Zesde paaszondag (C) Homilie versie 1



Dovnload 75.49 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte75.49 Kb.
Zesde paaszondag (C)

- Homilie -
versie 1: Hoe omgaan met conflicten?… (Handelingen)

Als een tekst in elke eeuw actueel is, dan mag je zonder te blozen in eer en geweten zeggen, dat deze tekst klassiek is. Zoiets lezen we vandaag in Handelingen.


Wellicht staat nergens zo precies geschreven hoe kerkmensen behoren om te gaan met hun vragen. Er wordt niets verzwegen noch toegedekt. Er wordt open en met menselijke oprechte heftigheid gezegd wat voor de één en voor de ander belangrijk is. Meer nog, wat voor de één en de ander wezenlijk is. En dat belangrijke dat wezenlijke is grondig verschillend, zo verschillend dat het één het ander uitsluit. Daar zomaar overheen stappen en toegeven zou een verraad zijn. Wij kennen dat: als we ernstig zijn ontmoeten we dit voortdurend. Niet alleen in de kerk, maar ook in onze bedrijven, in onze scholen, in de politiek, in onze economie. Overal waar mensen met een overtuiging andere mensen ontmoeten met een overtuiging, heb je een conflict.
In de eerste jaren van de christelijke kerken bestond dit conflict dus ook. Mensen maakten zich druk om de besnijdenis, cm het absolute of het relatieve karakter van die besnijdenis. Als het voor de Joden een must is, kan dat dan voor de ‘bijkomers’, de bekeerde heidenen, zomaar worden afgeschaft? Is het een must altijd en overal? Volgens de Judeërs wel. Van hun kant zegden die bekeerde heidenen, dat de besnijdenis een onmogelijke voorwaarde was, een zinloze last. Zij konden maar niet inzien, dat dit door God gevraagd werd. Ze konden er geen teken in zien van toewijding. Is dan de voorwaarde vanuit het Joodse kamp een eis? Kan je als Griek nooit christen worden zonder die Joodse besnijdenis? Is dat een absoluut erkenningsteken?
De beide standpunten hebben hun verdedigers. En het zijn zwaargewichten. Maar dan mensen, die met gelovige argumenten een zwaar gewicht in de schaal wierpen. Paulus en zijn groep aan de éne kant, de ‘authentieke’ apostelen aan de andere kant. Aan wie zouden ze nu gelijk geven? Aan wie zouden ze hun gelijk opdringen? Moest iedereen op dezelfde manier gelovig zijn? Bestaat er een ruimte om trouw te zijn en om die trouw toch anders te beleven? Dat was dus het conflict.
Hoe komen ze daar ooit uit? Je zou daar een les kunnen op bouwen met punt één en punt twee en punt drie. Maar dat is vermoedelijk te saai voor een cursiefje... Toch steekt er een lijn in die je gewoon moet volgen.
Vooreerst, hier zijn gelovige mensen in het geding. Zij belijden Jezus Christus en wensen Hem in trouw te dienen. Verder, zij spreken hun overtuiging duidelijk uit. Daarop gaan ze naar elkaar toe en zeggen waar het volgens hen op staat. Ze overleggen, ze discussiëren, en... ze beluisteren de Geest. Het zal en mag niet gaan om hun gelijk maar om Zijn gelijk! Dat zal wel niet zo eenvoudig zijn geweest als het hier staat want gelijk geven aan de verrassing van de Geest is het allermoeilijkste wat er voor gelovigen bestaat! Hoewel we dat onvoorwaardelijk belijden. Maar goed, in het slotcommuniqué staat dan wat de Geest gezegd heeft. En ze zijn bereid het samen te ondertekenen als oplossing voor een concreet conflict van nu en als leidraad voor missionering morgen en overmorgen. Is het resultaat dan een compromis? Dat kennen we. Zo doen wij dat. En het is inderdaad een compromis. Een compromis met een dubbele bodem. Louter zakelijk gesproken is het een oplossing van geven en nemen. Jeruzalem blijft geloven in de waarde van de besnijdenis maar het is geen must voor de anderen. Zouden de niet-joodse christenen dan alsjeblieft zich willen onthouden van ontucht? Geen probleem. Dat is de logica zelf. Maar, willen ze zich ook onthouden van verstikt vlees, van bloed, en van spijzen die aan de afgoden worden geofferd? Dat is voor de vreemdelingen heel vreemd. Toch aanvaarden ze dit vreemde besluit omdat ze beseffen, dat ze daarmee in hun samen-leven te zeer op de tenen en op het hart trappen van de ‘authentieke’ geloofsbroeders. In die zin is het een echt eerzaam compromis. Ze kunnen allebei zichzelf zijn en mekaar toch geen pijn doen.
Er is echter een onderkant aan het compromis. De Geest heeft namelijk gesproken en Zijn boodschap is niet mis te verstaan: God is niet exclusief pro Israël. Hij is inclusief: de anderen zijn ook uitverkoren! Besnijdenis is één vorm van toebehoren maar niet de enige absolute voorwaarde. God is niet cultuurgebonden. Hij is mens-gebonden. En er zijn vele woorden om tot Hem te bidden en vele vormen om Hem te dienen. Zo heeft het de Geest behaagd, om het nu eens plechtig te zeggen. Bij God zijn voortaan alle mensen welkom. En als Hij bij hen aan huis komt, zal Hij niet het onmogelijke vragen en ook niet wat ze van een andere cultuur onmogelijk kunnen plaatsen. Hij zal alleen vragen of ze zich willen besnijden van binnen, of ze Hem willen dienen in waarachtigheid.
Maakt de Geest hier geen onderscheid tussen grondwet en toepassingsmodaliteiten? En geeft Hij daarmee niet te kennen wat inculturatie is? In Afrika en elders zullen ze Handelingen graag lezen!
Of zullen wij ‘ons’ geloof opdringen als het enig ware geloof? Kunnen wil op dat punt gelijk geven aan de Geest?…


versie 2: Mijn vrede geef Ik u… maar niet cadeau!… (Handelingen / Johannes)

In de evangelielezing zegt Jezus: 'Mijn vrede geef Ik u’. De eerste lezing, die in feite een gebeurtenis van jaren later beschrijft, voegt daaraan toe: maar niet cadeau. Dat is tenminste de ervaring van de eerste christenen.


Want een jaar of tien na het heengaan van Jezus dreigt de eerste christengemeenschap uiteen te vallen. Er is een conflict. Jezus was een geboren en getogen jood. En joden hebben een geweldige eerbied voor de wet van Mozes. Dat is geen vrijheidsbeknotting voor hen, maar een levensgezel, die richting en lijn geeft aan hun leven. Zij koesteren die wet, bijna zoals een moeder haar kind koestert. Het was dan ook vanzelfsprekend, dat de eerste christenen, die allemaal joden waren, hun eerbied voor de wet van Mozes behielden. Maar nu komt Paulus in contact met niet-joden, voor wie de wet van Mozes niet die betekenis had. En als deze mensen ook christen willen worden, vormt die wet van Mozes een groot obstakel. Paulus vindt het niet noodzakelijk, dat die niet-joden de hele wet van Mozes moeten onderhouden als ze toetreden tot het christendom. Daar lag de conflictstof. Daar dreigde de eerste scheuring in de kerk. Mijn vrede geef Ik u, had Jezus gezegd. Maar nu is er een conflict.
Nu zijn er bij een conflict altijd drie mogelijkheden: een scheiding, een oorlogsverklaring, of een zeer moeilijk gesprek.
Een scheiding is de makkelijkste weg, hoewel niet de beste. Dat hadden de eerste christenen kunnen doen. Uit elkaar gaan. Zeggen: jullie niet-joden, ga je gang maar, wij laten ons bij jullie niet meer zien, en zorg ervoor dat je ook bij ons weg blijft. Geen plezierige oplossing. Zeker niet, als je elkaar vandaag of morgen toch tegenkomt.
De tweede mogelijkheid is een oorlogsverklaring. Dan ga je natuurlijk voor jouw standpunt bondgenoten zoeken. Je zet die vervolgens tegen je tegenstanders op. Heb je genoeg bondgenoten, dan kun je je tegenstanders afmaken. Een veel gebruikte methode, in het groot en in het klein. Maar ze hebben deze methode niet gebruikt bij het conflict in de jonge kerk.
De derde mogelijkheid is een gesprek, hoe moeilijk dan ook. Dat is inderdaad de moeilijkste oplossing, maar wel de beste. Dat heeft de jonge kerk gedaan. Ze hebben hun standpunten uiteengezet. Keihard, zonder iets weg te slikken. Maar wel met het doel voor ogen: wij moeten eruit komen; wij moeten in vrede kunnen leven. De jonge kerk is er toen uit gekomen. Mijn vrede geef Ik u, had Jezus gezegd; ze kregen die vrede ook, maar niet cadeau.
Deze geschiedenis is voor ons allen van groot belang. Als er een conflict is, waar dan ook, nooit tegen de ander zeggen: met jou valt niet te praten, nooit weglopen, nooit de haak erop gooien, niet weigeren te praten of te luisteren.
Ook geen oorlogsverklaring en dan bondgenoten zoeken om die ander klein te krijgen.
Het beste is wat het moeilijkste is: praten. Zeggen wat je op je hart hebt, en luisteren naar wat de ander op zijn hart heeft.
Jezus belooft dan zijn vrede te geven. Hij geeft die ook, zij het niet cadeau…


versie 3:

Pasen vieren is God kennen en erkennen, het is God in Jezus herkennen. Zondag na zondag ontvouwt zich het Paasmysterie, ontvouwt God de schoonheid van zijn liefde en leert de Kerk zichzelf kennen.


We leerden de gevoelens en reacties kennen van de protagonisten en van de toeschouwers van de Paasgebeurtenissen, van de Paasweek en van de weken die erop volgden: de liefde en het geloof van Maria, de Moeder van de Heer, de ontsteltenis, de verbijstering en de vreugden van Maria van Magdala en van de andere vrouwen, de ontgoocheling, de schrik en de vlucht, het langzaam groeiende geloof van de meeste Apostelen en van de leerlingen, de trouw van Johannes, de geliefde leerling, die in stilte overal de Meester volgt en het eerst tot geloof komt na de verrijzenis, de verloochening, het berouw en later de getuigende kracht van Petrus.
We leerden Jezus zelf kennen, “Op het zien van wat er gebeurd was, loofde de honderdman God en zei: Deze mens was waarlijk een rechtvaardige”. Hij was waarlijk de Onschuldige. Er was echt geen reden geweest om Hem te veroordelen en te kruisigen. God moest wel voor Hem opkomen. Ook werd Hij de enige die Hem redde uit de dood. Zo leerden we ook God kennen. We leerden Hem beter kennen dan vroeger. Hij was waarlijk de Vader van Jezus. “Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest”, was niet een woord voor niets geweest. Hij had Zich verheerlijkt, door Jezus machtig te doen verrijzen. En zo was ook Jezus machtig verheerlijkt. Hij en de Vader waren werkelijk één.
We leerden tenslotte onszelf kennen. “Al het volk dat voor dat schouwspel samengestroomd was, keerde terug toen zij aanschouwd hadden wat er gebeurd was, en sloegen zich op de borst”. Dat was onze eerste reactie. Maar toen Jezus ons verscheen en onze ontrouw, onze lafheid en ons ongeloof met liefde beantwoordde en ons dringend uitnodigde en beval voortaan elkaar lief te hebben zoals Hij ons had liefgehad, werkte Hij onze tweede reactie los, zodat wij de oude mens in ons niet meer herkenden en als nieuwe mensen gingen leven en getuigen. Vroeger had God onze vaderen gered en daarom moesten wij elkaar redden en helpen door het gebod van de liefde te onderhouden. Hoe dringender werd nu dat liefdesgebod, nu Hij voor onze ogen onze oudste Broeder redde, die wij onschuldig lieten verloren gaan.
Vandaag leren wij over God en terzelfder tijd over onze onderlinge liefde verdere, nieuwe, verbazende dingen. Jezus leert ons de gemeenschap kennen die leeft tussen Hemzelf en zijn Vader. Die gemeenschap is liefde en vrede, “niet zoals de wereld die geeft”. In de wereld leven gemeenschap, vrede en liefde tussen gelijken. Bij God is dat niet zo en in de Kerk mag dat niet zo zijn. “De Vader is groter dan Ik”, zegt Jezus. En toch is Hij één met de Vader. Toch heeft Hij Hem oneindig lief. Toch zijn Beiden verheerlijkt met Pasen, verheerlijken Ze met Pasen Elkaar. Een Heilige Geest van liefde verenigt Hen, verenigt de Zoon met de Vader die groter is. Vandaag leren we die Heilige Geest kennen.
De Heilige Geest is onze “Helper” in het beleven van de onderlinge liefde. Hij helpt ons lief te hebben wie groter is dan wij en één te zijn en in vrede te zijn met hem. In de Kerk is niet iedereen gelijk. De een is groter dan de ander, elk volgens de gaven die God aan eenieder schenkt. Niet iedereen hoeft gelijk te zijn. Dat stoort de vrede niet die Jezus geeft. En waar geen eensgezindheid heerst, is het de Heilige Geest van liefde, die de eensgezindheid schept en de gehoorzaamheid aan wie groter is, in onderlinge vrede tussen allen. Die is niet op macht tussen gelijken gesteund, zoals dat in de wereld gaat, maar op de liefde die God op Pasen openbaarde. “De Heilige Geest en wij hebben besloten”, schrijven “de Apostelen en de oudsten” uit Jeruzalem “aan de broeders uit de heidenen in Antiochië”. “Als gij uzelf daarvoor in acht neemt zal het u goed gaan”, zal het goed gaan in de Kerk. “Vaarwel”!…


versie 4: … (Handelingen / Johannes)

Wat iemand in zijn laatste levensdagen nog heeft gedaan of gezegd, blijft degenen die achterblijven, nog heel lang bij. Vooral Johannes doet uitgebreid verslag van wat Jezus de laatste da­gen van zijn leven te midden van zijn vrienden nog heeft ge­daan en gezegd.


In het zicht van de dood - Jezus zelf noemt dat een ‘heengaan naar de Vader’ - de laatste avond met zijn vrienden samen, laat Hij een veelzeggend gebaar na. Hij breekt het brood en deelt de beker, en geeft als opdracht, als een soort laatste wilsbeschik­king door: ‘Blijf dit doen om Mij te gedenken’. Zo - belooft Hij ons - blijf Ik levend in uw midden.
Hij laat ook een gebod na, een nieuw gebod: 'Heb elkaar lief zo­als Ik jullie heb voorgedaan'. Een nieuw gebod, omdat zijn liefde zich niet beperkt tot de eigen enge kring, maar over grenzen heen gaat, verder dan eigen soort, eigen volk of ras.
En Hij laat zijn vrede na, een nieuwe vrede. In ieder geval niet de vrede zoals de wereld die geeft.
De wereld kent twee manieren om vrede te krijgen of te be­waren.

De eerste manier is via de macht van de sterkste. Tussen lan­den en machtsblokken geldt: zorg ervoor dat je de sterkste blijft, zodat de ander bang van je is, en de vrede lijkt geregeld. De zaken zo regelen dat de sterkste aan het langste, en de zwakkeren altijd aan het kortste eind trekken, levert een soort vrede op waarmee de wereld genoegen neemt, maar het is niet de vrede die Jezus beloofde.

De andere manier om vrede te bewaren is de problemen doodzwijgen. Wie ooit preekt, kan erover meepraten. Allerlei zaken waarover kerkmensen van mening verschillen, kunnen op de preekstoel maar beter niet genoemd worden, want de lieve vrede moet bewaard worden. En dat lukt dus als je maar zwijgt over wat ons verdeeld houdt, en als je zelf geen al te duidelijke plaats inneemt. Die vredigheid is, denk ik, ook niet de vrede die Jezus ons naliet.
In de eerste lezing van vandaag horen we dat er in de jonge kerk meer dan eens onenigheid bestond, duidelijk verschil van mening tussen gelovigen, tussen groepen gelovigen. Zo is er ook ruzie over de vraag of Grieken in Antiochië jood moeten worden voordat ze gedoopt kunnen worden. De joden uit Judea zijn daarvóór; anderen, onder wie Paulus en Barnabas, zijn daar­tegen. Er ontstond een heftige woordenwisseling, onenigheid... weg vrede.
De vrede wordt dan niet hersteld door het recht van de sterkste te laten gelden. Paulus is apostel, en de rest moet zich dus maar naar hem schikken. Maar zo gaat het niet. En ze zwijgen de problemen ook niet dood. Ze leven niet voor de buitenwacht in vrede, maar stiekem in onmin met elkaar. Nee, ze gaan met elkaar in gesprek, luisteren eerst goed naar elkaar, en komen er dan - geholpen door de heilige Geest - samen uit.
De vrede die Jezus nalaat, is een opdracht tot luisteren, niet alleen naar hen die boven je staan, maar ook naar hen die naast je staan. Je hebt aan twee kanten een oor: één voor wie links, en één voor wie rechts van je staan.
Daarom deed het me deugd dat er een paar bisschoppen aan­wezig waren bij de manifestatie van de ‘Acht mei’-beweging, bisschoppen met een oor voor rechts, maar ook voor links…


versie 5: Wij mogen ons vastklampen aan het woord van Jezus… (Johannes)

Je kunt menselijke woorden op verschillende wijzen vasthouden. Tegenwoordig kun je de woorden vastleggen op plaat of band of microfilm; vroeger in steen, metaal of op perkament. Zo kunnen de woorden steeds weer opnieuw beluisterd of nagelezen worden. Zo gaat het ook met de woorden van Jezus. Zij zijn op perkament en papyrusrollen vastgelegd vanaf het begin. Maar het is natuur­lijk een groot verschil of je woorden bewaart op papier of dat je een woord bewaart in je hart of om het nog duidelijker te zeggen: of je jezelf aan een woord vasthoudt.


Wanneer Jezus vandaag in het evangelie zegt: ‘Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden’, dan bedoelt Jezus het laatste. Het woord van Jezus kun je alleen vasthouden in de liefde. Zonder liefde, zonder persoonlijke innerlijke deelname, kun je het woord van Jezus alleen op papier bewaren, maar dan is het eigenlijk niet meer dan een dode letter.
De heilige Schrift kent drie manieren om het woord van God vast te houden. Ten eerste: luisteren naar het woord van God. Naar Gods woord luisteren kun je alleen met het hart. Je hart moet openstaan voor Jezus’ woord, anders kan het niet opgenomen worden in je hele persoon. Je moet verlangend uitzien naar Gods woord zoals Samuël zei: ‘Spreek Heer, uw dienaar luistert’. Je moet je laten gezeggen.
Luisteren is veel meer dan horen. Als wij ‘s avonds aan ‘t spelen waren, hoorden wij moeder wel roepen dat het bedtijd was, maar wij luisterden niet, wij speelden rustig verder, totdat moeder ern­stig riep: ‘Luister dan toch!’ Dan wisten we dat we moesten gehoorzamen aan wat zij vroeg.
Ten tweede: Wij moeten vertrouwen op Gods woord. Gods woord zul je nooit helemaal kunnen doorzien. Gods woord kan dikwijls diametraal indruisen tegen je eigen inzichten. Op Gods woord vertrouwen wil dan ook zeggen: het als maatstaf nemen van je hande­len, enkel en alleen omdat je gelooft dat God zelf dit woord tot ons gesproken heeft.
Petrus geeft ons daarvan een bijzonder voorbeeld: hij had de hele nacht tevergeefs gewerkt; hij wist dat het geen visweer was. ‘Maar...’, zegt hij dan, ‘op uw woord, Heer, zal ik mijn net­ten uit­werpen’. Zijn ervaring zei hem dat alles menselijkerwijze nutteloos was, maar zijn geloof zei hem: Gods woord is méér betrouwbaar.
En tenslotte moeten wij Gods woord ook uitvoeren. Wees niet alleen toehoorders van Gods woord - vermaant ons de heilige Jakobus - maar ook uitvoerders. Gods woord onderhouden is eindeloos meer dan alleen maar een bevel of een voorschrift uitvoeren, het vraagt van je dat je je met je hele persoon aan Christus durft toevertrouwen. Wie zo het woord van de Heer volgt, wan­delt niet in de duisternis maar bezit het licht van het leven.
Zo wordt Gods woord een lamp voor onze voeten. Voor wie zich zo aan Gods woord durft toe te vertrouwen, heeft Jezus een won­derbare belofte: ‘Mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen’. Wie zo Gods woord uit­voert blijft in Gods liefde.
Wij vergeten veel te veel dat Jezus werkelijk tegenwoordig is waar de Schriften gelezen worden; dat wij werkelijk met Jezus commu­niceren als wij Gods woord gelovig in ons hart opnemen.
Niet alleen van het Brood leeft de mens, niet alleen van de Eucha­ristie, maar ook van elk woord dat komt uit Gods mond. Dat ver­geten wij katholieken soms ook te veel!…


versie 6: De Geest van bijstand… (Johannes)

In een enquête werd aan de jeugd de vraag gesteld: “Wat is je diepste verlangen?” 88 procent antwoordde daarop: “Ik zou graag mensen rondom mij hebben die ik gaarne zie en die mij ook gaarne zien. Ik wil niet graag alleen zijn.”


Wie van ons wil graag alleen zijn? Schijnbaar is het ‘al­leen zijn’ het ergste in een mensenleven. Hoort men niet dikwijls zeggen van iemand die zijn levenspartner verloren heeft: "Je moet het zelf meemaken om te weten wat dat zeggen wil ‘alleen te zijn’. Ik wens het niemand toe, zelfs mijn grootste vijand niet.”
Jezus heeft ook niet gewild dat zijn apostelen alleen zouden achterblijven. Daarom belooft Hij hen: “Ik laat u niet als wezen achter, de Vader zal u een Helper zenden”, die Hij de Geest van Bijstand noemt, de Trooster, de Advocaat.
Bijstand, ja die hebben wij allemaal nodig. De ervaring leert ons dat iedereen hulp nodig heeft in elke fase van het leven en dat men steunen kan op helpers in opvoe­ding en vorming. Zonder die bijstand zou een mens het niet ver brengen al wil de maatschappij vaak de indruk wekken dat een mens zijn leven alleen kan uitbouwen. En toch, mensen kunnen ons niet altijd helpen. Vroeg of laat komen wij tot de vaststelling dat wij allemaal op God aangewezen zijn. Zonder God is ons leven tenslotte een dwalen in de woestijn, een struikelen zonder dat iemand ons kan oprichten. De bijstand die God ons geven wil kan niemand anders ons geven.
Jezus belooft ook een Trooster te zenden. Die Trooster zal er voor zorgen dat alles wat Jezus gezegd heeft, niet vergeten wordt, niet buiten ons blijft, maar tot in ons binnenste zal doordringen als absolute waarheid. Het is voor ons een troost te mogen geloven dat God ons altijd nabij blijft en voor ons zorgen zal. Het is een troost dat God in ons leven altijd het laatste woord zal hebben en dat Hij zin en richting aan ons leven geven zal. Het is voor ons een diepe troost dat God, als een goede moe­der, ons geborgenheid biedt. De Trooster, de heilige Geest zal ons duidelijk maken dat wij niet op weg zijn naar het niets, maar naar God zelf, die alles in allen zijn zal. Tenslotte hopen wij niet op iets, maar op Iemand. God zelf is onze hoop. Als wij ons aan Hem durven toevertrouwen zullen wij niet vallen.
De Vader zal ons een Advocaat zenden in de werkelijke zin van het woord. Het is een menselijke wet dat niemand zichzelf voor het gerecht moet verdedigen, desnoods roept de rechter er zelf een verdediger bij om de beklaag­de bij te staan. De heilige Geest wordt door de Vader geroepen om onze zaak te bepleiten, om ons bij te staan. Waar wij hopeloos zijn geeft Hij uitzicht; waar wij radeloos zijn geeft Hij inzicht; waar wij sprakeloos staan spreekt Hij voor ons ten beste.
Deze belofte van Jezus geldt voor iedereen. Bij God bestaat geen onderscheid van persoon. Gods belofte geldt voor de bejaarde dame die geen familie of vrienden meer heeft, voor de jonge man of vrouw, die door de partner in de steek is gelaten; voor de ouders waarvan de kinderen, vaak om onbegrijpelijke redenen, zich distantiëren. Wie Jezus liefheeft kan zich aan deze woorden vasthouden, vooral in donkere uren, in tijden van nood en verlatenheid, ontgoocheling en lijden. Wie Jezus liefheeft zal in zijn leven op een onbegrijpelijke wijze ervaren dat zijn woorden waar zijn…


versie 7:

Je voelt onder de lezingen van vandaag een zekere spanning. Ook de eerste kerk was er niet vrij van. Nieuwkomers en de gevestigde orde struikelen over elkaar. ‘Hebben we het dan vroeger altijd verkeerd ge­daan?’, klaagt de oudste groep joodse christenen. Zij hebben de oudste papieren. Zo is het altijd geweest. En de nieuwe dopelingen uit het hei­dendom hebben helemaal geen zin om de pijnlijke last van de besnijde­nis en de voedselwetten opgelegd te krijgen bij de doop. Zij vinden in hun enthousiasme voor het nieuwe geloof dat ze ook recht van spreken hebben. En het gaat natuurlijk niet alleen om incidenten en menings­verschillen over feiten. je voelt ook de vraag: wie heeft het voor het zeggen? Kunnen de apostelen maar zo decreten uitvaardigen die bin­dend zijn voor gelovigen? Is de traditie bij voorbaat maatgevend? De discussie was fel, laat Lucas ons weten. En beide kampen zijn overtuigd van eigen gelijk en eigen geloof.


Dit kleine stukje kerkgeschiedenis verloopt trouwens op een manier die ik in onze tijd en in onze kerk nog niet zomaar zie gebeuren. Kerk­leiders besluiten de discussie kerkbreed te maken. Een groepje wijzen wordt erop uitgestuurd, niet om paal en perk te stellen of de overheids­beslissingen mee te delen, maar eerst en vooral om in gesprek te gaan en te luisteren. Pas daarna, na rijp beraad, hoor je de forse en preten­tieuze uitspraak: ‘De heilige Geest en wij hebben besloten...’. Want de Geest leeft in de hele gemeenschap. En er is in dit verhaal niemand die zegt meer Geest te hebben dan de anderen. Zo kwamen ze in die dagen tot overeenstemming.
En de kerk door tweeduizend jaar heen en in onze dagen? Het is de voortdurende strijd van het eigen gelijk. Let wel: van alle kanten. Ker­ken over de hele wereld blijven gescheiden op eenmaal fors ingenomen stellingen. Het christendom is erdoor uiteen gevallen in meer dan 200 kerken en sekten. Zou het nog mogelijk zijn, samen met de heilige Geest tot besluiten te komen? Zou het haalbaar zijn ons geloof zo te verbreden, dat we elkaar zien als dragers van dezelfde Geest?
Ik zou me trouwens kunnen voorstellen, dat u me - op dit moment van de preek - een stap of twee, drie vóór bent. Want het laat zich zo ge­makkelijk verder invullen: hoe kerkleiders en christenen overal ter we­reld (en met name bij ons) zich gelovig zouden moeten gedragen. Haal de hele kerkelijke actualiteit maar voor je en kleur de plaatjes. Mag ik u dan even terugfluiten, want misschien is dat te gemakkelijk. Onder de discussie zit een nog diepere vraag, namelijk wie de Geest het eerste heeft gekregen: het individu of de gemeenschap. Een strijdvraag die als een breuklijn door de kerk loopt tussen Oost en West. Het is het oudste en hardnekkigste strijdpunt in het christendom. Een vraag die alles heeft te maken met individualisme of gemeenschapszin. Het oosten gelooft dat eerst de gemeenschap, op Pinksteren de Geest heeft ge­kregen en door haar de individuele mens. Het westen denkt precies an­dersom en dat kun je merken ook, en niet alleen kerkelijk. Het oosten kent meer gemeenschapszin. Aan deze kant van de aarde zit het individualisme diep. Je mag overal aankomen, als je mijn persoonlijke vrijheid maar onaangetast laat. We investeren veel, met name in eigen welzijn, in lichamelijke conditie, eigen fitheid, in uiterlijk schoon, in aerobics, in lijn, in hoe ik overkom, sensitivity, zelfontplooiing, zelfredzaamheid, in wat ik kan: in cursussen en symposia, in trainingen en leergangen. En het ergste wat iemand mij kan aandoen is ongevraagd mijn privé-domein betreden, mijn privacy schenden, mijn integriteit (mijn onaan­raakbaarheid) niet respecteren. Merk je hoeveel woorden we er voor hebben?
En dan te bedenken dat Johannes in zijn evangelie van vandaag de Geest aanduidt als trooster, helper, advocaat zeg maar. Ombudsman is misschien een goede vertaling: iemand tussen ons in, die ons met God en met elkaar verbindt. ‘Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u’. Een an­dere vrede dan die van de wereld. Een andere Geest, dan de geest van onze tijd, waarin eigen haantjes altijd victorie moeten kraaien; waarin het individu zichzelf zo belangrijk vindt, dat de gemeenschap maar even moet wachten.
We wachten op de Geest, nog steeds. Ook nu we op weg zijn naar een nieuwe Pinksteren. En wie er gelijk heeft? Zou de waarheid deze keer niet in het midden liggen? Gods Geest, tussen ons in en boven ons uit? Aan ieder van ons en aan ons samen? Dat we de Geest niet verbergen voor onszelf. Dat wij elkaar behoeden en doen leven…


versie 8: Titel twee… (Johannes)

Op het eerste gezicht is dit evangelie moeilijk te begrijpen, maar als wij er even over nadenken, wordt het ons duidelijk dat die woorden een heel levensprogramma omvatten. Het is eigenlijk zijn eigen levensprogramma dat Jezus ons wil meedelen. Wij moe­ten zijn geboden onderhouden, wij mogen leven vanuit zijn Geest, wij zullen zijn vrede ontvangen.


Wie Mij liefheeft zal mijn woord onderhouden. Dat is het eerste programmapunt in het leven van een leerling van Jezus. Veel woorden van de mensen zijn woorden in de wind, maar er zijn ook woorden waaraan de mens zich kan vasthouden. Als een dokter b.v. zegt: "Dat gezwel is niet kwaadaardig". Of als een leraar zegt: "Je bent geslaagd". Of als een priester zegt: "Uw zonden zijn vergeven". Aan zulke woorden klampt de mens zich vast, van zulke woorden kun je leven. Maar geen enkel woord is zo betrouwbaar als de woorden van Jezus: "Hemel en aarde zullen vergaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan". Waaraan zou een zondaar zich meer kunnen vasthouden dan aan het woord van Jezus: "Uw zonden zijn u vergeven"? Tot wie zou je je beter kunnen wenden als je door lasten en zorgen wordt terneergedrukt, dan tot Jezus die zegt: "Komt allen tot mij die belast en beladen zijt en ik zal u verkwikken"? Aan wie zouden wij ons kunnen vastklampen als het leven ons dreigt te ontglippen? Alleen aan Hem die het ongehoorde woord gesproken heeft: "Ik ben verrijze­nis en leven. Wie in mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven". Jezus heeft werkelijk woorden van eeuwig leven, daaraan kunnen wij ons vasthouden.
Gods woord onderhouden wil veel meer zeggen dan een voor­schrift volgen, het is deelhebben aan het innerlijk leven van Jezus zelf, delen in de kracht van zijn Geest. Het woord van Jezus onderhouden betekent: ons leven niet plannen volgens onze wensen en verlangens, maar ons leven richten naar Gods wil volgens het voorbeeld van Jezus. Zonder liefde, zonder innerlijk contact met Jezus kunnen wij zijn woord niet onderhouden. Daarom moeten wij leven volgens zijn Geest.
Het is niet voldoende kennis te nemen van de woorden van Jezus. Een bijbelgeleerde kent misschien het hele evangelie van buiten, maar daarom is hij nog geen gelovige. Het woord van Jezus onderhouden, dat wil zeggen: leven vanuit de gezindheid van Jezus, kunnen wij niet zonder de bijstand van de Geest. "Hij zal u alles leren en in herinnering brengen", zegt Jezus. De woorden van Jezus begrijp je alleen vanuit de liefde tot Hem, een ongelo­vige kan daar niets mee aanvangen, hij begrijpt ze niet.
Die woorden worden alleen levend als de Geest ons hart opent door de liefde, als Hij ons de geestelijke troost wil schenken die aan ons hart de getuigenis geeft dat de woorden van Jezus waar zijn. Die Geest zal ons zeggen dat wij niet voor ons zelf mogen leven, maar ten bate van anderen, dat wij niet altijd ons recht mogen opeisen maar aan anderen hun rechten moeten geven. Alleen door de Geest van bijstand kunnen wij in ons gebed tot zulk een levendige verhouding komen dat wij God "Vader" dur­ven noemen. De Geest zal ons leren te leven vanuit die gemeen­schap van liefde die God met ons delen wil en die wij op onze beurt weer willen verdelen met alle mensen.
Zo ontvangen wij zijn vrede. Die vrede kunnen wij onszelf niet geven. Het menselijk hart is innerlijk te veel verscheurd, er is een te grote breuk tussen ons denken en ons doen, tussen ons gevoel en ons verstand, tussen onze wil en ons niet kunnen. De Geest van Jezus kan ons hart echter rustig maken in het vertrouwen dat God groter is dan ons hart, in het vertrouwen dat God liefde is. In die zekerheid mogen wij vertrouwen hebben in het leven, omdat God met ons het leven deelt. Hij laat ons immers niet als wezen achter. In ons hart is het vaak duister, maar God wil ons licht zijn, ik ben vaak eenzaam, maar Hij wil bij mij wonen, ik ben vaak moedeloos, maar God is mijn hulp, ik ken mijn levens­weg niet, maar God weet de weg voor mij. Hoe onrustig mijn hart in zichzelf ook zijn mag, bij God vind ik mijn vrede. Hij is mijn vrede.
Zo is het afscheid van Jezus eigenlijk geen afscheid. Zijn afscheid is noodzakelijk om ons nog inniger met Hem te verenigen. Hij blijft steeds werkelijk in ons leven. Hij neemt verblijf bij ons, door zijn Woord, door zijn Geest, door zijn Vrede. Zo hebben wij alle reden om dankbaar te zijn en van zijn vrede te leven…


versie 9: Stokken in de wielen… (Johannes)

De zondagen na Pasen zijn gericht op het komende pinkster­feest. We lezen hoe Jezus belooft dat de Geest zal komen: ‘Hij zal jullie alles laten begrijpen wat Ik jullie gezegd heb.’ Zijn komst is een gratuit geschenk van God aan ons. Toch ver­bindt Jezus voorwaarden aan de komst van de Geest. Zo zegt Hij zeer uitdrukkelijk dat de Helper alleen kan komen als wij ons aan zijn (Jezus’) woorden houden. De leerlingen begrijpen meteen dat Jezus daarmee de geboden bedoelt, de welbekende decaloog uit de wet van Mozes. Daaraan heeft Jezus herhaal­delijk herinnerd. Meer zelfs, op beslissende punten heeft Hij de geboden nog strenger gemaakt. Niet alleen het uiterlijke gedrag, maar ook de gezindheid van het hart moet bekeerd worden.


Nu zijn die geboden bij nader toezien haast allemaal verbo­den: gij zult geen andere goden hebben, gij zult de naam van God niet ijdel gebruiken, gij zult niet doden, niet stelen enzo­voort. Wie die woorden niet onderhoudt, zal tevergeefs wach­ten op de komst van de Helper. Daarover laat Jezus geen twij­fel bestaan. Waarom stelt de Heer die voorwaarden? Ze lijken op het eerste gezicht weinig met de Geest te maken te heb­ben. Is Hij immers niet de grote liefdegave? Waarom moet er dan zo nodig aan die strenge verbodsbepalingen herinnerd worden?
Het antwoord is te zoeken in Gods manier van omgaan met ons. Wat voor Hem pure gave is, werkt in ons niet automa­tisch. Voor alles war God met ons wil doen, vraagt Hij onze instemming en medewerking. Hij werkt niet over onze hoof­den heen en behandelt ons niet als pionnen op een schaak­bord. Wij zijn immers vrije wezens, Op die vrijheid doet God altijd een beroep. Als wij dus echt willen dat de Geest komt, dan wordt er van onze kant medewerking verwacht. Opdat de Geest van liefde een kans zou krijgen, wordt van ons ver­wacht dat wij ‘neen’ zeggen aan het kwaad. Daarom zijn de geboden bijna allemaal negatief geformuleerd: ze wijzen ons op het kwaad dat in de wereld en ook in onszelf leeft. Ze spo­ren in die zin aan tot nuchterheid. God kan zijn werk alleen doen als mensen altijd weer ‘neen’ zeggen aan wat daartegen ingaat. Hij kan het goede in ons pas teweegbrengen als wij ons verzetten tegen het kwaad. Wij smoren het werk van de Geest al in de kiem als we, om maar wat te noemen, geen rem zet­ten op leugen en laster. Wie kwaad met kwaad vergeldt, biedt geen enkele kans aan de Geest, die vergeving schenkt. Wie zich aan valse goden hecht, laat geen ruimte voor de werking van de echte God.
Dat betekent helemaal niet dat wij het allemaal zelf moe­ten doen. De beloofde Helper kan in mensen veel meer tot stand brengen dan zij op eigen kracht zouden kunnen. Maar dan moeten ze Hem ook de kans geven. Hoe ze dat kunnen doen, ligt uitgedrukt in die geboden. De medewerking is in feite een ‘niet-tegenwerken’. Geen stokken in de wielen ste­ken, zoals dat in een volkse uitdrukking heet…


versie 10: God, die meegaat… (Handelingen / Apokalyps / Johannes)

Een jong meisje lijdt aan kanker. Samen met haar familie, ouders, broers en zusje gaat ze de strijd aan. Zware therapieën, chemobehandeling en dergelijke. Haar mooie krullen worden dof en vallen uit. Ze wordt kaal. Om haar te steunen, om haar te laten weten hoe lief ze haar hebben, Iaat de hele familie zich kaal scheren. Zij werden onvergetelijk, door op deze manier solidair te zijn met de zieke in hun midden en mee te gaan op de weg van lijden en ontluistering.


Deze gebeurtenis maakte ons scherp duidelijk, hoe God voor mensen wil zijn. Kijkend naar alle leed en naar onze machteloosheid, doen we vaak een beroep op God. Hij, die woont in de hemel, de Almachtige, moet zich laten horen en zien. 'Waarom Iaat Gij mij tobben?', bidt de psalmenzanger 'waarom wendt Gij uw gelaat van mij af.'
Wat betekent in dit verband het woord van Jezus. 'Ik zal u een andere Helper geven, de heilige Geest, die bij u zal blijven?' Hoe waar is een woord, dat niet lijkt te werken? Dit probleem komen we al tegen in de geschiedenis van het joodse volk. God zegt, dat Hij zich met hen verbindt, maar zij merken er zo weinig van. En daarom nemen zij zo vaak het recht in eigen hand, verbinden ze zich meer met de grootmachten van deze wereld, dan met hun de Enige God, hun beschermer en toeverlaat.
En wij zijn niet veel beter. We zetten onze kaarten op uitvindingen en techniek, we slaan erop met wapengeweld, laten ons door angst gezeggen in plaats van te ver­trouwen op Gods belofte. We denken misschien: 'Er zal wel een God bestaan, maar Hij Iaat ons aan onszelf over.' Dat we zo denken komt misschien ook omdat we ons een God hebben uitgedacht naar ons beeld en gelijkenis. Uitvergroot rekenen wij ons machtsdenken aan God toe. Bij ons heeft een machtig mens het voor het zeg­gen. Dat gegeven plaatsen we over op God, die dan de Almachtige wordt.
Toch is de God, die Jezus 'Vader' noemt een andere en zijn Verbond met ons houdt niet in dat Hij eens gegeven verantwoordelijkheden overneemt. Hij is geen baas over de gebeurtenissen, Hij beheerst niet onze geschiedenis. De God van de bijbel is een 'meegaande' God, is gezelschap op onze levensweg. Hij gaat mee met het volk in de woestijn, Hij duikt mee onder in de ballingschap, Hij houdt je bij de hand. En Israël komt er steeds bovenop als ze zich dit herinneren; 'Ik, Jahweh, ben er, altijd.' Jezus is de levende getuigenis van deze meegaande God, tot in de dood, zelfs door de dood heen naar nieuw leven.
'Als Ik er niet meer zal zijn, blijf Ik toch met jullie meegaan. Iemand die je 'bijblijft'. de heilige Geest, die werkt in je hart, is mijn gave.' Pinksteren nadert, het feest van de uitnodiging tot nieuw 'geestelijk leven'. De uitnodiging om in de wereld solidair te zijn, levensgezelschap voor allen die ernaar hunkeren. Pinksteren is de uitdaging om te getuigen, hoe Hij van ons 'geest-rijke' mensen maakt, juist in de levensop­dracht die we vervullen. Het is de liefde die Gods Geest in ons vrijmaakt, die alle schaduw achter ons Iaat, omdat we gekeerd staan naar het licht, omdat we ons niet meer hoeven schuil te houden in de angst. Jezus Iaat nu de schaduwen achter zich en keert terug in de grote liefde die Hem voorbracht. 'Zo is het goed', zegt Hij, 'want dieper dan voorheen zal Ik je tot gezelschap zijn. Dan zul je weten, wat waarheid is, wat waarde heeft; wat vrede is, want je zult nu al bij God thuis zijn. Hij woont onder je dak.'
Is daarmee alle leed geleden? Nee, dat niet. Het leven is en blijft lief en leed, vreug­de en kruis. Het hoort nu eenmaal bij onze wereld. Maar samen staan we sterk. Zo stond de familie rondom het zieke meisje, sterk in de liefde. Samen hebben ze elkaar gegeven aan het leven. Door de sterke solidariteit verdween de angst voor ziekte en dood. Verrijzenis werd een reëel vermoeden. Dat is Pasen: getuigen dat het leven niet stuk kan, wat je ook overkomt…


versie 11: Wij zullen doorgaan…

Over Pasen kan je veel zeggen. Soms denk je dat de vreugde van de christenen niet op kan. Soms denk je dat die vreugde maar even duren kan. Alleluja zingen, dat houdt onze mond niet vol. Vreugde beleven is, zoals alles in het leven, ook maar van korte duur. Morgen is het weerom maandag en overmorgen dinsdag. Dan staan we opnieuw in de file en keren de kinderen terug naar de klas. We zien weer andere films dan die van Jezus van Nazaret. Het leven wordt weer gewoon. En dat is maar goed ook.


Toch gaat het verhaal door. Het werkt door. In de stilte. Op de bodem van onze ziel. Het beroert ons nog op de plek waar ons geweten spreekt, op de plek waar wij met heel ons bestaan zinnen op het goede. Daar blijft het Pasen voorgoed. Daar wordt niet elke minuut luidop gezongen, maar iets zorgt daar voor de diepe ondertoon. Dat helpt ons om ons dagelijkse lied in de juis­te toonaard te zingen. De toonaangever die daar functioneert, heeft een naam. Het is de Geest.
Het is daarom zeer zinvol dat Sint-Jan ons vandaag drie dingen tegelijk zegt. Hij spreekt drie woorden in één ademtocht: liefde, geboden, Geest. Deze drie houden elkaar in balans. Het is de zoveelste drievuldigheid van ons gelovige bestaan. Het is immers ongezond te willen liefhebben zonder te doen wat de liefde vraagt. Het is even ongezond het goede te willen doen als ons hart er niet bij is. En een mens houdt noch het één noch het andere vol als hij niet geleid wordt door een goede geest. Dat is wijsheid die we makkelijk onderkennen. Deze trilogie moet áf zijn. Anders klopt het niet. Ons lied klinkt pas goed als het in drie stemmen wordt gezongen. Dat is de overtuiging van de vierde evangelist. En hij heeft daarin gelijk.
Liefde is meer dan een gevoel. Het is meer dan affectie. Affectieve liefde wordt pas echt als ze effectief wordt. Als ze zich toont in de gestage trouw van elke dag. En dat is een avontuur dat we nooit perfect programmeren. Het leven van elke dag program­meert zichzelf, onverwachts en onvoorspelbaar. Liefde die effectief wil zijn, plooit zich naar de toevalligheden van elk uur. Zo wordt liefde gekneed door de kleine gehoorzaamheden die wij per kwartier moeten interpreteren. Zo heeft de liefde gebo­den nodig. Zonder deze permanente trouw sterft de liefde.
Maar het is ook andersom: zonder liefde sterft onze inzet. Inzet zonder liefde wordt plicht. Dan verwordt trouw tot harde prestatie. En dat maakt de mens uiteindelijk zo moe, dat hij het opgeeft, vroeg of laat. Tenzij de mens almaar het tegendeel bewijzen wil. Soms lukt dat ook. Het resultaat is evenwel voorspelbaar: de mens wordt dan een ijzeren monnik. Daarmee staan we echter ver verwijderd van Gods droom. Hij droomt van een mens die leeft met zijn hart op zijn handen.. . en met zijn hand op zijn hart. Voor dat laatste heeft een mens Gods spirit nodig. Zonder dat draait hij rond in het schema van de liefde die zich bewijzen wil.
De Geest maakt liefde tot genade. Liefde is geen opdracht en geen plicht. Liefde is geschenk. Met Pasen wil God ons verzeke­ren dat dit geschenk ons altijd geschonken wordt. Liefde is gro­ter dan ons hart. Zo gaat Gods verhaal door.
In mensen die het graag beamen…


versie 12: De heilige Geest en wij…

‘De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten…‘ Een forse uitspraak die op het eerste gehoor nogal pretentieus klinkt. In feite is het een beschrijving van de grondslag van ons bestaan. De aanwezigheid van de heilige Geest is die basis op twee manieren. De heilige Geest is een gift aan ons als individuele personen èn aan ons als interpersoonlijke gemeenschap.


In het verhaal - waarvan dit praktisch de slotwoorden zijn -raken enkele individuen met elkaar slaags over een discipli­nair punt. Wat moeten de nieuwe dopelingen van niet-joodse afkomst doen met het joodse erfgoed van de eerste volgelingen van Jezus? Paulus sympathiseert met de nieuwelingen, die er weinig voor voelen allerhande vreemde gebrui­ken als verplichtingen op zich te nemen. De mannen hebben er bijvoorbeeld helemaal geen zin in besneden te worden ter ere van hun doopsel. Jakobus voorziet echter moeilijkheden.
Zal de oudere groep joodse christenen zich niet verraden voelen, denkend dat die nieuwlichters meenden dat zij het vroeger allemaal verkeerd gedaan hadden? Herkenbare situaties die zich in onze dagen op allerhande - niet alleen op kerkelijk - gebied nog steeds herhalen. Zowel Paulus als Jakobus zijn allebei hartstochtelijk toegewijd aan Jezus Christus en alles waar hij voor staat. Daarover bestaat geen enkele twijfel. Maar ze vertegenwoordigen verschillende houdingen, tijden, achtergronden en culturen.
De woordenwisseling was fel, schrijft Lucas. Overeenstem­ming scheen uitgesloten, totdat ze de gehele gemeente in het beslissingsproces inschakelden en er een oplossing gevonden werd. Een oplossing die doorklonk in de inaugurele speech van de nieuwe president van de Verenigde Staten, George Bush, toen hij zei: ‘in wezenlijke dingen eenheid, in bijzaken vrijheid, in alles liefde.’
Ze konden in die dagen zo tot overeenstemming komen, omdat ze meenden dat de heilige Geest zowel aan de indivi­duele persoon als aan de gemeenschap gegeven was. Er schijnt niemand geweest te zijn die zei meer Geest te hebben dan anderen. Wij zien vaak over het hoofd dat we het binnen onze christelijke wereld op dat punt al meer dan duizend jaar niet meer eens zijn. Het is een van onze oudste verschilpun­ten. Het verschil dat de westerse en oosterse christenheid van elkaar gescheiden houdt.
Hoe is de heilige Geest aan ons gegeven? Het antwoord op die vraag heeft te maken met de hardnekkigste onenigheid in christelijke gemeenschap. De oude filioque-kwestie. Terwijl wij in het westen geloven dat de heilige Geest eerst aan het individu is gegeven en door de individuen aan de gemeenschap, meent men in het oosten dat de heilige Geest eerst aan de gemeenschap gegeven is, en door haar aan de individuele persoon. Het is een verschil dat nogal wat verschil maakt. Een verschil dat zelfs op het niet direct godsdienstige, maar seculiere vlak het Westen en het Oosten van elkaar scheidt. Toen enkele jaren geleden de presidenten van twee machtigste staten in de wereld elkaars volkeren op nieuwjaarsdag over de televisie toespraken, zei Ronald Reagan tegen de Russen, dat hij er op de eerste plaats in geïnte­resseerd was om hun individuele persoonlijke vrijheden te garanderen, terwijl Michail Gorbatsjov tegen de Amerika-nen zei, dat onze eerste zorg was om als mensengemeenschap een conflict te vermijden.
De twee opvattingen horen samen. Ze dienen elkaar aan te vullen. Johannes geeft de heilige Geest in de tekst voor deze week een naam, hij noemt haar paraclètos. Een woord dat moeilijk te vertalen is in het Nederlands. Het betekent helper, advocaat, trooster, raadgever, maar misschien is ‘ombudspersoon’ wel de beste vertaling. In al de nuances van die verschillende vertalingen wordt steeds weer een zaak aangegeven: de heilige Geest is er om ons te helpen het rijk van God hier in deze wereld te realiseren. Ze wordt ook wel de in-between, de ons-verbindende God genoemd. De bedoe­ling is de vrede en eenheid, die door haar toedoen en inspiratie onder ons verwezenlijkt zullen worden. ‘Vrede laat ik u na, mijn vrede geef ik u.’ In wezenlijke dingen eenheid, in bijzaken vrijheid, in alles liefde. Het wezenlijkste: die vrede en dat rijk van God. Dat was de reden dat hij onder ons kwam, en ons allen zijn Geest zond…


versie 13:







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina