Zondag door het jaar (Mc 10,42-45) B



Dovnload 7.6 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte7.6 Kb.
18 oktober 2015, 29ste zondag door het jaar (Mc 10,42-45) B
De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Dierbare broeders en zusters, vandaag valt in de evangelielezing de nadruk op de totale dienstbaarheid van de Heer; nadruk op de uiterste consequentie van zijn knechtschap. Zelf spreekt Jesus uitdrukkelijk over ‘dienen’ als zijn wezenlijke opdracht.

Je zou denken dat zijn leerlingen dat langzamerhand wel door beginnen te krijgen. Maar nee, het was toen al net als bij ons: terwijl Jesus aan zijn tijdgenoten het doel van zijn optreden met woorden en daden duidelijk wil maken, maken zijn leerlingen onder elkaar ruzie, ruzie over wie wel de grootste van hen is. Johannes en Jacobus maken het helemaal bont: ze nemen al bij voorbaat een wissel op Jesus’ toekomstig succes. Zij verzoeken Hem om een voorkeursbehandeling. Dat wekt bij de anderen grote wrevel. En zodoende krijgt de hele apostelschaar, van Jesus een lesje.

Jesus erkent hun oprechte bewogenheid, want mensen zijn soms heus wel bereid tot edele daden. Maar daar gaat het hier nu niet om. De cruciale uitspraak waar het hier om gaat, luidt: ‘Het is niet aan Mij om ereplaatsen uit te delen. Ereplaatsen worden gegeven door God, en Die geeft ze hun, voor wie Hij ze heeft weggelegd.’ Ook deze uitspraak is een toonbeeld van Jesus’ dienaarschap.

Met deze woorden weigert de Heer op de stoel van zijn hemelse Vader te gaan zitten. Hoewel Gods Zoon, gedraagt Hij zich niet als God almachtig. Hij eigent zich Gods beschikkingsrecht niet toe. Hij deelt geen prijzen uit. Jesus beperkt zich er niet toe anderen vermanend toe te spreken, dat ze zich niet moeten verheffen. Ook zelf vermijdt de Heer zich een hoge positie aan te meten. In onze ogen zou Hij dat best mogen, zichzelf verheffen. Hij had er alle reden toe. Als er iemand beloond had moeten worden door God, dan is Hij het wel.

Maar Jesus blijft zijn rol als dienaar, als onnutte knecht, trouw. Hij blijft de vervulling van zijn roeping volhouden, totdat Hij er bij neervalt. Jesus, die tot het bittere einde zijn werk getrouw volbrengt, wil bewust een knecht zijn en niet meer dan dat. Nooit, ook nu niet, komt Hij in de verleiding zich Heer te noemen. Want in de manier waarop Jesus zijn verhouding tot zijn hemelse Vader beleeft, is er geen sprake van een op-eisbare beloning; is er geen sprake van iets waarop je récht zou hebben, iets dat God een mens wel zou móeten geven, omdat die mens meent het verdiend te hebben. Bij Jesus speelt alleen zijn immens vertrouwen op zijn Vader in de hemel.

Ondanks de tegenwind die Jesus ondervindt, spreekt uit zijn woorden een positieve toekomstverwachting, een verwachting die later zal worden vervuld in zijn verrijzenis uit de doden. Jesus’ toekomstverwachting is niet gebaseerd op verdiensten maar op geloof, op een onvoorwaardelijke overgave aan Gods liefde. Hier wordt niets opgeëist. Hier wordt ook niet gemarchandeerd. Hier wordt geen discussie aangegaan. Jesus’ verwachting is alleen gebaseerd op Gods liefde. Zijn verwachting ligt in Gods hand.

Aan leerlingen die naar het hogere streven, maakt Jesus duidelijk dat in het leven van het geloof, beloning geen rol speelt. Dáár doe je het niet voor. Groeien in liefde; daardoor ben je gemotiveerd. Hij wil in zijn liefde voor zijn hemelse Vader steeds meer groeien. En die verhouding bestaat niet alleen tussen de hemelse Vader en zijn beminde Zoon, maar evenzeer tussen twee mensen die echt van elkaar houden. Ook in een liefdesverhouding speelt, als het een echte is, slechts on-voorwaardelijkheid en on-baatzuchtigheid. Winstbejag en uit zijn op beloning zijn daar vreemd aan.

Wat vormt zo’n onbaatzuchtige houding een schril contrast met hebzucht, met heerszucht of wraakzucht. In wraakzucht wil je per se iets terugdoen, maar nooit iets positiefs. Omwille van het kwaad mij aangedaan, ben ik uit op vergelding. Ik zet daar kwaad tegenover. Ja, ik kan me nauwelijks inhouden om er niet nog een schepje bovenop te doen, zodat de vergelding des te harder aankomt. Negatieve vergelding weet nauwelijks van grenzen. Het is nooit genoeg. Mensen vervallen in hun wraak, van kwaad tot erger.



Maar de knecht des Heren, de lijdende dienstknecht (Jes 53,10), vermeerdert het kwaad niet. Hij ruimt het op; niet door iemand met gelijke munt terug te betalen, maar door het kwaad op zich te nemen. Hij wentelt het niet af op de ander. Zijn groot vertrouwen op God zegt Hem, dat Hij onmogelijk om het kwaad heen kan, wanneer Hij de weg verder wil gaan die voor Hem beschikt is. Hij gaat er dwars doorheen, door het kwaad. Maar wij zouden het liefst met een grote boog om het kwaad heen lopen. Net doen alsof het niet bestaat. Of, als je het niet kúnt ontkennen, dan probeer je het boze met veel geweld te liquideren. Natuurlijk slagen wij daar niet in. We maken het alleen maar erger. In plaats van het kwaad te liquideren, liquideren we vaak de mens. En onvermijdelijk doen we daarmee ook onszelf geweld aan.

Dienen is dus geen flauwe kul, het is geen softe houding. Flauwe kul is: willen dat je op je wenken bediend wórdt. Dat is soft, dat is verwend gedrag. De mens die dienstbaar wil zijn aan het leven, dienstbaar om het leven kansen te geven, zo’n mens is bezig zoals Jesus, de Mensenzoon. Want Die is niet gekomen om gediend te wórden, maar om te dienen. Amen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina