Wur, ppo-agv



Dovnload 16.87 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte16.87 Kb.


Contact: Eveline Stilma

WUR, PPO-AGV

Postbus 430, 8200 AK Lelystad

T 0320 291336

E eveline.stilma@wur.nl

I [www.???.wurl]







Samenvatting van het onderzoek ‘ontwerpproces gewasgroepen’


Inleiding

De huidige landbouwpraktijk voldoet niet aan de gestelde beleidsdoelen voor emissies van mineralen en gewasbeschermingsmiddelen naar het milieu. Met name zandgronden zijn gevoelig voor uitspoeling. Forse innovaties zijn nodig om aan de Kader Richtlijn Water (KRW) te kunnen voldoen. Het project Teelt de grond uit (Tdgu), waarin teeltsystemen los van de (onder)grond worden ontwikkeld, lijkt een innovatie waarmee mogelijk toch aan de KRW kan worden voldaan. Verschillende gewasgroepen richten zich samen met de praktijk op het ontwerpproces. Gedurende het project bleek dat het ontwerpproces verschillend verloopt tussen de gewasgroepen. In deze samenvatting wordt beschreven wat hiervan mogelijke oorzaken zijn.


Methode

Er zijn negen gewasgroepen aan de slag gegaan om teeltsystemen te ontwerpen voor gewassen die tot nu toe vooral in de vollegrond worden geteeld. Bij zes gewasgroepen – bloembollen, prei, appel, boomkwekerijgewassen, bladgewassen en zomerbloemen & vaste planten – is nader onderzocht hoe het ontwerpproces in de verschillende gewasgroepen is verlopen. Daarvoor zijn per gewasgroep vier deelnemers geïnterviewd: de gewasgroepcoördinator, twee telers, waarvan er één ook bestuurlijke verantwoordelijkheid had en een adviseur.


Resultaten

De resultaten zijn opgesplitst in twee delen. In het eerste deel wordt beschreven waarom de ontwerpprocessen in de verschillende gewasgroepen verschillend verlopen en in het tweede deel wordt beschreven hoe de geïnterviewden denken over hun omgeving en in hoeverre dit van invloed is op hun ontwerpproces.


De verschillen tussen de gewasgroepen kenmerken zich door onderstaande factoren:

  1. Elk gewastype heeft een andere levenscyclus waardoor de doorloopsnelheid van onderzoek ook verschilt. Prei heeft bijvoorbeeld meerdere teelten per jaar, zodat ook meerder teelten per jaar onderzocht kunnen worden, terwijl de economisch productieve levensduur van een appelboom kan oplopen tot 12 jaar. Daarnaast ligt de focus van de teelt bij elk gewas anders en dus de focus van het onderzoek ook. Bladgewassen, prei en zomerbloemen worden geteeld voor het bovengrondse deel. Bollen, vaste planten worden geteeld voor het ondergrondse deel en laanbomen wordt geteeld op beide: een gezonde boom met een gezond wortelstelsel.

  2. De uitgangspositie van de gewasgroepen is verschillend. Het telen uit de grond van bloembollen en appel is nog heel nieuw en er wordt vooral aan een de basisprincipes van de teelt op substraat gewerkt. In prei en bladgewassen is daarentegen al onderzoek gedaan naar substraatsystemen en in deze gewasgroepen kon dus in zekere zin een vliegende start gemaakt worden. Ook boomkwekers waren zelf al bezig met het telen van bomen in containers in verband met bodemgebonden ziekten en verlenging van de afleverperiode.


  1. Sommige teelten worden beheermatig en andere teelten stuurbaar geteeld. Een teler die beheermatig teelt, zorgt ervoor dat de omstandigheden zo goed zijn dat het gewas optimaal kan groeien. Akkerbouw is een voorbeeld van beheermatige teelt. Een teler die stuurbaar teelt stuurt de groei en heeft verschillende variabelen in de hand. Bedekte substraatteelt (bijv tomaat), waarbij er tevens gestuurd wordt op klimaat, is een voorbeeld van maximaal stuurbare teelt. Teelt uit de grond (Tdgu) maakt meer stuurbaar telen noodzakelijk en mogelijk en ervaring met stuurbare teelt vereenvoudigt de omschakeling naar Tdgu.

  2. Een groot netwerk van de telers in de gewasgroep vergroot de kans van slagen van het innovatieve systeem. Sectoren waar er voorafgaand aan het ontwerpproces al sprake is van een verzekerde afzet zijn zekerder over het ontwerpproces waardoor de kans hoger is dat het systeem aanslaat. Datzelfde geldt waarschijnlijk ook als telers uit gewasgroepen al contact hebben met andere stakeholders, zoals de gemeente en omwonenden. In dat geval zullen de nieuwe teeltsystemen mogelijk minder weerstand in de omgeving oproepen.

  3. Telers die veel grond in eigen bezit hebben zijn op die manier kapitaalskrachtig. Telers met een goed ondernemersplan waarin duidelijk wordt dat de investeringen gaan renderen is voor de bank goed genoeg voor een lening. Probleem is dat sommige telers niet gewend zijn aan grote investeringen omdat ze dat nooit eerder nodig hadden en de grond als kapitaal hadden.

De implementatie van de systemen is onlosmakelijk verbonden met de omgeving. De geïnterviewden hebben in meer of mindere mate contact gezocht met hun omgeving voorafgaand of tijdens het ontwerpproces. De visie die de geïnterviewden hebben op de omgeving is van invloed op het ontwerpproces. Hun visie staat hieronder samengevat:



  • De geïnterviewde telers vragen zich af hoe de omwonenden op de nieuwe teeltsystemen zullen reageren. Ze verwachten dat de omwonenden eerder bereid zullen zijn de systemen te accepteren als ze van tevoren zijn ingelicht en bij het ontwerpproces zijn betrokken.

  • Het is nog onduidelijk hoe de gemeentes zullen reageren. Leden uit de gewasgroepen hebben nog geen zicht op het bestemmingsplan. Daarbij is de invulling van het bestemmingsplan per gemeente verschillend.

  • De geïnterviewden uit de gewasgroepen denken verschillend over de reactie van de afnemers op de Tdgu-ontwerpen. De boomtelers hebben al afspraken met de afnemer gemaakt over een gedeelte van de afzet. Bladgewassen en zomerbloemen hebben contact gezocht. In de gesprekken dragen telers verkoopargumenten aan richting de afnemer zoals betere kwaliteit, snellere productie en milieuvriendelijke productiewijze. In de bloembollen, prei en appel is nog geen contact gezocht met afnemers. De geïnterviewden verwachten dat prijs/kwaliteitverhouding het belangrijkste is voor hun afnemer, en zijn nog niet zo ver in hun onderzoek om daar iets over te kunnen zeggen.



  • De consumenten stellen steeds hogere eisen aan de kwaliteit van het product en de manier waarop dit geproduceerd wordt. Duurzame productie is een steeds belangrijker verkoopargument. Doordat minder uitspoeling optreedt zijn de systemen duurzamer, maar het imago van geïndustrialiseerde teelt kan een bezwaar zijn.

  • Installatiebedrijven en leveranciers zullen enthousiast zijn want nieuwe teeltmethoden bieden mogelijkheden voor nieuwe installaties en technieken.

Verwacht effect van de systemen op de omgeving:



  • Qua natuur en milieu zitten er voor- en nadelen aan de systemen. Teelt de grond uit zorgt voor een sterke reductie in de uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. De teelt is intensiever en vergt minder oppervlak waardoor er ruimte komt voor andere functies. Echter op dit moment zijn de velden een habitat voor vogels en andere dieren en met teelt de grond uit gaat dat min of meer verloren. Bovendien zijn er materialen nodig om de systemen te bouwen. Het is niet duidelijk of gebruik van die materialen qua duurzaamheid opweegt tegen de teelt in de volle grond.

  • Landschappelijke inpasbaarheid heeft voor de geïnterviewden uit de gewasgroepen niet de hoogste prioriteit. Elke sector heeft daar eigen redenen voor. De belangrijkste redenen zijn dat ze verwachten dat de systemen niet opvallend genoeg zijn om een reactie teweeg te brengen of dat ze nog niet ver genoeg gevorderd zijn in het onderzoek om er over na te denken.


Verschillen in ontwerpproces
De verschillen tussen de sectoren en de verschillende houding van telers in de sectoren heeft effect op het ontwerpproces. Zo is het belangrijk dat telers vanaf het begin hebben kunnen meedenken over het ontwerp. Hierdoor zijn de telers meer betrokken bij de systemen en zullen ze eerder over gaan tot implementatie op het eigen bedrijf. Echter, telers die ervaring hebben met stuurbare teelt kunnen makkelijker meedenken over het ontwerpproces dan telers die daar geen ervaring mee hebben. Ook telers die gewend zijn aan investeringen en diversificatie op het bedrijf zullen eerder geneigd zijn een nieuwe investering te doen dan telers die weinig verschillende gewassen telen en grond als kapitaal hebben.
Telers hebben hun visie gegeven op de houding van stakeholders in hun omgeving. In een ander onderzoek zijn deze stakeholders zelf geïnterviewd (Slobbe, 2010). Stakeholders hebben soms een andere mening dan dat telers denken. Uit de interviews in dit project bleek dat inzicht in de wensen van stakeholders, door contact met de stakeholders, bijdraagt aan de zekerheid van telers over het ontwerp. Bijvoorbeeld, telers die vooraf afspraken gemaakt hebben met de afzet zijn zekerder over de toepassing van de systemen op hun eigen bedrijf want het risico van de investering is lager.

Slobbe, R., Stokkers, R. Galen, van M. (2010). Omgevingsanalyse voor het programma ‘Teelt de grond uit’. LEI rapport 2010-102. Den Haag. 88pp.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina