Zondag 40dagentijd, Augustinuskerk (Lc 9, 28b-36)



Dovnload 7.43 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte7.43 Kb.
21 februari 2016, 2e zondag 40dagentijd, Augustinuskerk (Lc 9, 28b-36)
Veel gedeelten uit het evangelie hebben vanouds een titel meegekregen waaronder ze bij ons bekend zijn geworden. Zo heet de evangelie-pericoop van vandaag: Jesus’ verheerlijking op de berg Tabor. Het gebeuren op de Tabor, dierbare broeder en zusters, werd eeuwenlang beschouwd als een stukje hemel op aarde. Sommige Vlaamse kloosters uit de 17e eeuw dragen de naam Tabor, en op het Groot Begijnhof in Leuven staat een begijnenhuisje dat ‘Op den berg Tabor’ heet. De berg Tabor roept een idylle op, een knus hoekje, ver van de boze wereld. Daar kun je ongestoord in Jesus’ gezelschap toeven, genietend van zijn heerlijkheid. Zo althans heeft de naam Tabor in vrome kringen ooit een zekere populariteit gekend. Maar wanneer je het evangelie van zojuist nog een keer overleest, dan blijft er van die idylle niet veel over.

Jesus gaat de berg op om te bidden. Goed, tot zover is het nog te volgen! Maar zijn gebed is geen intiem onderonsje tussen Vader en Zoon. Hij neemt drie apostelen mee, dezelfde die Hem later zullen vergezellen naar de Hof van Olijven. Ook nu hoopt Hij op hun mentale ondersteuning. Dat valt echter tegen. Tijdens Jesus’ gebed zien ze nog net dat zijn gelaat begint te schitteren, of ze vallen al in een diepe slaap. Wanneer ze weer wakker worden, zonder de Heer dus enige vorm van steun te hebben geboden, laten ze zien dat de hele situatie hen ontglipt. Petrus plaatst een totaal verkeerde opmerking: Laten wij drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes, en een voor Elia. Maar hij wist niet wat hij zei. Blijkbaar sliep hij nog een beetje.

Overigens, wij kunnen dat verlangen van Petrus wel begrijpen. Wie wil er nu niet in de buurt blijven als jouw favoriet wint; wanneer je held wordt gehuldigd? De leerlingen hadden graag gewild dat er aan de huldiging geen eind kwam. Zij hoopten dat het altijd zo zou blijven. Achteraf blijkt dat heerlijke moment slechts een moment-opname, een voorproefje van de voltooiing van het grote werk dat nog moet beginnen; een voorproefje ter bemoediging van de zware opdracht die Jesus in Jerusalem gaat vervullen.

Jesus was immers niet zomaar, voor de aardigheid, de berg op gegaan. Hij had het bidden hard nodig. Hij bidt om bemoediging. Niet, omdat Hij verschrikkelijk tegen zijn taak op zag. Maar omdat … we kennen het allemaal wel, het is zo menselijk: als je voor een grote opdracht staat, dan snak je ernaar dat je door iemand bevestigd wordt. Iemand die zegt: Je kunt het. Het is geen kleinigheid, maar je komt er wel. Heb maar vertrouwen! Al biddend spreekt Jesus met zijn hemelse Vader, en al biddend overweegt Hij de woorden van Mozes en de profeten. Eeuwenlang spreken die van een redder die door God wordt gezonden; en dat God ons niet in de steek zal laten.

Jesus bidt dus met de woorden van Mozes en de profeten, woorden uit de Heilige Schrift. Hij verlangt ernaar dat de Schrift, dat Mozes en Elia, dat wet en profeten, Hem nog één keer duidelijk Gods bedoeling laten zien. En dan komt vanuit den hoge als pure genade die vurig afgebeden bevestiging (bij Lucas hier voor de tweede keer): Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem. Een bemoediging, niet alleen bestemd voor Jesus zelf, maar ook voor zijn leerlingen. In het woord uit de wolk wordt Jesus’ positie duidelijk voor Hemzelf, en horen bovendien de leerlingen wat ze van Hem mogen verwachten. Hij zal hen niet in de steek laten. Als ze maar luisteren naar het woord van de Uitverkorene: het woord dat Hij hun toespreekt en zelf zal volbrengen.

Er is dus heel wat gebeurd, daar boven op de berg. Maar merkwaardig genoeg zwijgen de leerlingen erover. Ze weten er althans niets over te zeggen. Staan ze verstomd, begrijpen ze het niet? Ze zwegen erover en verhaalden aan niemand iets van wat zij gezien hadden. Het is alsof de slaap opnieuw toeslaat. Het wondere gebeuren op de berg brengt hen nog niet tot een krachtig bewustzijn, maak hen nog niet mondig. Dat moet nog komen. Het moet allemaal nog bezinken en een plaats krijgen.



Gaat het zo óók niet in ons geloof? Ons is veel verteld, en misschien hebben we daardoor al een vermoeden hoe zinvol geloven kan zijn. Maar weet je dan ook meteen heel duidelijk hoe je dient te handelen wanneer er echt iets aan de hand is? Op die momenten van ons leven, waarop we werden overvallen door droefheid, teleurstelling, of radeloosheid …, hebben we toen niet het gevoel gehad dat God ons in de steek liet, in plaats van het gevoel dat Hij ons bemoedigend toesprak, dat Hij ons bevestigde? Net als de leerlingen zijn we toen in diep zwijgen de berg afgedaald. Als mens heb je immers tijd nodig om je geloof te laten groeien; tijd om de indringende gebeurtenissen in je leven een plaats te kunnen geven.

Ondanks alles, bleven de leerlingen Jesus volgen in zijn tocht naar Jerusalem. Maar in dezelfde week van de hoogste verwachtingen, nadat Hij daar werd ingehaald als een koning, raakten ze ten diepste teleurgesteld door zijn terechtstelling en dood. Maar ook dan zal Jesus’ Geest hen niet verlaten. Samen met Hem zullen ze ook zelf weer opstaan. En dan durven ze wél te spreken. Want op dat moment begrijpen ze er iets van: van dat leven van Jesus, dat hun nooit meer ontnomen zal worden. Ze worden gesterkt in hun geloof dat open bloeit. Ze trekken de wereld in, en zijn niet meer tot zwijgen te brengen. Amen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina