Zondag dhjaar, Sint Augustinuskerk (Mc 1,40-45) b toch komen de mensen van alle kanten naar Hem toe



Dovnload 7.68 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte7.68 Kb.
15 februari 2015, 6e zondag dhjaar, Sint Augustinuskerk (Mc 1,40-45) B
Toch komen de mensen van alle kanten naar Hem toe (Mc 1,45). Dierbare broeders en zusters, dat klinkt, op het eerste gehoor, alsof het niet te gelóven is dat het toch gebeurt. Door zijn succesrijk optreden wordt Jesus een omstreden figuur. De overheid zoekt Hem. Anderen staan Hem naar het leven. Hij kan niet meer openlijk in de stad verschijnen, maar moet zich buiten ophouden, op eenzame plaatsen. Toch komen de mensen van alle kanten naar Hem toe. Als het om Jesus gaat, zijn de mensen, om zo te zeggen, niet te houden.

Wat vindt Jésus zelf daar nu van? Eigenlijk heeft Hij die netelige situatie zelf opgeroepen. Een bevrijdende boodschap verkondigen en allerlei wonderen doen die de zittende magistraat en de kerkelijke overheid in verlegenheid brengen, en dan tegelijk zijn bewonderaars bezweren dat zij aan niemand mogen vertellen wat er gebeurd is … Dan roep je nogal wat op!

Jesus’ verbod -in dit geval aan de melaatse die Hij genezen had- Jesus’ verbod blijkt overigens niet veel effect te hebben, integendeel. De man is dolgelukkig; voor hem begint er echt een nieuw leven. Als melaatse kreeg hij van de maatschappij een streng en onmenselijk isolement opgelegd. Hij was afgeschreven, ja, in feite dood verklaard. Nu brengt Jesus hem van de dood naar het leven. Die afgeschreven mens krijgt van Jesus zijn leven terug. Hij ervaart zichzelf als volkomen uit de dood verrezen. En dat kan hij natuurlijk niet vóór zich houden. Dat moet hij ook aan anderen vertellen. Nog sterker, hij voelt zich verplicht zijn verrijzenis uit de dood, luidkeels aan iedereen te verkondigen. De boodschap van de verrijzenis móet je wel verkondigen, als je zelf verrezen bent.

De evangelist Marcus maakt ons door dit verhaal duidelijk dat het hem er niet om gaat wat Jésus ervan gevonden heeft. Nee, het is de evangelist zélf die er een mening over heeft. En die wil hij aan ons kwijt: dat namelijk de boodschap van de verrijzenis onweerstaanbaar is. Al doet Jesus in de beginperiode van zijn optreden nog zo zijn best om het stil te houden, het zijn de anderen die er wel voor zorgen dat de boodschap verder komt. Wat er op die eenzame plaats …, wat daar als het ware in het verborgene is gebeurd, schreeuwen de getuigen nu van de daken.

Dankzij generaties toegewijde werkers en werksters in het veld -dan denk ik aan missionarissen, missiezusters, zendelingen en medici ... Dankzij organisaties als Memisa is melaatsheid nu minder bedreigend dan in de tijd dat het evangelie werd geschreven. Toch komt het nog te vaak voor, dat mensen melaats worden verkláárd, en tot een isolement veroordeeld: niet alleen door de maatschappij; helaas ook door de kerk; ja, door de kerk zelfs in woorden die nota bene aan het evangelie zijn ontleend. Dat maakt zo’n isolement des te schrijnender.

Woorden die niet liefdevol worden gezegd, al luiden ze nog zo fraai, klinken als holle vaten. Al spreek ik met de tongen van engelen en mensen, als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal, zegt de apostel Paulus (1 Kor 13,1). Als je je woorden niet liefdevol uitspreekt, kun je, zelfs met de zalvende woorden van het evangelie, mensen toch nog brandmerken en dood maken.

Gelukkig laat Jesus zélf zich niet isoleren, toen niet en nu niet. Hij weet ieder isolement te doorbreken. De verrezen Heer komt binnen door gesloten deuren. Levend is de Heer aanwezig, zowel openlijk, in de stad, als in het verborgene, op eenzame plaatsen. Hij is er altijd. Hij is immers verrezen. Na zijn Voorbijgang aan het kruis, na zijn Pascha, zijn Pasen, gaat Hij nooit meer zomaar voorbij, nooit zonder dat er iets positiefs gebeurt. Hij laat zich vinden, zowel binnen als buiten de kerk, zowel door trouwe kerkgangers als door hen die zoekende zijn. En Hij laat zich met name vinden door hen die verstoten worden of in de steek gelaten, bijvoorbeeld door de harde structuren van de maatschappij of door te star gehanteerde kerkstructuren. Want de boodschap van Jesus zélf is er een van mededogen. Op dat mededogen doen we een beroep, tijdens iedere viering van de eucharistie: Heer, ontferm u over ons.

Heer, ontferm u, zijn de meest treffende woorden waarmee we tot Jesus de Gezalfde kunnen bidden: niet alleen als je zoekende bent, maar steeds weer opnieuw, altijd door, ook als je Hem hebt gevonden. Heer, ontferm u over ons.

Jesus heeft nooit gezegd hoe het precies moest, van dag tot dag, of van uur tot uur; hoe we precies moeten handelen, hoe we ons precies hebben te gedragen. Hij heeft ruimte gelaten voor bezinning op onze eigen situatie. Wel wijst Hij een duidelijke richting, de richting naar omhoog, naar zijn hemelse Vader. Het is dezelfde richting waarheen ook de tien geboden wijzen. Jesus schenkt ons bovendien in de concreetheid van de eucharistie -en dat is een geweldig geschenk- tot troost schenkt Hij ons zijn Heilige Geest, de Liefde zelf.



Wie Jesus zoekt, maar Hem in de kérk niet kan vinden - en dat lijken er op het ogenblik nogal wat te zijn; en wie zijn wij, dat wij zulke mensen af gaan schrijven, of er een oordeel over vellen - wie Hem in de kérk niet kan vinden, die kan Hem nog altijd gaan zoeken op eenzame plaatsen; op een plaats waar iemands eigen geweten met Hem alleen is. Op een plaats in het verborgene waar Hij tot die mens zijn genezend woord spreekt. Waar Hij - met een bemoedigend knikje - tot de zoekende mens zegt: Ga je nu maar laten zien aan de priester. Amen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina