Zenuwcorrelatie



Dovnload 367.95 Kb.
Pagina6/6
Datum22.07.2016
Grootte367.95 Kb.
1   2   3   4   5   6

° metabolisme : halfwaardetijd van A en NA bedraagt slechts 1 tot 3 minuten ; afbraak van A en NA gebeurt in verschillende weefsels, maar vnl. in lever en nier ; hierbij worden twee belangrijke enzymsystemen gebruikt nl. catechol-o-methyltransferase (COMT) en een combinatie van monoamine oxidase (MAO) en aldehyde oxidase (AO) : COMT katalyseert de omzetting van NA en A naar normetanefrine en metanefrine, die dan op hun beurt, door opeenvolgende inwerking van MAO en AO, omgevormd worden tot 3-methoxy-4-hydroxymandelzuur (ook : vanillylmandelzuur, het belangrijkste eindproduct van de catecholamine-afbraak)

° catecholaminedeficiëntie is onbekend ; synthetische catecholamine-agonisten worden gebruikt om lokale absorptie te vertragen (vasoconstrictie na subcutane injectie), ter behandeling van shock ten gevolge van gedaald plasmavolume en om de renale perfusie te doen toenemen.
ADDENDUM :

Stresshormonen – interactie van stressfactoren – gewenning aan stress :

De bijnier, van groot belang bij stressreacties, bestaat uit (minstens) twee anatomisch en biochemisch verschillende eenheden : (1) medulair deel dat de catecholamine-producerende chromaffiene cellen bevat en (2) corticaal deel waar de glucocorticoïden gesynthetiseerd worden. Bij de meeste zoogdieren is het belangrijkste catecholamine het adrenaline. Wat betreft de glucocortico’s is er een basisniveau dat veel hoger ligt dan voor A of NA, en bovendien kunnen fysiologische variaties van deze hormonen optreden bvb. bij de meeste huisdieren treden circadiane variaties op




diersoort

Basisniveau (g/100 ml)

Nycthemerale variatie

Aard van het glucocorticosteroïd

rund

1

+

cortisol

schaap

1

+

cortisol

paard

1 - 5

+++

cortisol

varken

1 - 3

+/-

cortisol

braadkip

4 - 7

+

corticosteron

legkip

1

+

corticosteron

Ook een aantal fysiologische toestanden doen dit gehalte variëren bvb. oestrus ( ), einde dracht en partus ( bij een aantal dieren nl. koe, schaap, varken, kuiken), melken of zuigen ( ), ovipositie bij de kip ( ),…

Enkele actieterreinen van de glucocorticosteroïden zijn : verlengen en vervolledigen van de werking van A en NA, neoglucogenese en verhogen van de leverglycogeenreserve, interferentie met de anti-infectieuze werking (nl. onderdrukking van de lymfoïde organen, inhibitie van vorming van antilichamen, vertraging van wondgenezing) en tenslotte stimulatie van de hypothalamus-hypofyse-ACTH-as : dit zou een inhiberend effect hebben op TSH, STH, LH en FSH.

De gezamelijke vlugge actie van sympathisch zenuwstelsel en bijniermerg noemt men de “urgentiereactie van Cannon”. De activatie van het bijnierschorssysteem treedt over het algemeen later op (algemeen adaptatiesyndroom van Selye). Tal van factoren veroorzaken een +/- sterke stijging van A en NA. Nochtans kan er een zekere gewenning optreden bvb. bij geakklimatiseerde dieren is er geen toename van A of NA na koudebehandeling. Bovendien zijn er belastende onmgevingsfactoren die eerder A en NA, terwijl andere eerder de bijnierschors activeren.

Interactie van stressfactoren bvb. A activeert 1-adrenoreceptoren waardoor de actie van CRF op de release van ACTH toeneemt.

Gewenning aan stress : bij herhaald optreden van bepaalde stresserende factoren is de corticosteroïdtoename minder groot. Treden op dat moment echter andere stresserende factoren op, dan krijgt men toch de volle respons m.a.w. de gewenning aan stress is geen uitputting (oorzaak ligt eerder in het afferente deel dan wel in het efferente deel van de stressreactie). Op moleculair vlak is het fenomeen van de desensitisatie als volgt te verklaren : vermindering van het aantal CRF-receptoren op de corticotrofe cellen (geen uitputting van het ACTH in deze cellen !), maar tegelijk blijven deze cellen nog ontvankelijk voor stimulatie door andere factoren.



      1. Eicosanoiden en hormonen van thymus, leucocyten, hart en nieren.

Verscheidene in het organisme voorkomende humorale substanties worden gesecreteerd door cellen of weefsels die doorgaans niet als "endocrien" bestempeld worden. Men spreekt ook wel van "autacoïden": het zijn lipiden (eicosanoïden) of polypeptiden (angiotensine, atriale natriuretische factor, erythropoietine, interleukinen, kininen, renine, thymosine). De productie vindt plaats in cellen die verspreid liggen over verschillende organen (angiotensine, eicosanoïden, interleukinen) of in specifieke cellen gelegen in een bepaald orgaan zoals het hart (atriale natriuretische factor) of de nieren (erythropoietine, renine).




        1. Eicosanoïden.

° heterogene familie van 20-C-derivaten zoals de prostaglandines (PG), de tromboxanen (TX), de leukotriënen (LT) en de lipoxines (LX). Al deze stoffen hebben een autocrien, paracrien of endocrien effect. Structuur en nomenclatuur :



  • prostaglandines : worden gesecreteerd door de meeste weefsels in het organisme ; naamgeving houdt rekening met de positie van het zuurstofradicaal op de cyclopentaankern (klasse A, B, C, D, E, F, G of H, I) en met het aantal overblijvende dubbele bindingen na verlies van twee dubbele bindingen door cyclisatie van de kern (serie 1, 2 en 3) ; toevoeging van "" (bvb. PGF2) betekent dat enkel het trans-isomeer fysiologisch actief is ; PGG en PGH hebben een O-O binding tussen posities 9 en 11 van de kern : men noemt ze endoperoxiden met een hydroxyl- of een perhydroxylgroep in positie 15 ; PGI's hebben een verschillend type van zuurstofbrug nl. tussen C9 van de kern en positie 6 van de zijketen

  • tromboxanen : (of epoxiden) dragen een zesringradicaal, met een zuurstofbrug tussen twee koolstoffen van deze ring ; men onderscheidt klasse A en B en serie 1, 2 en 3.

  • leucotriënen : men onderscheidt klasse A, B, C, D en E ; de meeste behoren tot serie 4 (afgeleid van arachidonzuur met 4 C=C) ; behalve LTA4 en LTB4 zijn de leucotriënen gelinked aan een di- of tripeptide (peptidoleucotriënen) of aan een AZ (sulfidoleucotriënen); LTF4 wordt gevormd door toevoeging van gamma-glutaminezuur aan LTE4

  • lipoxinen A en B : zijn eicosanoïden met drie hydroxylgroepen en vier C=C.

° synthese : vetzuurprecursoren van de eicosanoïden worden bekomen door ketenverlenging van de essentiële vetzuren linolzuur en -linolzuur :

  • linolzuurdihomo-gamma-linolzuurPG's van serie 1 of arachidonzuur ; arachidonzuurPG's van serie 2, leucotriënen en lipoxinen

  • -linolzuurtimnodonzuurPG's van serie 3 of leucotriënen met 5 C=C

De intracellulaire synthese en release van de eicosanoïden gebeurt onder invloed van bepaalde stimuli : deze kunnen dysfunctioneel (bvb. ontsteking, anafylaxis), hormonaal (glucagon), mechanisch (distentie, parturitie) of neurochemisch (catecholamines, histamine, tryptamine, serotonine) zijn.

De biosynthese van de eicosanoïden start met de hydrolyserende werking van fosfolipase A2 op de fosfolipiden van de plasmamembraan, zodat arachidonzuur wordt vrijgemaakt. In de volgende fase wordt zuurstof toegevoegd door middel van enzymen van het cyclooxygenase- of lipoxygenase-systeem :



  • via de cyclooxygenase-weg wordt eerst het onstabiele endoperoxide PGG2 gevormd, dat dan door een peroxidase wordt omgezet in het labiele PGH2. Serumalbumine of specifieke prostaglandine-endoperoxide-isomerasen zetten PGH2 dan om in PGD2, PGE2, PGI2 en TXA2. TXA2 is onstabiel en wordt snel omgezet in (het biologisch inactieve) TXB2. Door inwerking van een prostaglandine-endoperoxide-reductase (of : PGF-synthetase) wordt PGH2 omgezet in PGF2.

  • via de lipoxygenase-weg wordt arachidonzuur omgezet in een reeks van leucotriënen en lipoxinen. Leucotriënen ontstaan na de enzymatische oxygenatie van arachidonzuur tot het onstabiel epoxide LTA4. Dit kan worden omgezet in LTB4 of geconjugeerd met glutathion tot LTC4. Verdere enzymatische reacties zetten LTC4 om in LTD4 en tenslotte in LTE4. Door lipoxygenatie van arachidonzuur in posities 5 en 15, gevolgd door verdere enzymatische reacties, worden de lipoxinen LXA en LXB gevormd.

° inhibitie van de eicosanoïdsynthese gebeurt ondermeer door :

  • cortisol : induceert de synthese van een polypeptide lipocortine (of : macrocortine) dat fosfolipase A2, en dus de productie van arachidonzuur, inhibeert

  • niet-steroïdale anti-inflammatoire stoffen (NSAI's, zoals acetylsalicylzuur of aspirine®) en extracten van ui, look en gember inhiberen de werking van het prostaglandine-endoperoxide synthase

° werkingsmechanisme :

  • sommige PG's (bvb. PGE en PGI) zijn actief ter hoogte van de cellen waaruit ze afkomstig zijn en dit door modulatie van het effect van bepaalde hormonen of door het fungeren als een soort "tweede boodschapper"

  • de meeste PG's verlaten de cel waarin ze gesynthetiseerd werden om in de ECV te treden en lokaal hun functie uit te oefenen ; in tegenstelling tot de andere PG's kan PGI voor langere tijd in de bloedbaan blijven en zijn werking uitoefenen op verderaf gelegen doelwitten zoals de bloedplaatjes (cfr. traditioneel hormoon)

  • de eicosanoïden binden ter hoogte van hun targetcellen op specifieke receptoren bvb. receptor voor PGE2 met cAMP als tweede boodschapper, receptor voor PGF2 met cGMP als tweede boodschapper

° werking :

  • PGD2 : pulmonaire vasodilatator bij foetus en pasgeborene, kort na de geboorte wordt het een vasoconstrictor ; is tevens een systemische constrictor

  • PGE2 : stimuleert de vrijstelling van hormonen door de adenohypofyse, het corpus luteum (CL) en de pancreas ; stimuleert de biosynthese van aldosteron door de bijnierschors en de vrijstelling van erythropoïetine door de nierschors

  • stimulatie van de sympathicus verhoogt de output van PGE die de verdere adrenerge transmissie gaat inhiberen (PGF daarentegen verhoogt de respons van de effector voor NA)

  • PGE heeft pijnverwekkende eigenschappen wanneer toegediend ter hoogte van de huid ; PGE2 kan de drempel van nociceptoren (pijnreceptoren) voor andere stimuli (zoals warmte) verlagen.

  • PGA's, PGE's en PGI's relaxeren de gladde spiercellen en fungeren dus als arteriële vasodilatoren en hypotensiva ; door verhoging van de nierperfusie dragen PGA's, PGE's, PGH's en PGI's bij tot een verhoging van het gehalte aan water, chloor, natrium en kalium in de urine ; PGE's brengen uterusrelaxatie teweeg bij niet-drachtige dieren

  • ter hoogte van het spijsverteringsstelsel stimuleren PGE en PGF de contractie van de longitudinale spieren van de darm ; PGE doet de sfincters relaxeren terwijl PGF ze doet contraheren ; PGE, PGA en PGI inhiberen maagsecretie, verhogen de mucusproductie door de maag en verhogen tevens de intestinale secretie (m.a.w. verdikking van de beschermende mucuslaag, toename van de bicarbonaatsecretie en instandhouden van een goede microcirculatie ter preventie van ischemie)

  • PGF2 vergemakkelijkt de vrijstelling van A uit het bijniermerg ; PGF2 uit de uterus van dieren (koe, merrie, ooi, zeug, cavia) is een uterien luteolysine t.t.z. de factor die de levensduur van het CL bepaalt. Zo zal op dag 14 bij de niet-drachtige koe het PGF2 tesamen met oxytocine (uit het CL) een degeneratie van het CL veroorzaken en het ovarium voorbereiden op een terugkeer van de oestrus ; afwezigheid van uterien PGF2 impliceert een CLpersistens en daardoor de mogelijkheid tot ontwikkeling van een embryo. Op het einde van de drachtigheidsperiode doet de foetale cortisolproductie de PGF2-spiegel stijgen (samen met die van oestradiol en oxytocine): PGF2 bindt op receptoren op cellen van het uterien myometrium, verhoogt het Ca++-gehalte in hun cytoplasma, verlaagt de drempel van hun contractiel mechanisme en draagt dus bij tot de contracties van de uterus bij het uitdrijven van de vrucht.

  • PGI2 : door inhibitie van bloedplaatjesaggregatie, dilatatie van coronaire arteries en pulmonaire venen, relaxatie van de bronchiale spieren en verlaging van de bloeddruk heeft dit PG een werking die tegengesteld is aan deze van TXA2.

  • Tromboxanen : TXA's en alle PG's (behalve PGI) veroorzaken constrictie van de pulmonaire vaten ; TXA en PGH veroorzaken bronchoconstrictie, terwijl PGE en PGI bronchodilatatie geven.

  • Leucotriënen : hebben pro-inflammatoire eigenschappen, nemen deel aan afweerreacties van het gastheerorganisme en aan pathofysiologische condities zoals hypersensitiviteitsreacties en ontstekingsreacties ; LTC4, LTD4 en LTE4 worden beschouwd als de krachtigste bronchoconstrictoren (vermindering van volume van luchtwegen en longen, verhogen van permeabiliteit van microcirculatie en stimulatie van mucussecretie in de luchtwegen ; peptidoleucotriënen vormen de "slow-reacting substance of anaphylaxis, SRS-A"); LTC4 draagt ook bij tot stimulatie van de vrijstelling van LH door de adenohypofyse

  • Lipoxinen : LXA veroorzaakt arteriolaire dilatatie en induceert daardoor glomerulaire hyperperfusie, hypertensie en hyperfiltratie ; LXA en LXB inhiberen de cytotoxiciteit van de "natural killer" cellen




        1. Atriale natriuretische factor (ANF).

Zie : hoofdstuk 3




        1. Hormonen van de thymus.

° omvatten thymosine, thymus humorale factor (THF), thymostimuline (TS) en "facteur thymique sérique (FTS)"

° zie verder : cursus immunologie


        1. Hormonen van de nier.

° omvatten de hormoon-verwante enzymen 1--hydroxylase, de kallikreïnes en renine-angiotensine, de renale prostaglandines en het erythropoïetine

° zie verder : hoofdstuk 4


        1. Hormonen van de spijsvertering.

Zie : hoofdstuk 6




        1. Hormonen van de gonaden en van de reproductie.

Zie : deel II




        1. Hormonen van de epifyse.

Zie : deel II







1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina