Zaaknummer: 200307350/1



Dovnload 148.7 Kb.
Pagina1/6
Datum16.08.2016
Grootte148.7 Kb.
  1   2   3   4   5   6




Uitspraak
















Zaaknummer:

200307350/1

Publicatie datum:

woensdag 26 januari 2005

Tegen:

de Ministerraad, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Verkeer en Waterstaat

Proceduresoort:

Eerste aanleg - meervoudig

Rechtsgebied:

Kamer 1 - RO - Overige

200307350/1.


Datum uitspraak: 26 januari 2005

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging "Bewonersvereniging Vlinderstrik Rodenrijs", gevestigd te Berkel en Rodenrijs, en anderen,


2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],
3. de vereniging "Westelijke Land- en Tuinbouw Organisatie", gevestigd te Haarlem,
4. de vereniging "Nederlandse Vissersbond", gevestigd te Emmeloord, en andere,
5. [appellante sub 5], wonend te [woonplaats],
6. [appellante sub 6] gevestigd te [plaats], en anderen,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Shell Nederland Raffinaderij B.V.", gevestigd te Rotterdam,
8. de stichting "Stichting Natuur- en Milieuwacht", gevestigd te Berkel en Rodenrijs,
9. de vereniging "Vereniging Verontruste Burgers van Voorne", gevestigd te Oostvoorne,
10. het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne,
11. de vereniging “Vereniging voor Natuur- en Milieubescherming Noordrand Rotterdam”, gevestigd te Rotterdam,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Perpetuem Progress International B.V.”, gevestigd te Hattem,
13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],
appellanten,

en

de Ministerraad, te dezen vertegenwoordigd door


de Minister van Verkeer en Waterstaat,
verweerder.

1. Procesverloop

De Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft in haar vergadering van 25 april 2002 ingestemd met het kabinetsstandpunt inzake de planologische kernbeslissing-plus "Project Mainportontwikkeling Rotterdam". De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft het kabinetsstandpunt niet binnen vier weken behandeld, zodat zij geacht wordt daarmee te hebben ingestemd.

De tekst van de planologische kernbeslissing-plus zoals deze luidt na de instemming van de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is opgenomen in het op 26 september 2003 vastgestelde deel 4 van de planologische kernbeslissing-plus "Project Mainportontwikkeling Rotterdam" (hierna: pkb).

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Bij brief van 9 maart 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 juli 2004 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de stichting "Stichting Natuur- en Milieuwacht", de vereniging "Vereniging Verontruste Burgers van Voorne" en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2004, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerder heeft zich daar doen vertegenwoordigen. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Shell Nederland Raffinaderij B.V.", het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne en [appellante sub 2] zijn niet verschenen.

2. Overwegingen

Overgangsrecht

2.1. Op 1 februari 2004 is in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in verband met de invoering van een rijksprojectenprocedure van 20 november 2003 (Stb. 519). Bij deze wet is onder meer artikel 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gewijzigd.

Nu het ontwerp van de pkb ter inzage is gelegd vóór 1 februari 2004 volgt uit artikel V van deze wet dat op dit geschil artikel 56, eerste lid, van de WRO, zoals dat voor dit tijdstip luidde, van toepassing is.

Planbeschrijving

2.2. Met de pkb is beoogd ruimtelijke voorwaarden te scheppen voor het verwezenlijken van de volgende dubbeldoelstelling: versterking van de positie van de Rotterdamse haven en de daaraan functioneel verbonden plaatsen (de mainport Rotterdam) en verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving in Rijnmond.

Hiertoe zijn drie deelprojecten benoemd die tezamen het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (hierna ook: PMR) vormen:

1. Bestaand Rotterdams Gebied (hierna ook: BRG): een serie projecten om het bestaande havengebied beter te benutten en de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren;

2. Landaanwinning: uitbreiden van de Rotterdamse haven met een landaanwinning ten behoeve van haven- en industrieterrein van maximaal 1.000 hectare netto (de zogenoemde Tweede Maasvlakte) en maatregelen om schade aan beschermde natuur te compenseren;

3. 750 hectare natuur- en recreatiegebied: ontwikkeling van nieuwe natuur- en recreatiegebieden op Midden-IJsselmonde en ten noorden van Rotterdam.

Bevoegdheid van de Afdeling

2.3. Ingevolge artikel 2a, eerste lid, van de WRO stelt de Ministerraad voor bepaalde aspecten van het nationale ruimtelijke beleid plannen vast. Deze plannen kunnen bestaan uit structuurschetsen, structuurschema's of nota's, die van belang zijn voor het nationaal ruimtelijk beleid, zoals nader bepaald bij algemene maatregel van bestuur. Indien een onderdeel van een zodanig plan een concrete beleidsbeslissing is, wordt die beslissing bij de vaststelling van andere plannen op grond van deze wet in acht genomen.

Ingevolge artikel 39 van de WRO bevat een planologische kernbeslissing ten behoeve van een groot project van nationaal belang een of meer concrete beleidsbeslissingen. Bij de nadere besluitvorming over zodanige projecten worden die beleidsbeslissingen in acht genomen.

2.3.1. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder a, van de WRO, voor zover hier van belang, gelezen in samenhang met artikel 56, eerste lid, van de WRO kan door een ieder beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld tegen een concrete beleidsbeslissing, een herziening of een intrekking daarvan, opgenomen in een planologische kernbeslissing.

2.3.2. Ingevolge artikel 1 van de WRO wordt onder een concrete beleidsbeslissing verstaan een als zodanig door het bestuursorgaan aangegeven besluit in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan.

2.3.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt in een planologische kernbeslissing een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven.

2.3.4. Uit deze bepalingen volgt dat de Afdeling met betrekking tot een vastgestelde of herziene planologische kernbeslissing slechts bevoegd is te oordelen over beroepen die zijn gericht tegen daarin vervatte concrete beleidsbeslissingen. Indien een beroep is gericht tegen een niet door het bestuursorgaan als concrete beleidsbeslissing aangegeven onderdeel van een planologische kernbeslissing, is het niet gericht tegen een concrete beleidsbeslissing in de zin van artikel 1 van de WRO; de Afdeling is onbevoegd van zo’n beroep kennis te nemen.

2.3.5. Indien een beroep ertoe strekt dat een beleidsuitspraak van het bestuursorgaan als een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing had moeten worden opgenomen, moet dit beroep worden opgevat als een beroep tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 11 december 2002, no. 200100097/1 (AB 2003, 65), acht zij zich, gelet op de ontstaansgeschiedenis van artikel 1 van de WRO, onbevoegd van zo’n beroep kennis te nemen.

Reikwijdte toetsing door de Afdeling

2.4. Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 1 van de WRO (Kamerstukken II, 1996/1997, 25 311, nr. 3, p. 13-15 en nr. 6, p. 43-45) blijkt dat de wetgever de bevoegdheid om te beslissen welke beleidsuitspraken als een concrete beleidsbeslissing moeten worden gezien, bewust uitsluitend aan het bestuursorgaan dat het plan vaststelt, heeft willen toekennen.

Aangezien in artikel 2a, eerste lid, en artikel 39 van de WRO is bepaald dat een concrete beleidsbeslissing in acht dient te worden genomen bij respectievelijk de vaststelling van andere plannen op grond van de WRO en de nadere besluitvorming over grote projecten van nationaal belang, en ingevolge artikel 24 van de WRO geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan kunnen worden ingediend, voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing, is in het kader van de toetsing door de Afdeling met name van belang of de rechtsgevolgen van de desbetreffende concrete beleidsbeslissing duidelijk zijn.

Dit stelsel van besluitvorming en rechtsbescherming brengt mee, dat indien in een concrete beleidsbeslissing een definitieve planologische keuze met betrekking tot de bestemming van een gebied is neergelegd, het onderzoek dat aan die beslissing is voorafgegaan, afhankelijk van aard en strekking van de concrete beleidsbeslissing, dienovereenkomstig volledig dient te zijn en gemotiveerd inzicht dient te bieden in de mogelijkheden tot verwezenlijking van de bestemming. Zo dient een concrete beleidsbeslissing waarvan de bestemmingsplanwetgever op grond van de wet niet mag afwijken op dezelfde wijze gemotiveerd te worden als een bestemmingsplan. Een dienovereenkomstige eis geldt met het oog op de nadere besluitvorming als bedoeld in artikel 39 van de WRO. Bij de vaststelling van de concrete beleidsbeslissing dient dan ook een volledige beoordeling te worden verricht in die zin dat voldoende duidelijk is dat er geen belemmeringen zijn die in de weg staan aan de nadere invulling van het gebied bij een bestemmingsplan en de nadere besluitvorming als bedoeld in artikel 39 van de WRO.

Dit betekent overigens niet dat, mits wordt voldaan aan de minimaal aan een concrete beleidsbeslissing te stellen eisen, in een concrete beleidsbeslissing niet kan worden volstaan met een ruim ruimtebeslag voor een bepaalde activiteit of een globale invulling. In dat geval zal binnen de grenzen van het in de concrete beleidsbeslissing opgenomen ruimtebeslag naar nadere invulling worden gezocht. In geval de activiteit als zodanig in de concrete beleidsbeslissing is bepaald, kan deze bij de vervolgbesluitvorming niet meer ten principale ter discussie worden gesteld. Wat betreft de te maken keuze bij de nadere invulling kan artikel 24 van de WRO echter niet worden tegengeworpen zulks ondanks het feit dat de activiteit zich binnen het vastgestelde ruimtebeslag bevindt.

Concrete beleidsbeslissingen

2.5. Ten aanzien van het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied zijn in de pkb geen concrete beleidsbeslissingen opgenomen.

2.5.1. Ten aanzien van het deelproject Landaanwinning zijn de volgende concrete beleidsbeslissingen opgenomen:

1. “Concrete beleidsbeslissing: het beoogde resultaat van het deelproject Landaanwinning is een nieuw haven- en industrieterrein in de Noordzee van ten hoogste 1000 hectare netto uitgeefbaar haven- en industrieterrein, aansluitend op het bestaande havengebied (de Maasvlakte). Een landaanwinning ten behoeve van haven- en industrieterrein wordt mogelijk gemaakt in het gebied dat begrensd wordt door de Euro-Maasgeul in het noorden, de verlengde demarcatielijn in het zuiden en in het westen door de lijnen zoals aangeduid op figuur 3.1.”.

2. “Concrete beleidsbeslissing: de huidige demarcatielijn zal – conform het vigerend Streekplan Rijnmond – in west-zuidwestelijke richting worden verlengd (zie figuur 3.1), hetgeen betekent dat in de Haringvlietmond direct ten zuiden van deze lijn geen landaanwinning voor een haven- en industrieterrein is toegestaan.”.

3. “Concrete beleidsbeslissing: in figuur 3.2 is het gebied aangegeven waar het voor de landaanwinning benodigde ophoogzand zal worden gewonnen, daarbij in aanmerking nemende dat ook zand mag worden benut, dat als bijproduct vrijkomt bij werken ter waarborging van de toegankelijkheid van de Rotterdamse haven, zoals verbreding en verdieping van de vaargeul of bij de eventuele winning van beton- en metselzand (waarvoor een aparte procedure geldt). De zeewaartse begrenzing van het gebied voor zandwinning wordt gevormd door een straal van 30 km vanuit het midden van de zuidrand van de referentie-ontwerpen voor een landaanwinning. De landwaartse begrenzing wordt gevormd door de 2 km lijn zeewaarts van de doorgaande -20 m NAP dieptelijn. Delen van het zoekgebied worden van zandwinning uitgesloten als uit het MER zandwinning blijkt dat de zandwinning in deze deelgebieden significante negatieve effecten kan hebben op beschermde habitats en/of beschermde soorten en/of op Natura 2000 gebieden.”.

4. “Concrete beleidsbeslissing: voor de compensatie van het verlies aan zeenatuur wordt een zeereservaat mogelijk gemaakt van circa 31250 hectare voor de Haringvlietmond in de vorm van een beheersplan in het kader van artikel 6.1 van de Habitatrichtlijn. Als uit onderzoek en monitoring blijkt dat het reservaat minder groot behoeft te zijn, zal de te realiseren omvang worden bijgesteld. In het zeereservaat worden gebruiksfuncties, die substantieel negatieve effecten hebben op mariene natuurwaarden, verboden of beperkt en wordt een aantal actieve beheersmaatregelen getroffen. Het zeereservaat wordt mogelijk gemaakt op de locatie in de Voordelta als aangegeven in figuur 3.3.”.

5. “Concrete beleidsbeslissing: voor de compensatie van de effecten van landaanwinning op open droog duin worden voor de Delflandse kust - aansluitend aan de zeekant van het bestaande duingebied - duinen met strand mogelijk gemaakt met een omvang van 100 ha. Deze duinen worden mogelijk gemaakt op de locatie zoals aangegeven op figuur 3.4. In combinatie met het open droog duin worden ook natte duinvalleien mogelijk gemaakt.”.

6. “Concrete beleidsbeslissing: voor de compensatie van het kwaliteitsverlies van de zeereep op Voorne en Goeree wordt nieuwe zeereep mogelijk gemaakt. Bij de Brouwersdam wordt een zeereep met een omvang van 15 ha mogelijk gemaakt op de noordelijke locatie, aangegeven in figuur 3.5. Op de kust van de landaanwinning wordt een zeereep met een omvang van 8 ha mogelijk gemaakt.”.

2.5.2. Ten aanzien van het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied zijn de volgende concrete beleidsbeslissingen opgenomen:

1. “Concrete beleidsbeslissing: in het gebied Midden-IJsselmonde wordt binnen de begrenzing die is aangegeven op figuur 3.6 een openbaar toegankelijk natuur- en recreatiegebied gerealiseerd met een oppervlak van circa 600 hectare. Het gebied ten noorden van de Essendijk zal de hoofdfunctie openlucht recreatie met natuurwaarden worden gegeven. Het gebied ten zuiden van de Essendijk gelegen zal de hoofdfunctie hoogwaardige natuur met recreatief medegebruik krijgen. Bij de transformatie van Midden IJsselmonde zal ruimte blijven voor agrarische bedrijvigheid en zullen de bestaande landschappelijke en cultuurhistorische elementen zoveel mogelijk behouden blijven.”.

2. “Concrete beleidsbeslissing: zoals op figuur 3.8 staat aangegeven zal in de Schiebroekse- en de Zuidpolder, een openbaar toegankelijk natuur- en recreatiegebied met een oppervlakte van circa 100 hectare worden gerealiseerd. In de Schiezone wordt overeenkomstig figuur 3.8 circa 50 hectare openbaar toegankelijk natuur- en recreatiegebied gerealiseerd.”.

Toetsing van de bevoegdheid

2.6. [appellant sub 13] heeft in zijn beroepschrift en in zijn aanvulling hierop niet aangegeven tegen welke concrete beleidsbeslissing(en) hij opkomt. Ter zitting heeft hij desgevraagd toegelicht dat zijn beroep is gericht tegen de dubbeldoelstelling van het PMR.

Aangezien de dubbeldoelstelling als zodanig geen concrete beleidsbeslissing is, is de Afdeling onbevoegd van het beroep van . [appellant sub 13] kennis te nemen.

2.7. De beroepen van de vereniging “Vereniging Verontruste Burgers van Voorne” (hierna: Vereniging Verontruste Burgers) en het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne zijn mede gericht tegen het niet opnemen van een concrete beleidsbeslissing voor het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied.

Volgens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Perpetuem Progress International B.V.” (hierna: Perpetuem Progress International) dient in een concrete beleidsbeslissing te worden bepaald dat de landaanwinning alleen bedoeld is voor deepsea gebonden activiteiten. Volgens de Vereniging Verontruste Burgers en het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne dient in een concrete beleidsbeslissing een afwegingskader te worden opgenomen, waaraan de vestiging van andere activiteiten dan deepsea gebonden activiteiten ter plaatse van de landaanwinning wordt getoetst.

Het beroep van de Vereniging Verontruste Burgers is er voorts op gericht de beslissing van wezenlijk belang inzake de compensatie van de negatieve effecten voor de beschermde natuurwaarden ten gevolge van de landaanwinning te wijzigen in een concrete beleidsbeslissing. Ook is deze vereniging van mening dat, nu voor de uitwerking veelvuldig wordt verwezen naar het projectenspoor, in de pkb een concrete beleidsbeslissing over de inspraak ten aanzien van die uitwerking opgenomen dient te worden.

Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne is er voorts op gericht dat in de concrete beleidsbeslissing inzake het zeereservaat wordt opgenomen dat de recreatief toeristische functie van het badstrand van Rockanje wordt gerespecteerd en gegarandeerd. Verder is dit college van mening dat in de concrete beleidsbeslissingen die zien op te treffen compenserende maatregelen, moet worden opgenomen dat compensatie van niet-mitigeerbare significante effecten moet plaatsvinden in het gebied waar deze effecten optreden. Ook Perpetuem Progress International is, gelet op de concrete beleidsbeslissingen inzake de aanleg van duinen met strand voor de Delflandse kust en het mogelijk maken van nieuwe zeereep, van mening dat ten aanzien van gebieden waar de leefbaarheid wordt aangetast, compenserende maatregelen dienen te worden opgenomen in een concrete beleidsbeslissing. Op dienovereenkomstige wijze stellen deze beide appellanten dat verweerder in de concrete beleidsbeslissingen ten aanzien van het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied ten onrechte geen maatregelen heeft opgenomen die de leefbaarheid op Voorne zullen verbeteren.

2.7.1. De vorenstaande beroepen moeten in zoverre worden opgevat als beroepen tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen dan wel aan te vullen. De Afdeling is in zoverre onbevoegd kennis te nemen van deze beroepen.

2.7.2. Voor zover de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne en Perpetuem Progress International mede aldus dienen te worden verstaan dat onvoldoende is voorzien in compensatiemaatregelen voor de landaanwinning, zullen deze in dat kader worden behandeld. Daarbij overweegt de Afdeling voorts dat voor een behandeling van deze beroepsgronden in het kader van de concrete beleidsbeslissingen voor het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied geen plaats is. De in dat kader te nemen maatregelen zijn er onder meer voor bedoeld om de kwaliteit van de leefomgeving in de regio Rijnmond te verbeteren. Daarnaast is in het bestuurlijke stakeholdersoverleg een akkoord bereikt over extra leefbaarheidsmaatregelen voor Voorne en Goeree. Deze maatregelen zijn opgenomen in het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied. De leefbaarheidsmaatregelen zijn losgekoppeld van de concrete beleidsbeslissingen ten aanzien van de landaanwinning. In het bijzonder is het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied niet bedoeld als compensatie voor de natuurwaarden die door de landaanwinning verloren gaan.

Formele bezwaren

2.8. De vereniging “Nederlandse Vissersbond” en andere (hierna: de Vissersbond en andere) komen in beroep op tegen de concrete beleidsbeslissingen inzake de landaanwinning, de zandwinning en het zeereservaat. Zij stellen allereerst dat in strijd met artikel 2a, eerste lid, van de WRO de tijdsduur niet in de pkb is vermeld.

2.8.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de looptijd van de pkb is beperkt tot tien jaar. Hiertoe wijst hij op het gestelde in de paragrafen 3.3.1 en 3.4.4 van de pkb, waaruit blijkt dat in ieder geval tien jaar na het van kracht worden van de pkb een evaluatie zal plaatsvinden wat betreft de landaanwinning en dat ernaar gestreefd wordt de aanleg van 750 hectare natuur- en recreatiegebied binnen tien jaar te verwezenlijken.

2.8.2. Ingevolge artikel 2a, eerste lid, van de WRO wordt in een pkb vermeld voor welke tijdsduur deze geldt.

Uit de wetsgeschiedenis (TK 1977-1978, 14 889, nr. 3, p. 34) blijkt omtrent het verstrijken van de geldingsduur van de pkb het volgende: "De planologische kernbeslissing is, zoals eerder gezegd, een planologische maatregel waarin het beleid voor lange termijn is neergelegd. Het in het besluit genoemde tijdvak moet aangemerkt worden als een raming van de termijn, waarna de beslissing herbezinning zal behoeven.

Dit houdt geenszins in dat na verloop van dat tijdvak het beleid als zodanig is verlaten en als achterhaald kan worden beschouwd, doch slechts dat het rechtsgevolg van de planologische kernbeslissing - het kunnen geven van een op die beslissing gebaseerde aanwijzing waartegen geen beroep open staat - vervallen is.".

Het belang van het vermelden van de tijdsduur van de pkb ligt naar het oordeel van de Afdeling voor het thans geldende recht in het verval van de rechtsgevolgen die zijn verbonden aan de in de pkb opgenomen concrete beleidsbeslissing(en). Over de tijdsduur zal daarom geen onduidelijkheid mogen bestaan.

2.8.3. Uit paragraaf 3.3.1 van de pkb blijkt dat een tussentijdse evaluatie van het deelproject Landaanwinning wenselijk wordt geacht. Deze evaluatie vindt, aldus deze paragraaf, plaats na de aanleg van ongeveer 500 hectare (land) of tien jaar na het van kracht worden van de pkb conform de gebruikelijke herzienings- c.q. verlengingstermijn van de pkb. Wat betreft het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied is volgens paragraaf 3.4.4 voorzien in een streeftermijn van tien jaar voor de grondverwerving en inrichting van dit gebied.

Nog daargelaten dat aan deze passages geen betekenis is toegekend voor de gehele pkb, overweegt de Afdeling dat uit de passages niet (eenduidig) de tijdsduur van de pkb, als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de WRO, volgt. Ook anderszins is in de pkb geen tijdsduur vermeld als bedoeld in voornoemd artikellid.

Hieruit volgt dat verweerder op dit punt heeft gehandeld in strijd met artikel 2a, eerste lid, van de WRO en de concrete beleidsbeslissingen inzake de landaanwinning, de zandwinning en het zeereservaat in zoverre in strijd met deze bepaling heeft genomen.

  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina