Zal ik nog liefde genieten, nu ik oud ben?’ (Gen 18,12) Nieuw elan voor het religieuze leven



Dovnload 37.2 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte37.2 Kb.


Zal ik nog liefde genieten, nu ik oud ben?’

(Gen 18,12)

Nieuw elan voor het religieuze leven
Pierre Humblet
Dat moest ook wel

Niets is zo gewoon en natuurlijk als geboorte. Toch vervult het ons telkens weer met verwon­dering. Dat is des te meer het geval wanneer de komst van nieuw leven niet meer verwacht wordt. Zo was dat bij Abraham en Sara. Langdurige onvruchtbaarheid en ouderdom maakten de geboorte van Isaak tot iets buitengewoons. Dat moest ook wel. Het ging hier immers om de geboorte van het volk Israël. God zelf schiep zich dit volk en in één beweging heeft hij het geroepen tot trouw aan een verbond met Hem.

Op eenzelfde manier liggen nieuwe roepingen tot het religieuze leven niet meer voor de hand. Het kerkelijke leven is in onze samenleving steeds meer een randverschijnsel geworden. Als vanzelf wordt dan ook de keuze om je leven helemaal in te richten vanuit het religieuze tot iets bijzonders. Toch nemen we nieuw elan waar voor het religieuze leven. Daarbij moet niet meteen gedacht worden aan grote aantallen nieuwe intredingen. Wel zien we dat God zich een nieuw volk schept en dat de Geest de band van het verbond nieuw leven inblaast. Dat moest ook wel.


Bij de eik van Mamre

In Genesis 18 wordt ons verteld hoe Abraham en Sara hoog bezoek krijgen. Bij de eik van Mamre verschijnt hen de Heer, in de gestalte van drie mannen. Ze worden gastvrij ontvangen en dan volgt de volgende scène:

Toen bracht hij (Abraham) hun wrongel en melk, en het kalf dat hij had laten toebereiden, en zette hun dat alles voor; terwijl zij aten bleef hij bij hen staan, onder de boom. Toen vroegen ze hem: ‘Waar is Sara, uw vrouw?’ Hij antwoordde: ‘Daar, in de tent.’ Toen zei Hij: ‘Het volgend jaar, rond deze tijd, kom Ik bij u terug, en dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben.’ Sara stond te luisteren bij de ingang van de tent, achter hem. Nu waren Abraham en Sara oud en bejaard, en Sara ging het niet meer naar de wijze van de vrouwen. Daarom moest Sara bij zichzelf lachen, want zij dacht: ‘Zal ik nog liefde genieten, nu ik oud ben, en ook mijn heer al oud is?’ (Genesis 18,1-15)

In dit verhaal herken ik veel van wat er momenteel omgaat in religieus Nederland. Een groot deel van de ordes en congregaties is al decennia lang ‘kinderloos’ gebleven: ze hebben geen aanwas van jongeren gekregen. Intussen maakt de hoge gemiddelde leeftijd het verschil in belevings­wereld met de jongste generaties zo groot dat vaak gezegd moet worden: “Het is niet meer verstandig nog jongeren aan te nemen.” Gelukkig geldt dit niet overal. Een beperkt aantal gemeenschappen heeft van tijd tot tijd nog nieuwe aanmeldingen. In totaal gaat het dan in heel Nederland om ongeveer 15 à 20 intredingen per jaar. Daarbij zijn diegenen die binnen enkele jaren weer verdwijnen niet meegerekend. Dat is echter te weinig om ongeveer 200 religieuze instituten1 vitaal mee te houden. We zullen daarom onder ogen moeten zien dat op termijn slechts ongeveer 15 % van deze ordes en congregaties in Nederland zal voortbestaan.

De afgelopen veertig jaar is – in het verlengde van Vaticanum II – geprobeerd om deze ontwikkeling te keren door het religieuze leven te vernieuwen. Ordes en congregaties gingen een weg van herbronning. Zij probeerden hun manier van leven meer bij de tijd te brengen en sterker te doen wortelen in hun charisma.2

Met enthousiasme is hieraan gewerkt en voor talloze religieuzen en religieuze instituten is dit een zegenrijke weg gebleken. Men nam afscheid van oude leefpatronen die als verstikkend werden ervaren. Het dagelijks leven en de spiritualiteit werden sterker verbonden met de beleving van het Evangelie en met de eigen funda­mentele bron­nen. Een nieuwe oriëntatie werd gezocht binnen onze snel veranderende kerk en samen­le­ving.

Wie echter hoopte dat dit dan ook min of meer automatisch zou leiden tot een nieuwe toestroom van kandidaten, kwam bedrogen uit. Het verging de meeste ordes en congregaties zoals Abraham en Sara. Meer en meer werd hun religieus leven – de beleving van hun verbond met God – verdiept, maar ze bleven kinderloos tot lang na het moment waarop menselijker­wijs geen nakomelingen meer te verwachten zijn.


Zal ik nog liefde genieten, nu ik oud ben?

Toch zien we de laatste jaren onder de Nederlandse religieuzen steeds meer tekenen die wijzen op een versterkt geloof dat er voor het religieuze leven in Nederland toekomst is. Met de woorden van Sara zou je dan kunnen vragen: Zal ik nog liefde genieten, nu ik oud ben? Zal Sara dan volgend jaar, rond deze tijd, een zoon of dochter hebben? Kunnen we een nieuwe toestroom van intredingen verwachten?

Daar kunnen we alleen op zeggen: ja en nee. ‘Ja’, want die ‘zonen en dochters’ zijn er al, ook al zijn het er weinig. ‘Nee’, omdat dat er te weinig zijn om van een kentering te kunnen spreken. En toch ook weer ‘Ja’, omdat dit kindschap geen kwestie is van kwantiteit maar van een bepaald soort kwaliteit. De kwaliteit van het geloof, van het vertrouwen. Er is steeds meer geloof in de zinvolheid van het religieuze leven en in de toekomstkansen daarvan.

Dit toenemende vertrouwen is natuurlijk moeilijk meetbaar. Toch zien we de laatste jaren duidelijke signalen die daarop wijzen. Er groeit meer beweging binnen de wereld van de religieuzen.


  • Een groeiend aantal gemeenschappen maakt bijvoorbeeld weer werk van roepingen­pastoraat of zoekt wegen daarvoor.

  • Nadrukkelijker en zelfverzekerder manifesteren religieuzen zich naar buiten toe bij manifestaties en via bijvoorbeeld open kloosterdagen.

  • Op tal van plaatsen ontstaan vormen van lekenparticipatie en religieuze gemeenschappen van leken.

  • Direct waarneembaar is ook een steeds grotere belangstelling in de media voor kloosterleven en roepingsverhalen.

Maar ook op een andere manier zijn er verschuivingen waarneembaar. In 2004 ontstond na een fusie de vernieuwde koepelorganisatie KNR, de Konferentie Nederlandse Religieuzen. Behalve op de tendens van vergrijzing en afname, vestigde zij in haar Mission Statement al meteen de aandacht op het aspect van opbouw en aanwas:

Diverse religieuze instituten gaan een weg van inkrimping en afbouw.


Tegelijk sluiten zich bij een aantal gemeenschappen nieuwe leden aan
en ontstaan op verschillende plaatsen nieuwe vormen van religieus leven.

Voor allen betekent deze fase een proces van groei


in de beleving van hun spiritualiteit,
een weg die hen als gelovige mensen bevestigt en uitdaagt.3

De KNR gaf daarbij aan dat zij in de toekomst een platform wil zijn voor alles wat deze processen vragen aan onderlinge inspiratie, bemoediging, uitdaging en samenwerking.

Die keuze staat niet op zich. Ook de Commissie Roepen van de KNR brengt een boodschap die tegen het overheersende beeld van vergrijzing, krimp en afbouw ingaat. Zij ziet het als “haar missie om ondanks alles toch geloof in religieus leven als een reëel levens­perspectief te blijven stimuleren, hoop op toekomst daarvan te blijven aanwakkeren en onze liefde voor deze manier van leven te blijven uitdragen. Dit alles uiteraard wel met oog voor de tekenen van de tijd en met beide benen op de grond.” 4

Om dit concreet te maken richtte zij in 2001 het Platform rond Toekomst van Religieus Leven op. In dat kader organiseert zij tweemaal per jaar studiedagen voor die religieuze instituten die zich samen willen oriënteren op vernieuwing en opbouw van religieus leven en op werving daarvoor. Kernpunt daarbij is dat niet alleen gemikt wordt op roepingen tot het klassieke religieuze leven. De aandacht gaat ook uit naar nieuwe vormen en naar lekenparticipatie. Inmiddels hebben er acht van deze bijeenkomsten plaats gevonden onder een ruime en enthousiaste belangstelling.

In oktober 2005 bekrachtigde dit platform een Statement, waarin gesteld werd:

Wij maken ons geen illusies. Nieuwe toetredingen tot het religieuze leven zijn er weinig de laatste jaren. (...) Toch blijven wij geloven dat het religieuze leven toekomst heeft, ook in zijn klassieke vorm. We ervaren het als een waardevolle manier van leven. Daarom vinden we dat we door moeten gaan met het aantrekken en aannemen van nieuwe leden.5


Richt uw schreden naar Mij

Papier is echter geduldig. Wat betekent zo’n besluit concreet?

Het aller­belangrijkste is misschien nog wel dat je het moet aandurven met lege handen te gaan staan en zelf ‘de weg naar binnen te gaan’. Aan anderen laten zien dat religieus leven een aantrekkelijke levenswijze is, vraagt in de eerste plaats dat we zelf die religieuze weg op een authentieke manier gaan. In dat besef vervolgt dit Statement met de woorden:

Het ontstaan van een roeping zelf hebben wij niet in de hand. Dat is het terrein van de weg die God met iemand gaat. Wij kunnen slechts een geschikte context bieden waarbinnen roepingen tot ontplooiing kunnen komen.
Dat houdt vooral in dat wij ‘zaaien’ door zelf tot zaad te worden: dat wij onze eigen roeping en het charisma van onze gemeenschappen in ons leven tot ontplooiing laten komen door een grondhouding van horen, begrijpen en vrucht dragen (Matteus 13, 23).6

Vrucht dragen, of dat nu betekent als religieuze gemeen­schap ‘slagen in wat je onderneemt’ of ‘nakomelingen hebben’, kan niet zonder zelf tot zaad te worden. Het is de bewogen­heid door het zaad van de Zaaier die ons tot Zaad maakt; het horen van het Woord maakt ons tot Woord.

Daarmee zijn we ook weer terug bij de belofte aan Abraham. De toezegging aan hem dat hij vruchtbaar zou zijn, is steeds nauw verweven met de daadwerkelijke beleving van het verbond dat God met hem en zijn nakomelingen sluit:

Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen de heer hem en zei: ‘Ik ben God de Almachtige, richt uw schreden naar Mij en gedraag u onberispelijk. Ik wil mijn verbond met u sluiten en u zeer talrijk maken.’ (...)


Ik sluit mijn verbond met u en uw nakomelingen, generatie na generatie, een altijddurend verbond: Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen. Heel Kanaän, het land waar u nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn.’
Verder zei God nog tegen Abraham: ‘U moet dus mijn verbond onderhouden, u en uw nakomelingen, generatie na generatie. (Gen 17,1-2 en 7-9)

Op eenzelfde manier hangt ook de toekomst van het religieuze leven af van de manier waarop wij onze schreden richten naar Hem. Dat kan niet in het vage blijven, maar moet heel ons leven doorgisten: ons werken, ons bidden en ons samenleven. Een gemeenschap kan alleen aantrekkelijk zijn voor nieuwe roepingen wanneer voelbaar is dat haar leden hun roeping beleven op een manier die hen verrijkt en die hen gelukkig maakt. Timothy Radcliffe, de vorige Generale Overste van de Dominicanen, zei zijn medebroeders daarover het volgende:

Toch zijn we door God naar zijn beeld geschapen, bestemd voor Gods vriendschap. We zijn hongerend naar God. ‘Levend zijn’ betekent op weg gaan naar dat avontuur, dat ons naar het koninkrijk leidt. We hebben communiteiten nodig om ons te steunen op onze weg. (...) Het is op de eerste plaats de verantwoordelijkheid van iedere communiteit van broeders en zusters, om gemeenschappen te vormen waarin we niet alleen maar overleven, maar tot groei komen, omdat we elkaar ‘het brood van leven en het water van de hemel’ geven. Dit kan alleen maar gebeuren als we samen durven spreken over wat ons als mens en als religieus ten diepste raakt. (...) Nicodemus vraagt hoe men opnieuw geboren kan worden (Joh 3,4). Dat is ook onze vraag: hoe kunnen we elkaar helpen in deze transformatie om apostelen van het leven te worden? 7

Gods liefde genieten

Religieus leven is – welke concrete vorm het ook aanneemt – staan in het verbond met God. Het is een leven leiden voor Zijn aangezicht. Jonge mensen die tegenwoordig kiezen voor het religieuze leven, voelen dat meestal haarscherp aan. Vanuit haar ervaring als novice­meesteres binnen de Karmelorde, drukte Sanny Bruijns dat uit in de stelling dat “voor mensen die zich op de een of andere manier verbinden, uiteindelijk de existentiële godsrelatie steeds de sturende en bewegende factor is.” 8

Het klinkt misschien vreemd, maar de essentie van Religieus Leven is in de eerste plaats liefde genieten, zoals Sara zegt. Gods barmhartige liefde genieten. Het besef dat je door God bemind bent, brengt een proces van omvorming, een groei in wederkerige liefde op gang. Treffend wordt dat uitgedrukt in het Magnificat, waar Maria de volgende woorden bidt:

Met heel mijn hart roem ik de Heer,
met al mijn adem juich ik om God, mijn redder;

want Hij heeft omgezien naar zijn dienares in haar geringheid.


Voortaan prijzen alle generaties mij gelukkig,

want grote dingen heeft de Machtige met mij gedaan.


Heilig is zijn naam,

barmhartig is Hij, iedere generatie weer,


voor wie Hem eerbiedigen. (Lucas 1,46-50)

Zij juicht het uit en roemt de Heer, want Hij heeft omgezien naar haar; Hij heeft grote dingen aan haar gedaan; Hij is barmhartig. Natuurlijk, Hij heeft ook haar leven overhoop gegooid en er zal nog veel ontwrichting volgen, maar toch voelt zij zich gezien en bemind. Van daaruit zegt zij ‘ja’ op haar roeping: “Ik ben de dienares van de Heer; laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt.” (Lucas 1,37)

Het is deze kracht die, zoals bij de roeping van Abraham, mensen kan bewegen huis en haard te verlaten en zich over te geven aan nog onbekende verten:

De heer zei tegen Abram:


‘Trek weg uit uw land, uw stam en ouderlijk huis,
naar het land dat Ik u zal aanwijzen.
Ik zal een groot volk van u maken.
Ik zal u zegenen en uw naam groot maken,
zodat u een zegen zult zijn.’ (Gen 12,1-2)

Gods zegen wil ons tot een zegen maken. De indringende ervaring van Zijn liefde zet ons ertoe aan om op onze beurt liefde te worden ten opzichte van Hem en onze naasten. Het Mission Statement van de KNR stelt daarom dat, hoe verschillend religieuzen ook zijn, zij zich erop toeleggen ‘Gods liefdevolle en barmhartige aanwezigheid te beleven en gestalte te geven’.9


Beleven en gestalte geven

Deze koppeling tussen het ‘beleven’ en ‘gestalte geven’ aan Gods barmhartige aanwezigheid, maakt de verwevenheid zichtbaar tussen de beleving van onze roeping en onze missie. Tegelijk schuilt hierin het vermogen om anderen te inspireren om ons leven te komen delen, of dat nu is als religieus of als leek.

Religieus leven is per definitie missionair, zoals ook ieder kerk-zijn wezenlijk missionair is. Roeping draait om het moment waarop de ervaring van het door God gezien zijn, uitmondt in een houding van “laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt.” Dat is op het eerste gezicht een heel passief gebeuren. Uiteindelijk echter is het niets minder dan zwanger durven worden van de Machtige. Dat wil zeggen een levensweg gaan van geboorte geven aan Zijn aanwezigheid: in je gebed, in je gemeenschaps- of sociale leven, en in je werken.

De franciscaan Hermann Schalück pleit er daarom voor het begrip ‘missionair’ te herijken:

“Want missionair zijn betekent niet anderen voortdurend bepreken en proberen met iets te belasten waar ze nooit om gevraagd hebben. Missionair is een kerk of gemeenschap vooral wanneer ze de vriendelijke, uitnodigende en solidaire tegenwoordigheid van God in haar midden zichtbaar maakt en vanuit een innerlijke overtuiging en vreugde uitnodigend en aanstekelijk is.” 10

Komt een gemeenschap op een dergelijke manier tot bloei, dan sluit haar leven naadloos aan op wat haar missie is: Gods tegenwoordigheid zichtbaar maken.

Missie is steeds verstaan als een combinatie van verkondiging en ingaan op concrete noden. Maar noden zijn veranderlijk. In onze huidige westerse maatschappij hebben die een heel ander gezicht dan bijvoorbeeld in de negentiende eeuw. Vragen rond zin en religiositeit zijn in onze samenleving misschien nog wel het grootste probleem. Natuurlijk zijn andere kwesties in eerste instantie veel schrijnender. Het is echter een illusie te denken dat mensen zich uit de ellende van verslaving, prostitutie, haat en geweld kunnen oprichten, wanneer de onder­liggende vragen naar zin en naar een hoopvol levensperspectief worden genegeerd.

Durven wij een rol te spelen in het antwoord op die primaire vraag? Durven wij een antwoord te zijn?

Velen zijn opnieuw op zoek naar spiritualiteit. Vooral door de jongste generaties wordt hier steeds opener mee omgegaan. Met een zekere onbevangenheid zoeken zij zich een eigen weg in het domein van het spirituele, al doen zij dit vaak buiten de oude kaders van de kerken om.11 Het tij is in dat opzicht langzaam maar zeker aan het keren. Dat biedt nieuwe kansen voor het religieuze leven, wanneer daar tijdig en doelgericht op wordt ingehaakt. Karl Maderner spoort de religieuzen daarom aan om “plaatsen voor God” te scheppen (te zijn) als een soort ‘geestelijke laboratoria’:



Er zijn zoekenden, die Jezus Christus tot centrum van hun leven willen maken. Ze willen geestelijk leven! Maar waar zijn in onze kerk die ‘geestelijke laboratoria’ te vinden, waar jonge en jong gebleven mensen samen het geloof vorm kunnen geven op een manier die bij hen past, zonder meteen in een orde of congregatie in te treden? Jongeren hebben mensen nodig wier evangelische levensstijl echt is en die hen kunnen binnen voeren in de fundamentele geestelijke waarden. Bij hen kunnen zij hun vaak nog verborgen vragen toelaten en ontdekken.12

Als vanzelf ontstaan dergelijke ‘laboratoria’ wanneer religieuze gemeenschappen open zijn naar buiten toe en werk maken van het delen van hun religieus erfgoed met leken. Dat kan bijvoorbeeld via centra voor spiritualiteit en via kringen en bewegingen die putten uit hun spiritueel erfgoed.13

In dat kader zijn de religieuzen niet enkel de gevende partij. Het werkelijk delen van religieus erfgoed groeit uit tot een delen in wederkerigheid. Betrokken leken worden mede-dragers en leveren op hun eigen manier een bijdrage. Dat kan bijvoorbeeld zijn een voor het charisma vruchtbare verdieping, een versterking van de gemeenschap of meer draagkracht voor de zending.

Ook in die zin geldt het beeld van de belofte aan Abraham en Sara:

Ik sluit mijn verbond met u en uw nakomelingen. (Gen 17,7)

Dit artikel werd gepubliceerd in: Speling 58 (2006) nr.1, p. 85-92.




1“Religieuze instituten” is de verzamelnaam van alle ordes, congregaties en abdijen.

2 Het document Perfectae Caritatisnam van Vaticanum II bood hiervoor de uitgangspunten. Perfectae Caritatis, Tweetalige uitgave: Decreet over de aangepaste vernieuwing van het religieuze leven, Vertaling drs Al. Van Rijen M.S.C. in: Constituties en decreten van het tweede vaticaans concilie, nr. VIII, Katholiek Archief, De Horstink, Amersfoort 21(1966) nr. 1. Digitaal is de tekst beschikbaar via: http://www.stvitus.nl/concilie.

3Mission Statement KNR; zie: http://www.knr.nl.

4Jaarverslag Commissie Roepen tot Religieus Leven, KNR 2004.

5Gezaaid in goede aarde – het roepen houdt aan. Statement van de Commissie Roepen, KNR, 10 oktober 2005. Beschikbaar via http://www.knr.nl onder ‘Publicaties’.

6Verwijzing naar de gelijkenis van een zaaier, het startpunt van dit Statement. (Matteus 13,1-9.23): “Die in goede aarde is ge­zaaid, dat is degene die het woord hoort en begrijpt en die draagt dan vrucht: de een honderdvoudig, de ander zestigvoudig, weer een ander dertigvoudig.”

7Timothy Radcliffe o.p., De belofte van leven, in: URB Unie – Informatieblad voor de vrouwelijke religieuzen van België, 2005, nr. 4, p. 2-13.

8Sanny Bruijns ocarm in: Niet onder de korenmaat..., Verslag van de 2e platformbijeenkomst rond toekomst van religieus leven, 30 september 2002, p.1. Zie http://www.knr.nl onder ‘Publicaties’.

9Mission Statement KNR; zie: http://www.knr.nl.

10Vertaald uit: Hermann Schalück ofm, “Im Korn die Blüte und im Ei den Adler sehen“ Impulse für das geistliche Leben heute. Inleiding op een religieuzendag van het bisdom Aken op 18 juli 2002, in: Ordens Korrespondenz 44(2003) nr. 1, p.11.

11Cees Veltman, Säkularisierung auf dem Rückzug? Die religiöse Szene in den Niederlanden, in: Herder Korrespondenz 59(2005) nr. 9, p. 468-472.

12 Vertaald uit: P. Karl Maderner, Suchende – heimatlos in der Kirche? In: Das Gespräch 2002-4 en 2003-1. Beschikbaar op internet via: http://www.haus-der-stille.at/Impulse/suchende.htm.

13Op de website www.religieuzen.nl staat een inventarisatie van deze groeperingen. Er zijn er ons ruim 75 bekend met in totaal ruim 10.000 leden.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina