Worldwide 1 Aantekeningen + Extra Oefenmateriaal Chapter 1 to be=zijn



Dovnload 229.29 Kb.
Datum24.07.2016
Grootte229.29 Kb.
Worldwide 1 Aantekeningen + Extra Oefenmateriaal
Chapter 1

TO BE=ZIJN





lange vorm

korte vorm


Enkelvoud

eerste persoon

I am

I’m

tweede persoon

you are

you’re


derde persoon


he is

he’s

she is

she’s

it is

it’s


Meervoud

eerste persoon

we are

we’re

tweede persoon

you are

you’re

derde persoon

they are

they’re



Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden + het werkwoord TO HAVE GOT

I

have got

my

books

with

me

you

have got

your

books

with

you

she

has got

her

books

with

her

it

has got

its

books

with

it

we

have got

our

books

with

us

you

have got

your

books

with

you

they

have got

their

books

with

them

persoonlijk voornaamwoord als onderwerp

to have got

bezittelijk voornaamwoord







persoonlijk voornaamwoord als niet-onderwerp


Chapter 3
Uitspraak meervoud zelfstandige naamwoorden
Om te kunnen begrijpen waarom soms de de meervoud-‘(e)s’ wordt uitgesproken als een [s], soms als een [z] en soms als [iz], moet je onderscheid kunnen maken tussen stemhebbende en stemloze klanken.
Stemhebbende klanken

Stemhebbende klanken zijn klanken waarbij de stembanden trillen. Als men de vinger op het strottenhoofd legt en ‘zzzzzzzzzzzzzz’ uitspreekt, kan men een trilling gewaarworden. Wat er gebeurt is dat men bij een stemhebbende klank de stembanden aanspant en er tegelijkertijd lucht doorheen perst, zodat ze gaan trillen. Men kan dit vergelijken met de snaar van een gitaar: slaat men een gespannen snaar aan, dan ontstaat er trilling en derhalve geluid.



Van het alfabet zijn alle klinkers(a,e,i,o,u) en tweeklanken(ou,ai,ei,eu etc.) stemhebbend. Verder de volgende medeklinkers: b, d, g, h, j, l, m, n, r, v, w, z.
Stemloze klanken

Stemloze klanken zijn de klanken die wij voortbrengen, waarbij onze stembanden ontspannen zijn, en derhalve geen trilling en dus geen geluid produceren. Vergelijk dit wederom met de snaar van een gitaar: als de snaar geen spanning heeft, produceert een aanslag ook geen geluid(strilling).



Van het alfabet zijn de volgende medeklinkers stemloos: c, f, p, q, s, t, x.
Het meervoud van een zelfstandig naamwoord wordt uitgesproken als:

  • [s] als het woord in uitspraak eindigt op een van de volgende medeklinkers:[ k],[ f],[ p],[ t] KoFFiePoT




  • [z] als het woord in uitspraak eindigt op een stemhebbende klank




  • [iz] als het woord in uitspraak eindigt op een sisklank: s, sh, tch, z, dg


Voorbeelden
meervoud uitgesproken als [s]

enkelvoud

meervoud

rock

rocks

rat

rats

map

maps

laugh

laughs

handkerchief

handkerchiefs

rope

ropes

rake

rakes



meervoud uitgesproken als [z]

boy

boys

bee

bees

monkey

monkeys

lady

ladies

bed

beds

flag

flags

knob

knobs

sleeve

sleeves


meervoud uitgesproken als [iz]

bus

buses

watch

watches

bridge

bridges

axe

axes

wish

wishes



Maak de volgende oefening.

Zet de volgende zelfstandige naamwoorden in de juiste kolom:


boxes, battles, gloves, breezes, hiccups, buses, hands, snakes, crocodiles, bits, rags, way, foodstuffs, edges,

[s]



[z]

[iz]



Nota bene: bovenstaande regels gelden ook voor de uitspraak van de derde persoon enkelvoud present simple, die behandeld wordt in hoofdstuk 4.


Chapter 4

Present Simple



Enkelvoud




to work

to carry

to play

to watch

to do

to go

1ste persoon

I

work


I carry

I play

I watch

I do

I go

2de persoon

you work

you carry

you play

you watch

you do

you go

3de persoon



he works

she works

it works


he carries

she carries

it carries


he plays

she plays

it plays


he watches

she watches

it watches


he does

she does

it does


he goes

she goes

it goes




Meervoud

1ste persoon

we work

we carry

we play

we watch

we do

we go

2de persoon

you work

you carry

you play

you watch

you do

you go

3de persoon

they work

they carry

they play

they watch

they do

they go


De Present Simple wordt gebruikt om aan te geven dat iets regelmatig/vaak/altijd gebeurt.
Voorbeelden

The sun rises in the east. ->Dat doet zij altijd!

She brushes her teeth every morning. ->Dat doet ze elke dag!

I visit my mother every week. ->Dat doe ik dus regelmatig.


Present Continuous



Enkelvoud

1ste persoon

I am working

2de persoon

you are working

3de persoon



he is working

she is working

it is working


Meervoud

1ste persoon

we are working

2de persoon

you are working

3de persoon

they are working


De Present Continuous wordt gebruikt om aan te geven dat iets nu bezig is of voortduurt.
Voorbeelden

I am not working at the moment.

What are they doing now?

Look! He is painting his bike purple.

Oh dear! It is raining again.
Vergelijk de volgende zinnen

Wat doe je voor de kost? Ik geef Engels. - What do you do for a living? I teach English

Waar is Miss Lucassen? Ze geeft Engels. - Where’s Miss Lucassen? She is teaching English.
Oefeningen
1.Kies Present Simple of Present Continuous. Streep door wat fout is.
1.Can you come back later, please. We have/are having dinner.

2.Listen! Grandfather eats/is eating soup.

3.Every Saturday I wash/am washing my car.

4.Cats mew/are mewing and dogs bark/are barking.

5.Every time he opens/is opening his mouth, he tells/is telling a lot of nonsense.

6.Don’t disturb me! I do/am doing very difficult sums for maths.

7.A baker bakes/is baking bread. That’s his job.

8.The doctor said to me: ”You smoke/are smoking too much!”

9.Oh dear! The baby cries/is crying again.

10.While she writes/is writing a letter, he reads/is reading a book.


2.Vul present simple of present continuous in.
1.”What ......... you...........? (to do)

“I ........... English words.”(to learn)

2.Do you know where your teacher .............? (to live)

3.The sun........ in the west.(to set)

4.Cows ............ milk and chickens .......... eggs.(to give, to lay)

5.Hush! Lukas ..............(to sleep)

6.Every morning before he ............. to work, he ............ breakfast(to go, to have)

7.She cannot hear you. She ............ to the radio.(to listen)

8.Mr van Herpen ............. English.It’s his job.(to teach)

9.Look! They ..............in the rain. They ............. fun.(to sing, to have)

10.Usually she ............ her best at school.(to do)
3.Maak zinnen met de gegeven woorden in de present simple of present continuous.

Er moeten nog woorden toegevoegd worden om een zin te vormen.
1. Fire - to burn - now

2. Every day - Tom - to go - school - at about

3.Watch out! Crocodile - to try - to bite

4.neighbours - to move - every year

5.Look! To rain

6.Peter has a hobby. He - to collect

7.Be careful! Policeman - to inspect - bike

8.girlfriend - to live

9.Oh dear! To play - the piano

10.A cat - to catch mice(=muizen)


4.Zeg dat....
1.Zeg dat je zit te ontbijten.

2.Zeg dat je naar de radio zit te luisteren.

3.Vraag Tom wat hij aan het doen is.

4.Zeg dat je vader elke dag een appel eet.

5.Zeg dat dat slimme meisje elke keer het antwoord weet.

6.Vraag wie er op dit moment zingt.

7.Zeg dat je hond elke dag een glas melk drinkt.

8.Vraag wie er aan het bellen zijn?

9.Vraag waarom hij nu zo hard(=fast) rent.

10.Vraag wat er daar gaande is.





Chapter 5

Trappen van vergelijking - Degrees of comparison

Stellende trap groot - Positive degree

Vergrotende trap groter - Comparative (degree)

Overtreffende trap grootst - Superlative (degree)




Degrees of Comparison

bijvoeglijk naamwoord + -er/-est


more/most+bijvoeglijk naamwoord

I.Bijvoeglijke naamwoorden van een lettergreep:

hot - hotter - hottest

deep - deeper - deepest

dry - drier - driest

white - whiter - whitest


Alle bijvoeglijke naamwoorden die niet onder I of II vallen

awful - more awful - most awful

ordinary - more ordinary - most ordinary


II.Bijvoeglijke naamwoorden van twee lettergrepen, eindigend op:

-er ->clever - cleverer - cleverest

-y ->happy - happier - happiest

-le ->noble - nobler - noblest

-ow -> narrow - narrower - narrowest

-some -> handsome - handsomer - handsomest







Oefening
Zet de volgende bijvoeglijke naamwoorden in de vergrotende en overtreffende trap.

beautiful

silly


cheerful

able


dense

early


shallow

sober


expensive

shy


gray

cold


extraordinary

capable


troublesome

complicated

wet

impressive



boring

steady





Chapter 6
Present Future = Toekomende Tijd


I shall/will go

Shall I go?

I’ll go

I shall/will not go

I shan’t/won’t go

Shan’t I go?

you will go

Will you go?

you’ll go

you will not go

you won’t go

Won’t you go?

he will go

she will go

it will go


Will he go?

Will she go?

Will it go?


he’ll go

she’ll go

it’ll go


he will not go

she will not go

it will not go


he won’t go

she won’t go

it won’t go


Won’t he go?

Won’t she go?

Won’t it go?


we shall/will go

Shall we go?

we’ll go

we shall/will not go

we shan’t/won’t go

Shan’t we go?

you will go

Will you go?

you’ll go

you will not go

you won’t go

Won’t you go?

they will go

Will they go?

they’ll go

they will not go

they won’t go

Won’t they go?

bevestigend lang

vragend

bevestigend kort

ontkennend lang

ontkennend kort

vragend kort


Kort samengevat

Je mag altijd will of ‘ll gebruiken, behalve in vragende zinnen bij I en we, waar je shall moet gebruiken.

Je mag altijd will not of won’t gebruiken, behalve in vragende zinnen bij I en we, waar je shan’t moet gebruiken.

Het gebruik van de present future

Je gebruikt de present future om aan te geven dat iets zich in de toekomst afspeelt.


Bijvoorbeeld:

He won’t be here tomorrow.

I’ll sell my Playstation next year.

When I’m old, I’ll travel a lot.
Wat hierboven vetgedrukt is, duidt op toekomst.
Let op

Vergelijk de volgende Nederlandse zinnen met de Engelse!


Ik ben er morgen niet. -> I won’t be there tomorrow

Ik verkoop mijn huis volgend jaar. -> I’ll sell my house next year.


Wat valt op, als je bovenstaande zinnen vergelijkt?
Oefening
I.Maak zinnen in de toekomende tijd. Gebruik de gegeven woorden.
1.Tom - to see - sister - next week

2....... we - to visit - New York - next summer ?

3.She - to arrive - at 10.35 p.m.

4.You - to have - test - tomorrow

5.They - to finish - work - this afternoon

6.The pupils of 1E - to refuse - to do - test - summer holiday


II.Vertaal de volgende Nederlandse zinnen in het Engels.

1.Ik repareer morgen m’n fiets. (to repair)

2.Als ik zestien ben, koop ik een scooter.

3.De les begint morgen om tien over halfelf.

4.Zal ik je (even) helpen?

5.Zullen we ons niet amuseren op zijn feestje?

6.We logeren volgende week bij mijn oom.
Chapter 7
De vragende zin en het hulpwerkwoord TO DO in de present simple



I walk home

Do I walk home?

You walk home

Do you walk home?

He walks home

She walks home

It walks home


Does he walk home?

Does she walk home?

Does it walk home?

We walk home

Do we walk home?

You walk home

Do you walk home?

They walk home

Do they walk home?

Present Simple Bevestigend

Present Simple Vragend


Regels

Het hulpwerkwoord TO DO wordt altijd gevolgd door het hele werkwoord.

Als je een Engelse zin vragend maakt, moet je het hulpwerkwoord TO DO gebruiken, behalve als er een van de volgende werkwoorden in die zin staan:





  • can

  • may

  • must

  • shall

  • will

  • to have got

  • to be



Dus

I swim -> Do I swim?

She speaks French -> Does she speak French
Maar

I can swim -> Can I swim?

She’s got a new CD -> Has she got a new CD?

We must help dad -> Must we help dad?


Kijk goed wat er gebeurt met de derde persoonsuitgang in de volgende twee zinnen







persoonsvorm







He

works

hard

Does

he

work

hard?

persoonsvorm




hele werkwoord




Oefening
1.Maak de volgende zinnen vragend.

1.I speak French.

2.They learn English at school.

3.That silly dog barks far too much.

4.Girls work harder than boys.

5.Derek does the dishes after dinner.

6.We have breakfast at 7.

7.It rains a lot in Holland.

8.That cat sleeps in a basket.
2.Maak vragend.

1.Sharks can swim pretty fast.

2.God’s got queer customers.(vreemde klanten)

3.She drops her laptop.

4.My computer speaks Greek.

5.She’s terribly sorry.

6.We’ll leave tomorrow.

7.Miss Lucassen teaches English.

8.He must stop crying.
3.Stel Wh-vragen(what, where, why, who, when, how) die slaan op de onderstreepte gedeelten.

1.She lives in Langenboom.

2.Daddy lends me a lot of money.

3.The teacher gives us lots of homework.

4.I open tins with a tin opener.

5.The train leaves at 6.37.


De Past Simple = Verleden Tijd


to work

to cycle

to play

to cry

to drop

to do

to be

to have

I worked

I cycled

I played

I cried

I dropped

I did

I was

I had

you worked

you cycled

you played

you cried

you dropped

you did

you were

you had

he worked

she worked

it worked


he cycled

she cycled

it cycled


he played

she played

it played


he cried

she cried

it cried


he dropped

she dropped

it dropped


he did

she did


it did

he was

she was


it was

he had

she had


it had

we worked

we cycled

we played

we cried

we dropped

we did

we were

we had

you worked

you cycled

you played

you cried

you dropped

you did

you were

you had

they worked

they cycled

they played

they cried

they dropped

they did

they were

they had

regelmatige verleden tijd

onregelmatige verleden tijd


Regelmatige werkwoorden

De past simple van regelmatige werkwoorden wordt gevormd door -ed achter de stam van het werkwoord te plakken. De stam is het hele werkwoord zonder to.


Let op de eventuele spellingveranderingen bij de volgende soort werkwoorden:

cycle > cycled Alleen -d toevoegen, als het werkwoord eindigt op -e

stay > stayed Gewoon -ed toevoegen als het werkwoord eindigt op klinker+y

cry > cried Medeklnker + y wordt -ied

drop > dropped Na korte, beklemtoonde klinker + medeklinker medeklinker verdubbelen
Maar

drop > dropped Korte, beklemtoonde klinker + medeklinker: medeklnker verdubbelen

visit > visited Korte, onbeklemtoonde klinker + medeklinker: medeklinker niet verdubbelen
Uitzondering

travel > travelled Bij werkwoorden, eindigend op -l, altijd -l verdubbelen


Het gebruik

De Past Simple wordt gebruikt om aan te geven dat iets in het verleden plaats heeft gevonden. Vaak staan in de zin woorden, bijvoorbeeld bepalingen van tijd, die naar het verleden verwijzen.

Voorbeelden:

I worked too hard yesterday.

The cat jumped off the table this morning.

When I was 4, I climbed Mount Everest barefoot.
Vergelijking Engels-Nederlands

Waar het Engels altijd een past simple moet gebruiken om een handeling te beschrijven die in het verleden plaats heeft gevonden, gebruikt het Nederlands de onvoltooid verleden tijd of de voltooid tegenwoordige tijd.


I saw him in town yesterday. -> past simple

Ik zag hem gisteren in de stad. -> onvoltooid verleden tijd(soms gebruikt)

Ik heb hem gisteren in de stad gezien. -> voltooid tegenwoordige tijd(meestal gebruikt)
De uitspraak van de -ed uitgang van de past simple





  • -ed = [id] na t of d(in de uitspraak)

  • -ed = [t] na k, f, stemloze sisklank of p(in de uitspraak). Ezelsbruggetje: k o f sch i p

  • -ed = [d] na alle stemhebbende klanken, behalve d



Voorbeelden van uitspraak

to drop ->eindigt op stemloze p; de verleden tijd is dropped. -ed = [t]

to drag ->eindigt op stemhebbende g; de verleden tijd is dragged. -ed = [d]

to want ->eindigt op t; de verleden tiojd is wanted. -ed = [id]


Oefening

Zet de werkwoorden in de juiste uitspraakkolom:





baked

bewitched

cleaned

loaded


cycled

dreamed


fitted

grabbed


handed

hoped


busted

kissed


laughed

logged


loved

purred


robbed

rowed


sneezed

stayed


stuffed

visited


watched

zigzagged




[d] [t] [id]

…. …… ……


Past simple van onregelmatige werkwoorden

Zoals het Nederlands een regelmatige en een onregelmatige verleden tijd heeft, heeft het Engels dat ook. Vergelijk:



Nederlands

Engels

Ik zie hem elke dag

I see him every day

Ik zag hem gisteren

I saw him yesterday


Oefening
1.Zet de volgende zinnen in de past simple.

1.I open the window.

2.You are at home.

3.I do my best.

4.I dry my tears.

5.He sees the light.

6.She has breakfast at seven.

7.I step aside.

8.I stay at home.
2.Maak zinnen in de past simple met de gegeven woorden. Alleen bevestigende zinnen, geen vragende of ontkennende. Je moet nog woorden toevoegen om er een echte zin van te maken.

1. to travel - America - last year

2. to think - problem - yesterday evening

3. to twist - ankle - football match

4. to meet - Maxima - week ago

5. When he - to say, that I - to be - stupid, I - to have - to cry

6. to send - postcard - birthday

7. to do - dishes - this morning


3.Vertaal de zinnetjes in het Engels. Gebruik de past simple.

1.Jij was een goede gitaarspeler.

2.Ik heb hem gisteren geholpen.

3.We hebben vorig jaar America bezocht.

4.Onze ouders ruzieden veel, toen we jong waren.

5.Ik telde tot tien en toen wandelde ik weg.

6.Ik heb veel gereisd toen ik student was.

7.Hij zei dat hij mijn nieuwe T-shirt leuk vond.


De vragende zin en het hulpwerkwoord TO DO in de past simple

De regel voor het gebruik van TO DO luidt:

Als je een Engelse zin vragend maakt, moet je het hulpwerkwoord TO DO gebruiken, behalve als er in de zin een van de volgende werkwoorden staat:





  • can

  • may

  • must

  • shall

  • will

  • to have got

  • to be



Deze regel geldt niet alleen voor zinnen in de present simple, maar ook voor zinnen in de past simple.


Bevestigend

Vragend

Bevestigend

Vragend

I worked

Did I work?

I said

Did I say?

you worked

Did you work?

you said

Did you say

he worked

she worked

it worked


Did he work?

Did she work?

Did it work?


he said

she said


it said

Did he say?

Did she say?

Did it say?


we worked

Did we work?

we said

Did we say?

you worked

Did you work

you said

Did you say?

they worked

Did they work?

they said

Did they say?

regelmatige verleden tijd van ‘to work’

onregelmatige verleden tijd van ‘to say’


Kun je verklaren wat er met de -ed uitgang gebeurt als de zin vragend wordt?





onderwerp

I


persoonsvorm

watched


TV

yesterday


Did

persoonsvorm

I

onderwerp

watch

hele werkwoord

TV

yesterday?


Oefening

1.Maak de volgende zinnen vragend.

1.We were at home yesterday.

2.They enjoyed the match.

3.I did my homework this morning.

4.I thought about that problem.

5.She went home at 9.30.

6.We had got lots of money.

7.He was watching a film.

8.I told him the truth.

2.Maak vragende zinnen in de past simple met de gegeven woorden. Er moeten nog woorden worden toegevoegd om een complete zin te maken.

1.he - to know - queen - England - ?

2.she - to do the dishes - every day - ?

3.they - to go - France - summer - ?

4.Madonna - to sing - Ave Maria - ?

5.dog - to run - away - ?

6.you - to be - there - ?

7.thief - to steal - money - ?

8.he - to pay - everything - ?
3.Vertaal de volgende vraagzinnen in het Engels. Gebruik uitsluitend past simple.

1.Deden zij hun best?

2.Dachten zij hetzelfde?

3.Waar was jij gisteren?

4.Woonde hij in Langenboom?

5.Wilde hij zijn vrouw bellen?

6.Lachte zij om(=at) jou?

7.Wanneer begon de film?

8.Gingen jullie naar huis?

Chapter 8
In hoofdstuk 7 heb je geleerd, hoe je een Engelse zin vragend moet maken. We gaan nu de regel uitbreiden, waarbij je moet bedenken, dat het principe hetzelfde is.


present simple

I work hard

I don’t work hard

you work hard

you don’t work hard

he works hard

she works hard

it works hard


he doesn’t work hard

she doesn’t work hard

it doesn’t work hard


we work hard

we don’t work hard

you work hard

you don’t work hard

they work hard

they don’t work hard


Regels

Het hulpwerkwoord TO DO wordt altijd gevolgd door het hele werkwoord.

Als je een Engelse zin vragend of ontkennend maakt, moet je het hulpwerkwoord TO DO gebruiken, behalve als er een van de volgende werkwoorden in die zin staan:





  • can

  • may

  • must

  • shall

  • will

  • to have got

  • to be



Dus

I swim -> I don’t swim.

She speaks French -> She doesn’t speak French
Maar

I can swim -> I can’t swim.

She’s got a new CD -> She hasn’t got a new CD.

We are working -> We aren’t working.


Kijk goed wat er gebeurt met de derde persoonsuitgang in de volgende twee zinnen







persoonsvorm




He




works

hard

He

doesn’t

work

hard.




persoonsvorm

hele werkwoord



Hierboven stonden de zinnen in de tegenwoordige tijd.

Ontkennend maken in de verleden tijd is bijna hetzelfde. In de tegenwoordige tijd gebruik je do/does en in de verleden tijd did.




past simple regular verbs

I worked hard

I didn’t work hard

you worked hard

you didn’t work hard

he worked hard

she worked hard

it worked hard


he didn’t work hard

she didn’t work hard

it didn’t work hard


we worked hard

we didn’t work hard

you worked hard

you didn’t work hard

they worked hard

they didn’t work hard




past simple irregular verbs

I thought

I didn’t think

you thought

you didn’t think

he thought

she thought

it thought


he didn’t think

she didn’t think

it didn’t think


we thought

we didn’t think

you thought

you didn’t think

they thought

they didn’t think





Vraag

Kun je verklaren waarom in de ontkennende zin worked work en thought think geworden is?


Oefening
1.Maak ontkennend

1.She wants to leave.

2.She tells me the news.

3.She is thirteen.

4.He can swim very fast.

5.She does her best at school.

6.He is doing the dishes.

7.He works in a garage.

8.She’s got a new baby brother.
2.Maak ontkennend

1.She told me a lot of lies.

2.They did their utmost to save us.

3.We thought about the problem.

4.The baby cried a lot.

5.I was at home.

6.I wanted my money back.

7.I sent my sister a letter.

8.She received it yesterday.
3.Maak vragend en geef een lang bevestigend of lang ontkennend antwoord

1.Did you want to go home? (lang ontkennend)

2.Were you there? (lang bevestigend, met I beginnen)

3.Did your teacher think the same as you? (lang bevestigend)

4.Did she send you a nice letter? (lang bevestigend)

5.Does she do her best at school? (lang bevestigend)

6.Do babies cry a lot? (lang bevestigend)

7.Does that girl impress you? (land bevestigend)

8.Shall we go to the match? (lang ontkennend)

9.Does a cat mew and a dog bark? (lang ontkennend)

10.Can monkeys climb skyscrapers? (lang ontkennend)

11.Did he say I was a fool? (lang bevestigend)

12.Does he surf the net for MP3's? (lang bevestigend)

13.Is it raining? (lang ontkennend)

14.Did the mouse trample the elephant? (lang bevestigend)

15.Does a dolphin understand a human being? (lang bevestigend)



Chapter 9
Overzicht van de behandelde tijden a.h.v. voorbeeldzinnen


naam tijd

vragend

bevestigend+ontkennend lang

bevestigend+ontkennend kort

present continuous


Is he working now?

Yes, he is working.

No, he isn’t working.



Yes, he is.

No, he isn’t.



present simple


Does he live here?

Yes, he lives here.

No, he doesn’t live here.



Yes, he does.

No, he doesn’t.



past simple


Did he live here?

Yes, he lived here.

No, he didn’t live here.



Yes, he did.

No, he didn’t.



present future


Will he help me?

Yes, he’ll help me.

No, he won’t help me.



Yes, he will.

No, he won’t.



to be going to


Is he going to help?

Yes, he’s going to help.

No, he isn’t going to help.



Yes, he is.

No, he isn’t.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina