Zondag dhjaar, Catharinakathedraal (Joh 6,1-15)



Dovnload 7.82 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte7.82 Kb.
26 juli 2015, 17e zondag dhjaar, Catharinakathedraal (Joh 6,1-15)
Dierbare broeders en zusters, twee van de drie lezingen van deze zondag spreken over gerstebroden. En die lezingen hebben nog meer gemeenschappelijk. In het evangelie zegt Andreas tegen Jesus: Er is hier een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, maar wat betekent dat voor vijfduizend man? Die vraag werd, min of meer woordelijk, geanticipeerd door de dienaar van Elisa. Hij vraagt zich af: Hoe kan ik nu twintig gerstebroden voorzetten aan honderd man? Maar dan krijgt hij van de profeet de opdracht: Geef het brood aan de mensen te eten, want zo spreekt de Heer: Zij zullen eten, en overhouden. Die profetie komt in het evangelie tot vervulling, zelfs in overvloed. Want het evangelie doet er nog een schepje bovenop. Zo hoort het ook. In het evangelie gaan de mensen zitten, en eten ze tot ze verzadigd zijn. En dan, op het eind, blijven er nog twaalf manden met brokken over.

Het is duidelijk dat Jesus de grote profeet Elisa in wonderdadigheid evenaart, zo niet overtreft. We zien dat vaak gebeuren in de Heilige Schrift: in zijn overvloed van gaven overtreft God zichzelf voortdurend. Iedere keer opnieuw redt Hij mensen uit hun benauwenis; geeft Hij hoop aan vrouwen die kinderloos zijn; geneest Hij zieken die ongeneeslijk zijn; bevrijdt Hij gevangen die muurvast zitten. De bevrijding van Godswege gaat zelfs tot en met de dood, want Jesus wekt doden weer tot leven.

Deze verhalen willen de hoorder niet alleen tot dankbaarheid bewegen; natuurlijk willen ze dat op de eerste plaats, want door dankbaarheid gaan je ogen nog wijder open, en zie je de dingen, die eerder voor jou verborgen bleven, veel duidelijker. Maar de verhalen willen ons bovendien ergens naar toe brengen. Ze willen de mens doen opstaan, wanneer hij ontmoedigd is en in wanhoop bij de pakken neer dreigt te gaan zitten. Ieder verhaal van de Heilige Schrift is eigenlijk een verrijzenisverhaal; het maakt telkens toespelingen op de Verrijzenis, zodat de Heilige Schrift één groot Paasverhaal blijkt te zijn.
Nu terug naar het wonder. Sint Augustinus noemt ook de groeikracht van de áárde een wonder, en het is zelfs een groter wonder, zegt hij, dan wat Jesus die ene keer heeft gedaan. Want gebeurt het niet ieder jaar dat die minieme graankorreltjes een hele berg tarwe opleveren? Maar omdat het een jaarlijks terugkerend gebeuren is, staan we er niet bij stil. Ja, we gaan er vaak achteloos aan voorbij.

Jesus, zegt Augustinus, heeft die wonderen natuurlijk niet alleen gedaan om zijn omgeving versteld te doen staan. Jesus is geen goochelaar die kunstjes vertoont. De Heer heeft met zijn wonderen iets bijzonders voor. Jesus, het Woord van God, wil, evenals de Schrift dat wil, ons ergens naar toe brengen. Hij wil ons duidelijk maken dat het Góds weldaad is, wanneer we dagelijks het brood ontvangen; ook al hebben we er zelf hard voor gewerkt. Want waar blijf je, als je er hard voor werkt en geld genoeg hebt, maar het brood nergens te koop is? Er leven in de wereld trouwens genoeg mensen die er wel hard voor werken, maar toch nauwelijks te eten hebben.

Behalve dus dat Jesus ons beweegt tot dankbaarheid, wil Hij ons bovendien brengen naar de brón waar alles vandaan komt, naar de bron van alle menselijk leven. Hij vindt het te weinig als we, nadat we door Hem geestelijk gevoed zijn, maar blijven zitten uitbuiken, om zo te zeggen. Hij wil ons juist aanzetten tot de broodnodige beweging. Dáárom voedt Hij ons. Hij draagt het Leven naar ons toe, omdat Hij wil dat wij de bron van het Leven-zelf ontdekken. Het is al heel wat om te mogen eten uit Zijn hand. Maar blijkbaar is dat niet genoeg. Er is nog veel meer voor ons weggelegd. Want pas wanneer we de bron van het Leven ontdekken die Hij is, zullen we ook zelf in staat zijn om het ware Leven uit te delen.

Het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging …, je kunt er vanuit twee standpunten naar kijken: 1. vanuit de mensen die gaan zitten en gevoed worden. 2. Maar ook vanuit Jesus’ leerlingen die de opdracht krijgen de broden en de vissen uit te delen. Dat immers draagt Jesus zijn léérlingen op: Deel uit van wat je hebt, al zouden het maar vijf broden en twee vissen zijn. Want als je met elkaar weet te delen, dan vermenigvuldigt de liefde zich en blijkt zij een groeiende, ja, goddelijke kracht. In de rekenkunde krijgen we dat nooit voor elkaar. Als we gaan rekenen, betekent delen juist het tegenovergestelde van vermenigvuldigen. Dan betekent delen: minder krijgen.



Het wonder van de vijfduizend mensen die gevoed worden, staat in het evangelie op een moment, vlak voordat Jesus zich bekend maakt als het Levende Brood. Ik ben het Levende Brood. Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, maar zijn niettemin gestorven. Maar wie Mij eet zal niet sterven in eeuwigheid. Daar heb je die levensbron weer. Daar moeten we naar toe, naar die Bron. Aan die Bron komt geen einde. Die blijft maar opwellen. Wie Mij eet zal niet sterven in eeuwigheid. Het manna in de woestijn was net genoeg voor iedereen, en er bleef nooit iets over. Het regende voedsel overdag, maar het voedsel smolt weg in de nacht.

Van het brood, dat Jesus ons laat uitdelen, blijft zelfs nog een overvloed over, vol met betekenis: twaalf manden vol met brokken. Brokken voor de hele wereld. Er zal dus altijd genoeg zijn. Nee, nog mooier, er zal altijd teveel zijn, altijd overvloed, nooit meer angst voor tekort, nooit meer bang zijn voor nijpend gebrek. Geen afbraak, geen zinloos einde, geen uitzichtloos sterven. Steeds opnieuw het nieuwe begin, en daarin dan het einde, als een grenzeloze voltooiing. Amen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina