Zendeling Zwaan vertrok 3 Januari weer naar Kiama om zijn eigen werk te gaan doen



Dovnload 27.82 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte27.82 Kb.

Z
endeling Zwaan vertrok 3 Januari weer naar Kiama om zijn eigen werk te gaan doen. Het resort van papa omvatte het eiland Salibaboe, (125 km²) het eiland Kaboeroean (75 km²) en de Nanoesa eilanden die ten noorden van Karakellang lagen. Hij moest nu alleen het werk

Papa en Janny in zijn kantoor.


gaan doen wat nog niet gemakkelijk zou zijn. In Liroeng kon hij het bezoeken van de mensen wel lopend doen, buiten Liroeng had hij een paard nodig. (Dat paard stond ten dienste van de zendeling.) Zijn overige werkzaamheden waren het toezicht houden op de scholen, de goeroes uitbetalen, de schoolkinderen moesten tien cent in de maand betalen. De goeroes moesten dan het geld aan papa geven. (goeroes zijn de onderwijzers) Verder had hij ook het toezicht op het ziekenhuis, waar ook mama haar werk had, letten op de hygiëne en de verpleging. Het werk wat hij moest gaan doen was in het begin voornamelijk kennis maken met de goeroes en de schoolkinderen. Verder moest hij zich voorbereiden voor de preek wat vooral in het begin niet meeviel om het in het Talaurees te doen.
Een van zijn eerste reizen was naar het eiland Kaboeroean waar hij naar het dorp Mengarang is gegaan, want daar wilde hij het graf van zendeling P. Gunther bezoeken. Deze P. Gunther (Duitser) was door Dominee Witteveen uit Ermelo opgeleid en als zendeling en naar Talaud uitgezonden. Daar papa een Ermeloër was kende hij de geschiedenis van het zendingswerk van Witteveen. Hij hoopte in Mengarang ook inlandse nakomelingen van Gunther te vinden, die hij daar ook ontmoet heeft. Voor zover bekend had Gunther drie zonen, Hermanus Willem, Johan en Pieter. Terwijl papa op reis ging, was mijn moeder alleen in Liroeng met de kleine Janny, en de zorg over het ziekenhuis was naast het huishouden, ook in haar handen. De reis van papa zou wel ongeveer 14 dagen duren voor hij het hele eiland Kaboeroean bezocht had.
Op deze foto is mama in verwachting van haar tweede kindje, ze draagt hier sarong en kabaja, wat ze later nooit meer gedaan heeft.
Papa kreeg in juli 1920 ook te maken met huwelijksproblemen, de Kapitein Laoet (dorpshoofd) van Kalongan was in ondertrouw met een gescheiden vrouw. De Kapitein Laoet was zelf ook gescheiden, en wilde spoedig trouwen. Nu is in de adatregeling bepaald dat een gescheiden vrouw eerst na 300 dagen kan hertrouwen en omdat het ook tegen de christelijke beginselen was, weigerde papa hen te trouwen. De voorgeschiedenis was dat Kpt Laoet die jonge gescheiden vrouw in zijn huis had genomen als zijn aangenomen zuster terwijl hij nog getrouwd was. Hij werd verliefd op haar en wilde scheiden van zijn vrouw.

Zijn vrouw wilde zijn liefde terug winnen en zocht hulp bij de al oude Talaudse kunst in liefdeszaken, de Taravendama. (een geneeskundige in de inlandse en heidense betekenis) Ze moest volgens hem van haar lichaamsvuil en schraapsel van haar nagels haar man te eten geven om zo zijn liefde terug te winnen. Maar het heeft niet geholpen en ze besloot om weg te gaan. Na 14 dagen vroeg ze echtscheiding aan en die werd uitgesproken op grond van beider aanvraag, poging tot vergiftiging en kwaadaardige verlating. Zo heeft papa wel vaker met zulke zaken te maken gehad.




Papa en Mama waren nu 1 jaar in Liroeng, er was al veel gebeurd en gedaan, Mama had een groentetuin waar de boontjes, andijvie enzovoort het hele jaar door groeiden. Janny was al ruim een jaar, Papa had al verschillende reizen gemaakt, het leven in Liroeng ging goed. Fruitbomen, zoals bananen, papaja’s en mango’s stonden op het erf. Maar er was geen verse melk, alleen ingedikte melk (soesoe manis) wat altijd gekocht werd net als thee, koffie, rijst en meel. Daarom wilden ze graag een paar koeien hebben voor de verse melk, het erf was groot genoeg om twee koeien op te laten grazen. Hij schreef bovenstaande brief aan het comité om een voorschot van fl. 250,-- te vragen om die koeien te kopen. Voor drinkwater was er een put, het regenwater werd opgevangen in een grote betonnen bak voor de was.

Papa had een donkere kamer gemaakt onder het huis aan de voorkant links waar hij al heel wat foto’s heeft ontwikkeld en afgedrukt. Later meer over die donkere kamer.

Zijn maandelijkse inkomen was fl. 150, -- na tien dienstjaren werd het verhoogd tot fl. 160,-- per maand. Voor elk kind gedurende de eerste 8 jaar per jaar fl. 50, -- Het was niet zo’n groot bedrag maar door het groentetuintje van Mama en de vruchten die op het erf volop groeiden en de oebi’s (zoete aardappel) die goedkoop waren op de pasar (markt) hadden we het toch redelijk goed.

Het was ondertussen 5 december 1920, de geboortedag van Francina Johanna, (Sien) een cadeau van Sint Nicolaas. Alles was goed met moeder en kind, omdat papa tijdens de baring geen harttonen hoorde vreesde hij dat ze hun kind niet levend zouden zien. Het was papa’s eerste bevalling die hij alleen heeft gedaan. Hij had het nu heel druk met het verzorgen van moeder en kind. Ondertussen stonden er onder aan de trap telkens mensen te kuchen die hem wilden spreken. Deze week was dat erg lastig voor hem want hij had het gewoonlijk al druk genoeg en de verzorging van Janny kwam daar ook nog bij. Papa heeft Sien zelf gedoopt in de kerk van Liroeng die vlak naast het huis stond.

Ze is in Beo aangegeven, Papa kon dat zelf niet doen, ik vermoed dat de Radjha in Liroeng dit voor hem heeft gedaan. In ieder geval heeft Sien een maleise geboorteakte. Om naar Beo te gaan was het acht uur varen in een klein bootje en met roeiers. De K.P.M. boot kwam maar één keer per maand, Liroeng was een vast bootstation net als Beo. Liroeng was dus een erg eenzame post en je had altijd een bootje nodig om van het ene eiland naar het andere te gaan en dat kon alleen bij een gladde zee.

Papa had niet voor niets zijn vroedvrouwendiploma gehaald, in het ziekenhuisje was een diakoon die wel wat van de geneeskunde af wist, maar Papa deed het liever zelf. Er was wel sinds kort een gediplomeerde verpleegster aangesteld, die hem goed heeft geholpen. Papa en Mama hadden voor zich zelf een apotheek van homeopathische medicijnen gemaakt omdat er geen arts was die hun medicijnen kon voorschrijven, maar kinine was wel altijd aanwezig.

Papa had aan het comité gevraagd om zinken golfplaten voor reparatie van het dak, want het atap (palmblad) was steeds lek. Die platen zijn op aanraden van zendeling Stokking die ze zo duur vond, (fl. 2.00 per plaat) voor reparatie van de kerk gebruikt. Want de gouvernementschool werd gebruikt voor de kerkdiensten. Met alle manlijke gemeenteleden werd hard gewerkt aan de nieuwe kerk, ook papa en zijn moerids hebben mee geholpen.

In 1921 was er een conferentie van de zendelingen van de Sanghir en Talaud eilanden, waar papa het heel druk mee had. Op 21-11-1921 kregen ze de koeien van zendeling Steller, die met de K.P.M. boot gebracht werden, vanaf Sanghir. (Steller fokte koeien) Het moet een hele onderneming geweest zijn, vooral het verladen van de koeien uit de K.P.M. boot naar een klein bootje om daarna aan land te komen. De K.P.M. boot moest in de baai blijven liggen.




Wat papa hier geschreven heeft voel ik nu nog zo als een realiteit. Hij vond toen dat we in ieder geval een mulo diploma moesten halen. Het is nu in 2002 nog steeds zo dat als je geen hogere opleiding hebt, je niet voor “vol” wordt aangezien.
In een brief aan het comité schreef papa dat mama ziek was, ze had malaria en hoge koorts gehad en was in verwachting van haar derde kindje. Maar ze was nu weer koortsvrij en zij (papa en mama) overwogen om naar de Minahassa te gaan om wat koelte te zoeken. (in Liroeng was het heel heet) Hij had nog veel jaarwerk te doen zoals het jaarverslag. Toch waren ze van plan Talaud voor een paar maanden te verlaten om de komst van de baby af te wachten. Maar ze zijn niet gegaan, want papa kreeg een brief van het comité over de kritieke toestand van de financiën. En zo is dan Bep toch in Liroeng geboren (Elisabeth Johanna) op 22 februari 1922. Ook Bep is door papa gehaald en in Liroeng gedoopt. Met mama ging het weer goed, ze had geen last meer van de malaria en was blij met haar derde dochter. Ze kon weer met haar werk verder gaan en de verzorging van Janny en Sien. Janny had een goede eetlust en Sien een slechte, “die is eigenlijk groot geworden van bananen”, vertelde mama mij later.
Papa stuurde het volgende verslag van zijn werk naar Sangir-Bode. (zendingsblad voor Noord- en Zuid-Beveland)
Het Zendingswerk op de Talaud-eilanden. 1922
Graag willen we het belangrijke verslag dat br. W. v d. Beek, mede uit naam van zijn medearbeiders op Talaud, aan het bestuur toezond in uittreksel onder de aandacht van de Noord- en Zuid-Bevelandsche Zendingsvrienden brengen.

In dat verslag passeert het geheele werk de revue en worden de onderdeelen als ziekenverpleging, schoolwezen, tucht, afzonderlijk behandeld

Aan den buitenkant beginnende wordt ons verteld van het rotanwerk. Vlechtwerk, matten maken enz. Dat werk is begonnen door br. Zwaan, die voor opleiding tot dien arbeid een jongen naar Soader zond. Deze kwam in 1919 terug en begon het werk te Kiama. Toen br. Zwaan naar Holland vertrekken moest, werd het overgebracht naar Liroeng. Een gebouwtje werd ingericht en in 1920 voor f 674,50 aan rotanmeubelen verkocht. Die verkoopsom kon strekken om de gemaakte kosten van opzet en inrichting te dekken. Om den ijver van den werkbaas te prikkelen, ontvangt hij 10% van de verkoopsom tot loon, wat hem niet te best bevalt, omdat nu alles afhangt aan zijn toewijding.

Voor vast salaris zijn de Talaureezen nog minder geschikt, dan de Hollanders, want, zoo schrijft br. v. d. Beek, nog meer dan in Holland beteekent een baantje met vast salaris, vaste luiheid en lijntrekkerij.

Herinnert ge U nog hoe br. Stokking schreef over de inrichting van een eenvoudig volkslogement te Liroeng, noodzakelijk wegens het herhaaldelijk komen van vreemden op de Talauereilanden? Hij mocht slagen een gebouwtje op en in te richten, maar helaas, toen het er was en stond, werd niet de noodige zorg aan het onderhoud besteed en verviel het dermate, dat uit vrees voor instorting het moest worden afgebroken.

Zoo gaat het met alle niet te best gebouwde en vervolgens slecht verzorgde huizen in Indië.

Het atap gaat spoedig lekken, moet nagezien en na een paar jaar vernieuwd worden en dat gaat op alle gebouwen, die niet door den eigenaar bewoond worden uiterst langzaam, zelfs ontbreekt de zorg bij eigen bewoning. Een Talaurees, zoowel man als vrouw kan in zijn huis, zoo groot als een kippenhok, op een droog plekje, zeer vergenoegd, uren lang naar de neerstroomende tropische regen zitten kijken, zonder er over te praten of misschien zelf er aan te denken de veelvuldige lekken te herstellen of eenig werk te verrichten. Straks, als ’t lekken te erg wordt, worden ze nat en gaan het herstellen. Maar publieke gebouwen, die geen eigenaar hebben, worden nooit hersteld. Nu zal een nieuw gebouw worden opgericht, daar het volkslogement in een wezenlijke behoefte voorziet.

In het hulpziekenhuis te Liroeng ging de arbeid aan lijdenden voort, als in andere jaren. Een flinke Inlandsche diacoon, bijgestaan door een gediplomeerde Inlandsche diacones, doen er gezegend werk. Onder de patiënten was er een, die bij ’t afhalen van klappers uit een hoogen boom gevallen was en wiens onderste ledenmaten geheel verlamd en gevoelloos bleken. Hoop op herstel is er, maar een tobber zal hij blijven. En zulke menschen hebben een ongelukkig leven. Men moet hun de kost maar geven, wat doet men eigenlijk met iemand, die niet voor zijn levensonderhoud zorgen kan, zoo redeneert de Talaurees en de arbeid, aan zulke tobbers besteed, wordt allicht maar half gewaardeerd.

Vooral op het eiland Kabaroean schijnt men heel weinig voor dat werk te voelen. Het gebouwtje heeft men bijna laten verrotten door het niet van een nieuw dak te voorzien en daardoor de diacoon moedeloos gemaakt.

Maar ziet, toen in het huis van het dorpshoofd vijf paren met familie en vrienden verzameld waren om in ondertrouw te gaan, kon het oude huis die menschen niet dragen en viel het gedeeltelijk in en om.

Nu wist men ineens waar de diacoon woonde, van wien men zich totnogtoe bitter weinig had aangetrokken en werden plannen gemaakt om een nieuw dak op het ziekenhuisje aan te brengen.

Al vlotte nadien het werk nog niet bijster, toch is het huis nu in zoover hersteld, dat de diacoon er weer wonen kan. Ook in deze kliniek werkt sinds juli een gediplomeerde inlandsche diacones, wat vooral voor de vrouwelijke patiënten van groote beteekenis is.

In de scholen had ook het werk zijn geregelden voortgang. Een hoofdonderwijzer en gemeentevoorganger moest het werk, wellicht voorgoed neerleggen door longtuberculose. Een andere, hulponderwijzer is aan dezelfde ziekte overleden in het hulpziekenhuis. Een school te Baloek moest gesloten worden vanwege het geringe aantal leerlingen. Er waren er nog slechts zeven over.

De schoolarbeid is op deze eilanden bijna onafscheidbaar van het eigenlijk zendingswerk: de prediking van het Evangelie der verlossing en het stichten van een Christelijke Kerk. Dat komt vooral hierin uit, dat dezelfde persoon onderwijzer en voorganger is, een persoon de leeraar van school en gemeente, de opvoeder in de beste en uitgebreidste beteekenis van oud en jong. Voor de zendelingen is dat niet een primitieve toestand waar aan ze veel aanmerkingen op maken doch een ideaal, dat in afzienbaren tijd geen verandering behoeft.

Op Talaud is wel een klein verschil met de Sangireilanden, door dat hier niet iedere gemeente een eigen school heeft en ook niet kan hebben door de kleinere dorpen. In vele gevallen doen twee plaatsen met één school. In het dorp, waar de school is, is dan de hoofdonderwijzer voorganger der gemeente, terwijl de hulponderwijzer voorganger is der naburige gemeente, zoodat laatstgenoemde ’s morgens met de kinderen van zijn dorp naar de school gaat in het andere dorp, en ’s middags met hen terugkeert en de kinderen dan onder bescherming van hun goeroe zijn van huis tot ’s avonds thuis terug.

Op enkele plaatsen waar het schoolgaan zoo niet is geregeld, heeft het voor de kinderen uit naburige gemeenten allerlei moeilijkheden. Verhalen van roovers, die den weg onveilig maken, hebben nog zulk een invloed, dat een groot aantal kinderen uit Geme, die te Arangka’a naar school gingen plotseling thuis bleven. (met het woord roovers duidt men gewoonlijk koppensnellers aan)

Bij een drietal plaatsen moeten rivieren doorwaad worden, waarin krokodillen huizen en een paar jaar geleden is een kind verdronken, meegesleurd door den sterken stroom. Het is daarom wel noodig dat de kinderen voortdurend onder de bescherming van een volwassene zijn.

Een andere band, die school en kerk nauw verbindt is de financiële. We zouden de gemeentevoorgangers, gegeven de kleine gemeenten, zoo ze niet daarbij schoolwerk waarnamen, om daarmede het grootste deel van hun traktement te verdienen. Aan den anderen kant heeft ook de school de hulp van de gemeente noodig, want vooral in de kleine scholen is de subsidie niet toereikend voor alle kosten.

Een derde band is het schoolkerkgebouw. Voor een dorp met 50 tot 100 mannen is het een heele prestatie één gebouw met één stel meubilair in orde te houden, want het is veel en velerlei dat van een volwassen man gevraagd wordt in verschillende diensten.

Toch is het verrassend wat een ijverige gemeente tot stand kan brengen. Op het eiland Kabaroean te Pantoege is in dit jaar een kerk verrezen, die zoowel in goeden opzet als in degelijk materiaal uitmunt. Ze willen nu het atapdak nog vervangen door zink en gaven den zendeling voor den aankoop daarvan reeds f 50, --.

Ook op de Nanoesa eilanden zijn een drietal flinke kerken verrezen van degelijk hout en met zink gedekt.

Op Karatoeng gaf ieder manlijk lidmaat f 15, -- á f 20, -- tot een gezamenlijk bedrag van f 2500, --. En zoo wel aankoop als bouw hebben ze alleen gedaan zonder raad of hulp te vragen.

Ook te Boeloede op het eiland Karakellang is een flinke nieuwe kerk verrezen, waarin straks ook de nieuwe school zal geopend worden.

In het verzamelen van gemeentegelden (collecten) is in vele gemeenten in het ressort Salibaboe gedurende 1920 verandering gekomen.

Reeds in vroeger jaren is op de Nanoesa eilanden het collectezakje vervangen door het geld van drie maanden ineens te verzamelen als de menschen hun kopra verkochten. Voor ieder wordt dan twee cent per zondag of kerkgang berekend, zoodat ieder plusminus dertig cent betaald. Dat had voor de kas een groot voordeel, want het werd nu gewoonte dat ook wie niet ter kerk was geweest, toch zijn twee cent gaf voor die kerkgang ook.

We hebben dat ten voorbeeld gesteld ook voor andere eilanden, met dat gevolg dat in verschillende gemeenten de inkomsten verdubbeld, ja zelfs verdrievoudigd zijn.

We moeten zeer op vermeerdering der inkomen uit de gemeente aandringen, vooral met het oog op de nieuwe salarisregeling, die alleen uitbetaald zal kunnen worden als de gelden ervoor toereikend zijn.

Een teer punt in het gemeenteleven is de tuchtoefening naast de prediking des Woords wel de hoofdzaak van het geestelijk werk.

Voor de opvoeding tot christelijk leven van de jonge gemeenten is de tucht als aanschouwelijk onderwijs. De tucht moet hier inderdaad de grens aangeven van wat binnen en van wat buiten het christelijk leven ligt.

De tucht wordt uitgeoefend door de gemeente-voorgangers met de kerkenraden naar algemene regelen en bestaat in vermaningen, in niet mogen aanzitten aan het avondmaal en daarmee gelijk, het niet doopen van de kinderen en tenslotte het weer opnemen in de catechisatie of bij niet willen luisteren: het geheel buiten de gemeente sluiten.

Ernstige zaken en zaken waarbij men niet tot een beslissing kan komen worden den zendeling medegedeeld bij zijn komst in de gemeente en de beslissing aan hem overgelaten, want zoo ergens dan is hier de leiding noodig, aangezien de juiste maatstaf vaak den inlandschen voorgangers ontbreekt. Vooral waar het geldt moreele misdrijven en huwelijks ontrouw is de bestraffing vaak te slap en het blijkt herhaaldelijk hoe laksheid uit voorbijgegaan heidensch leven haar invloed nog gelden doet.

Onze Talaureezen, zoowel gemeenteleden als kerkenraden, als goeroes zijn er nog van af den geest van het christendom te begrijpen ten opzichte van het zedelijk leven. En het is voor ons vaak ontmoedigend om dezelfde dingen tegen dezelfde personen weer telkens te moeten herhalen. Kracht om te volharden kunnen we alleen daarin vinden, dat God ons tot onzen arbeid heeft geroepen en dat wij niet anders doen, dan dit ons goddelijk beroep vervullen. Dan kan ook onze arbeid voor het grootste deel uit administratie bestaan van een 20 of 30 gemeenten en een ongeveer gelijk aantal scholen en al wat er meer is; en bij waarneming van twee of drie ressorten onze kracht en bekwaamheid misschien niet eens toereikend zijn alleen voor het administratieve werk, zoodat veel ongedaan blijft, wij vervullen de taak die God ons gaf: ons goddelijk beroep.

En geloof in de bekeering van heidenen, geloof in de taak van God onder de menschen kunnen wij alleen dan hebben, zoo we gelooven in ons eigen bekeering, in Gods zaak in ons eigen leven.

Waar we ervaren, dat we Gods barmhartigheid, ook om onze hardleersheid behoeven en erkennen dat wij op Gods genade leven, daar kunnen we ook Zijne barmhartigheid verwachten voor de jonge inlandsche Christenen en op Zijn genade onzen arbeid onder hen te verrichten.


Naar het jaarverslag van br. W. v. d. Beek.

Papa ging in juni 1922 een reis om het noorden van het eiland Karakellang maken om in een aantal plaatsen de gemeente te bezoeken en de goeroes die de kerkdiensten verzorgden te spreken en hun bevindingen aan te horen. De hele reis heeft dertien dagen geduurd en mama was alleen met haar kinderen in Liroeng. Wat toch wel moeilijk moet zijn geweest, ze had natuurlijk wel de baboes en de moerids om haar te helpen. Maar die hadden toch ook weer op verschillende tijden aanwijzingen nodig. Ze was dan ook altijd blij als papa weer veilig thuis was. Dat jaar heeft papa niet meer zulke lange reizen gemaakt.

In het ziekenhuisje, wat naast het huis stond, werden ook vaak kinderen gebracht, zelfs baby’s waar mama meestal de zorg over had. Die kleintjes hadden veel last van ingewandsstoornissen door verkeerde voeding bijvoorbeeld als de borstvoeding niet meer toereikend was. De moeder gaf het kindje dan maar voedsel wat ze zelf ook aten want ze wisten meestal niet wat baby’s dan konden verdragen. Mama nam die kindjes vaak bij haar in huis. De kindersterfte was erg hoog op de Talaud eilanden, vooral in die tijd. Er kwam daar heel veel malaria voor, in het tropisch regenwoud waren ook veel moerassen en de malariamug teelde daar welig. En de kleintjes hadden door de hoge koortsen daar geen weerstand tegen.

© 2004 Willy van de Beek, alle rechten voorbehouden.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina