hij de van hem te verwachten diensten niet uitvoerde, kon van zijn leen ontzet worden, maar ongelukkige toevallen als ziekte, halfzachtheid of dood brachten in de leenband geen verandering. Het leen ging na de dood van de leenman over op zijn erfgenamen. Het kon dus gesplitst en over een aantal kinderen verdeeld worden. Wie al een vaderlijk leen had, kon er nog een bij krijgen van zijn kinderloos overleden oom of tante. Lenen werd ook geregeld meegebracht als


bruidsschat in een huwelijk. In het leenstelsel lag bijgevolg de mogelijkheid besloten zowel dat lenen te niet gingen (terugvielen aan de leenheer) als dat ze zich tot onafzienbare complexen verenigden. Uiteindelijk kon je lenen ook verpanden, verruilen, verkopen of in achterleen aan derden uitgeven. Niet enkel grond en agrarische bedrijven (de zogenaamde hoven) met al degenen die daar vanouds op werkten, de horigen, werden in leen gegeven, maar ook bestuurlijke en rechterlijke functies die iets opbrachten. Uit een bestuursfunctie konden de leenman belastingen toevloeien, al dan niet in natura voldaan; uit een rechterlijke functie kon hij, zolang er maar overtredingen en misdrijven waren, de boeten opstrijken.

Een Vlaming aan de Rijn


Het leenstelsel en de Noormannenterreur hebben tot gevolg gehad dat er van de door Karel de Grote bewerkstelligde grafelijke indeling als bestuurssysteem weinig overbleef. Wie er in Karels dagen allemaal gouwgraaf in Batua geweest zijn, valt nauwelijks meer na te gaan, maar we weten wel dat er tussen 800 en 1000 in en om de Betuwe graven rondspookten die, in naam leenmannen, eigenlijk zelfstandig regeerden in ons gebied en zich soms een onvoorstelbaar grote macht verworven hebben, tot ver buiten de Betuwe, door tientallen leengoederen en complete graafschappen in hun familiebezit te verzamelen. Zij brachten in het strakke, streeksgewijs opgezette bestuurssysteem van het Frankische rijk ware aardverschuivingen teweeg. Zo kennen we uit de 10e eeuw een graaf Ermenfried van wie wel vaststaat dat hij een zoon was van Dodo en Herisindis. De naam Dodo wordt in verband gebracht met Dodewaard; deze plek aan de Waal zou de zetel van de grafelijke familie geweest kunnen zijn. Maar Dodo’s zoon Ermenfried trouwde met een dochter van graaf Herman in de Avalgouw en wist
in zijn leven de hand te leggen op acht andere graafschappen: Zilpich, Bonn, Keldahgouw (ten oosten van de 'Duitse' Rijn), Tubalgouw (omgeving Kleef), Hattuaria, Moila en Hoei (ten westen van de Maas op 'Belgisch' grondgebied). Een andere figuur met een Betuwse achtergrond staat omstreeks 970 bekend als "Ansfried met de vijftien graafschappen."

Maar zoals er graven geweest zijn die blijkbaar van de Betuwe uit een geweldig machtsgebied wisten op te bouwen tot in het huidige Duitsland en België toe, zo waren er omgekeerd ook die, van elders gekomen, een stevige poot aan de grond wisten te krijgen in de Betuwse klei. De oudst bekende voorvader van Reinald II heet in een stuk uit het jaar 1033 Gerardus Flamens. Het is natuurlijk niet onaardig dat zo'n schimmige gestalte op grond van de bijnaam Flamens van enkele geschiedschrijvers een vlammend rode haardos heeft gekregen, maar te langen leste zijn de geleerden het er toch bijna over eens geworden dat Flamens of Flamensis niet op de kleur van de haren slaat, maar op de Vlaamse afkomst van de man. Met zijn broer Rutger, doorgaans beschouwd als de grondlegger van het graafschap Kleef, was Gerard in dienst getreden van de Duitse keizer, nadat hij in Vlaanderen moeilijkheden had gekregen. In 1053 komen we dezelfde Gerard tegen als graaf van Renkum en Teisterbant: de keizer moet hem daar, vanwege zijn diensten aan het rijk, in het zadel geholpen hebben door wat landerijen uit de keizerlijke domeinen te zijner beschikking te stellen. Een andere mogelijkheid is, zoals Martens van Sevenhoven veronderstelt, dat de Vlaming zijn landerijen aan de Veluwezoom en in het westen van het Gelders rivierengebied geërfd, gekocht of geruild had en toen van de keizer het grafelijk ambt over Renkum en Teisterbant in leen kreeg. Hoe dan ook, het grafelijk ambt kreeg je niet of je moest rijk en machtig genoeg zijn om het ook efficiënt uit te oefenen: je moest er het aanzien en de middelen voor hebben.

Renkum kennen we tegenwoordig als een plaats die op de Veluwse oever van de Rijn gelegen is. Het mag een riant dorp zijn, als 'graafschap' zou het in onze ogen niet veel voorstellen. Maar vermoedelijk is het ook niet meer dan de naamgevende kern van een iets groter gebied geweest. In de I 2e eeuw blijkt namelijk niet Renkum, maar het tegenoverliggende Betuwse Randwijk (toen Rijnwijk) naam gemaakt te hebben, en wel als stapelplaats en 'Rijnhaven' van de Gelderse graaf; niet zo'n beste naam overigens, want tot in Utrecht toe kreeg de graaf klachten te horen van schippers die zich door het grafelijk personeel in Randwijk afgeperst voelden. Uit later aanwijsbare bezittingen van de Gelderse graven valt op te maken dat het oude 'graafschap Renkum' waarschijnlijk aan beide oevers van de Rijn lag en zich zo mogelijk ongeveer zal hebben uitgestrekt van Wageningen tot Arnhem. In Wageningen hadden de Gelderse graven de Ruwenhof en van de Oosterbeekse Dusinchof, ook in handen van de graaf, weten we dat er een paar hoeven bij hoorden aan de overkant van de ri­vier. Als 'graaf van Renkum' , kunnen we zeggen, beheerste de eerste Gerard zo te zien de hele Rijnloop van Arnhem tot Wageningen.

Spookgraven en heerlijkheden


In Teisterbant, een landstreek die ongeveer samenviel met de huidige Bommeler-­ en Tielerwaard plus het daar noordelijk op aansluitende gebied tussen Linge en Lek nam graaf Gerard een soortgelijke positie in aan de Waal. Martens van Sevenhoven zoekt het Teisterbantse landgoederenbezit van de graaf in Hiern (het latere Waardenburg), Neerijnen, Opijnen en Meteren. Naast Gerard Flamens zullen zowel aan de Veluwezoom als in Teisterbant ook nog andere heren de nodige rechten op grond en functies gehad hebben. Want zo lag het gewoonlijk in de middeleeuwen: het machtsgebied van een graaf vormde zelden een aaneengesloten geheel. Bezittingen en bevoegdheden lagen kris-kras door elkaar. Je verwierf een lapje grond hier en een pluk rechten daar. Er werd ongetwijfeld, in grootse dromen, naar territoriale eenheid gestreefd, maar onderweg stiet je altijd op rechten die anderen daar al eerder verworven hadden dan
jij. Het leek op een parkeerprobleem. Je kon de grootste wagen rijden van de hele stad, je heer en meester voelen, tot je die wagen kwijt moest. Overal namen kleine en grote wagens zoveel plaats in dat je niet gauw ergens tussen kwam.

De opbouw van een graafschap als Gelre is dan ook een proces van eeuwen geweest. En in de Gelderse voortijd kun je terecht van spookgraven spreken, niet alleen omdat ze zo sporadisch en ongrijpbaar uit de bronnen opduiken, maar ook vanwege hun nauwelijks te volgen hink-stap-sprong-politiek. Elk machtig geslacht had bovendien zijn uitvallers, misdeelden en mindere grootheden, die zich met partikels van een agrarisch, bestuurlijk of rechterlijk leen door het leven zagen te slaan. Er waren er zelfs die, in navolging van de Noormannen, op roof uitgingen. Overal in ons op zichzelf al uiteen gegrist gebied zien we dan ook heertjes van lagere rang opduiken die b. v. de centrale curtis uit de glorietijd van het hofstelsel in bezit nemen en tot een kasteeltje versterken om hun beperkte rechten tegen mededingers te beschermen. De graafschappen, zelf voortdurend aan grote en kleine machtsverschuivingen ten prooi, raakten op


deze manier doorspekt met gezagskringetjes die bekend staan als heerlijkheden . In de Over-Betuwe kennen we uit later dagen de hoge heerlijkheden Hemmen, Indoornik, Homoet, Meinerswijk, Gendt, Ressen, Doornik, Loenen en Wolferen, maar er zijn er zeker meer geweest, zonder overigens ooit tot een in elkaar grijpend en het hele gebied overspannend netwerk uitgesponnen te zijn. Tus-
sen de hofstelsels van 'buitenlandse' abdijen en de 'inlandse' heerlijkheden door bleef de Over-Betuwe bezaaid met de uit het volk zelf voortgekomen bestuursorganen die we als buurschappen hebben leren kennen en waarvan we zagen dat ze, bevrucht door het christendom, de neiging kregen tot de hogere vorm van kerspels over te gaan, hetzij als gelijkblijvend territorium, hetzij met andere buurschappen samengaand in een groter territorium.

Gevangen in hun kleinschalig, enkel op lokaal of hoogstens segmentair belang gericht systeem, lagen al die buurschappen, van welke oorsprong of aard ze ook waren, te wachten op een bevrijdende hand van boven. De macht van monastieke hofstelsels of van plaatselijke heren reikte al evenmin verder dan de dorpsgrenzen; de spookgraven intussen reikten naar het onmogelijke en joegen hun leven lang achter een droomrijk aan dat op de dag van hun dood aan flarden uiteen dreef, en al die eeuwen bleef het Betuwse land onbedijkt ten offer liggen aan was en val van de rivieren en niet minder van de passies in een primitief mensenhart.



Opkruipen langs de rivieren


Met de buurschappen houden we moed. We houden, makkelijk als het achteraf nu eenmaal is, maar een ding in de gaten: de vlammende haardos van de Gerards, die zich in 1085 en 1087 plotseling weer boven de silvae verheft, ditmaal niet in Renkum of in Hiern, maar helemaal in het plaatsje Wassenberg ten zuidoosten van Roermond. Gerard II, kleinzoon van de Flamens, bewoont er een slot met toebehoren. Zo ver van huis? Nee, opletten nu, er gaat iets gebeuren. Van menige spookgraaf mag het spoor niet te volgen zijn, bij de Fla-
menses begint zich een lijnenspel af te tekenen. Van Wassenberg, aan of althans niet ver van de Roer, gaat het spoor twee kanten uit, westwaarts naar Roermond, noordwaarts naar Geldern en Goch aan de Niers, in welke streek de Gelderse graven later een opvallend groot aantal eigen hofgoederen in bezit blijken te hebben. Maar belangrijker dan hun landerijenbezit op zichzelf is hun positie aan de rivieren. Tussen 1050 en 1100 beheersen de Flamenses al een stuk van de Rijn tussen Veluwe en Betuwe, een stuk van de Waal tussen Tieler-­ en Bommelerwaard, een stuk van de Maas tussen Roermond en Gennep. Langs de Waal zijn ze van Hiern in oostwaartse richting opgeschoven naar de oude 'graafschap van Dodo' .Yolanda, een dochter van Gerard II (1082), kreeg bij haar huwelijk met Boudewijn van Henegouwen de 'graafschap Dodewaard' mee als bruidsschat. Net als Renkum kennen we Dodewaard tegenwoordig enkel nog als een dorp, maar wie zal zeggen of we hier niet evengoed aan een uitgestrekter machtsgebied moeten denken dat aan beide oevers van de Waal gelegen was? Uit latere stukken is aan te tonen dat de Gelderse graven niet alleen in Dodewaard, maar ook in de aangrenzende buurschappen Hien, Welie en Andelst en zelfs in het ten zuiden van de Waal gelegen Deest bezittingen hadden.

Omstreeks 1175 sloegen de Flamenses hun slag aan de Gelderse IJssel, deze keer als resultaat van een goed overlegde huwelijkspolitiek. Gerard III, een broer van Yolanda, trad sinds 1118 op als graaf en trouwde met Irmgard van Zutphen, dat in die dagen - vergelijkbaar met Hiern, Renkum en Dodewaard - een graafschap vormde waarvan we de toenmalige omvang niet kennen. Na de dood van Irmgards enige broer viel het graafschap Zutphen toe aan de zoon van Gerard en Irmgard, Hendrik I van Gelre (1138-1182). De 12e eeuw was nog niet verstreken of de Gelderse graven beheersten, althans voor een deel, de vier grote rivieren in het tegenwoordige Gelderland: Rijn, Waal, Maas en IJssel. Langs die rivieren kropen zij voetje voor voetje op tot de hoge landsheerlijke machtspositie van later. Dat zij zo gek op rivieren waren, en dan rivieren in hun volle breedte, liefst met een oeverstrook aan beide kanten, wat ook in Zutphen weer het geval was, heeft een complex van factoren tot achtergrond. Zoals gezegd, vormden rivieren vaak de enige doorgaande communicatieroute; ze fungeerden goedkoper en minder riskant dan de vaak onbegaanbare, door struikrovers onveilig gemaakte en moeilijk te onderhouden landwegen, zo die er al waren. De bewoning en dus ook het economisch leven concentreerden zich op de oeverwallen; de komgronden

daarachter waren voor een groot deel nog onontgonnen en onbevolkt. In het economisch belang van de oeverwallen lag ongetwijfeld de tweede factor die een sterke positie van de graven aan de rivieren aantrekkelijk maakte.
Het stroomregaal

Vóór de graven trouwens hadden de koningen en de keizers van het Frankische en Ottoonse rijk al ingezien dat bevaarbare en omwoonde rivieren de slagaders waren van hun macht. Langs die rivieren lagen dan ook grotendeels hun domeinen en juist weer uit die domeinen had Karel de Grote zijn gouwgravenstelsel 'gefinancierd'. Maar het recht op de stroom als zodanig hadden koningen en keizers altijd aan zichzelf voorbehouden. Het behoorde tot de kern van hun regalia: hun exclusieve koninklijke rechten. Uit het stroomregaal vloeide weer


een hele waaier van andere koninklijke rechten voort, om te beginnen het recht op de zogenaamde middelzanden. Als insulae influmine natae werden ze in het Latijn omschreven: "eilanden, in de rivier geboren." Opwassen is een andere naam voor dit natuurverschijnsel. Ontstond er een eiland in de rivier, zodanig dat je er ongehinderd omheen kon varen, dan kon buiten de koning niemand daarop enig recht laten gelden. En in de onbedijkte rivieren die krullend hun weg door het landschap zochten, stikte het natuurlijk van zandplaten, opwas-
sen, eilanden en afgesneden inhammen. Het recht op insulae in flumine natae bood de koning vrijwel onbeperkte kansen om een rivier van de bron tot de monding te beheersen.

Een ander recht dat direct van het stroomregaal werd afgeleid, was het recht op de visserij. Alles wat in stromend water dreef, kwam in principe niemand anders toe dan de koning, die aanvankelijk zichzelf gezien moet hebben als degene die in naam van God het beheer voerde over de schepping. Van 'edele' vissoorten als steur en zalm hadden de vissers iedere tiende vis af te dragen aan hun heer, wiens rechten zij daarmee afkochten. Ook gestrande schepen, onbeheerd ronddobberende wrakstukken en aangespoelde vracht werden in het recht van strandvondst voor de koning gereserveerd.

Onderdanen en vreemdelingen die gebruik maakten van de stroom, of ze nu in dwarsrichting overstaken van de ene nederzetting naar de andere dan wel in lengterichting van de ene stapelplaats naar de volgende voeren, moesten net zo goed als vissers en strandjutters het stroomregaal erkennen en die erkenning in het eerste geval uitdrukken in een afdracht van veergeld, in het tweede geval in een afdracht van tolgeld. Bij toenemend handelsverkeer en commercialisering van de rivieren is het duidelijk dat de tolrechten uiteindelijk de meest lucratieve post gingen uitmaken van alle opbrengsten die uit het stroomregaal voortkwamen. De keizers van het Frankische en hun opvolgers in het Duitse rijk hebben daaraan dan ook het langst vastgehouden en er is, toen zij eenmaal tot overdracht aan graven en hertogen besloten, ook nergens zo lang en verbeten om gevochten dan om het bezit van de tolrechten.

De tol bij Lobith


In het begin zullen de graven van Gelre enkel als tolheffers namens de keizer opgetreden zijn, maar op een ons onbekend moment kregen zij de tollen in leen. In Teisterbant hieven zij tol op de Waal bij Zuilichem (later in Zaltbommel) en op de Maas bij Driel. Aan de Rijn werd tol geheven in de buurt van Arnhem. In 1203 noemde graaf Otto I (1182-1207) de Zutphense tol de zijne. Het lijkt erop dat de Rijntol bij Arnhem nogal eens een keer van de ene 'strategische' plek naar de andere is verhuisd. De bisschoppen van Utrecht, ook met het grafelijk
ambt bekleed, zaten de Gelderse graaf aan de Rijn hier en daar dwars, zoals we al bij Renkum en Randwijk zagen. Eer de Geldersman Zutphen verwierf, zal hij zijn tol trouwens geheven hebben op twee punten: vóór en achter de afsplitsing van de IJssel tussen Malburgen en Westervoort. Maar hier werd hij weer dwars gezeten door de graven van Kleef, die - even belust op de rivier als hij - de Rijn over kwamen, beslag wisten te leggen op Huissen en daar tol begonnen te heffen zowel van de Rijn-­ als de IJsselschepen. Bij wijze van tegenzet werd er
toen door de Gelderse graaf weer tol geheven bij Angeren, op een punt dus waar de schepen het Kleefse gebied verlieten of net wilden binnenlopen.

Aan het geschuifel met de Gelderse tol bij Arnhem kwam in 1222 een eind, toen Gerard III (1207-1229) van de keizer verlof kreeg zijn tol naar Lobith te verplaatsen. Bij Lobith kon hij ten eerste voor de tolheffing veilig gebruik maken van een insula in flumine nata: een eiland dat door de eeuwen heen de namen Koningswaard, 's Gravenwaard en Gelderse Waard gedragen heeft. Ten tweede ving hij daar, op het splitsingspunt van Rijn en Waal, twee vliegen in één klap: zowel het Waal-­ als het Rijnverkeer moest bij hem ten offer komen.

De 'Grote Gelderse Tol' bij Lobith is voor het graafschap en latere hertogdom Gelre zoiets geworden als de gasbel bij Slochteren voor het Koninkrijk der Nederlanden, of - om een evenrediger vergelijking te trekken - als de Oost in de koloniale tijd. Het 'schip met geld' is bij Lobith nooit aangekomen, maar Gelre draaide wel op het Lobithse schepengeld. ' 'In 1340, constateert Martens van Sevenhoven, "bedroegen die van den tol te Lobith 1/3 van de totale inkomsten van den hertog uit domeinen en beden. Nog in de 19de eeuw trok het do-
meinbestuur in Gelderland aanzienlijke inkomsten uit den z.g. grooten Gelderschen of Lobithschen tol, die in 1794 de helft van die uit alle provinciale domeinen hadden bedragen. We zien dus, dat reeds in de 14de eeuw het oorspronkelijke familiebezit der graven in financieel opzicht verre achterstond bij een regaal als de Rijntol te Lobith."

Ook aan Waal en Maas ondervonden de graven van Gelre als tolheffers de nodige concurrentie. De kleinste concurrent op de Maas was nog de heer van Batenburg, die als rechtstreeks leenman van de keizer zijn tolrecht overigens het langst wist vast te houden. Veel ingrijpender was de concurrentie van Brabant. Hief de Gelderman tol op de Maas bij Driel, in het naburige Heerewaarden werd de scheepvaart belast door de Brabantse hertog. Van de Heerewaardense landengte tussen Maas en Waal, op drie plaatsen door dwarslopen met elkaar in open verbinding, liep een Brabantse wig naar Tiel en Zandwijk. Bij Tiel hief Brabant tol op de Waal en verdunde aldus de

Gelderse spoeling of bij ZaltbommeI of bij Lobith. Pas in 1339 wist Reinald II de Brabantse tolconcurrentie uit te schakelen door Heerewaarden, Tiel en Zandwijk met de hertog van Brabant te verruilen tegen Heusden. En nu we het - eindelijk - weer over 'onze' Rei-
nald hebben: dat de Gelderse graven pas zo laat aan dijken en weteringen begonnen te denken, aan de belangen van het boerenland achter de oeverwallen, zou wel eens in de natuurlijke orde der dingen gelegen kunnen hebben. De rivier was voor de opkruipende landsheren vooralsnog veel belangrijker dan het verdrinkende land in de komgronden. Je kunt zelfs zeggen dat zij van een ongetemde rivier die

voortdurend nieuwe domeinen 'baarde', meer profijt trokken dan ontgonnen en ontwaterd land in de komgronden ooit aan belastingen zou kunnen opbrengen. Van huis uit maakten graven en hertogen geen haast met het boerenbelang. Er moesten factoren als bevolkingsdruk, spanningen en geschillen aan te pas komen om hun blik over de oeverwallen heen te trekken en tot ingrijpen gingen zij dan nog pas over, als er een uitdrukkelijk beroep op hen werd gedaan. Keken de boeren niet verder dan hun buurschapsgrenzen, de graven zagen enkel het lijnenspel van de grote rivieren.



Monastieke hofstelsels

Eén oogje hielden de graven wel op het boerenland. Tenslotte lagen daar niet alleen hun eigen hoven, maar groter nog en beter in orde waren de hoven van de monniken, de monastieke hofstelsels. Met name de Over-Betuwe was vanouds, zoals Jan Wolters het genoemd heeft, een 'monnikenland'. Niet dat er abdijen of kloosters te vinden waren in de middeleeuwen, maar sinds eeuwen hadden
beroemde 'buitenlandse' abdijen er omvangrijke bezittingen in de vorm van hoogontwikkelde, goed georganiseerde en zelfstandig functionerende hofstelsels. Zo'n monastiek hofstelsel bestond uit een centrale curtis, de hoofdhof, met een groot aantal onderhorige hoeven in de naaste omgeving en vaak nog haast evenveel verspreid gelegen hoeven in de verdere omtrek. Elke hoeve (mansus) omvatte een hectare of 15 landbouwgrond. Het ging bij een hofstelsel in zijn totaliteit altijd om honderden bunders grond die met de grootst mogelijke
regelmaat en volgens de modernste methoden werden bewerkt. Geen buurschap, geen plaatselijke heer, geen pastoor, geen bisschop en zelfs geen graaf had er eigenlijk iets over te zeggen. In feite vormden de monastieke hofstelsels een soort 'buitenlandse enclaves' die aan niemand anders rekening en verantwoording schuldig waren dan aan vader abt. Maar waar zat vader abt?

De wereld van de middeleeuwers was geografisch anders gestructureerd dan de onze. Het 'geografisch wereldbeeld' dat wij in de praktijk hanteren, berust op nationale grenzen, hoofdsteden, autobanen, industriecentra, havens, vliegvelden, toeristische trekpleisters en misschien wel voetbalstadions. De middeleeuwers dachten in bisschopssteden, bedevaartsoorden en abdijen. Wij weten waar Parijs ligt, zij wisten Atrecht, Lorsch, Deutz en Werden te liggen, zeker de middeleeuwers in de Over-Betuwe. De beste Over-Betuwse landbouwgrond en de rendabelste boerenbedrijven waren van vader abt in Atrecht of in Lorsch. Ons kost het de grootste moeite dergelijke vergeten plaatsen op onze autokaarten terug te vinden, maar voor de middeleeuwers waren ze een begrip.

Atrecht heet tegenwoordig Arras en ligt in het noordwesten van Frankrijk, zo'n 200 kilometer boven Parijs. Lorsch moeten we zoeken in de Duitse Bondsrepubliek tussen Frankfort en Mannheim. In Atrecht was al in de tweede helft van de 7e eeuw de abdij van Sint Vedastus of Sint Vaast gesticht. Ze had in de Betuwe bezittingen op heel wat plaatsen, maar de hoofdhof was gevestigd in Ressen, dat toentertijd het Dorp van Sint Vaast werd genoemd. Gendt was in de middeleeuwen het Dorp van Sint Nazarius. Daar vinden we de hoofdhof van
de landerijen die in de Betuwe eigendom waren van het ongeveer 100 jaar na Sint Vaast gestichte klooster Lorsch, dat Sint Nazarius tot kerkpatroon had. Een groot deel van EIst behoorde al sinds 726 toe aan bisschoppelijke instellingen te Utrecht of aan de Utrechtse bisschop zelf: de grootvader van Karel de Grote, Karel Martel, had de grond geschonken aan niemand minder dan Sint Willibrord. In Zetten en Randwijk treffen we weer bezittingen aan van de Sint Heribertusabdij in Deutz bij Keulen, een stichting uit het jaar 1000 of daaromtrent. Ook de abdij Werden - tegenwoordig een stadsdeel van Essen - schijnt in de Over-Betuwe tot de grootgrondbezitters behoord te hebben, en wel met goederen in Elden, Andelst en Slijk-Ewijk.

In onze ogen is het een onbegrijpelijke zaak dat kloosters die hier honderden kilometers vandaan lagen, in het Gelders Rivierengebied zoveel kostbare landbouwgrond te pakken hadden. In de Neder-Betuwe vinden we bezittingen van de Duitse abdijen Fulda en Corvey (aan de Weser), in de Maas en Waalse dorpen Dreumel en Wamel van de abdij Priim bij Trier, in Deest en Overasselt van de Franse kloosters St. Quentin en St. Valéry. In veel gevallen ligt het begin van dit kloosterbezit zo ver in de tijd terug dat het zich aan onze waarneming onttrekt. We zullen ons dat begin moeten voorstellen in de regeringsperiode van het Karolingische en soms zelfs van het Merovingische vostenhuis. De eerste grond werd gewoonlijk door de koning of keizer zelf geschonken uit zijn domeinen en dat verklaart in ieder geval waarom we juist aan de oevers van de grote rivieren zoveel kloostergoederen tegenkomen.



Staatjes in de staat

Het overdragen van hoven en grond was voor de vroeg-middeleeuwse vorsten niet enkel een vroom gebaar terwille van hun zieleheil. We zullen het ook moeten zien als een politiek instrument. In tijden met gebrekkige verbindingen en traagwerkende communicatiemiddelen kon een uitgestrekt rijk alleen maar geregeerd worden, als de vorst beschikte over een netwerk van steunpunten waar hij staat op kon maken. Zulke steunpunten moesten dus bezet zijn met 'trouwe dienaren'. Maar de enige manier om in een naturale economie trouwe dienaren te kweken en ze voor hun diensten te belonen was, zoals we zagen, het uitgeven van grond. Een dienaar kon ondertussen zo trouw niet zijn of hij ging een keer dood, en het uitgegeven grondbezit werd onder zijn zonen of misschien wel onder zijn neven en nichten verdeeld. Het steunpunt viel uit elkaar en niemand kon een vorst garanderen dat de zonen even trouw zouden zijn als de vader. Het

was daarom veel veiliger steun te zoeken bij een geestelijke gemeenschap die volgens een vaste regel leefde, haar bezit goed behartigde en in wier midden geen vrouwen, kinderen of erfgenamen roet in het eten konden gooien. Het aan een abdij uitgegeven grondbezit bleef prompt een ongedeeld geheel dat in omvang en economische waarde meestentijds alleen maar groeide. Bovendien kon de vorst het altijd nog 'terugpakken' door bijvoorbeeld een broer of een zoon die bij de vrouwen toch weinig kans maakte, tot abt te laten benoemen of door zelf als beschermheer het voogdijschap over de abdij op zich te nemen.

De abdij van Lorsch was door Karel de Grote onder zijn persoonlijke hoede genomen en in 772 had hij het klooster met al zijn bezittingen onttrokken aan de rechtsmacht van bisschoppen en graven. Lorsch had wat men noemt immuniteit gekregen. De monniken

mochten hun eigen abt kiezen en hij alleen bestuurde met zijn medewerkers het klooster en zijn hoven. Op iedere hoofdhof, ook in


Gendt, stelde de abt een plaatsvervanger aan, die geen monnik was, maar een goed bestuurder en een bekwaam landbouwkundige met economisch inzicht. Hij werd villicus of hofmeier en later ook wel schout genoemd. Hij zetelde op de centrale curtis. Aan hem was niet alleen de gang van zaken op de hoofdhof toevertrouwd, maar hij maakte ook uit wat er op de onderhorige hoeven verbouwd
en gefokt moest worden. De onderhorige hoeven droegen een deel van hun produktie af aan de hoofdhof, die op zijn beurt weer zorgde voor 'doorbetaling' - in geld of goed - aan de abdij .

Wij zijn gauw geneigd het stelsel te zien als een vorm van uitbuiting door verre en vreemde heren, in dit geval geestelijken, maar de boeren op de onderhorige hoeven waren bepaald geen slaven van de hofmeier of vader abt. Horigheid hield in dat zij grond noch bedrijf in de steek mochten laten en verplicht waren een deel van de opbrengst af te dragen. Daar stond tegenover dat ook niemand hen van hun grond kon verwijderen of hun het recht op hun eigen aandeel in de produktie kon ontzeggen. Rechten en plichten van de horigen waren vastgelegd in het zogenaamde hofrecht, waarop zowel hofmeier als horigen zich in geval van conflicten konden beroepen. leder hofstelsel had zijn eigen gericht. Uit kringen van de horigen benoemde de abt enkele schepenen (rechters) die, zonodig, onder leiding van de hofmeier of de abt zelf recht spraken. De monastieke hofstelsels vormden zodoende een apart bestuursorganisme tussen buurschap-


pen en heerlijkheden, onafhankelijk van de graaf: een soort staatje in de staat, en zolang de kloostertucht in de abdij zelf overeind bleef en er niet gesjoemeld werd met de hoge post van abt, hadden de horigen het zeker niet slecht.

Zij waren de eersten die van nieuwe gewassen en nieuwe landbouwtechnische ontwikkelingen profiteerden. In de Familia Sancti Vedasti of in de 'Familie van Sint Nazarius' kon iedere boer iets opsteken van de ervaringen die in het 'internationale lichaam' werden opgedaan en van hof tot hof doorgegeven. Van een der abten van het klooster Deutz is bekend dat hij tussen 1155 en 1165 geregeld zelf op bezoek kwam bij zijn Gelderse hoven. Hij reisde per schip en maakte van zijn visitatie gebruik om tegelijk de voorgeschreven afdrachten in ontvangst te nemen en naar Keulen te vervoeren. De hof in Randwijk had hem niet alleen koren, maar bijvoorbeeld ook snoeken te leveren. Nadat de abt te paard Zetten en Randwijk had bekeken en er op St. Bartholomeusdag (24 augustus) hofgericht had gehouden, werd zijn schip weer teruggesleept naar Arnhem en reed hij zelf door naar Velp, waar hij in een van zijn eigen hoeven overnachtte.

In het jaarverslag dat de secretaris van de abt over het jaar 1155-1156 uitbracht, werd geklaagd dat de hofgoederen in Randwijk maar weinig opleverden, omdat ze telkens te lijden hadden van overstromingen: de snoek had daar geen hinder van, het koren des te meer. De eerste maatregelen tegen het water zouden in de Over-Betuwe wel eens genomen kunnen zijn door de monniken of althans door hun vertegenwoordigers op de hoven. Precies een eeuw na het Randwijkse 'rampjaar', in 1256, verkocht de abdij Deutz haar hoven in Groes-
sen, Velp, Randwijk en Wijk bij Duurstede áan graaf Otto II van Gelre (1229-1271). Als we dan over het boekjaar 1294-1295 de allereerste rekening van het graafschap Gelre onder ogen krijgen, valt het op dat graaf Reinald I nu net in Randwijk een eigen dijkje heeft liggen - het eniggenoemde in de Over-Betuwe - waar herstelkosten aan gemaakt zijn. Dat zelfs de Franse abdij van Sint Vaast in onze streken al vroeg ontginnings-­ en dus ook afwateringswerken moet hebben ondernomen, blijkt uit een door broeder Richerus circa 1050 opgemaakte goederenlijst. De broeder heeft het over twee hoeven die in palustrio sive bruco ("in het moeras ofwel het broek") gelegen zijn: een onder Angeren en een bij Doornik onder Lent.
Uitverkoop van kloostergoed

Het oog dat de graven van Gelre toch geregeld op het boerenland lieten vallen lonkte eerst en vooral naar zeggenschap over de bestuurlijk en landbouwtechnisch geavanceerde monastieke hofstelsels. We zagen al dat Otto II in 1256 de hand wist te leggen op de Gelderse bezittingen van de abdij Deutz, o.a. in Randwijk. Dat was geen toevallige aankoop, maar een transactie die deel uitmaakte van een bewust gevoerde politiek, waarbij het er duidelijk om ging in het Betuwse land zelf steunpunten voor het grafelijk gezag te vestigen. Een kleine 30 jaar eerder, in 1229, waren de nog veel uitgestrektere kloostergoederen van Lorsch al in grafelijke handen overgegaan. Drie jaar tevoren, in 1226, had Gerard III zijn bezittingen in Salland geruild tegen de bisschoppelijke landerijen in Elst. Hoewel er geen bewijzen voor te leveren zijn, mogen we er gerust van uitgaan dat al deze grote transacties - financieel mogelijk gemaakt door het sinds 1222 volop draaiende tolbedrijf in Lobith - jarenlang zorgvuldig zijn voorbereid door een goed relatiepatroon met vader abt op te bouwen en met name door de dingen zo te schikken dat het voogdijschap over de Betuwse kloostergoederen de graaf op een gegeven ogenblik als een rijpe vrucht in de schoot viel. Weerloze geestelijke stichtingen konden nu eenmaal niet buiten een wereldlijke voogd die krijgskundig en sterk genoeg was om in tijden van oorlog en onrust gewapenderhand als beschermer op te treden: dat had de Noormannenterreur wel geleerd.

Op zichzelf was het voogdijschap van een 'edele ridder' over een abdij beslist geen verwerpelijke zaak, maar er hoefde economisch of in het gemoed van de ridder natuurlijk niet veel te gebeuren om de beschermer in een belager te veranderen. In elk geval was de voogd altijd de eerste die het recht van koop kon laten gelden, als een klooster het moeilijk kreeg met zijn bezittingen. In de eerste helft van de 13e

eeuw sloegen de graven van Gelre toe in het Over-Betuwse monnikenland'. Misschien moesten ze trouwens wel, want niet alleen op de rivieren, ook op de markt van de geestelijke goederen werden ze door hun concurrenten op de hielen gezeten. De graven van Kleef hadden

er zelfs een voorsprong van 60 jaar. Abt Martinus van Sint Vaast was er in 1167 al toe overgegaan zijn Betuwse goederen van de hand te doen aan de toenmalige Kleefse graaf Dirk. Het moet een flink complex geweest zijn, want de Atrechtse goederenlijst van 1020 somt landerijen op in Ressen, Wolferen, Doornik, EIst (buurschappen Reeth en Aam), Bemmel, Angeren, Valburg, Oosterhout, Dodewaard en Hien (buurschap Welie).

In 12 12 wilden ook de Benedictijnen van St. Quentin in Noord-Frankrijk hun bezittingen aan onze rivieren kwijt. Vanwege de grote afstand waren ze hun een blok aan het been geworden, schreven de monniken zelf, en navenant brachten ze te weinig op. Achter de klachten van St. Quentin en de abdij Deutz is te beluisteren dat er weer een natte periode aangebroken was die het eeuwenoude

kloosterbezit aan de rivieren tot een hachelijke zaak begon te maken, hachelijker naarmate het 'moederhuis' verder weg lag. Er moest gedijkt en ontwaterd worden wilde men de produktie van de hoven op een rendabel peil houden. Dat vroeg van de Franse en Duitse abdijen diepte-investeringen, deskundigheid en inspanningen die hun te veel werden. Sint Vaast was de eerste die er zich vanaf maakte. St. Quentin had goederen in het Maas en Waalse Deest en een groot hofcomplex met een eigen schout in Rindern tussen Kleef en Kranenburg. Het is deze keer, in 1212, noch de graaf van Kleef noch die van Gelre aan wie de hele bezitting wordt aangeboden. Alles gaat naar een andere geestelijke instelling, het Kapittel van Xanten. De schout in Rindern krijgt aanzegging dat hij zich voortaan aan de instructies van de Xantense domheren heeft te houden. Maar tegelijk gaat er een brief naar graaf Gerard van Gelre met de vraag of hij er op wil letten dat de transactie in Rindern (en Deest) goed afloopt en de domheren ook inderdaad krijgen wat ze gekocht hebben. Daar blijkt wel uit dat de Gelderse graven al eerder voogd over Rindern hebben gespeeld, zonder dat ze nu de kans aangrijpen om de goederen zelf in te palmen. Hun tolzaken zouden ook pas tien jaar later goed geregeld worden; misschien durfden ze dergelijke grote transacties in 1212 nog niet aan.

De Gelderse aankopen van geestelijk goed komen pas in 1226 (EIst), 1229 (Gendt) en 1256 (Randwijk).


Het boerenbelang van de graaf

Lobith zal aan deze handel niet vreemd geweest zijn, maar hoe keihard-zakelijk het op ons ook moge overkomen dat 'monnikenland' tegen tolgeld wordt uitverkocht, er is bepaald geen sprake van secularisatie. De graven van Gelre begonnen integendeel zelf kloosters te stichten. Zoals ze op de rivieren de koninklijke rechten van hun grote voorgangers in het Karolingische rijk overnamen, zo volgden ze op het boerenland ook de koninklijke weg van grondoverdrachten aan geestelijke stichtingen. Graaf Gerard had in 1218 te Roermond een klooster

gesticht voor Cisterciënzer zusters. Zijn zoon Otto II pakte het nog groter aan en zette omstreeks 1248 een tweede vrouwenklooster op in Asperden bij Goch, het naderhand beroemde klooster 's Gravendaal. Het moest de geestelijke zetel worden van de Gelderse dynastie. Otto zelf, zijn beide vrouwen Margareta van Kleef en Philippa van Dammartin met hun meeste nazaten in de 13e en 14e eeuw zouden er in de kloosterkerk begraven worden. Goed 15 jaar had Otto de Gendtse goederen van Lorsch in zijn bezit of hij schoof ze grotendeels weer
door naar de abdis van 's Gravendaal. Het ging daarbij om honderden morgens landbouwgrond met huizen, stallen en horigen, en niet alleen in Gendt deed de graaf forse schenkingen aan zijn eigen klooster, maar ook elders: in de Maas en Waalse dorpen Winssen, Deest, Afferden, Druten, Puiflijk en Leeuwen werd het klooster in Asperden eveneens met honderden bunders grond bedeeld. De doden in de kloosterkerk konden de jongste dag met een gerust hart tegemoet zien.

Al verdween dat hele landbouwareaal in 'de dode hand', het wierp daarom niet minder vruchten af. Het cultiveringsproces en de ontginningsarbeid, door Franse en Duitse abdijen aangezwengeld, werden met nieuw elan en van buitenlandse bemoeienissen bevrijd door de Gelderse graven voortgezet, of ze nu eigenaar geworden waren van het voormalige kloosterbezit of - door overdracht hetzij aan Xanten, hetzij aan 's Gravendaal - alleen maar voogd. Vanouds hadden de graven zelf in de Betuwe toch al de nodige bezittingen, deels oud do-


meingoed ter beloning van hun grafelijke diensten, deels aanwinsten door koop of vererving. De rekening van 1294-1295 noemt de hof van Dodewaard, de hof van Lakemond en verder allerlei verspreide landerijen in Herwen en Aerdt, Pannerden, Haalderen, Lent, EIst, Andelst en Welie. De voorvaderen van Reinald II waren in de loop van de 13e eeuw in de Betuwe de grootste grondbezitters geworden. Het boerenbelang van de buurschapsbewoners was gaandeweg op de eerste plaats voor de graven zelf beginnen te gelden. Dat Reinald II in
1327 óók voor ons gebied een niet geringe waterstaatstaak op zich nam, is geen kwestie van louter jeugdig idealisme geweest. Die taak werd hem door zijn eigen agrarische belangen opgelegd.

DE BRIEF VAN 1327
Punt één.

Wie erop timmert met zijn vuisten, betaalt ons één pond.

Punt twee.

Wie een ander verwondt, en wel zo dat de wond een vingerlid lang en een nagel diep is, van hem krijgen wij vijf pond. Het kan ons voor de rest niet schelen wat het voor wonden zijn: zolang de ander maar niet verlamd is; staat de boete op vijf pond, geen cent meer of minder. En blijft de wond onder de aangegeven lengte en diepte, dan houden we de boete op die van een vuistslag, één pond dus.

Punt drie.

We krijgen twintig pond van degene die een ander lam en ongelukkig slaat. Per geval zal een college van vijf 'zoenlieden' bekijken welke


schadeloosstelling er aan het slachtoffer uitgekeerd moet worden.

Punt vier.

Wie schuldig bevonden wordt aan moord of doodslag, rekenen wij in. Alle andere misdrijven, zoals verkrachting, diefstal, inbraak, roof en brandstichting, zullen gerechtelijk onderzocht worden. Moord en doodslag trouwens ook. Verdachten worden, zoals gezegd, ingerekend, maar iedereen heeft van hun huis, vee of land af te blijven, zolang er geen vonnis geveld is. Het kan best zijn dat iemand er na een knokpartij beroerd bij ligt, maar het gaat er om: leeft hij nog? Tot zolang staat de boete op twintig pond en blijft iedereen van zijn spullen af. Dat geldt voor ons en onze ambtman net zo goed.

Punt vijf.

Als iemand uit de familie weeskinderen in huis neemt, is dat een goede zaak waar anderen zich niet mee moeten bemoeien. Komt er later uit de familie iemand anders opdagen die zowel voor de kinderen had willen zorgen, dan moet hij eerst maar eens bewijzen dat hij er beter toe in staat is dan de eerste.

Punt zes.

Wie bij een ander grond weghaalt, betaalt ons, als dat bewezen is, vier pond, niet meer en niet minder.

Punt zeven.

Wij rekenen in al degenen die het wagen onze rechter, onze ambtman of wie ook van ons personeel te slaan.

Punt acht.

Vechtersbazen hoeven niet te denken dat ze thuis veilig zitten, en het maakt ook niet uit of de vechtpartij binnens­ of buitenshuis is voorgevallen. Wij laten zeker in onze eigen tegenwoordigheid geen handtastelijkheden toe en zelfs al gebeurt het maar dat er gevochten wordt in tegenwoordigheid van degenen die bij ons horen: de daders worden ingerekend. En precies hetzelfde geldt voor vechtpartijen tijdens een rechtszitting van onze ambtman, tenminste als hij er samen met vier betrouwbare, onpartijdige mannen de eed op aflegt.
Ze zijn wat ingekort en heel vrij vertaald in modern en alledaags Nederlands, maar met deze punten begint de brief' die graaf Reinald II op 11 december 1327 schreef aan de inwoners van de Betuwe. Drie dagen tevoren had hij ook zo’n brief geschreven aan de inwoners van de Bommelerwaard. Je zou denken dat twee grafelijke brieven die in dezelfde week geschreven werden om land-­ en dijkrecht te geven aan

twee gebieden in hetzelfde graafschap, ongeveer geIijkluidend hadden moeten zijn. Maar de acht aangehaalde punten uit de Betuwse


brief zijn in de Bommelse brief nergens te vinden. Zes jaar eerder, in 1321, had Reinald een Land-­ en Dijkbrief uitgevaardigd voor het Land van Maas en Waal. Ook daarin komen de acht strafrechtelijke punten niet voor. De Bommelse en de Maas en Waalse brief gaan uitsluitend over waterstaatszaken. De graaf stelt voor beide gebieden een 'polderbestuur' in. Dat doet hij voor de Be­tuwe ook, maar van dezelfde gelegenheid maakt hij stevig gebruik om de Betuwnaren een schriftelijke strafwetgeving op te leggen - de eerste in hun ge-
schiedenis .
Moord en doodslag

Het ging er heet toe in de Betuwe, als je dat zo leest. Met vuisten, messen en knuppels stonden de streekgenoten tegenover elkaar. Er vielen gewonden., lammen en doden. Weeskinderen vluchtten naar hun familie. Nog voor iemand die in elkaar geslagen was, kans kreeg zijn laatste adem uit te blazen, werd het huis van de dader leeggehaald. Zijn koeien stonden dezelfde avond nog bij de familie van het slachtoffer op stal. Ze zorgden wel dat ze binnen waren, de nabestaanden. ledereen scheen zijn eigen rechter te spelen. Het lijkt wel of het


oude rechterlijk bestel van buurspraken met richter, ommestand en oordeelvinder in de Betuwe ingestort was. Je vraagt je dan af of de Betuwnaren in 1327 zoveel slechter waren dan de ingezetenen van de BommeIerwaard of het Land van Maas en Waal. Of wekt zo'n zondenregister uit de Middeleeuwen toch een verkeerde indruk?

Omstreeks 1050 zagen we de Familia Sancti Vedasti al ploeteren in het broek onder Lent en Angeren. De volgelingen van Sint Nazarius in Gendt en van Sint Heribertus in Zetten en Randwijk zullen niet minder actief geweest zijn in de komgronden. In de dichter bewoonde streken van heel West-Europa was tussen 1100 en 1300 dergelijk 'monnikenwerk' verricht, mede onder druk van een vrij algemene bevolkingsgroei, en omgekeerd had de grote ontginningsgolf de bevolkingsgroei weer versterkt. In een vanouds continu bewoond gebied als de Over-Betuwe viel dat zeker te merken, al was het maar aan de toename van blauwe plekken en littekens.

De buurschappen op de oeverwallen en de stroomruggen werden te klein; het landbouwareaal moest uitgebreid worden om alle handen werk en alle monden eten te verschaffen. Sloten gravend en wallen opwerpend kropen de buurschappen door het broek naar elkaar toe. De oude grensstroken, die uit dellen en waardeloos onland bestonden, maar tussen de ene rechtskring en de andere een veilige afstand schiepen en de waterlossingsverbanden van elkaar gescheiden hielden, werden ieder jaar smaller. Eenmaal in cultuur gebracht, namen ze in waarde toe, maar tegelijkertijd gingen twee van de nuttige functies die ze vroeger vervulden, voor altijd verloren. Ze hadden niet alleen buurschappen, rechtskringen en waterlossingsverbanden gescheiden gehouden, ze hadden ook gediend als vrije afwateringszones. leder 'zeegdistrict' kon voorheen zijn overtollig water kwijt in palustrio, in het moeras. Maar hoe verder het broek ingepolderd werd, hoe smaller de afwateringszones begonnen te worden, tot er uiteindelijk niets van overbleef: een rampzalige toestand in tijden dat de
rivieren juist veel meer water zouden gaan aanvoeren dan voordien. De ontginning van de komgronden leidde ertoe dat het ene 'zeegdistrict' zijn water liet weglopen over het in cultuur gebrachte grondgebied van het andere, dat toevallig wat lager gesitueerd was in het Over-Betuwse 'dal'. Ze verzopen elkaar. De buurschappen en waterlossingsverbanden waren territoriaal op el­kaars grenzen gestoten. Hun ontwateringssysteem keerde zich tegen zichzelf.

Ook juridisch dreigde er uit de botsing van rechtskringen en belangen een gespannen toestand te ontstaan. We zagen het allemaal aankomen en hier, in de Betuwse brief van graaf Reinald, schijnen we er de bewijzen voor te kunnen lezen.

We horen van vechtpartijen, van moord en doodslag, van diefstal en inbraak, van brandstichting en vrouwenroof. Je grond lag niet eens veilig in de Betuwe. Het was ook verleidelijk, als je aan het inpolderen was, de klei voor je wallen van andermans land te scheppen, vooral wanneer de ander een aanpalende was uit een ander 'zeegdistrict'. Je had van 'de overkant' toch al last genoeg.
Het halsrecht

De gespannen situatie die de acht aangehaalde punten uit ReinaIds brief in onze verbeelding oproepen, zou inderdaad het gevolg geweest kunnen zijn van een op zichzelf geavanceerde toestand in het ontginningswezen, dat vooral in de Over-Betuwe flink bevorderd kan zijn door de activiteiten van het bisschoppelijk hofstelsel in EIst en van de monastieke hofstelsels in Ressen, Gendt, Randwijk, Zetten en misschien ook Slijk-Ewijk. Blijkbaar waren de BommeIerwaard en het Land van Maas en Waal nog lang niet zo ver als de Betuwe. Maar de feiten kunnen ook heel anders gelegen hebben. Het kan ook zijn dat de graaf over de Betuwe meer te zeggen had en er een stuk verder kon gaan dan in andere streken. In de Betuwe kon hij, en dat bewijst zijn brief heel stringent, tot een codificatie van het strafrecht overgaan om daaruit voortaan een aardig inkomen op te strijken­.

Voor alle streken gold dat aan de graaf de hoge jurisdictie toekwam. Buurspraken of geen buurspraken, in kwesties van leven en dood lag de beslissing niet bij het op mondelinge tradities varende buurschapsgericht en zelfs niet bij het meer professionele schepenengericht zoals de monastieke hofstelsels dat kenden. Halszaken had Karel de Grote al aan zichzelf voorbehouden. Ze waren wel 'gedelegeerd' aan de gouwgraven, maar die konden toch uitsluitend in naam van de keizer een doodvonnis vellen en in principe bleef er altijd beroep mogelijk op het hoogste gezag. Net als het recht op zwemmende vis, drijvend wrakhout, opwassen, verdwaalde bijenzwermen en woeste grond behoorde het recht op rollende koppen, het halsrecht, tot de regalia: de exclusieve rechten van koning of keizer. Ook de na instorting van het gouwgravenstelsel was de hoge jurisdictie principieel bij het hoogste gezag blijven berusten. De Gelderse graven spraken dus namens de keizer recht in zaken van leven en dood. Oorspronkelijk zullen zij de hoge jurisdictie in leen gehouden hebben net zoals zij het
stroomregaal in leen hielden. Op hun beurt droegen zij deze rechtspraak streeksgewijs over aanjudices als Bartholomeus de Ecke, die we al in 1282 za­gen optreden.

Bartholomeus was judex in terra Batue ("rechter in het land van de Betuwe"). Aan hem was het laatste woord, als buurspraken tot de bevinding kwamen dat iemand de doodstraf had verdiend. Maar we zien dat graaf Reinald in 1327 veel verder gaat en de buurschappen niet

enkel het halsrecht ontzegt. Hij haalt zo ongeveer de hele criminele rechtspraak bij hen weg. Hij bemoeit zich zelfs met overtredingen en met kwesties van vrijwillige aard, zoals het overdragen van grond en de voogdij over weeskinderen. Het ziet er naar uit dat hij zich
in de Betuwe sterk genoeg voelt om de buurschappen als tamelijk autonome rechtskringen in criminele zaken buiten spel te zetten. In het Land van Maas en Waal gaat hij veel voorzichtiger te werk. Hield de eerste Maas en Waalse Dijkbrief in 1321 zich verre van alle juridische aangelegenheden, de aanvulling die Reinald daar in 1328, een jaar na de Betuwse brief, op gaf, erkende heel uitdrukkelijk de autonomie van de buurschapsgerichten: "Ten eerste willen wij dat iedereen die in genoemd land woonachtig is, zich onderwerpt aan het vonnis van de geburen die tot rechtspreken bevoegd zijn volgens het aldaar heersende landrecht. Tegen een uitspraak van de geburen zullen wij niet in verzet komen - en onze ambtman evenmin."

De graaf schijnt in Maas en Waal op de gerechtelijke autonomie van de buurschappen maar één uitzondering te willen maken, namelijk op het punt van het halsrecht, dat de geburen natuurlijk nooit toegekomen was. Maar zeggen doet Reinald dat wijselijk niet. Hij kleedt zijn voorbehoud veel diplomatieker in, rekenend op goede verstaanders : "Zou iemand in genoemd land een ander doodslaan, dan blijven wij van zijn bezittingen af en onze ambtman ook. Er zal de misdadiger geen schade toegebracht worden aan zijn have en goed, door vernieling noch door brandstichting."



De bedoeling van ReinaIds woorden kan geen andere geweest zijn dan dat de van moord of doodslag verdachte eerst berecht diende te worden. Tot zolang zouden graaf en ambtman zijn bezittingen onaangeroerd laten. Impliciet betekent zo'n verklaring dat ieder ander er ook af te blijven heeft. Het wordt in de tweede Maas en Waalse brief blijkbaar bekend verondersteld (maar nergens expliciet gezegd) dat halszaken niet bij de geburen thuishoren, maar onder de graaf zelf of althans onder zijn ambtman vallen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina