Zedelijk : Middelnederlandse vertaling van het Latijnse …



Dovnload 178.64 Kb.
Pagina3/3
Datum20.08.2016
Grootte178.64 Kb.
1   2   3

Kant en de menseliijke eindigheid

>God is in de autonomie perfect gerealiseerd, de wet die hij opstelt is tegelijk de wet van de natuur. Het conflict behoort tot het wezen van de ethiek, heiligheid is een onbereikbaar ideaal.

>Morele idealen realiseren in een onzuivere wereld

>Mens weet wel hoe te handelen, maar weet niet of hij daaraan beantwoordt als hij handelt



Postulaten van de morele rede


\/

/\
2.De grenzen van een rationele rechtvaardiging van het respect voor de mens. Dierenrechten?


Morele meewaarde van de mens tegenover andere wezens is niet meer evident.

Een diervriendelijke behandeling heeft iets religieus omwille van haar onvoorwaardelijk karakter. Taboe.

Het is omwille van het dier en niet omwille van de mens dat het dier gerespecteerd moet worden.

Dierenvrienden ergeren zich aan het feit dat ik bereid ben te ijveren voor dieren omdat ik het niet goed vind dat dierenvrienden ongelukkig zijn.


Kan men de morele meerwaarde van de mens rationeel rechtvaardigen?

Opletten voor speciësisme.

Het antwoord van vroeger dat de mens de drager is van een ziel, is niet meer overtuigend omwille van het zeer onduidelijk ontologisch statuut ervan.

In NWD blijft de waarde betrekkelijk en niet absoluut


Anderen rechtvaardigen het morele voorrecht van de mensen door te verwijzen naar eigenschappen en capaciteiten waarover de mens wel en een dier niet beschikt. Problemen:

>Graduele aanwezigheid van de eigenschappen

>Sommige diersoorten bezitten meer van deze eigenschappen dan sommige mensen

>sommige mensen beschikken er helemaal niet over

het is ook fout dit soort argumenten te gebruiken om voor algemene dierenrechten te pleiten, om dat ze t o van mensen een veel minder cruciale rol spelen dan men geneigd is te denken.

Morele intuities begrijpen vanuit het taboe.


Taboe verwijst naar iets onaantastbaar voor de verschillende vermogens van de mens. Speelt nog steeds een cruciale rol.
H4. LEVINAS EN HET GELAAT VAN DE ANDER


  1. Kern van de morele ervaring bij Levinas: vanuit het contrast met het presocratische ideaal van fierheid en vanuit gemis van een fenomenologische motivering bij Kant.

Het presocratische ideaal van persoonlijke fierheid is gebaseerd op het besef dat men zijn waardigheid (fierheid) ontleent aan de identificatie met betekenisvolle zaken waarvoor men zelf niet heeft gekozen.


De verwijzing naar de goden bij de grieken betekent onder andere dat men erkent dat de betekenis van wat belangrijk is aan het individu voor een deel ontsnapt, dat men niet eigenmachtig bepaalt wat belangrijk is en dat contingente en onbeheersbare factoren meebepalen dat iets een meer dan gewoon belang krijgt. Centraal in het morele ideaal staat de idee van trouw (verraad) niet aan zichzelf, maar aan de zaak waarvoor men staat (een transcendentie in de immanentie).
Waardigheid is dus gebonden aan fierheid en aan concrete hechtingen die bepalend zijn voor je persoonsidentiteit en richting geven aan je trouw. Waardigheid is gebonden aan datgene waarvoor je staat. Waardigheid is cultuurgebonden.
Kant( Waardigheid stijgt uit boven de fenomenale wereld. De mens is drager van een intrinsieke waardigheid, een waardigheid die hij niet aan iets anders dan zichzelf ontleent. Let wel: hoe los staat dat transfenomenaal gegeven van de mens als beschrijfbaar wezen? [Terugkeer van het probleem van speciësisme].

Een godsdienst zoals het christendom zou niet zeggen dat je die waardigheid verdient (verschil met Griekse cultuur?), je krijgt ze zelfs als het je niet waard bent.


Probleem bij Kant: wat motiveert de houding van respect ten overstaan van de mens. Hoe kan een abstracte idee (wet) onze wil beroeren? Kant verwijst naar esthetische ervaring van het sublieme. Volstaat dat om achting voor de mens te begrijpen?



  1. De herkenbare kern van de morele ervaring ‘het gelaat van de ander’.

Spontane egoïsme van het leven. De spontane ontplooiing van je leven wordt verstoord of onderbroken door de fysieke nabijheid van een andere persoon: het dat van zijn nabijheid. In dat onbehagen reveleert iets van het wezen van het ethische besef.




    1. Analyse op de grens van het fenomenale en het transfenomenale (het noumenale…iets dat alleen gedacht wordt, niet onder het bereik van de zinnen valt)(het onzichtbare), van de ontologie (het zijn) en de metafysica (gerichtheid op het oneindige). Anders geformuleerd: ethiek heeft te maken met de overgang van het zichtbare naar het onzichtbare, van het grijpbare naar het ongrijpbare, van het voelbare naar wat zich in het voelbare niet laat voelen, enzovoort. Voor de zichtbare en aanwijsbare buitenkant van de ander die aan eigenschappen is verbonden gebruikt Levinas de term vorm, voor de transcendente dimensie die daarin doorbreekt gebruikt hij de term gelaat.



    1. Analyse tast tegelijk het geheel van menselijke ervaringen af die zich bewegen op de grens van de immanentie (zelfbeslotenheid(innerlijk, tot de structuur van de zaak behorend)) en de transcendentie, van de interioriteit en de exterioriteit, van binnen en buiten, tussen in zichzelf gekeerd zijn en radicale openheid (of ex-istentie) voor het andere en de ander.

Het eigene van de morele ervaring wordt dus uitgelegd door vergelijking met andere ervaringen die zich op die grens van zelf - ander afspelen. Daardoor krijgt de morele ervaring een zeer concrete dimensie. De strekking is Kantiaans, maar de invulling is dat veel minder.


  1. De onwillekeurige zelfbetrokkenheid.

*Het individu affirmeert zich spontaan als conatus essendi. Het vestigt zichzelf in het bestaan door zich de wereld toe te eigenen en vanuit zichzelf naar de dingen te gaan. Genieten en arbeiden. De dingen verwijzen naar het zelf, het is zijn eigen centrum. Levinas omschrijft deze onwillekeurige zelfbetrokkenheid als interioriteit (bij zichzelf zijn), als hypostase. (op zichzelf staande substantie als draagster der accidenten )

* Deze zelfbetrokkenheid wordt langs twee kanten bedreigd:

(a) door de overrompelende aanwezigheid van de natuurelementen; wat bron van genot is, heeft tegelijk iets bedreigends en

(b) door het eigen zelf; men kan zichzelf teveel zijn, het eigen zelf is een gevang, je bent opgescheept met jezelf. Aan zichzelf vast gekluisterd zitten. Vanuit deze ervaring kan je begrijpen dat zichzelf steeds gepaard gaat met een roep naar bevrijding van zichzelf. Extreem voorbeeld hiervan is de pijn: de onmogelijkheid om te verdwijnen (verschil van de angst voor de dood bij Heidegger).


  1. De terugkeer van het il y a

De overrompeling door natuurelementen roept samen met de ervaring van niet kunnen verdwijnen de ervaring van het il y a op. de ervaring van het zijn zonder zijnde, het naakte zijn waarin de onderscheidingen (vormen) verdwijnen. Niet ik ben mezelf teveel, maar het zijn is een ondraaglijk teveel. Gekoppeld aan de ervaring dat je aan jezelf vastzit en dus niet loskomt van jezelf manifesteert het il y a zich in de pijn en de slapeloosheid. Pijn is niet meer weg kunnen. Extreme passiviteit die niet in activiteit kan omgezet worden en het bewustzijn (pijnbewustzijn) versterkt de eigen passiviteit.

Niet kunnen verdwijnen als persoon is de tegenpool van de fusie of de symbiose.

In de fusie wordt de twee-eenheid opgeheven, het zelf verdwijnt in de ander, in de omgeving.




  1. De dubbele verhouding tot de exterioriteit.

>Het fusionele zelfverlies: het zelf gaat op in het buiten verliest dus zijn betrekkelijke zelfstandigheid. De spanningsverhouding voor een ware transcendentie is er niet. De ander slorpt het zelf op.

>Het tegendeel is: niet kunnen verdwijnen. Zelfstandigheid blijft overeind, maar is een verdoken nachtmerrie.

>Is er plaats voor een andere exterioriteit, voor een buiten dat de integriteit van het zelf niet opslorpt en dat het zelf toch van zichzelf bevrijdt. Is er een goede ander?




  1. Transcendentie als zelfoverschrijding zonder zelfverlies.

De erotiek: overgave aan wat sterker is dan zichzelf (zelfverlies), terwijl je tegelijk als genietend wezen op zichzelf betrokken blijft. Een grijpen van de ander dat tegelijk een gegrepen worden is en een grijpen dat omgevormd wordt in een gegrepen worden door wat zich in de ander niet laat grijpen. De vorm transcendeert zichzelf in de vormeloosheid, een niet beangstigende terugkeer van het nachtelijke il y a





  • Het ouderschap: een zelftranscendentie en tegelijk een overstijgen van het fusionele door de aanwezigheid van een derde, het kind. In het kind herkent men zichzelf en loopt men zichzelf opnieuw tegen het lijf; de miserie van het feit dat je in je kind datgene herkent waarin jezelf liever niet zou ontmoeten (de uitvergroting van je eigen weinig voordelige trekken.). Het kind is een voortzetting van hetzelfde, en onderbreekt tegelijk de terugkeer naar hetzelfde. (Vergelijk de leuke uiteenzetting en vergelijking van Rudi Visker over vreemd gaan: wie vreemd gaat, wil de band met zichzelf verbreken, je wil eens iets anders, het avontuur, maar dan zonder echt te veranderen, want je wil de bestaande relatie behouden, de ander ontzien. Vreemd gaan is niet echt een contact met het andere want men blijft tegelijk onveranderd). Het kind heeft een eigen leven of een eigen wezen, dat verwijst naar een betrekkelijk zelfstandig bestaan.




  1. Het gelaat van de ander: de transcendentie in de vorm.

Het gelaat is niet de vorm, maar wat door de vorm heen breekt en zich manifesteert zonder te verschijnen (openbaring). Het is geen object van waarneming dat ge vervolgens kunt beschrijven. ‘Ça me regarde’, het gelaat gaat mij aan, spreekt me aan zonder te spreken. Een aanwezigheid die mijn bestaande interesses en in de wereld staan verstoort onderbreekt.
Het gelaat spreekt me aan en roept op tot verantwoordelijkheid, het heeft een eigen plaats tussen (1) zelftranscendentie die omslaat in extatisch zelfverlies en (2) een exterioriteit die omslaat in verstikking (het il y a ).

((1)


  • De zelftranscendentie die van het gelaat uitgaat, vindt haar oorsprong in de ander (verantwoordelijkheid door de Ander). Ik word bevrijd van mezelf door de Ander ( passiviteit).

  • appèl van de Ander brengt een zekere zelfvergetelheid met zich mee.

  • Nuchterheid die tegelijk niet de kans krijgt om op zichzelf terug te plooien. Het terugplooien op jezelf wordt door het gelaat van de Ander keer op keer onderbroken.

  • Geen verlies aan de ander; Een beweging die zich voedt met de onmogelijkheid haar eindpunt te bereiken. Het gelaat is een aanwezigheid die zich terugtrekt, die haar eigen aanwezigheid onderbreekt.

  • Geen aanwezigheid die het zelf wegblaast. Wel inspireert en bezielt. Het scheppingsverhaal van Genesis: God houdt scheppend zijn adem in.

((2)


  • Ander is een niet verstikkende exterioriteit, zijn exterioriteit geeft vrijheid. Het appèl komt ongevraagd, ongewenst (toch komt het tegemoet aan bevrijding van zichzelf) en onverwacht binnen. Eens binnen, krijg je het niet meer buiten. Het appel is mij te snel af. In de tijd buiten de tijd.

  • Je kunt het niet ontvluchten. (Bijbelverhaal van Jona en de walvis).



  1. Verdere toelichting.

Je bent niet vrij het al dan niet te horen, maar wel om er al dan niet op te antwoorden. Maar er zich voor afsluiten is zelf al een reactie of een antwoord. Niet-horen is een reactie die wijst op een schuldig tekort (privatio boni). Wat er had moeten zijn is er niet. Verschil met de blik van Sartre: de blik van Sartre veroorzaakt schaamte die verlammend werkt, ik zit met mezelf opgezadeld, ik ben mezelf teveel. Het gelaat bij Levinas laat vrij, is niet verstikkend.


>Transcendentie van het gelaat: een beweging die veroorzaakt wordt door de ander en in mij een beweging van verantwoordelijkheid voor de ander teweegbrengt.

>De transcendentie doet me boven mijzelf uitstijgen. Het gelaat transcendeert mijn eigen interesses.

>Het gelaat transcendeert zijn eigen context, zijn eigen horizon, geschiedenis, afkomst, achtergrond en vorm. Deze formulering is niet juist: Het is in een radicale zin naakt en die naaktheid is tegelijk de kern van zijn kwetsbaarheid en van zijn weerloos appèl. Het zonder-context-zijn is het wezen zelf van het gelaat.

>Het gelaat is een noumenaal gegeven, het raakt pas mijn gevoeligheid doordat het verschijnt in een vorm die door de openbaring, wordt opengebroken, uitgehold, ontkernd.

> Het gelaat is een absoluut gegeven. ‘Absoluut’ komt van het Latijnse absolvere, wat losmaken betekent. Wat Levinas wil zeggen is dat het gelaat zijn aansprekingkracht niet aan iets of iemand anders dan zichzelf ontleent.

¨Prioriteit ligt op de aansprekingskracht: het gelaat raakt nog voor het een voorwerp van kennis kan worden. De kennis is een miskenning van het gelaat. [Geen voorwerp van verrijking, van nieuwsgierigheid, van objectivering….

Voorzichtig met een vaak gebruikt discours van multiculturalisme: de ander is een verrijking.

Voorzichtig met de beklemtoning dat het gelaat staat voor de uniciteit van de ander. Voor Levinas betekent uniciteit: niet afleidbaar uit een meer omvattend geheel en niet ieder mens is een persoonlijke bron van onuitgegeven ervaringen.]


>Respect voor het gelaat van de Ander :

Respect >< liefde heeft iets fusioneels en dat gaat gepaard met een gebrek aan respect voor transcendentie, in de zin van afstand.

Respect>

Respect heeft te maken met achting(te maken met het ontoegankelijke).

Het gelaat van de ander heeft wel te maken met asymmetrie, boven mij en niet wederkerig, maar niet met het sublieme. Het heeft niets indrukwekkend zoals dat bij sublieme figuren het geval is, of een verheven landschap.
Het is een verhevenheid die tegelijk de uitdrukking is van kwetsbaarheid, weerloosheid, naaktheid. (Wellicht moet je hier opnieuw de relevantie van Levinas fenomenologie van de Eros begrijpen). Het is de zwakheid, de weerloosheid van de vrouw die het geweld dat zij oproept tempert. Achting: een combinatie van verhevenheid (asymmetrie) en kwetsbaarheid die aan het geweld een halt toeroept, maar die zelf over geen macht beschikt om het geweld tegen te houden.

> Het appèl heeft de kracht van een imperatief “Gij zult niet…”, maar juister is het dit appèl te beschrijven als een smeekbede.




  1. Slotbeschouwingen: het gelaat en de oneindigheid

Levinas zal niet zeggen dat het gelaat een teken is, of een icoon of een beeld, hij verkiest de term: spoor. De Ander verschijnt in het spoor van de Oneindige. De oneindigheid van de morele verantwoordelijkheid in de zin van nooit te vervullen. In de schuld staan, idee die je bij Kierkegaard vindt, maar daar is die gedachte verbonden met een religieuze ontlasting van de ethiek. Thema ook bij Plato.


H5. HETGEWICHT VAN HET GEWETEN

(TDGeweten)

link E-( analyse door Lacan, hoogtij existentialisme


  1. Jenseits der Lust: het masochisme en de bereidheid te lijden

Freud: “lust principe (spontane neiging van driften om onlust te vermijden) motiveert onze verlangens (amoreel standpunt)

>>lust en onlust zijn een levensnoodzakelijk referentiepunt voor wat goed en slecht is.( ( sche onderbouw van het UT. Hedonistisch beginsel.

Maar UT kan in Freud geen bondgenoot vinden, in tegendeel.

(Het lustprincipe wordt steeds doorkruist door een andere krachtbron die met ons vermogen werkt om pijn te verdragen, een die gebruik maakt van psychische processen die dat vermogen kunnen activeren en versterken. De tendens van de driften die tegen het spontane mechanisme van het lustprincipe ingaat komt volgens F tot uiting in het masochisme.

(UT is hier blind voor, pretendeert een ethiek te articuleren die rechtstreeks op onze natuur is gebaseerd. Maar hangt in feite een beeld op van een ethiek die de mens van zich vervreemdt.

Het belang dat iets/iem heeft, blijkt oa. Hieruit dat dat iets/iem u de krachht geeft om u boven de dynamiek van het lustprincipe te doen uitstijgen.>

Enkel zaken van belang kunnen rekenen op offerbereidheid.

Benadrukken dat lust en het vermijden van onlust niet onze enige drijfveren zijn maakt de psychoanalyse relevant voor de ethiek. Ethiek heeft dus ook niet de homogeniteit die het UT eraan wil toe voegen.
Uitgangspunt:

Wat gebeurt er in en met mij wanneer iets echt betekenis krijgt? …over de mogelijke verwarring bij overwaardeering




  1. Overwaardering en de stem van het geweten.

Iets of iemand kan een meer dan gewoon belang krijgen, wat maakt dat ze zwaarder doorweegt op de verlangens van de persoon dan de waarde van vergelijkbare zaken en zwaarder dan het gewicht dat anderen eraan toeschrijven en is hier niet meer reduceerbaar toe . Die zaak is in staat meer van de persoon te eisen dan andere zaken. Het lustprincipe is niet meer in staat de verhouding tot die zaak perfect te regelen, het wordt erdoor verstoord, ontregeld of aan banden gelegd. De zaak ontsnapt min of meer aan de macht van het lustprincipe.
Ook wat intrinsiek (omwille van zichzelf) belangrijk is heeft zijn betekenis te danken aan een meer omvattend betekeniskader. Het is binnen dat bestaand betekenisgeheel dat een zaak een bijkomend belang krijgt. Door de extadruk wordt de met anderen gedeelde bestaande betekenisverdeling uit balans gehaald. Toevallige samenloop van verschillende motieven en omstandigheden kunnen tot de overlast en de overgevoeligheid bijdragen. Kan voorafgegaan zijn door een complexe voorgeschiedenis die vaak verder in de tijd teruggaat dan het persoonlijk verleden. “de unieke gelegenheid” voortbouwend op de idealen van anderen. Belangrijk is het Contingent karakter (verschuldigd aandeel of bijdrage…) van de processen waardoor iets of iem. overgewaardeerd wordt. De betekenis van het ‘belangrijke’ is niet afleidbaar uit een algemene idee en is er ook niet ondergeschikt aan. Het waarom van het belang is dan moeilijk onder woorden te brengen. Extrabelang is ‘voor mij’ niet ‘door mij’. Van een keuze kan pas sprake zijn indien men weet waaraan het belang van iets moet afgemeten worden en waaraan de voor-en nadelen afgewogen kunnen worden.

In dit geval “kies ik de waarden niet, maar ze kiezen mij”.


Een harde kern in de ethiek bestaat uit zaken die niet omzien naar mijn geluk en dus ook niet in dienst staan van de vervulling van mijn verlangens. Maar zolang omstandigheden mijn identificatie niet in het gedrang brengen, is het zeer wel mogelijk dat een diepe band en dus ook de donkere en pijnlijke aspecten die ermee samengaan onopgemerkt blijven. Het ingrijpende karakter van een identificatieproces komt doorgaans pas dan aan het licht wanneer omstandigheden een persoon ertoe aanzetten de band met een waarde wat losser te maken en de identificatie ermee gedeeltelijk of geheel op te geven.

(ervaringen te maken met verlies, scheiding, mislukking,…)

=>in het ondervinden van weerstand klinkt een stem die uitstijgt boven de gangbare regels. Oproep voor andere benadering van de zaak omwille van haar uitzonderlijk karakter door ed stem van het geweten. Het overgewaardeerde object stelt zijn eigen eisen aan mij( daarom misschien achtte Freud het niet nodig beide processen, overwaardering en de oprichting van een super-ego, van elkaar te onderscheiden.

De spanning binnen het geweten zelf


Ander geweten dan dat door opvoeding gevormd. In het netwerk van de gangbare morele regels is er ook een ander gezagbeginsel werkzaam dat naar boven komt wanneer iets een uitzonderingsstatuut bekleedt. Overwaardering activeert dat gezagsbeginsel dat vraagt rekening te houden met het ongelijke gewicht van de dingen en niet alles te nivelleren. Een onmiskenbare eis die enkel de grammaticale vorm heeft van een negatieve catgegorische imperatief. Met het scherpe besef van een inhoudelijk vage plicht.

Ueber-ich: een meer archaïsch geweten dat rauwer, wreder, en meedogenlozer is dan het door cultuur gevormde geweten. Het lijkt niet geinteresseerd in mijn en uw welzijn. Maar hoezeer ook toegedekt door de cultuur zal die andere stem nooit uitdoven. De ingedommelde stem die nu en dan wakker schiet wanneer de overwaardering de kop opsteekt.


Het archaïsche Superego is niet het geweten van het personalisme.
Het is vraatzuchtig en wreedaardig, het neemt geen vrede met de comon -sense opvatting van de voorschriften van de ethiek.

Het is de primordiale voorstelling aan de Ander die in mij binnenbreekt en zijn eisen stelt. Het geïntrojecteerde geweten. Het voedt zich met mijn vroegere angsten, profiteerd van mijn vroegere nog niet verteerde schuldgevoelens en maakt gebruik van mijn onverwerkte rouw om in mij krachten te mobiliseren die de grenzen van het lusytprincipe te kunnen doorbreken. Niets anders dan het door cultuur, door identificatie en morele opvoeding gevormd geweten kan mij hiertegen beschermen. De ethiek is de bezwering van haar eigen transcendentie.


Misrekening van de Verlichting
Wat echt van belang is staat boven mij en niet ten dienste van mij.

Ethiek leeft van een transcendentie: betrekkelijke onverschilligheid van datgene waaraan we gehecht zijn ten overstaan van ons verlangen naar geluk.

De transcendente dimensie in de ethiek is geen verwijzing naar God.

Misrekening van de verlichting in het spoor van de poging tot het verbannen van god uit de ethiek. De verlichting heeft zich niet kunnen bevrijden van heteronome elementen die zich niet naar de rede schikken.



Spanning is inherent aan de ethiek zelf.
Besluit
Schuldbesef is kloppend hart van de ethiek. Pleidooi voor symbolische handelingen die ons met die schuld leren omgaan.

1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina