Zoeken jullie iets? Ervaringen met associatie en andere vormen van verbondenheid



Dovnload 62.48 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte62.48 Kb.


Zoeken jullie iets?


Ervaringen met associatie en andere vormen van verbondenheid


Verslag van de derde platformbijeenkomst rond toekomst van religieus leven,
opgezet door de Commissie Roepen

Den Bosch, Woensdag 19 februari 2003, 10.15 uur tot 16.00 uur.




Jezus keerde zich om, zag dat ze Hem volgden en sprak hen aan: `Zoeken jullie iets?' Ze zeiden: `Rabbi (dat betekent: meester), waar houdt U uw verblijf?' Hij antwoordde: `Kom mee en je zult het zien.' (Joh 1,38-39)
Een kleine honderd mensen ‘zochten iets’ op deze doodgewone woensdag aan het eind van de winter. Wat? Misschien wel juist een glimp van de lente, iets dat nieuw perspectief biedt in die winterse tijd waarin ook het religieuze leven in Nederland zich lijkt te bevinden.

Centraal staan vandaag ervaringen met associatie en andere vormen van verbon­denheid.

Verschijnen er hier en daar al nieuwe loten aan de kaal geworden takken? Zijn die levensvatbaar? Weerstaan ze de voorjaars­vorst? “Kom mee en je zult het zien.”

.1Opening en inleiding op de vraagstelling


Wie alleen loopt, raakt de weg kwijt.
Alleen uit de gemeenschap
komt de wijsheid.
Een hand alleen kan geen touw
om een bundel knopen.
Wie alleen loopt, raakt de weg kwijt…”


(Uit : "Chansons populaires Barnileke",
Patrice Kayo, Kameroen)


De Commissie Roepen heeft Jos van Genugten gevraagd het proces op deze dag te bege­leiden.1 Deze opent de bijeenkomst met een meditatief moment rond de symbolen die in het midden van de zaal zijn opgesteld: bloemen, licht en de Schrift. Hij eindigt deze opening met het gedicht Wie alleen loopt uit Kameroen.
Vervolgens richt Peter Damen opraem, voorzitter van de Commissie Roepen, een woord van welkom aan alle aanwezigen. Na enkele toelichtende woorden en huishoudelijke mededelingen legt hij de leiding van deze dag verder in handen van Jos van Genugten.

Om te beginnen leidt Jos van Genugten het thema in, verwijzend naar de inventarisatie die gehouden is in het kader van het rapport Tot Roepen Geroepen.2 Daarbij bleek dat er voor dat wat we hier aanduiden als ‘associatie’ veel aanduidingen zijn, veel vormen en evenzo­veel invalshoeken.

Deze dag zal beginnen met het beluisteren van een aantal presentaties. Het is echter de bedoeling dat te doen met een actieve luisterhouding. We worden uitgedaagd om bij die presentaties gericht met onze eigen bril te kijken: waar hebben wij iets aan, wat sluit aan bij onze behoeften. Houd daar vragen van vast voor de rest van de dag en kijk daarbij ook of er zoiets als ‘partnerschappen’ mogelijk zijn.

Gaandeweg, zo benadrukt hij, hopen we vandaag ook tot begripsverheldering te kunnen komen.



.2Ervaringen met associatie en andere vormen van verbondenheid
Na deze inleiding volgden tien korte presentatie door genodigden. Na afloop werd telkens ruimte geboden voor enkele korte informatieve vragen.

Missionaire Beweging van Afrika (MBA) – Missionary Movement of Africa (MMA)



Twee teksten van Kardinaal Lavigerie:
Heb lief de mensen naar wie ik je zend.
Heb Afrika lief.


Ik heb al wat Afrika is lief gehad:

Haar verleden en haar toekomst,
haar bergen en haar heldere luchten,
haar zon en haar vergezichten in de woestijn,
de blauwe golven die het strand oprollen.”

Ik ben een mens en niets menselijks is mij vreemd.
Ik ben een mens en ongerechtigheid tegen andere mensen doet mijn hart ineenkrimpen.
Ik ben een mens, elke onderdrukking is een aanklacht tegen mijn menselijke natuur.”


Namens deze groepering voert Jeannette van den Biggelaar het woord. De Missionaire Bewe­ging van Afrika is een internationale missionaire lekenbeweging, die verbonden is met de Missionarissen van Afrika en de Missiezusters van Onze Lieve Vrouw van Afrika (de Witte Paters en de Witte Zusters). Het startpunt ligt in 1999, tijdens een ontmoeting in Esch met een aantal mensen die zich met de Witte Paters en Witte Zusters verbonden voelen. Men verkent samen de wensen en verlangens t.a.v. een nieuwe vorm van verbinding met deze missionarissen. Dit leidt in het jaar 2000 tot een visiedocument en daarmee tot de geboorte van de MBA.

De beweging heeft dan een tiental leden uit België, Nederland en Duitsland, die worden bijgestaan door een zuster en een pater. Geregeld worden er bijeenkomsten gehouden en heel langzaam groeit er iets, zowel qua structuur als qua gemeenschap. Een kernactiviteit van de groep is verdieping in de spiritualiteit van Kardinaal Lavigerie (1825-1892), de stichter van de Witte Paters en de Witte Zusters. Een van de leden fungeert als coördinator. De MBA is dus vooral een kleine internationale groep van bewogen leken, die in vlam zijn gezet door Afrika en het Evangelie en geboeid zijn door de spiritualiteit van Kardinaal Lavigerie; zij zien zich als missionarissen van Afrika in een nieuwe vorm en met nadrukkelijk ook een eigen boodschap en charisma.


Dominicaanse Lekengemeenschap Nederland (DLN)

Als vertegenwoordigers van de dominiaanse beweging in Nederland zijn Leny Beemer (voorzitter van de Dominicaanse Lekengemeenschap Nederland) en Jozef Essing (co-provinciaal van de Dominicanen) aanwezig. Leny Beemer vertelt dat zij nog maar een jonge tak van de orde zijn. Tegelijk is de beweging eigenlijk al heel oud, want al in de Middel­eeuwen werd de 3e orde opgericht. Deze was gaandeweg echter sterk vergrijsd en nogal passief geworden. Aanleiding voor de oprichting van de DLN was het gegeven dat men zich gesteld zag voor het feit dat een groot aantal kringen rond gemeenschappen geen verband hadden. Daarom werd in 1999 naar een geschikte vorm gezocht. Uiteindelijk hebben we daarbij qua juridische status gekozen voor de officiële Dominicaanse Lekengemenschappen, die een voortzetting zijn van de oude 3e orde. Daarbij wordt samengewerkt met de broeders en met alle zustertakken, die zich daar ook allen achter stelden.

Binnen de beweging wordt gericht gewerkt aan initiële en permanente vorming. Uiteindelijk is er vanuit de opgedane ervaringen ook toegewerkt naar een directorium. Dat is nu bijna klaar. De officiële naam is geworden: “Dominicaanse Lekengemeenschap Nederland”.

Als kerndoelen zijn vastgesteld:



  • Leven vanuit het charisma van Dominicus;

  • Vorming;

  • Betrokken zijn op de wereld;

  • Nauwe verbondenheid met de broeders en de zusters.

Er is nu een veertigtal leden.

Jozef Essing vult aan dat de broeders besloten hebben toe te werken naar een met de bewe­ging gedeelde verantwoordelijkheid van zowel broeders, zusters als leken ten aanzien van het dominicaanse werk (de zending) in Nederland.

Op verzoek van Jos van Genugten vertelt Leny Beemer nog iets meer over de initiële vorming:

Aan aspirant-leden wordt gedurende één jaar een apart programma aangeboden, dat als volgt is samengesteld:



  • Er is een traject van voorbereiding en informatie, rustend op de pijlers van de Dominicaanse spiritualiteit.

  • Met nieuwe leden wordt verkend of deze beweging voor hen een geschikte weg is.

  • Naast de initiële vormingsbijeenkomsten participeert men aan een viertal grotere groepsbijeenkomsten.

  • Men woont andere bijeenkomsten bij die in het brede Dominicaanse verband worden opgezet.

Dominicanen, religieuzen en leken – mensen die zich gedragen weten door de bevrijdende God van de bijbelse geschriften en van Jezus van Nazareth. Vanuit eenzelfde spiritualiteit zetten zij zich in voor het heil van mensen. Zij hebben compassie met wie kwetsbaar zijn en zijn bereid zelf kwetsbaar te worden. Zij delen een kritische opstelling in de samen­le­ving en de kerken en zijn gericht op gesprek, redelijkheid en democratische omgangs­vor­men. Bij dit alles hebben zij een hartstocht om wat zij aan waarheid gevonden hebben, te delen met anderen.”



Na afloop daarvan kunnen aspiranten ver­zoeken om toelating tot het lidmaatschap. Nieuwe leden spreken in het openbaar hun engagement uit. Vanuit de zaal wordt de vraag gesteld waaruit dan daarna het engagement, de binding bestaat, die men aangaat. Formeel, zo wordt geantwoord, gaat het hier om een initiatiemoment op basis van de lekenregel. Maar dat is natuurlijk vooral een startpunt.

Tot slot wordt de vraag opgeworpen wat gemeenschap betekent bij vier of vijf bijeen­komsten in een jaar. Daarop wordt toegelicht dat er lokaal ook veel gebeurt en dat juist daar wat dit aspect betreft het zwaartepunt ligt. Bovendien is er een grote mate van verbondenheid en uitwisseling via moderne commu­nicatiemiddelen als e-mail en internet.


Geassocieerden van de Karmelorde (ocarm)

Ook de Karmelieten hebben geleidelijk een kring van leken om zich heen verzameld. Hierover wordt een en ander verteld door Marlène Falke en Sanny Bruijns ocarm.

Marlène Falke is geassocieerde van de eerste orde van de Karmel. Zij vertelt dat voor leken in wezen dezelfde spiritualiteit geldt als voor de religieuzen van de eerste en de tweede orde (de zusters). Zij ontmoette 15 jaar geleden haar echtgenoot. Beiden hadden zij de behoefte om het religieuze ook in hun dagelijks leven van werk en gezin gestalte te geven. De regel van de Karmel liet zich, doordat deze steeds weer vertrekt vanuit de eigen mogelijkheden, goed vertalen naar hun eigen tijd en plaats. Na verloop van tijd werd de communiteit van

Dordrecht hun ‘thuis’. Er volgde een weg van ingroei die een jaar of tien duurde. Vanuit de orde vonden zij een vormingsverantwoordelijke in pater Edgar, die steeds als uitgangspunt had: “Kind, je moet wel het pak aantrekken dat je past”. Soms lubbert het pak nog wel een beetje. Tegelijk beseffen we maar al te goed dat als we zouden willen leven als leden van de eerste orde, we ‘gemankeerde karmelietjes’ zouden worden.



Binnen de Karmel bestaan voor leken verschillende vormen en mogelijkheden:

– Een geassocieerd lid gaat een individueel “verbond” aan met de Karmelorde in Nederland, bezegeld door een professie op de Regel van de Karmel. De geassocieerde leden vormen samen een verband dat geregeld samenkomt.

– Karmelbeweging biedt een tweede mogelijkheid, dit onder motto levensweg als roeping. Het vormt een plat­form waar leken elkaar in de geest van de Karmel kunnen ontmoeten en inspireren, zoekend

naar eigentijdse wegen om het erfgoed van de Karmel te beleven te bewaren en door te geven in de wereld waarin zij leven.

Sinds een jaar of zes vormen de geasso­cieer­den samen een eigen geleding binnen de karmelgemeenschap. Een keer of zes per jaar is er contact met alle geasso­cieerden onder­ling. Momenteel zijn dat er zestien. Daarnaast zijn er algemene karmeldagen voor alle geledingen van de orde. Het contact met de communiteit van Dordrecht is voor hen persoonlijk het vaste referentiepunt.

Vanuit de zaal wordt de vraag gesteld hoe zij dan bijvoorbeeld omgaan met het gebed. Marlène Falke antwoordt dat zij geen mogelijkheid tot het bidden van de getijden hebben. Maar het is wel mogelijk je gebed te verweven in de dag. ‘Wij werken in de Haag­se Schilderswijk en wij leggen ons erop toe dit bijvoorbeeld te beleven in het breken en delen met de mensen daar, in het gastvrij zijn naar buiten toe.’

Belangrijk is in haar beleving ook de factor van de wederkerigheid: Wat hebben wij de Karmel te bieden?

Op de vraag of die associatie een groepsgebeuren is, luidt het antwoord ‘nee’. Het gaat om een individuele binding. Ook wordt gevraagd naar de tijdsinvestering. Deze is intens, namelijk ongeveer een dag per week. Maar: “Zo het gevoeglijk kan”, staat steeds in de regel, dus dat zal voor ieder weer anders liggen.


Communiteit Casella / Zusters Augustinessen van St. Monica

Vanuit de Utrechtse Casella-gemeenschap van de Augustinessen van St. Monica zijn Zuster Mona Versteeg en Lonneke Maria Dijkshoorn aanwezig. Zr. Mona Versteeg neemt als eerste het woord. Lonneke is haar huisgenoot in Utrecht. Zij zelf heeft er vanaf het begin voor gekozen met leken te werken. Jongeren sloten zich niet meer als zuster aan. Jonge zusters vroegen toen een kans om andere wegen te zoeken. Dit leidde tot het besluit een gemeen­schap van leken en religieuzen in het leven te roepen. Er is daartoe een groep ‘samenlopers’ opgericht. Deze bestond uit twee zusters plus leken en kreeg de naam Casella, een oude aanduiding voor een huisje langs de weg, bestemd voor pelgrims.

Leken en religieuzen leven samen, bidden samen en werken samen. Dat laatste met name in het kader van het congregatieproject ‘Meisjesstad’. Iedere donderdag is er een gezamenlijke ‘in huis dag’ met regelmatig onderling gesprek, bezinning en begelei­dingsgesprekken. Ieder is om beurten verantwoordelijk voor de viering. Momenteel zijn er drie leken en vier zusters. Maandelijks is er een vriendenkring-bijeenkomst. Daarnaast is er nu ook een klankbordgroep in het leven geroepen, waar wordt nagedacht over hoe nu verder te gaan.
Lonneke Maria Dijkshoorn vertelt vervolgens meer over haar eigen weg. Zij had een goede secretariële baan op een advocatenkantoor. Materieel had ze alles, maar ze ervoer inwendig een gemis, alsof ze niets bereikt had. Ze liep toevallig binnen in de Sint Nicolaaskerk en daar viel plotseling een bepaalde rust over haar. Ze voelde zich daar goed en bleef er even. Ze had zich in haar jeugd niet thuis gevoeld in de gereformeerde gemeente en had daarvan afstand genomen. Misschien ook wel van God… Van die gedachte schrok ze.

De twee werelden waar ik in leefde, het leven als overtuigd christen en het werken in het harde zakenleven, begon me steeds zwaarder te vallen. Ik moest, voor mezelf, een keuze maken. Het was duidelijk dat het geloof het zou winnen.” (...)

Na het eten werd mij een rondleiding gege­ven door het klooster en ‘meisjesstad’. Het maakte een enorme indruk op mij en het enige wat er door mijn hoofd ging, was: ‘Ik wil hier zijn. Hier is het, hier ligt de weg die ik moet bewandelen…’ Het idee liet me niet los…” (Lonneke Maria Dijkshoorn)


De dagen daarna kwam ze hier steeds vaker en dat ging steeds meer voor haar betekenen. Ze werd katholiek en bleef daar komen, zeker toen ze er mensen ontmoette met wie ze bevriend raakte. Dit alles leidde ertoe dat er een steeds grotere kloof ontstond tussen deze nieuwe wereld van leven als overtuigd christen en de alledaagse harde zakenwereld. Vanwege die worsteling werd zij door pater Kanters osb in contact gebracht met de Commissie Samen, die voor jongeren bemiddelt bij uitzending naar projecten met straatkinderen in het buitenland.3 Werkervaring zou ze opdoen via het project Meisjesstad van de Zusters Augustinessen van St. Monica. Daar voelde ze zich meteen zozeer op haar plek dat ze gebleven is. Ze zegde haar baan op en is blij dat ze altijd naar die stem in haar geluisterd heeft.4
Geassocieerden bij de Broeders van Maastricht
Ook de Broeders van Maastricht kennen al langere tijd vormen van leken-betrokkenheid. Broeder Frans Wils fic en Bep van Eijden (geassocieerde) doen hierover het een en ander uit de doeken. Frans Wils legt uit dat het kapittel in 1988 officieel de mogelijkheid tot associatie geopend heeft. In 1990 kwam de eerste die zich langs die weg verbond, nu zijn het er vijf. Nadrukkelijk stelt hij dat dit iets is van ‘over en weer’: broeders en geassocieerden ervaren het als een wederzijdse verrijking.

Bep van Eijden vertelt vervolgens hoe zij hierin een persoonlijke weg gegaan is. Al sinds haar kinderjaren had zij ervaringen met de broeders van Maastricht. Later groeiden haar contacten via vrijwilligerswerk en een meditatiegroep. Ze had behoefte aan verdieping. Eind jaren tachtig kwam er de mogelijkheid van associatie. Ze is gaandeweg steeds meer samen gaan doen. Binnen dit kader vond ze mogelijkheden voor stilte, meditatie en verdieping.

Frans Wils vult aan dat met steun van leken in Den Haag daar het Klooster Westeinde open is gehouden en dat daar nu een doorstart is gemaakt. Op de aanstaande Open Klooster Dag is het publiek daar van harte welkom. Het is een van de weinige kloosters die er nog is in Den Haag en ook het enige dat daar dan zijn deuren geopend heeft.

Broeder- en zusterschap krijgt allereerst vorm in onderlinge omgangsvormen en in het leggen van relaties met elkaar. We proberen samen eenzelfde doel na te streven in ons samenleven en in ons apostolaat.”

We doen dit niet op eigen initiatief of op basis van eigen inzicht en kracht. We zetten ons in voor broederschap omdat we er door God op worden aangesproken en de genade ontvangen om er ons leven lang aan te werken.”


Jos van Genugten vraagt waarom de groei van het aantal geassocieerde leden zo lang­zaam gaat. Bep van Eijden antwoordt dat deze vorm van verbondenheid voor de meeste betrok­kenen groeit vanuit vriend­schap met broeders en dat de meeste gemeenschappen nogal gesloten zijn. Er zijn wel ook veel andere betrokkenen die bijvoorbeeld meedoen met meditaties maar die zich niet door associatie gebonden hebben aan de regel. Frans Wils merkt tot slot op dat er ook heel praktisch zorg en dienst geboden wordt.
De Chevalier-Verbonden

Als volgende presenteert zich een beweging die zich Chevalier-Verbonden noemt. Ze is ontstaan rond de Dochters van O.L. Vrouw van het H. Hart en de mannelijke tak van dezelfde familie, de paters MSC. Namens hen zijn vandaag zuster Guiseppe Peeters en Mimi van Poppel (geassocieerde) aanwezig.



“Heb jij dat nou ook …?

Wij zijn mannen en vrouwen, die hart hebben

voor de wereld waarin we leven

Wij hopen en vermoeden dat ons leven zijn

oorsprong vindt in God, die liefde is en in

barmhartigheid geen mens laat vallen.

Wij willen leven en werken naar het voorbeeld van Jezus.

Zijn manier van leven laat zien dat God geen

verre God is, maar met mensen meeleeft.

Wij doen dit niet alleen, maar samen, in een

kring van mensen: Chevalier-kring.”


Zr. Guiseppe vertelt allereerst iets over de spiritualiteit van de stichter en over beide congrega­ties. Jules Chevalier5 was vooral betrokken op de armen; hij zette zich er daarbij voor in God / Jezus Christus laten zien als iemand die het hart van mensen raakt. In Nederland ontstonden de laatste jaren rond plaatsen waar zusters en /of paters actief zijn, enkele zogenaamde chevalier-kringen.

Mimi van Poppel, geassocieerde, neemt de fakkel over en vertelt hier meer over. Zij werkt sinds 1988 als vrijwilliger in een parochie in Tilburg, die geleid wordt door een MSC-pater. Hun aandacht en manier van ‘er zijn’ voor mensen in achterstands­wijken, boeide haar. Het was een droom van Chevalier dat ook leken daaraan zouden participeren. In 1999 is men met zo’n kring rond MSC gestart. Het was een tastende start, maar nu is er een hecht verband. Men houdt zich bezig met gebed en vorming, met vluchtelingenopvang, ouderenbezoek, klussen voor ouderen, en er is een huiskamerproject voor ex-psychiatrische patiënten. Er zijn intussen vier van deze Chevalierkringen: twee in Tilburg, een in Sittard en een in Arnhem. Hierbij zijn in totaal 21 mensen betrokken. Een aantal heeft zich nadrukkelijk verbonden.

Er worden internationaal bijeenkomsten georganiseerd door een Stuurgroep die bestaat uit afgevaardigden van de leden van verschillende landen. Mimi van Poppel is lid van die Stuurgroep. Op de laatstgehouden algemene kapittels van de congregaties MSC en FDNSC is besloten dat de geassocieerden kunnen rekenen op ondersteuning in hun groei naar zelfstandigheid.

Deze verbondenheid betekent voor hen in de eerste plaats groei in een hartelijke onderlinge familiegeest. Dat gaat dieper dan gewone vriendschap. Soms ervaart zij dit ook echt als een Goddelijke ontmoeting. De Chevalierkringen willen zich als beweging ook graag promoten, met name ook onder jongeren, want de huidige leeftijden liggen tussen de 40 en 70 jaar. Ze willen individueel en als groepering niet te zeer gebonden zijn aan regels. Iedere groep werkt anders. Toch voelen ze zich verbonden. Ze willen zich openstellen voor de spiritualiteit van het H. Hart, ruimte maken voor gebed en zeker ook voor activiteiten.


OSB-Oblaten Willibrordusabdij

Pater G. Helwig en Dhr J. Pieters (oblaat) schetsen vervolgens hoe Oblaten participeren aan het leven in en rond de Willibrordusabdij in Doetinchem.6 Allereerst vertelt pater Helwig dat de orde al sinds jaar en dag dit instituut van ‘Oblaten’ kent. Het zijn meestal individuen die voor hun geestelijk leven steun zoeken bij een abdij. Bijvoorbeeld in het – op hun eigen manier – leven vanuit de regel van Benedictus, waarin evangeliebeleving centraal staat. Wil Derkse (zelf ook Oblaat van de Willibrordusabdij) heeft hier het boek ‘Een levensregel voor beginners’ over geschreven.7 Op dit moment gaat het in totaal om een groep van 50 oblaten. Er wordt jaarlijks een oblatendag gehouden. Men probeert ook oblaten-weekends te organi­se­ren. Verder zijn er weinig regelmatig terugkerende speciale activiteiten. Het accent ligt op de persoonlijk weg die de oblaten gaan. Binnen die groep van 50 probeert momenteel een kleine groep van acht mensen een intensievere vorm van verbondenheid gestalte te geven. Van deze acht zitten er vijf nog in hun vormings­periode. De heer Pieters is een van deze acht.



Onze oblaten beloven het leven van Christus na te volgen met de Regel van


Benedictus als richtsnoer. Ze zijn veel meer dan "vriend(inn)en van het klooster".
Monniken en oblaten delen hetzelfde doel: ze zoeken God.
De term 'oblaat' is afgeleid van het latijnse 'oblatus', wat 'de aangebodene' betekent.
De kern van de oblatuur is dat je jezelf aan God aanbiedt in verbondenheid met een
bepaald klooster.”

De heer Pieters krijgt daarna het woord en vertelt hoe hij persoonlijk geraakt is door het Benedictijnse leven. Het is voor hem geen keurslijf maar een bevrijding. Sinds kort is er met het oog op het onderlinge verband een beweging in het leven geroe­pen waarin deze acht leken zich samen verder verdiepen in de regel en in hun weg. Kern is vooral: luisteren, zo intens dat je een en al oor wordt. En dan vooral ook tot doen komen. Bij deze beweging zijn zowel mannen als vrouwen aangesloten, in leeftijd variërend van 25 tot 83 jaar.

Vanuit de zaal wordt de meer formele vraag gesteld wanneer je je oblaat mag noemen. Dit wordt toegelicht: eerst is er een kennis­makingsperiode, daarna mag je meelopen en vindt er verdieping plaats, dan volgt een vormingprogramma dat uiteindelijk wordt afgerond met een professie.


Geassocieerden rond de fraters en paters Maristen

Maria leefde vanuit een grondhouding die in de woorden van haar Magnificat goed te horen is. Daar spreekt ze over haar ervaring door God gezien te zijn en wat dat voor haar betekent. Het blijkt bepalend voor de houding die zij aanneemt naar andere mensen toe. Een houding van "er zijn" voor anderen, juist op die momenten in het leven van mensen als dat leven kwetsbaar blijkt te zijn. Bij het bro­ze begin van het leven, maar ook als dat le­ven pijn doet, of als mensen sterven. "Er zijn" door om te zien naar, respect te hebben voor en aandachtig aanwezig te zijn bij men­sen in hun leven van alledag. In deze geest willen wij er als Maristen voor kiezen om zoals ook onze stichters deden, mensen te helpen gevoelig te worden voor de sporen van God die in ieders leven te ontdekken zijn, deze te leren zien en ze een naam te geven.” 



Marion Korenromp laat de aanwezigen delen in haar ervaringen hiermee. Zij is verbonden met de fraters en paters Maristen. Sinds 1993 was ze lid van een zogenaamde Maristengroep, die in 2002 is opgeheven.8 Op school zat ze bij de Maristen in een liturgiegroep. Zij trof daar een groep jongeren die hun leven op een open manier deelde en elke zaterdag­avond een viering hield. Studerend in Nijmegen is er bij de fraters op de Wester­helling een groep in het leven geroepen die zich verder wilde verdiepen. Zij zijn toen met 4 leden en pater Fons de Block een weg gegaan. Langzaam groeide de behoefte zich officiëler te binden. Dit hebben ze op schrift gesteld en deze verbon­denheid werd officieel bevestigd in 1993.

Kernpunten waren voor hen verdieping en vorming, verbondenheid en iets van een zendings­bewustzijn. Ze gingen participeren aan overleg, ontvingen het blad ‘de Schakel’ en deden mee aan (inter-)congregationele activiteiten. Ze bleven intussen een groep in en om Nijmegen. Er was veel discussie over of het mogelijk c.q. wenselijk is om vorming te bieden. Een groot punt was steeds ook het zendingsaspect. Kun je dat waarmaken? In 1996 is bepaald dat een toeleidingstraject nodig is en dat er meer groepen moesten komen.

De groep is geleidelijk gegroeid tot 13 mensen die ‘iets’ hebben uitgesproken, plus enkele anderen die dat niet deden. Maar steeds meer leden van de groep verhuisden, bijvoorbeeld na het afronden van hun studie, naar elders en daardoor werd het ook steeds moeilijker met regelmaat bijeenkomsten te houden. De geografische spreiding werd aanleiding voor een diepgaande discussie over de aard van de groep. Het bleek eigenlijk niet gelukt te zijn om van een vriendengroep van studenten uit te groeien tot een open groep. Daarbij gingen ook allerlei verschillen van inzicht meer en meer een rol spelen, zoals: de spanning tussen theo­logen en niet-theologen, de relatie met twéé congregaties (fraters en paters) met ieder hun eigen geschiedenis, het gebrek aan structuur en leiding/begeleiding, en dergelijke. Tijdens de gezamenlijke retraite van leken met fraters en paters in 2002 werd daarom besloten de “Maristen­groep” in deze vorm op te heffen.

Stoppen als groep betekende daarbij echter niet het einde van verbondenheid met de grotere Maristengemeenschap. Terwijl opnieuw wordt nagedacht over een structuur van participatie, blijven leken, fraters en paters regelmatig bij elkaar komen voor momenten van bezinning en ontmoeting.


Na deze acht presentaties kondigt Jos van Genugten aan dat het tijd is voor een middagpauze. De aanwezigen laten duidelijk blijken onder de indruk te zijn van deze verhalen. Die laten overigens ook veel verschillen zien.

Lunchpauze
Middagbijeenkomst
Na de middagpauze wordt eerst nog tijd ingeruimd voor twee laatste presentaties.
Participanten van de Abdij van Berne

Gabriel Exel en Lenie Brakke vertegenwoordigen deze kring rond de Norbertijner gemeen­schap van Heeswijk. Zij zijn sinds 11 jaar participanten, samen met 13 anderen. Dat houdt in dat zij elk op hun eigen manier delen in vreugde en verdriet, gebed, werken en leven. Het is een gemengde groep wat betreft mannen en vrouwen, leeftijd, levenstaat en ook qua religie. Werkzaamheden in de abdij horen erbij. Velen van hen zijn betrokken via het Abdijhuis. Om dit te structureren heeft de abdij een participatiestatuut opgesteld. Na verloop van tijd is er vanwege de grote belangstelling een numerus clausus van 15 ingesteld.



De gemeenschap van de Abdij van Berne streeft ernaar als broeders samen te leven, samen te vieren en de kerkgemeenschap en


de samenleving te dienen zodat waar mogelijk gemeenschap gesticht wordt.


Daaraan wil ik deelnemen in de vorm die past bij de gemeenschap en de groep participanten: gedeeltelijk het leven van de abdijgemeenschap delen, samen met haar vieren en deelnemen aan de activiteiten die de gemeenschap van de Abdij verricht, onderneemt of bevordert. Ik wil dit ook doen in de groep participanten en in de eigen
kring waarin ik leef.”


Er is een voortraject: een periode van twee jaar participanten-noviciaat, begeleid door paters, waarin vorming en persoonlijk gesprek belangrijke elementen zijn. Daarna kan het partici­pant­schap officieel bevestigd worden. Voor hen gebeurde dit in 1994 voor de duur van twee jaar; in 1996 voor vast.

Er is een licht verloop doordat mensen soms intreden als gemeenschapslid, door over­lij­den en éénmaal ook door de keuze van een andere spirituele weg. Voor de communiteit was het – behalve een verrijking – soms ook best een belasting, vooral als ze er op de bezinningsdagen allemaal waren. Maar men wende aan elkaar. Ook de deelname aan activiteiten groeide. Soms waren er ook spanningen, vooral bij/door communicatie­problemen. De beweging groeit nog qua intensiteit.

Op een vraag uit de zaal wordt toegelicht dat Priorij de Essenburg een andere vorm heeft. Daar kent men een vriendenkring met elke woensdag een participatiedag.

Ook wordt gevraagd of er onderling eenheid is. Het antwoord daarop luidt dat ieder nogal bezig is met zijn eigen project en ook zijn eigen mogelijkheden heeft. Dat bemoeilijkt de beleving van eenheid daarin.


Geassocieerden bij de Dominicanessen van de H. Familie
Voor deze groepering zijn zuster Angèle Schamp en Irene Haalboom (geassocieerde) aanwezig. Het bezig zijn hiermee dateert voor deze congregatie sinds 1988. Officieel werd de mogelijkheid tot lekenparticipatie door het kapittel in 1990 geopend, met als beperking dat dit geldt ‘voor gedoopte vrouwen’. Inmiddels zijn er twee geassocieerden; een derde is aspirant.

Irene Haalboom vertelt dat zij de Dominicanessen tegenkwam in de vrouw en geloof-beweging. Zij raakte steeds meer betrokken bij de zusters en is uiteindelijk in de groep gaan wonen. Zij is officieel ‘geassocieerd’. De vorming ging stap voor stap. Zij is zes huizen langs geweest voor het leggen van contact met de zusters. Zes fundamentele uitgangspunten werden daarbij keer op keer besproken. In 2000 heeft zij voor 5 jaar officieel een bin­dingsformule uitgesproken. “Over een tijd is er dus weer een feestje”.



“Associatie als vorm van verbondenheid is een verrijking niet alleen voor de kandidaat, maar ook voor zusters van de congregatie.


Zij biedt de zusters de kans haar leven te delen met mensen die met ons als ‘partners
in de zending’ op weg willen gaan.

Het is God zelf die ook in deze tijd mensen uitnodigt om op eigentijdse wijze het ver-


haal van God met de mensen
door te laten gaan. We hopen met deze nieuwe vorm van verbondenheid een antwoord te geven op deze uitnodiging.” 

Zuster Angèle Schamp vertelt dat de congre­gatie twee vormen van verbondenheid kent: door professie en door associatie. De werk­groep associatie is verantwoordelijk voor de vorming van kandidaten. Na een tijd van eerste kennismaking komt er een vormings­jaar rond de zes eerste uitgangs­punten van de constituties van de congregatie. Telkens staat één uitgangspunt centraal op een bijeenkomst. Zo zijn er zes bijeenkomsten op zes verschillende plaatsen met telkens andere zusters. We noemen dit de Stap-voor-stap bijeenkomsten. De binding wordt tijdens een viering uitgesproken en een schriftelijke overeenkomst wordt ondertekend door de geassocieerde en door het bestuur.

Twee jongere geassocieerden van half 30 hebben na enkele jaren afgehaakt. Zij woonden op te grote afstand van de congregatie, waardoor het niet mogelijk was voldoende contact te onderhouden.

De vraag vanuit het publiek naar ‘Wat doe je’, wordt beantwoord met : vooral ‘er zijn’.

Tot slot komt nog even de verhouding tot de Dominicaanse Lekengemeenschap ter sprake. Associatie met de Dominicanessen hoeft daar niet mee samen te gaan of samen te vallen, maar het kan wel. Associatie is een specifieke binding met deze congregatie. Het is als het ware een thuisplek.



.3Een poging tot begripsverheldering: eerste inventarisatie van de inbreng van deze presentaties

In een open dialoog met de zaal wordt onder leiding van Jos van Genugten allereerst geïnventariseerd wat opvalt in het gehoorde. Wat zijn de verschillen en overeenkomsten? Waar zou verder op ingegaan moeten worden, nu of in de toekomst? Daarbij wordt door de deelnemers het volgende genoemd:




  • De benamingen verschillen sterk: er is bijvoorbeeld sprake van participanten, geassocieerden, (vrienden)kringen, oblaten, beweging en gemeenschap.

  • Als uitgangs- en / of startpunten voor het verlangen naar aansluiting wordt gewezen op:

  • vriendschap;

  • steun zoeken door bepaalde individuen;

  • de regel als persoonlijke richtlijn nemen;

  • Jezus laten zien als God met hart voor de mensen;

  • leven in een balans van actie en contemplatie;

  • concrete betrokkenheid bij bijvoorbeeld een Abdij;

  • behoefte aan spiritualiteit.

  • soms ligt de nadruk op de eigen persoonlijke weg, het eigen intitiatief;

  • anderen kennen weer een sterk(er) gestructureerd model, soms zelfs in de vorm van een (soort) noviciaat;

  • een opvallend gegeven is verder dat een aantal groeperingen zo zelfstandig mogelijk opereert, terwijl andere sterk aanleunen tegen de religieuze instituten waarop men betrokken is.

  • Toeleiding, vorming en begeleiding vormen een vast element. Vaak is er een omlijnd ingroeitraject.

  • Bij diverse presentaties werd een bepaald zendingsbesef vermeld, bijvoorbeeld:

  • Afrika (Missionaire Beweging van Afrika);

  • ondersteuning van de Abdij (Heeswijk);

  • Werkzaamheden binnen het congregatieproject Meisjesstad.

  • Een belangrijke vraag is ook wat in dit verband de strekking is van het gemeenschaps­aspect.

  • Vaak is internationaliteit een fundamenteel gegeven.

  • De mate / intensiteit van de bindingen verschilt sterk.

  • Een aantal religieuze instituten kent meerdere modellen van binding. Men kan daardoor op verschillende behoeften of mogelijkheden inspelen.

  • Een boeiend element is in dit verband het omgaan met eventuele kinderen, de plaats van het gezin. Dat kan zowel soepel verlopen als spanningsbogen opleveren.

  • Meerdere vormen van het uitspreken van een binding zijn beschreven. Vaak is er sprake van een ritueel en heeft dit plaats in een speciale viering.

  • Onze aandacht moet ook nadrukkelijk uitgaan naar mogelijke valkuilen. Waar moet je op letten?

  • Verbondenen hebben rechten en plichten. Hoe bepaal je die en hoe bewaak je het evenwicht daartussen.

.4Gesprek in kleine groepen

Voor dit onderdeel worden de aanwezigen niet verspreid over meerdere ruimtes. De zaal wordt gebruikt en ieder schaart zich met andere aanwezigen rond de tafel waar hij of zij het dichtst bij zit. Met de noties uit de vorige paragraaf, de presentaties en eigen ervaringen in het achterhoofd wordt per tafelgroepje een keuze gemaakt om enkele punten uitgebreider te bespreken. (In dit verslag vindt u daarvan bij punt 5 alleen de plenaire terugkoppeling terug.)



.5Wat hebben we hiervan opgestoken? Wat was nieuw?

Jos van Genugten nodigt de aanwezigen uit om een vertegenwoordiger per ‘tafelgroep’ de vraag te laten beantwoorden: “Wat hebben we hiervan opgestoken? Wat was nieuw?”

Dit is in kort bestek wat er aan reacties kwam (gelijkluidende geluiden zijn maar één keer opgenomen):


  • Allereerst wijst een van de vertegenwoordigers erop dat een van de valkuilen is dat we allemaal zo graag willen bewaren en vasthouden wat er is en dan ook nog eens zoals het is. Iets nieuws vraagt echter ook de moed om het oude los te laten.

  • Ten aanzien van de eerder vermelde uitgangspunten wordt er nadrukkelijk op gewezen dat we niet moeten schromen om ook ‘Roeping’ als elementaire factor te noemen.

  • Afhankelijkheid van een gemeenschap met tanende vitaliteit moet voorkomen worden. Onafhankelijkheid van groepen en bewegingen van betrokken leken moet in dat licht gestimuleerd worden.

  • Hoe zorg je voor een goede financiële regeling die de verhoudingen zuiver houdt?

  • De relatie tussen de soort van verbintenis en de daarbij horende rechten en plichten moet goed omschreven worden.

  • Hoe ga je om met het voortbestaan van een beweging wanneer de oude kern, het oorspronkelijke religieus instituut, sterft.

  • We zien ook netwerken van bewegingen ontstaan. Men begint elkaar te vinden.

  • Je eigen aard en grondhouding bepaalt mede waar je je bij aansluit. Dat vraagt ook respect voor de diversiteit die ontstaat.

  • Soms gaan zaken niet vanzelf. Dan zul je ook openingen, ingangen moeten creëren.

  • Laat de commissie Roepen alle bindingsformules eens opvragen (en bestuderen).

  • Ook de statuten zouden bij elkaar gelegd moeten worden.

  • Delian de Brouwer laat weten dat zij heeft al een grote verzameling heeft aangelegd, van een 80-tal religieuze instituten.

  • Als horen tot een gemeenschap essentieel is, hoe moet dat dan bij geassocieerden?

  • Is er niet ook een trekker nodig, zowel in het religieus instituut als onder de leken? Iemand die er energie en tijd in kan steken?

  • De zending die een groep heeft is belangrijk en is verbonden met de aard van een gemeenschap. Die moet je niet uniform maken.

  • We moeten ook verder kijken en zoeken naar de onderliggende vragen? Hoe spreken we bijvoorbeeld de latente religieuze vragen bij jongeren aan?

  • We hebben binnen ons groepje onszelf vragen gesteld rond het thema werving. Belangrijk is daarbij vooral wat je te bieden hebt, wat je werkelijk bent. Bezin je daarop maar besef dat de betekenis die je voor anderen hebt kan afwijken van hoe je over jezelf denkt.

  • Als laatste benadrukt een van de aanwezigen: ‘Laten we ons bescheiden opstellen.’


.6Suggesties voor de toekomst

De Commissie Roepen zal de boven vermelde punten meenemen in haar verdere werk rond dit platform, maar nodigt aan het slot van deze dag de deelnemers uit speciale wensen naar voren te brengen. Wat verdient misschien op kortere termijn bijzondere aandacht? Zijn er prioriteiten? Dit leidt tot de volgende oogst:




  • Besteed eens aandacht aan vormen van tijdelijke binding. Die staan momenteel bijzonder in de belangstelling.

  • Het begin van religieus leven ligt bij de roeping. Wat kunnen de religieuzen doen om de in hun omgeving aanwezige zoekers te helpen hun weg te vinden?

  • Door anderen wordt hierop gereageerd: dan moeten we goed beseffen wat we daaronder verstaan. Het gaat dan bijvoorbeeld ook om zoiets vaags als het ‘iets’ willen / moeten doen.

  • Oriëntatie op internationale lekenbewegingen. zou een zinvolle ingang kunnen zijn.

  • De identiteit en het imago van de zorg is slecht; niet die van de zorgers. Daar kunnen we van leren: welk imago er leeft bepaalt mede of mensen zich binden.

  • Een van de aanwezigen suggereert om niet als een automatisme met deze bijeenkomsten door te gaan en het risico te lopen in cirkels terecht komen. Peter Damen reageert dat de commissie steeds eerst goed zal inventariseren wat er leeft. Aan de hand daarvan zal ze bepalen hoe deze bijeenkomsten verder gaan. We moeten inderdaad goed in de gaten houden wat u gepresen­teerd wil zien.

.7Afsluiting

Aan het slot van deze dag volgen nog enkele mededelingen.



  • De secretaris verwijst naar de manifestatie Katholiek met Hart en Ziel op7 juni. Alle besturen, bewegingen en organisaties in en rond religieus nederland, worden uitgenodigd zich daar te presenteren op een informatiemarkt.

  • Peter Damen schetst vervolgens de plannen voor 22 april aanstaande. Dan organiseert de commissie een tussentijdse werkbijeenkomst met jonge religieuzen.

  • De volgende platformbijeenkomst zal gehouden worden op woensdag 24 september 2003. Thema zal dan zijn andere manieren van erfgoedoverdracht.

  • Jos van Genugten verwijst naar het boek van Leo Fijen met interviews van 12 abten.


Peter Damen dankt Jos van Gnugten voor de prettige en bekwame manier waarop hij deze dag geleid heeft.
De bijeenkomst wordt vervolgens afgesloten met een kort liturgisch moment.


Secretariaat Commissie Roepen

September 2003



Pierre Humblet





1 Jos van Genugten is theoloog. Hij is medewerker van het Abdijhuis in Heeswijk en van het Diocesaan Pastoraal Centrum van het bisdom Breda.

2 Pierre Humblet, Tot Roepen Geroepen, Konferentie Nederlandse Religieuzen, Den Bosch 2001.

3 Meer informatie: http://samen.donbosco.nl/html/main.html.

4 Meer informatie: http://www.zustersaugustinessen.nl/.

5 Jules Chevalier (1824-1907), stichter van de Congregatie van de Missionarissen van het Heilig Hart (MSC) en – samen met Marie-Louise Hartzer – de Congregatie van de Dochters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart (FDNSC).

6 Meer informatie: http://www.willibrords-abbey.nl/oblaten.html.

7 Wil Derkse, Een levensregel voor beginners: Benedictijnse spiritualiteit voor het dagelijkse leven, Lannoo, Tielt 2000.

8 Meer informatie op de website: http://www.maristen.nl/maristgr/index.html.






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina